Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:336

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
13/997087-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige vrouw is veroordeeld tot een taakstraf van 160 uur. Ze is deels vrijgesproken van witwassen. Zij is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen. Vrijspraak voor valsheid in geschrifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997087-15 (Promis)

Datum uitspraak: 24 januari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Bijleveld en van wat verdachte en haar raadsman mr. P.Verweijen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2015 in Amsterdam samen met de medeverdachte geld heeft witgewassen en daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Het gaat om een totaalbedrag van € 73.845,95 waarvan verdachte zou hebben geweten of moeten vermoeden dat het van misdrijf afkomstig was. Dit is ten laste gelegd onder feit 1.

Onder feit 2 is ten laste gelegd dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, omdat zij valse salarisstroken en een valse arbeidsovereenkomst zouden hebben opgemaakt.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Naar aanleiding van een onderzoek (Waigeo) naar de vermoedelijke wapenhandel door de partner van verdachte, de medeverdachte, en later ontvangen informatie dat hij nog steeds in wapens zou handelen, werd op 8 april 2015 het onderzoek Friendship gestart. Hierbij werd tot en met 16 juni 2015 onderzoek verricht naar de medeverdachte. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat de medeverdachte nog steeds in wapens handelde. Wel is op basis van dit onderzoek de verdenking ontstaan dat verdachte samen met de medeverdachte (met wie zij samenwoont en vier kinderen heeft) zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 1). Zij zouden namelijk méér contant geld tot hun beschikking hebben gehad dan de inkomsten uit de winkel van de medeverdachte genaamd [naam winkel] (hierna de [naam winkel] ) zouden kunnen verklaren, terwijl ook niet is gebleken van andere legale inkomstenbronnen. Ook ná de sluiting van de [naam winkel] zouden zij hebben beschikt over grote contante geldbedragen.

Daarnaast ontstond het vermoeden dat zij een valse arbeidsovereenkomst en valse salarisstroken hebben opgemaakt, omdat verdachte een arbeidsovereenkomst bij de [naam winkel] had en zij salaris van de [naam winkel] ontving, terwijl zij daar toen niet zou werken (feit 2).

De rechtbank zal in deze zaak de vraag moeten beantwoorden of kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en valsheid in geschrifte.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 1). Zij vindt ook dat verdachte zich daar zo’n lange periode aan schuldig heeft gemaakt, dat kan worden geconcludeerd dat zij van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De officier van justitie heeft een schriftelijk requisitoir aan de rechtbank overgelegd, waarin zij dit standpunt heeft onderbouwd.

De onderbouwing van de officier van justitie komt er kort samengevat op neer dat uit de gegevens van de zakelijke rekening van de medeverdachte en de privérekeningen van de medeverdachte en de verdachte is gebleken dat zij in de onderzochte periode méér contant geld tot hun beschikking hebben gehad dan uit de opgave van de inkomsten uit de [naam winkel] verklaarbaar is. Niet is gebleken dat zij of de medeverdachte andere legale inkomstenbronnen hebben gehad die de contante geldbedragen kunnen verklaren. Na de sluiting van de [naam winkel] heeft alleen verdachte inkomsten uit uitkeringen gehad, terwijl zij nog steeds over grote bedragen contant geld beschikten. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat de contante geldbedragen die op de rekeningen van verdachte en de medeverdachte zijn gestort en waarmee zij betalingen hebben verricht, uit enig misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. De officier van justitie vindt daarom dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit moet hebben geweten.

De officier van justitie vindt dat ook kan worden bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, door loonstroken en een arbeidsovereenkomst op te maken alsof verdachte bij de [naam winkel] werkzaam was, terwijl dat niet het geval was (feit 2). De officier van justitie baseert zich daarbij op de camerabeelden van de [naam winkel] , waarop verbalisanten in een periode van 59 dagen verdachte slechts vier keer bij de [naam winkel] hebben gezien. Ook weegt de officier van justitie mee dat de medeverdachte in het onderzoek Waigeo heeft verklaard dat er slechts één persoon genaamd [naam] bij de [naam winkel] werkzaam zou zijn. Dit blijkt ook uit de gegevens bij de Kamer van Koophandel. De officier van justitie vindt dat op basis daarvan kan worden vastgesteld dat verdachte niet bij de [naam winkel] werkzaam was en dat de loonstroken en de arbeidsovereenkomst dus vals zijn opgemaakt.

