Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3501

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
6826984 KK EXPL 18-346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een biotechnologiebedrijf mocht een werkneemster niet op non-actief stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0606
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6826984 KK EXPL 18-346

vonnis van: 22 mei 2018

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. R.K. Torn

t e g e n

de besloten vennootschap DCPrime B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: DCPrime

gemachtigde: mr. J.G.N. Zincken

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 23 april 2018, met producties heeft [eiseres] een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 9 mei 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Voor DCPrime is verschenen de heer [naam CEO] (CEO), vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht, waaronder een conclusie van antwoord met producties van de zijde van DCPrime en een eiswijziging en aanvullende producties van de zijde van [eiseres] . Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

DCPrime, opgericht in 2005, is een innovatief biotechnologiebedrijf dat vaccins ontwikkelt die ingezet kunnen worden voor de behandeling van verschillende vormen van kanker. Bij DCPrime zijn thans 12 werknemers werkzaam.

1.2.

[eiseres] , geboren op 15 april 1969, is sinds 1 november 2007 in dienst van DCPrime. Zij is sinds november 2010 werkzaam in de functie van Chief Operating Officer (hierna: COO) tegen een bruto salaris van, laatstelijk, € 9.493,75 per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

1.3.

De heer [naam CEO] (hierna: [naam CEO] ), sinds 1 oktober 2017 werkzaam bij DCPrime, heeft per 1 maart 2018 de functie van CEO overgenomen van de oprichtster van DCPrime, mevrouw [naam oprichtster] (hierna: [naam oprichtster] ).

1.4.

Op vrijdag 23 maart 2018 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [naam CEO] en [eiseres] . [naam CEO] heeft tijdens dit gesprek kenbaar gemaakt dat de functie van [eiseres] zou komen te vervallen. [eiseres] zou in aanmerking kunnen komen voor een andere functie - met een lager salaris - binnen DCPrime.

1.5.

Op 26 maart 2018 heeft [eiseres] aan [naam CEO] medegedeeld dat zij juridisch advies wil inwinnen, zodat zij beter zou kunnen beoordelen wat de aangekondigde reorganisatie voor haar zou betekenen.

1.6.

Op 28 maart 2018 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden tussen [naam CEO] en [eiseres] . Tijdens dit gesprek heeft [naam CEO] [eiseres] op non-actief gesteld. [naam CEO] heeft [eiseres] tijdens dit gesprek een brief overhandigd waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:

“In de afgelopen periode heb ik met u gesproken over de op handen zijnde organisatorische wijzigingen. In het kader van deze wijzigingen zal uw functie van COO komen te vervallen en hebben wij van gedachten gewisseld over de mogelijkheden en onmogelijkheden met betrekking tot andere passende werkzaamheden alsmede het zoeken naar een praktische en verantwoorde invulling van de uit uw functie voortvloeiende taken in de tussentijd. Ik heb gemerkt dat de communicatie de afgelopen maanden moeizaam is verlopen en dat dit zeker na ons gesprek over de organisatorische wijzigingen niet is verbeterd.

Gezien het grote belang van de projecten waar u bij betrokken bent, en recent aan het licht gekomen gebrek aan progressie en communicatie in diverse projecten, hetgeen zeer significante gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering, heb ik – zoals inmiddels met u besproken – in overleg met het MT en Supervisory board besloten om u per onmiddellijk vrij te stellen van werk. (…)

Wij willen de komende periode gebruiken om het overleg voort te zetten over eventuele andere passende werkzaamheden dan wel een passende beëindigingsregeling.

(...)

Van u wordt verwacht dat u in de tussenliggende periode geen contact zoekt met medewerkers of zakelijke relaties van DCPrime.”

1.7.

Bij e-mail d.d. 29 maart 2018 heeft [eiseres] aan [naam CEO] , voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“Beste [naam CEO] ,

Tot mijn grote schrik en ongenoegen heb jij mij gisteren van het werk naar huis gestuurd. Ik heb je toen mondeling al laten weten het hier absoluut niet mee eens te zijn, maar je stond erop dat ik het kantoorpand zou verlaten en mijn werk zou neerleggen. (…) De non-actiefstelling is beschadigend voor mij en zal dan ook zo snel mogelijk weer moeten worden opgeheven. Ik wil je dringend verzoeken mij per direct weer tot het werk toe te laten. (…).”

1.8.

[naam CEO] heeft bij e-mail d.d. 4 april 2018 medegedeeld dat er van de zijde van DCPrime geen enkel vertrouwen meer is dat de arbeidsrelatie op een vruchtbare wijze kan worden voortgezet, nu – kort gezegd – de wijze van communiceren door [eiseres] te wensen overlaat.

