Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3382

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
13/994003-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wegens overtreding van enkele bepalingen van de Flora- en faunawet, inmiddels vervangen door de Wet Natuurbescherming, wordt verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een geldboete. Geen criminele organisatie. Toepassing van de voor verdachte gunstiger bepalingen van de Wet Natuurbescherming. Stropen, diefstal van een hert en het voorhanden hebben van jachtwapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2018/136 met annotatie van S. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/994003-17

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 en 18 april 2018 (inhoudelijke behandeling) en 3 mei 2018 (sluiting). Verdachte is aanwezig geweest op de zittingen van 17 en 18 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.C.A. Plantenga en S. Kubicz (hierna: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.H.J.G. van Voorthuizen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich (tezamen en in vereniging met anderen) heeft schuldig gemaakt aan

1.het medeplichtig zijn aan het (opzettelijk) doden, verwonden, vangen, bemachtigen en/of met het oog daarop opsporen van een wild zwijn en/of een wild zwijnenbig en/ of een vos op 10 juni 2015;

2.het (opzettelijk) vervoeren en/of onder zich hebben van een wild zwijn in de periode van 10 juni 2015 tot en met 15 juni 2015;

3.primair: de diefstal van een hert door middel van braak op 28 november 2015;

subsidiair: poging tot diefstal.

4.het voorhanden hebben van een enkelloops kogelgeweer en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie op 17 augustus 2015;

5.het voorhanden hebben van vier geluiddempers van categorie I van de Wet wapens en munitie op 17 augustus 2015;

6.het deelnemen aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 augustus 2015.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Verhouding Ffw en Wet natuurbescherming

De Ffw is sinds 1 januari 2017 opgevolgd door de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Voor deze zaak zijn er twee relevante wijzigingen. De eerste is de introductie van het opzetvereiste in de Wnb. Door het opnemen van opzet in het equivalent van de artikelen 9 Ffw (nu artikel 3.10 Wnb) en 13 Ffw (nu artikel 3.38 Wnb) is opzet bestanddeel geworden van de delictsomschrijving. Dit betekent dat niet-opzettelijke handelingen (overtredingen), zoals bedoeld in die artikelen, niet langer strafbaar zijn. Anders dan de officier van justitie in haar requisitoir lijkt aan te nemen, geldt voor deze economische delicten in de opzet-variant bovendien dat de strafbepaling nu opzettelijk moet zijn overtreden (zogenoemd ‘boos opzet’) en niet, zoals gebruikelijk in het ordeningsrecht en vóór 1 januari 2017 gold, dat het opzet alleen gericht hoefde te zijn op de bestanddelen van de strafbepaling en niet op het wederrechtelijke karakter van de gedragingen (zogenoemd ‘kleurloos opzet’).

Daarnaast is dat het enkele vervoeren van uit het wild afkomstige dieren niet langer strafbaar is onder de Wnb. Alleen het ‘onder zich hebben of verhandelen’ van aangewezen diersoorten (zoals wilde zwijnen) is in artikel 3.38 lid 1 sub a van de Wnb onder verwijzing naar artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming strafbaar gesteld.

Omdat de wet in de periode, gelegen tussen het begaan van de verweten gedragingen en de dag van dit vonnis, gewijzigd is, en die wijzigingen zonder twijfel voortvloeien uit een gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van deze feiten, worden op grond van artikel 1, tweede lid Sr de voor verdachte gunstigere verbodsbepalingen van de Wnb toegepast.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 21 november 2013 heeft de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek een anonieme brief ontvangen waarin stond vermeld dat een zekere “ [naam 1] ” op een wildbarbecue heeft verteld dat hij zijn jachtakte was kwijtgeraakt en dat hij sindsdien met een vriend stroopt. Op 29 september 2014 is een anonieme melding binnengekomen via het meldpunt Meld Misdaad Anoniem dat de jachtakte van [medeverdachte 1] is ingetrokken en dat bekend is dat hij desondanks bijna dagelijks naar de Veluwe rijdt om te jagen. Uit een GBA-bevraging is de naam van medeverdachte [medeverdachte 1] naar voren gekomen en uit verder onderzoek blijkt dat zijn jachtakte inderdaad is ingetrokken en dat hij bekend staat onder de roepnaam “ [naam 1] ”. Hierop is het onderzoek 09Bosduif gestart, waarbij uiteindelijk verschillende verdachten in beeld zijn gekomen. De meeste verdachten wordt – kort samengevat – verweten dat zij in wisselende samenstelling met vuurwapens hebben geschoten op beschermde diersoorten en/of dat zij deze dieren hebben gevangen. De meesten van hen hebben dit gedaan zonder dat zij in het bezit waren van een jachtakte. Daarnaast wordt een aantal van hen verweten dat zij wapens en/of munitie voorhanden hebben gehad. Tot slot zouden een aantal verdachten een criminele organisatie hebben gevormd met als gezamenlijk doel het gestroopte wild te gebruiken voor de jaarlijkse wildbarbecue, die in 2015 voor de zesde keer zou plaatsvinden.

