Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3341

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
13/730062-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man krijgt 28 maanden gevangenisstraf voor het bezit van hard- en softdrugs, voorbereiden van drugshandel en witwassen van geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730062-17 (Promis)

Datum uitspraak: 16 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , 1962 EG Heemskerk, gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. A. van de Venn en M.A. van der Vlugt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.T. van Berge Henegouwen, naar voren hebben gebracht.

2 De verdenking

Verdachte wordt na wijziging ter zitting – kort samengevat – beschuldigd van het medeplegen van

- het bezit van harddrugs (feit 1) en softdrugs (feit 2),

- voorbereiding van handel in harddrugs door diverse voorwerpen (zoals weegschalen, vacuümmachines, sealbags, postzegels en telefoons) voorhanden te hebben die met drugshandel in verband worden gebracht (feit 3) en

- witwassen door een aanzienlijke hoeveelheid contant geld voorhanden te hebben (feit 4).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

De feiten 1 en standpunten

Op 15 november 2017 is verdachte aangehouden in de woning aan de [adres 1] te [plaats] .2 Die woning werd gehuurd door [naam kennis] , een kennis van verdachte.3,4 In deze woning is een aanzienlijke hoeveelheid drugs, aan drugshandel gelieerde spullen en een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen.5 Het grootste gedeelte van deze spullen is aangetroffen in de kruipruimte, in de koelkast in de keuken op de begane grond, en in twee kamers op de eerste etage. De drugs zijn getest en gewogen.6 Deze hoeveelheden komen overeen met de hoeveelheden die in de tenlastelegging zijn opgenomen. De geldbedragen zijn geteld en bedroegen in totaal € 144.030,-.7

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de drugs, drugsparafernalia en het geld in de woning lagen. De ten laste gelegde spullen waren goed verstopt in de woning, die niet van verdachte was. Verdachte was een incidentele bezoeker van de woning en dus is het niet gek dat hij van niets wist, aldus de verdediging.

De officier van justitie acht dat ongeloofwaardig, onder meer omdat dactyloscopische sporen in de vorm van vinger- en palmafdrukken (hierna: vingerafdrukken) van verdachte8 op achttien verschillende plekken in de woning zijn aangetroffen.9 Volgens verdachte komt dat doordat hij [naam kennis] heeft geholpen met verhuizen. Volgens de officier van justitie bevat het dossier echter meer aanwijzingen dat verdachte wetenschapen beschikkingsmacht had over de in de woning aanwezige drugs, geld en met drugshandel verband houdende spullen, , namelijk dat verdachte alleen in de woning is achtergelaten en dat hij is te koppelen aan de inhoud van de daar aangetroffen telefoons.

3.2.

Het oordeel van de rechtbank

3.2.1.

Drugs aanwezig hebben (feiten 1 en 2)

De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of verdachte de drugs ‘aanwezig heeft gehad’. Voor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, is nodig:

  1. dat verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs,

  2. dat de drugs zich binnen zijn machtssfeer bevonden.

Met dat laatste wordt bedoeld dat verdachte in enige mate kon bepalen wat er met die drugs zou gebeuren, oftewel: dat hij er enige zeggenschap over had. Niet vereist is dat de drugs zijn eigendom waren.

3.2.1.1. Wetenschap

De rechtbank concludeert dat verdachte wist dat de drugs in de woning lagen. Zij komt om de volgende redenen tot die conclusie.

Verdachte is aangehouden in een woning waarvan hij moet hebben geweten dat het een drugspand was. De politie heeft namelijk opgeschreven dat zij meteen bij binnenkomst een zeer sterke hennepgeur rook en dat er duidelijk een lawaaierige afzuiginstallatie hoorbaar was. Dat zijn twee zaken die verdachte moet hebben opgemerkt, ook als hij nooit op de eerste etage van de woning zou zijn geweest en er in de woonkamer joints werden gerookt. Door het observatieteam is gezien dat verdachte deze woning op 15 november 2017 tussen 13.33 uur en 19.25 uur meerdere keren (in ieder geval vier keer) heeft betreden.10