Omdat verdachte hierdoor onterecht salaris, een uitkering in verband met zwangerschapsverlof, een werkloosheidsuitkering en toeslagen heeft ontvangen, kan volgens de officier van justitie worden bewezen dat verdachte en de medeverdachte ook met deze inkomsten zich schuldig hebben gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde witwassen.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vindt dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 1) en/of valsheid in geschrifte (feit 2). De verdediging heeft dit gemotiveerd in een schriftelijke pleitnota.

Het standpunt van de verdediging komt er kort samengevat op neer dat er verschillende verklaringen zijn voor het verschil tussen het contante geld dat de verdachte en de medeverdachte tot hun beschikking hebben gehad en de inkomsten die zij volgens het kasboek en de gegevens van de Belastingdienst uit de [naam winkel] zouden hebben gehad. Allereest is een deel van het verschil te verklaren doordat niet alle omzet van de [naam winkel] in het kasboek is verwerkt. Er zou namelijk een aparte geldstroom zijn geweest van online belkaarten die via zogenaamde Clients werden verkocht. Hiervoor hield de medeverdachte geen administratie bij, omdat over deze verkopen geen omzetbelasting hoeft te worden betaald. Ook wordt een deel van het verschil verklaard doordat de [naam winkel] langer open is geweest dan de periode waarop het kasboek ziet. Daarnaast erkent de medeverdachte dat het ook wel eens voorkwam dat hij (dure) goederen contant verkocht en van de verkoopopbrengst slechts een deel in de administratie verwerkte en het andere deel in zijn zak stopte. Tot slot had de medeverdachte veel contant geld doordat hij geld uit eerdere ondernemingen en uit de [naam winkel] had gespaard en doordat hij bitcoins, sieraden, horloges en de inventaris van de [naam winkel] contant heeft verkocht. De gestorte en uitgegeven geldbedragen zijn dus niet van misdrijf afkomstig, aldus de verdediging.

Mocht de rechtbank hier anders over denken, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Zij liet de financiën volledig aan de medeverdachte over en zij wist niet beter dan dat de [naam winkel] een bijzonder goed lopend bedrijf was waar grotendeels met contant geld werd betaald.

De verdediging vindt dat ook feit 2 niet kan worden bewezen. Dat verdachte niet werkzaam zou zijn geweest bij de [naam winkel] kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld. Bij de motivering van dit standpunt heeft de verdediging in het bijzonder aandacht besteed aan de door verbalisanten bekeken camerabeelden die op de [naam winkel] waren gericht. Volgens de verdediging zou verdachte van april 2011 tot en met januari 2014 bij de [naam winkel] werkzaam zijn geweest, terwijl de camerabeelden van slechts 183 dagen zijn bekeken. Van die 183 dagen is de [naam winkel] bovendien niet elke dag open geweest. Daar komt bij dat de beelden slechts steeksproefsgewijs zijn bekeken, waarbij vooral is gekeken wie de winkel heeft geopend en gesloten. De verdediging vindt dit onvoldoende om te concluderen dat verdachte niet bij de [naam winkel] heeft gewerkt. Aan de verklaring van de medeverdachte in het onderzoek Waigeo dat alleen [naam] bij de [naam winkel] zou werken hecht de verdediging niet veel waarde, omdat de medeverdachte zijn vrouw niet als personeel ziet. De verdediging had met de camerabeelden willen aantonen op welke dagen verdachte heeft gewerkt, maar doordat de beelden niet vooruit kunnen worden gespoeld zou het te veel tijd in beslag nemen om al het beeldmateriaal te bekijken.