1.9.

Omstreeks 3 mei 2018 heeft DCPrime een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] ingediend bij de rechtbank Den Haag.

Vordering

2. [eiseres] vordert – na wijziging van eis – dat DCPrime bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden:

2.1.

om de non-actiefstelling van [eiseres] op te heffen en [eiseres] weer toe te laten tot haar (overeengekomen) werkzaamheden in het kantoorpand van DCPrime te Leiden – waaronder het wederom aan [eiseres] verlenen van toegang tot (i) het ICT-systeem van DCPrime, (ii) haar DCPrime e-mailaccount en (iii) haar eigen werkplek/werkkamer in het bedrijfspand van DCPrime in Leiden, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag.

2.2.

tot betaling van de kosten van de onderhavige procedure.

3. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat DCPrime haar ten onrechte per direct op non-actief heeft gesteld. De eisen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) brengen mee dat een werkgever niet zonder gegronde reden een werknemer de gelegenheid tot het verrichten van arbeid mag onthouden. Voor een non-actiefstelling moet dan ook een zwaarwegende grond aanwezig zijn. Het enkel nastreven van ontslag is onvoldoende grond voor een non-actiefstelling. [eiseres] herkent zichzelf totaal niet in de verwijten die [naam CEO] haar maakt. Jarenlang heeft zij zich vol toewijding en passie ingezet voor DCPrime. Gedurende deze jaren heeft zij nooit kritiek op haar functioneren gehad. In augustus 2017 heeft zij zelfs nog een salarisverhoging ontvangen van meer dan 25%. Zij begrijpt heel goed dat een nieuwe CEO zijn eigen stempel wil drukken op de onderneming en zij is dan ook te allen tijde bereid hierover een gesprek met [naam CEO] aan te gaan, maar daarvoor is het echter van belang dat zij weer zo snel mogelijk op het kantoor van DCPrime aan het werk kan. De non-actiefstelling is erg beschadigend voor haar reputatie en goede naam.

Verweer

4. DCPrime voert als verweer – samengevat weergegeven – dat [eiseres] in haar rol als COO fungeert als de spin in het web en verantwoordelijk is voor de operationele gang van zaken, waardoor DCPrime voor een groot deel afhankelijk is van haar communicatie. Het voornemen van DCPrime om te reorganiseren houdt enerzijds verband met de doorgroei van DCPrime, waardoor er sprake is van een toenemende complexiteit van de verschillende bedrijfsmodellen en anderzijds met de sterke twijfels over het functioneren van [eiseres] die de kwetsbaarheid laten zien van een organisatie waarbij er sprake is van een concentratie van verantwoordelijkheden in één functie. [eiseres] heeft sinds de komst van [naam CEO] in oktober 2017 belangrijke bedrijfsinformatie, zoals contracten, facturen, vergunningsaanvragen, voortgang klinische studies en klinische data afgeschermd en zij wilde deze bedrijfsinformatie niet met [naam CEO] en [naam oprichtster] delen. Verder was er sprake van een ernstig productieprobleem met vergaande (financiële) consequenties waarvan [naam CEO] niet op de hoogte was, omdat [eiseres] dit niet in lijn met de gemaakte afspraken direct bij [naam CEO] had gemeld. Volgens DCPrime schiet [eiseres] ernstig tekort in de wijze waarop zij haar rol als COO vervult en zet zij ondanks andersluidende afspraken en instructies haar eigengereide en solistische gedragslijn met alle mogelijke gevolgen van dien voort. Volgens DCPrime is er sprake van een complete en onherstelbare vertrouwensbreuk en kan zij het zich niet veroorloven om in de huidige precaire situatie waarin DCPrime zich bevindt weer afhankelijk te zijn van [eiseres] . Overigens is er geen ruchtbaarheid gegeven aan de ontstane situatie en de vrijstelling van [eiseres] , aldus DCPrime.

Beoordeling

5. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

6. Een vordering strekkende tot wedertewerkstelling is naar haar aard spoedeisend. Dat is in dit geval niet anders. Dat het salaris van [eiseres] wordt doorbetaald doet hieraan niet af.

7. Bij schorsing en op non-actiefstelling wordt aan de werknemer een (in dit geval: blijvend) verbod opgelegd zijn werkzaamheden te verrichten. De rechtmatigheid ervan wordt getoetst aan de beginselen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). Kernvraag in onderhavige zaak is dan ook of DCPrime zich als goed werkgever heeft gedragen door [eiseres] op non-actief te stellen. Daarbij geldt dat het recht op (weder)tewerkstelling van de werknemer slechts moet wijken indien de werkgever aannemelijk maakt dat hij een redelijke grond heeft - bijvoorbeeld ernstig wangedrag van de werknemer - voor de op non-actiefstelling, dit afgezet tegen het belang van de werknemer, of dat een bevel tot tewerkstelling tot een onwerkbare situatie zou leiden. Daarbij spelen de bijzondere omstandigheden van het geval een rol. Bij de beoordeling van de vordering tot wedertewerkstelling dient dan ook een belangenafweging plaats te vinden tussen het belang van de werkgever en dat van de werknemer.