4.2

Overwegingen van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 6 - deelname aan een criminele organisatie

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De officier van justitie heeft aangevoerd dat dit wel het geval is, maar de raadsman stelt dat niet aan de juridische vereisten van een criminele organisatie wordt voldaan.

Onder ‘organisatie’ in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan een samenwerkingsverband tussen ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en geledingen.

In deze zaak is onvoldoende gebleken dat sprake is van zo’n samenwerkingsverband. Het stropen en overdragen van wapens gebeurde weliswaar veelvuldig, waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] vaak als initiatiefnemer optrad, maar het gebeurde steeds in wisselende samenstellingen en op verschillende manieren. Het waren losse handelingen van individuen die onderling geen regels of afspraken hadden. Voor zover er al enige samenwerking was, bijvoorbeeld door middel van het vormen van een WhatsApp-groep, dan zag deze samenwerking op de gezamenlijke organisatie van een jaarlijkse wildbarbecue. Het enkele feit dat individuen uit een groep – al dan niet gezamenlijk met andere groepsleden – misdrijven plegen betekent echter niet automatisch dat het oogmerk van die groep ook gericht is op het plegen van die of andere misdrijven. Uit het dossier en het verhandelde op de zitting blijkt bovendien onvoldoende dat het gezamenlijke stropen hoofdzakelijk werd gedaan ter bevoorrading van de wildbarbecue. Kortom, de rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 - het doden van een wild zwijn / big / vos

Vast staat dat verdachte [medeverdachte 1] heeft geholpen een wild zwijn te doden. Anders dan de officier en met de verdediging acht de rechtbank het bewijs voor medeplichtigheid aan ook het doden van een big en vos niet aanwezig zodat voor die onderdelen van de tenlastelegging vrijspraak volgt.

Ten aanzien van feit 5 - de geluiddempers

De raadsman heeft aangevoerd dat de geluiddempers exemplaren betreffen die niet bestemd of geschikt zijn voor een vuurwapen, maar voor een luchtbuks. De geluiddempers moeten volgens de verdediging dan ook worden gezien als vrijgestelde onderdelen. De rechtbank verwerpt het verweer. Vaststaat dat verdachte met behulp van een demper op een vuurwapen heeft geschoten zodat moet worden aangenomen dat de demper geschikt was voor het vuurwapen. Dat wellicht het gebruik van het wapen op een dergelijke wijze van korte duur is, is geen factor die van betekenis is. De conclusie dat de dempers geschikt zijn voor een vuurwapen – ook al zijn deze daarvoor niet bedoeld – wordt ook ondersteund door het proces-verbaal van wapenonderzoek: ‘Het inbeslaggenomen voorwerp, een enkelloops kogelgeweer, is voorzien van een geluiddemper. Het voorwerp is niet in een vuurwapen geïntegreerd, aan de loopmond daarvan bevestigd en geschikt om te bewerkstelligen dat het geluid van het afgaan van een schot wordt gedempt. Het voorwerp kan door middel van een schroef op de voorzijde van een loop van een vuurwapen worden bevestigd. Derhalve is dit voorwerp een wapen als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie I, onder 3 van de Wet wapens en munitie’1. Ook ten aanzien van de drie losse aangetroffen geluiddempers blijkt uit het rapport dat deze aan een loop van een vuurwapen kunnen worden bevestigd en dat deze dus voor een vuurwapen geschikt zijn. Het voorhanden hebben van vier geluiddempers voor een vuurwapen wordt dan ook bewezen geacht.