De verdediging vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 en 2.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal onder dit kopje een oordeel geven over feiten 1 en 2. Omdat uit de verdenking van feit 2 (het opmaken en gebruik maken van valse salarisstroken en een arbeidsovereenkomst) een deel van de verdenking van feit 1 voortvloeit (ontvangen salaris, uitkeringen en toeslagen), zal eerst feit 2 worden besproken. Daarna zal de rechtbank een oordeel geven over feit 1.

3.4.1.

Valsheid in geschrifte (feit 2)

De rechtbank vindt dat niet kan worden bewezen dat verdachte en de medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld dat verdachte niet bij de [naam winkel] werkzaam zou zijn geweest en de arbeidsrelatie van meet af aan een schijnconstructie betrof, zoals door de officier van justitie is aangenomen. In het bijzonder neemt de rechtbank in haar overweging mee dat van de 183 dagen dat er beelden zijn opgenomen van de toegangsdeur van de [naam winkel] , er slechts fragmenten zijn bekeken van niet meer dan 59 dagen. Doordat er van zo weinig dagen beelden zijn bekeken en doordat van die beelden slechts steekproefsgewijs fragmenten zijn bekeken, bestaat nog steeds de mogelijkheid dat verdachte in die 59 dagen vaker bij de [naam winkel] is geweest dan de waargenomen vier keer. Daar komt bij dat uit de arbeidsovereenkomst niet blijkt dat verdachte voor haar werkzaamheden dagelijks in de [naam winkel] moest zijn. Bovendien zijn er alleen in 2013 beelden opgenomen. Ook om die reden acht de rechtbank ze van weinig betekenis voor de beantwoording van de vraag met welke intenties de arbeidsovereenkomst in 2011 is opgesteld. De officier van justitie heeft er nog op gewezen dat de medeverdachte in het onderzoek Waigeo heeft verklaard dat ‘ [naam] ’ het enige personeelslid is en dat ook uit de gegevens van de Kamer van Koophandel zou blijken dat de [naam winkel] één werknemer in dienst had. De rechtbank vindt dit echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verdachte in de periode van april 2011 tot en met januari 2014 niet bij de [naam winkel] werkzaam was. Daarom kan ook niet worden vastgesteld dat de salarisstroken en arbeidsovereenkomst vals zijn opgemaakt. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 2.

3.4.2.

Witwassen (feit 1)

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de periode dat de [naam winkel] open was. Voor dat deel van de tenlastelegging moet verdachte worden vrijgesproken.

Dit geldt echter niet voor de periode ná de sluiting van de [naam winkel] . De rechtbank vindt dat voor die periode wel kan worden bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

De rechtbank zal hieronder uitleggen waarop zij haar oordeel heeft gebaseerd. Daarbij zal eerst worden uitgelegd aan de hand van welk juridisch kader de rechtbank feit 1 heeft beoordeeld. Daarna zal de rechtbank uitleggen waarom zij vindt dat verdachte voor een deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken en dat het andere deel van de tenlastelegging wel kan worden bewezen.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van een verdachte worden verlangd dat hij of zij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp. Zo’n verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Vrijspraak voor de periode voor de sluiting van de [naam winkel]