8. De kantonrechter stelt voorop dat als niet of onvoldoende betwist is komen vast te staan dat [eiseres] tot de komst van [naam CEO] goed heeft gefunctioneerd. Daarnaar gevraagd is namens DCPrime meegedeeld dat er geen personeelsdossier voorhanden is en functioneringsgesprekken en beoordelingsgesprekken, zo deze al plaatsvonden, niet systematisch zijn vastgelegd. Dat [eiseres] goed functioneerde is ook af te leiden uit het feit, eveneens onbetwist, dat zij in de loop der jaren vaker een salarisverhoging heeft gekregen. Hieraan doet het feit dat er bij DCPrime twijfels zijn ontstaan aan de juistheid van de motivering met betrekking tot de laatste salarisverhoging niet af. [eiseres] heeft sinds 2010 de functie van COO, waarmee zij binnen DCPrime de spin in het web is (geweest). Eveneens is van belang dat [eiseres] zich met hart en ziel en ook buiten reguliere werktijden voor DCPrime heeft ingezet.

9. Een tweede belangrijke achtergrond is dat DCPrime de arbeidsovereenkomst met [eiseres] wenst te beëindigen en daartoe een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter in Leiden heeft ingediend.

10. De directe aanleiding voor de op non-actiefstelling vormt het voornemen van [naam CEO] om tot verandering van de organisatie over te gaan. Hij heeft dit voornemen in een gesprek met [eiseres] op vrijdag 23 maart 2018 kenbaar gemaakt en daarin aangegeven dat haar functie zou vervallen en dat er mogelijk een andere functie met een lager salaris tot de mogelijkheden behoorde.

11. De kantonrechter overweegt dat DCPrime in feite een ingrijpende wijziging van de arbeidsovereenkomst voorstelde. Zowel de inhoud van de functie, de bevoegdheden als de salariëring zouden worden gewijzigd. Volgens vaste rechtspraak ( [naam arrest] -arrest) geldt voor een dergelijke ingrijpende wijziging van de arbeidsovereenkomst een zorgvuldig uit te voeren traject, bestaande uit (ten minste) drie stappen, te weten zijn er gewijzigde omstandigheden die tot wijziging nopen, is het gedane voorstel redelijk en kan aanvaarding in redelijkheid van werknemer worden verwacht? Zeker tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat [eiseres] jarenlang met succes haar functie heeft uitgeoefend is alleszins begrijpelijk dat [eiseres] vervolgens enkele dagen nodig had om zich hierop te beraden en (juridisch) advies wilde inwinnen.

12. Van de zijde van DCPrime is naar voren gebracht dat de voorgestelde organisatorische veranderingen en de ingreep van de op non-actiefstelling van [eiseres] hoogst noodzakelijk waren in het licht van de precaire situatie waarin DCPrime zich bevond en dat ingrijpen geen uitstel duldde. DCPrime heeft deze stelling echter onvoldoende onderbouwd. Zij heeft geen inzicht geboden in de noodzaak van de onmiddellijk uit te voeren functiewijziging. Evenmin heeft zij, bijvoorbeeld aan de hand van financiële stukken of een organogram, uitgelegd waarom de nu gekozen oplossing noodzakelijk is en dat er geen minder verstrekkende alternatieven zijn, zoals een minder vergaande aanpassing van de functie dan wel een wijziging waarbij gedurende enige tijd ten minste het niveau van het salaris zou worden gehandhaafd.

13. DCPrime heeft naast voormelde (organisatorische) redenen ernstige kritiek geuit op het functioneren van [eiseres] . Kort samengevat zou zij informatie hebben afgeschermd, falende productie hebben verzwegen en tekort zijn geschoten in informatieverstrekking rond onder meer de vertraging van klinische studies.

14. [eiseres] heeft ten aanzien van het eerste punt uiteengezet dat zij doende was het systeem van toegankelijkheid van informatie te veranderen, maar dat dit nogal wat voeten in de aarde had, omdat verschillende niveau’s van toegankelijkheid moesten worden gecreëerd en het een wijziging betrof van betekenende omvang en daarom enige tijd in beslag nam. [eiseres] heeft daarbij verwezen naar een door haar opgesteld document (productie 9). Naar het oordeel van de kantonrechter is van de zijde van DCPrime onvoldoende onderbouwd, anders dan dat [naam CEO] vond dat het niet snel genoeg ging, dat de aanpak van [eiseres] niet naar behoren was.