4.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

[medeverdachte 1] omstreeks 10 juni 2015 te Kootwijk(erbroek) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een wild zwijn heeft gedood tot het plegen van dat misdrijf hij, verdachte, toen en daar opzettelijk behulpzaam was door een rondje te gaan rijden om dieren op te sporen en door te melden dat er een varken op de speelweide stond;

2.

in de periode van 10 juni 2015 tot en met 15 juni 2015 te Kootwijkerbroek tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk (producten van een) wild zwijn onder zich heeft gehad.

3.
op 28 november 2015 te Harskamp tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuur heeft weggenomen een dood hert dat toebehoorde aan Staatsbosbeheer, waarbij hij, verdachte, en zijn mededader met een koevoet de deur van de schuur hebben opengebroken;

4.

op 17 augustus 2015 te Lunteren een wapen van categorie III onder 1, te weten een enkelloops kogelgeweer (merk Anschutz, type Grendel, kaliber 22) en munitie van categorie III, te weten 646 stuks munitie voorhanden heeft gehad;

5.

op 17 augustus 2015 te Lunteren wapens van categorie I onder 3, te weten 4 geluiddempers voor vuurwapens voorhanden heeft gehad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing, dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 120 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat hij de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Ten aanzien van het door hen onder feit 5 bewezen geachte dient verdachte te worden veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van acht dagen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist. Daarnaast heeft hij gevraagd of in de strafmaat rekening kan worden gehouden met het feit dat verdachte hard werkt en kostwinner is van zijn gezin.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft geholpen bij het illegaal schieten van een wild zwijn en hij heeft met anderen producten van dit wilde zwijn onder zich gehad. Verdachte heeft door zo te handelen onvoldoende respect voor de natuur getoond en geen blijk gegeven van verantwoordelijkheidsbesef voor het belang van de samenleving bij een zekere stand van beschermde inheemse diersoorten. Verder heeft hij met een ander van een boswachter hertenvlees gestolen, waarbij hij de schuur waar het vlees lag, heeft opengebroken. Ten slotte had hij zonder vergunning een kogelgeweer, maar liefst ruim 600 stuks munitie en vier geluiddempers in zijn bezit. Dit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en kan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 9 april 2018. Hieruit blijkt dat verdachte recent niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Bij het opleggen van een straf wordt ook bekeken of de zaak van een verdachte tijdig wordt afgedaan. Een verdachte heeft namelijk recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op het moment waarop verdachte in verzekering werd gesteld. Dat was op 17 augustus 2015. Dit betekent dat, als zich geen bijzonderheden voor doen, de zaak in augustus 2017 afgerond had moeten zijn. Door de complexiteit van de zaak, de grootte van het onderzoek en de vele verdachten, die bij het onderzoek betrokken zijn, vindt de rechtbank dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het gerechtvaardigd is dat de afdoening van de zaak langer heeft geduurd dan het uitgangspunt van twee jaar. Om die reden is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Desondanks zal de rechtbank in de strafmaat wel meewegen dat het voor de verdachte lang heeft geduurd voordat de zaak op zitting stond.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende straffen. Aan verdachte wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opgelegd met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van 120 uur (met aftrek van het voorarrest) en een geldboete van € 1.500,-.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Nummer Voorwerp Goednummer

1. één ingevroren vos B.05.01.001

2 één ingevroren deel reebok B.05.01.002

Onttrekking aan het verkeer

Nu de voorwerpen met de nummers 1 en 2 van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 47, 48, 57, 91 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, de artikelen 9 en 13 van de Ffw (oud) en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert als juridische kwalificatie op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Medeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 (vijfentwintig) dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    Voorwerp 1, zijnde één ingevroren vos, vallende onder goednummer B.05.01.001;

  • -

    Voorwerp 2, zijnde één ingevroren deel reebok, vallende onder goednummer B.05.01.002.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. M.R.J. van Wel en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 mei 2018.

1 Een proces-verbaal van onderzoek wapens met nummer PL0600-2015406895-4 / 00.AMB.06 van 23 september 2015, inclusief bijlages, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pag. 2122.