In de zaak van de medeverdachte heeft de rechtbank overwogen dat het voldoende aannemelijk is dat de [naam winkel] langer open is geweest dan de periode die in het kasboek is verwerkt en dat er via Clients aangeschafte belkaarten contant zijn verkocht en dat die omzet ook niet is verantwoord in het kasboek. Daardoor is niet duidelijk geworden welk deel van het contant gestorte geldbedrag van € 207.570,00 - dat is gestort in de periode dat de [naam winkel] van de medeverdachte open was - afkomstig is uit de verkoop van belkaarten via Clients en welk deel afkomstig is uit de omzet van andere producten uit de [naam winkel] . Daardoor is ook niet duidelijk geworden of en zo ja, welk geldbedrag er overblijft waar de medeverdachte geen aannemelijke verklaring voor heeft gegeven. Weliswaar is duidelijk dat de medeverdachte - nu hij heeft erkend bij contante verkopen in de [naam winkel] soms omzet niet in het kasboek te hebben verantwoord en ook de geringe marge die hij maakte op de verkoop van belkaarten via Clients niet heeft opgegeven bij zijn aangifte inkomstenbelasting - vermoedelijk onjuiste aangiftes inkomstenbelasting heeft gedaan, maar nu het strafrechtelijk onderzoek daar in het geheel niet op gericht is, kan op geen enkele wijze worden vastgesteld om welk bedrag aan te weinig betaalde inkomstenbelasting het zou gaan en al helemaal niet dat juist dat bedrag bij die niet in de boekhouding verantwoorde contante stortingen zou zitten.

De rechtbank is daarom tot de conclusie gekomen dat niet kan worden vastgesteld dat het gestorte contante geldbedrag van € 207.570,00 van misdrijf afkomstig is. Hieruit vloeit voort dat ook niet kan worden vastgesteld dat de overige transacties en betalingen die op de tenlastelegging zijn vermeld en die zijn verricht in de periode dat de [naam winkel] nog open was , verricht zijn met geld dat van misdrijf afkomstig is. De rechtbank heeft daarom de medeverdachte vrijgesproken voor de onderdelen van de tenlastelegging die zien op deze periode. De rechtbank zal daarom ook verdachte vrijspreken voor die onderdelen van de tenlastelegging die zien op uitgaven en betalingen die zijn verricht in deze periode.

De rechtbank heeft hierboven bij feit 2 overwogen dat zij vindt dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een fictief dienstverband tussen verdachte en de [naam winkel] . Om die reden zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van de onderdelen van de tenlastelegging die zien op de door verdachte ontvangen salaris, uitkeringen en toeslagen.

Bewezenverklaring voor de periode na de sluiting van de [naam winkel] 1

Vermoeden van witwassen

Verdachte en de medeverdachte zijn partners. Zij wonen samen in Amsterdam, hebben een gezamenlijk huishouden en zij hebben vier kinderen.2

Uit onderzoek is gebleken dat de medeverdachte in de periode na de sluiting van de [naam winkel] op 13 maart 2014 tot en met 19 juni 2015 geen legale inkomstenbronnen heeft gehad. Uit de privérekeningen van verdachte en de medeverdachte is echter het volgende gebleken:

Contante stortingen op rekening van [medeverdachte]

In de periode van 14 maart 2014 tot en met 16 juni 2015 zijn contante geldbedragen gestort op de privérekening van medeverdachte (rekeningnummer [rekeningnummer] ). Het gaat om een totaalbedrag van € 49.040,00.

Contante stortingen op rekening van [verdachte]

In de periode van 13 maart 2014 tot en met 16 juni 2015 zijn contante geldbedragen gestort op de privérekening van de verdachte (rekeningnummer [rekeningnummer] . Het gaat om vier stortingen van in totaal € 7.700,00. Drie stortingen hebben plaatsgevonden op 23 april 2014, 15 mei 2014 en 16 mei 2014.3

Suri-change contante uitgaven

In de periode van 13 maart 2014 tot en met 22 mei 2014 zijn er met contant geld via Suri-Change betalingen verricht ten behoeve van de vaste lasten van verdachte en de medeverdachte. Suri-Change is een bedrijf dat is gespecialiseerd in moneytransfers. Het gaat om een totaal bedrag van € 7.306,28.4 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de met dit geldbedrag rekeningen heeft betaald toen de medeverdachte in voorarrest zat.5

Contante uitgave bij de Kastengigant en bij de Ikea

In de periode ná de sluiting van de [naam winkel] van verdachte, hebben medeverdachte en de verdachte bij de kastengigant € 5.000,00 contant uitgegeven (op 2 maart 2015) en voor
€ 2.799,92 spullen bij de Ikea gekocht (op 14 april 2015).6