15. Wat de andere verwijten betreft is allereerst van belang dat de onderbouwing daarvan eerst heeft plaatsgevonden nadat [eiseres] op non-actief is gesteld en dat deze niet de directe aanleiding daarvoor vormden. Blijkens de brief van 28 maart 2018 was dat immers: een vermeend gebrek aan progressie en communicatie in diverse projecten en het verval van de functie van COO. Voorts heeft [eiseres] de verwijten die op deze punten aan haar adres zijn gemaakt gedetailleerd betwist. Een kort geding leent zich niet voor verdere bewijsvoering, zodat het er voorshands voor moet worden gehouden dat de juistheid van deze feiten nog niet vaststaan.

16. Namens DCPrime is met verwijzing naar de stukken in de ontbindingsprocedure voorts aangevoerd dat er van haar zijde en die van de Supervisory Board geen enkel vertrouwen meer in [eiseres] is en dat ook dit een reden is om haar niet te laten terugkeren naar de werkvloer. De kantonrechter overweegt dat uit de stukken in de ontbindingsprocedure is op te maken dat het verzoek tot ontbinding is gebaseerd op (en/of) de d- e- ,g- en h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW. Uiteraard kan de kantonrechter in deze procedure niet vooruitlopen op de uitkomst van de ontbindingsprocedure, maar zoals ter zitting al besproken is hij wel voorshands van oordeel dat toewijzing van het verzoek nog geen gelopen koers is en dat daarbij, los van de vraag of de aan het adres van [eiseres] gemaakte verwijten inhoudelijk voldoende zwaar voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst zullen worden bevonden, het ook de vraag is of de arbeidsrechtelijke “spelregels” voldoende in acht zijn genomen, waarbij dan met name wordt gedoeld op de regel dat een werknemer bij kritiek op zijn handelen voldoende gelegenheid moet worden geboden zijn handelen aan te passen en de voorwaarde (die alleen bij verwijtbaar handelen of nalaten niet geldt) dat voldoende inspanning is gepleegd om de werknemer te herplaatsen.

17. Het belang van [eiseres] bij wedertewerkstelling is evident. Zij staat sinds eind maart 2018 op non actief. Een dergelijke maatregel is voor haar diffamerend. Naarmate dit langer duurt, zal hervatting van de werkzaamheden moeilijker worden, onder meer omdat zij bij de collega’s op de werkvloer uit het zicht is verdwenen. Hetzelfde geldt voor de externe relaties met wie zij gedurende langere tijd te maken heeft gehad. Voorts zal bij afwezigheid van [eiseres] de organisatie de facto worden of zijn aangepast in de zin als door DCPrime gewenst. In die zin is de eenzijdige maatregel van DCPrime (meer dan) een voorschot op de door haar gewenste situatie. DCPrime heeft een nieuwe situatie gerealiseerd zonder eerst de toetsing door de rechter af te wachten. Hoe langer deze situatie duurt, hoe lastiger het zal zijn om deze ongedaan te maken. Verder is [eiseres] elke toegang tot de vestiging en het bedrijfsnetwerk ontzegd en daarmee wordt zij bemoeilijkt in haar mogelijkheden haar belangen te behartigen in de ontbindingsprocedure. Ook in geval de ontbindingsprocedure voor haar negatief zou aflopen heeft [eiseres] belang bij werkhervatting, nu de ervaring leert dat het zoeken naar ander werk in de regel soepeler verloopt wanneer dat gebeurt vanuit een werkende situatie dan wanneer men thuis zit.

18. Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat de weging van belangen in het voordeel van [eiseres] dient uit te vallen. De vordering tot tewerkstelling c.a. en de tevens gevorderde dwangsom zullen als na te melden worden toegewezen.

19. DCPrime dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt DCPrime om de non-actiefstelling van [eiseres] op te heffen en [eiseres] weer toe te laten tot haar (overeengekomen) werkzaamheden in het kantoorpand van DCPrime te Leiden – waaronder het wederom aan [eiseres] verlenen van toegang tot (i) het ICT-systeem van DCPrime, (ii) haar DCPrime e-mailaccount en (iii) haar eigen werkplek/werkkamer in het bedrijfspand van DCPrime in Leiden, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag als DCPrime twee dagen na betekening van het onderhavige vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 250.000,00.

veroordeelt DCPrime in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:
exploot € 98,01
salaris € 400,00
griffierecht € 79,00
----------------
totaal € 577,01
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt DCPrime tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en DCPrime niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.