Ten aanzien van de stortingen van € 7.700,00 en de betalingen via Suri-Change heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat zij met dit deze geldbedragen rekeningen heeft betaald toen de medeverdachte in het onderzoek Waigeo in voorarrest zat. Verdachte heeft ook verklaard dat zij aan de medeverdachte heeft gevraagd hoe hij aan zijn geld kwam. Ze wist dat de [naam winkel] een goed lopend bedrijf was en ze wist dat hij spullen en horloges had verkocht.7

Verdachte heeft in de periode van februari 2014 tot en met juni 2015 in totaal € 17.508,26 van het UWV ontvangen aan uitkering in verband met zwangerschapsverlof en een werkloosheidsuitkering.8

De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte in totaal € 71.846,23 aan contant geld tot haar beschikking heeft gehad, terwijl de [naam winkel] van de medeverdachte was gesloten en ook niet is gebleken dat de medeverdachte andere legale inkomstenbronnen had. Ook de uitkeringen die verdachte van het UWV heeft ontvangen kunnen de hoogte van het contante geldbedrag niet verklaren. Dat verdachte andere legale inkomstenbronnen had is ook niet uit het onderzoek gebleken. Hierdoor ontstaat er een gerechtvaardigd vermoeden dat het contant gestorte geldbedrag van € 71.846,23 van misdrijf afkomstig is.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft echter geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogste onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de legale herkomst van het geldbedrag.

Zo is op geen enkele wijze onderbouwd dat de medeverdachte € 50.000,00 aan contant spaargeld thuis had liggen, die door de politie tijdens de huiszoeking op 13 maart 2014 over het hoofd zou zijn gezien. Ook is onvoldoende concreet gemaakt dat de medeverdachte méér spullen uit de inventaris van de [naam winkel] heeft verkocht dan de spullen die hij blijkens een factuur voor € 7.500,00 aan [naam 1] heeft verkocht. De verdediging heeft ter onderbouwing slechts gewezen op de inventaris die te zien is op foto’s die door de politie zijn gemaakt nadat zij de [naam winkel] hadden doorzocht, op de huur van de [naam winkel] die is doorbetaald toen de medeverdachte in voorarrest zat en op de loods die hij zou hebben gehuurd voor de opslag van de spullen uit de [naam winkel] . Hieruit blijkt echter niet welke spullen hij zou hebben verkocht en wat de opbrengst daarvan was. Ook ten aanzien van de opbrengst van de inventaris heeft de medeverdachte wisselend verklaard en door of namens verdachte is daarover in het geheel geen verklaring afgelegd. Tot slot is de verklaring van de medeverdachte dat een deel van het contante geld zou bestaan uit de opbrengst van de verkoop van sieraden en horloges niet concreet en verifieerbaar gemaakt door de verdediging.

Uit onderzoek (naar aanleiding van de verklaring van de medeverdachte) is weliswaar gebleken dat hij één horloge voor € 4.200,00 contant heeft verkocht aan een juwelier, maar dat hij nog meer horloges en sieraden zou hebben verkocht is door de verdediging niet onderbouwd en daarmee niet verifieerbaar. De verdediging heeft nog wel gewezen op de beslaglijst uit het onderzoek Waigeo, maar daaruit blijkt niet méér dan dat deze sieraden en horloges onder verdachte in beslag zijn genomen en dat de medeverdachte ze weer terug heeft gekregen. Of, en zo ja, wanneer, aan wie en voor welk bedrag hij de sieraden en horloges zou hebben verkocht is op geen enkele wijze onderbouwd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de contante geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Met dit geld werden onder meer rekeningen betaald ten behoeve van de gezamenlijke huishouding. Verdachte heeft bovendien ook zelf uitvoeringshandelingen verricht, door een deel van de € 71.846,23 op haar rekening te storten en via Suri-Change rekeningen te betalen. Zij wist echter dat de medeverdachte geen legale inkomstenbronnen meer had. Ze heeft echter nooit gevraagd naar de herkomst van het geld. De rechtbank vindt daarom dat het niet anders kan dan dat verdachte zich – op z’n minst – bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat de contante geldbedragen een criminele herkomst hadden. Door toch van het geld te profiteren, heeft ze die aanmerkelijke kans aanvaard en kan haar opzet op het medeplegen van gewoontewitwassen bewezen worden verklaard.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op één of meer tijdstippen in de periode van 13 maart 2014 tot en met 30 juni 2015 te Amsterdam,

telkens tezamen en in vereniging met een ander,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben zij, verdachte, en haar mededader stelselmatig op een aantal tijdstippen in voormelde periode telkens van een aantal voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van 5.000 euro (contante betaling aan de kastengigant),

- een geldbedrag van 2.799,95 euro (contante uitgave Ikea),

- geldbedragen van totaal 49.040 euro, contant gestort op rekeningnummer

[rekeningnummer] , ten name van [medeverdachte] , en

- geldbedragen van totaal 8.916,70 euro, contant gestort op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [verdachte] , en

- een geldbedrag van 7.306,28 euro (contante uitgaven Suri-change),

voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en gebruikt, terwijl zij en haar mededader wisten dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan verdachte opleggen en taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

Hierbij zijn de volgende omstandigheden meegewogen.

Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door gedurende een lange periode grote contante geldbedragen op de bankrekeningen van verdachte en de medeverdachte te storten en daarmee uitgaven te verrichten. Het gaat om een totaalbedrag van € 71.846,23.

Dit is een ernstig misdrijf. Door witwassen worden de inkomsten uit misdrijven in het legale betalingsverkeer gebracht of geprobeerd te brengen. Dit is een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Bovendien worden deze inkomsten daarmee aan het zicht van justitie onttrokken. In witwaszaken met dit soort geldbedragen wordt door rechters doorgaans dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vele maanden of zelfs jaren opgelegd.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de richtlijnen voor fraudedelicten. De richtlijnen voor een fraudedelict met een benadelingsbedrag tussen de

€ € 70.000,00 tot € 125.000,00 is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf tot negen maanden of een taakstraf en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft vervolgens gekeken of er strafverminderende en strafverzwarende omstandigheden zijn.

In strafverzwarende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de lange periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden en de omstandigheid dat verdachte door het witwassen in haar dagelijks leven veel voordeel heeft genoten. Ook heeft de rechtbank in strafverzwarende zin er rekening mee gehouden dat verdachte het witwassen niet uit zichzelf heeft beëindigd en dat zij op geen enkele wijze openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor haar handelen.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder voor witwassen of soortgelijke feiten is veroordeeld en dat zij over het geheel genomen een iets ondergeschikte en minder initiërende rol heeft gehad dan haar medeverdachte. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat zij de zorg heeft over haar vier jonge kinderen.

Alles afwegende, zal de rechtbank een taakstraf voor de duur van 160 uren opleggen. Deze straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank - los van hetgeen hiervoor is overwogen - tot een andere bewezenverklaring komt.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 160 (honderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 (tachtig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer LARAF15003 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering;

2 Een proces-verbaal van de terechtzitting van 10 januari 2018;

3 Proces-verbaal relaas zaaksdossier 1: witwassen van 23 december 2015;

4 Een proces-verbaal van bevindingen Suri-Change van 14 juli 2015 met bijlage, proces-verbaalnummer 362, zaaksdossier 1, pagina’s 547-600;

5 Een proces-verbaal van de terechtzitting van 10 januari 2018;

6 Een proces-verbaal van bevindingen uitlevering factuur Kastengigant van 23 juli 2015 met bijlage, zaaksdossier 1,pagina’s 539-546;

7 Een proces-verbaal van de terechtzitting van 10 januari 2018;

8 Een proces-verbaal relaas zaaksdossier 2: witwassen fictief dienstverband van 23 december 2015;