In dat drugspand zijn op allerlei plekken vingerafdrukken van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft daarvoor ter terechtzitting een verklaring gegeven: hij heeft [naam kennis] begin september 2017 helpen verhuizen en daarbij zijn verdachtes vingerafdrukken terecht gekomen op bijvoorbeeld vuilniszakken, dozen en plastic sealbags. Verdachte heeft verklaard 15 tot 20 vuilniszakken te hebben gedragen en daar soms wel en soms niet in te hebben gekeken. Hij heeft daarbij geen geld of drugs gezien. Voor zover zijn vingerafdrukken zijn gevonden op materialen waarin op 15 november 2017 drugs of geld was verpakt, moeten die verpakkingsmaterialen later zijn (her)gebruikt om drugs en contant geld in te verpakken, aldus verdachte. Hij heeft namelijk een zak met – zo dacht hij – transparante, plastic lamineervellen in drie verschillende formaten gedragen. Die zak is gescheurd en de vellen zijn eruit gevallen. Verdachte heeft die vellen op formaat gesorteerd en opgestapeld. Blijkbaar waren die vellen in werkelijkheid sealbags waarin later stapels contanten zijn verpakt, zo begrijpt de rechtbank de verklaring van verdachte.

De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario alleen aannemelijk op het onderdeel dat verdachte [naam kennis] heeft geholpen met verhuizen. Dat deel is namelijk in lijn met andere bewijsmiddelen in het dossier en niet op voorhand ongeloofwaardig. [naam kennis] heeft immers ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd dat verdachte hem in september 2017 heeft geholpen met verhuizen en in het dossier zit het huurcontract van de woning waaruit blijkt dat de woning inderdaad vanaf 1 september 2017 aan [naam kennis] is verhuurd.

De verhuizing biedt naar het oordeel van de rechtbank echter een onvoldoende verklaring voor de aangetroffen vingerafdrukken, gelet op de hoeveelheid en plaats van die vingerafdrukken:11

 Twee vingerafdrukken op een vuilniszak die stond in een kamer op de eerste verdieping die was ingericht voor distributie van verdovende middelen en waarin plastic handschoenen (kennelijk afval) zaten;12

 Eén vingerafdruk op een vuilniszak in de kruipruimte waarin een gesealde stapel contanten zat;13

 Vier vingerafdrukken op een in de kruipruimte aangetroffen sealbag waarin een stapel geld zat en één vingerafdruk op de Albert Heijn-tas waarin die sealbag zat;14

 Eén vingerafdruk op een in de kruipruimte gevonden hoeveelheid harddrugs;15

 Vier vingerafdrukken op een doos met henneptoppen die stond in een kamer op de eerste verdieping;16

 Vier vingerafdrukken op een zak of tas met daarin henneptoppen, die stond in een andere kamer op de eerste verdieping.17

Dat die vingerafdrukken op zo veel en zulke belastende plekken terecht zijn gekomen tijdens die ene verhuizing zonder dat verdachte wist dat in die verpakkingsmaterialen drugs en stapels contant geld zat, of dat in al die verpakkingsmaterialen pas na de verhuizing verdovende middelen en geld terecht is gekomen, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Daarbij komt dat verdachte geen toevallige passant was en [naam kennis] kende en zich kennelijk in een drugscircuit bevindt. Dat laatste leidt de rechtbank af uit het strafblad van verdachte (verdachte is in 2010 onherroepelijk veroordeeld wegens drugshandel en deelname aan een criminele organisatie die zich bezig houdt met Opiumwet-misdrijven) en uit het feit dat op de telefoons die aan verdachte zijn gekoppeld, maar waarover hij niet heeft willen verklaren, notities staan met daarin informatie die duidt op de handel in softdrugs. Zo wordt gesproken over hoeveelheden en prijzen van drugs.18,19

Tot slot weegt ook het moment en de wijze waarop verdachte het alternatief scenario naar voren heeft gebracht in het nadeel van verdachte mee bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Over de telefoons heeft verdachte niet willen verklaren. Over een ander deel heeft hij ongeloofwaardig verklaard, namelijk over het ongevraagd in de auto van een ander plaatsen van gevulde, “naar huisvuil stinkende” vuilniszakken die in de woning van [naam kennis] stonden. Dat verdachte als bezoeker twee vuilniszakken met huisafval in de auto van een ander zou hebben gelegd - zoals verdachte heeft verklaard - vindt de rechtbank niet voor de hand liggen. Verder strookt een deel van zijn verklaring niet met de observaties van verbalisanten. Zij hebben verdachte vaker de woning in- en uit zien gaan dan hij heeft verklaard en verdachte is door verbalisanten herkend op het moment dat hij samen met een onbekende man vanuit de [adres 1] naar een Volkswagen Jetta liep en die onbekende man een zwarte tas met witte letters aan de bestuurder van die auto overhandigde. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dat niet geweest is, maar verbalisanten hebben verdachte herkend20 De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van die herkenning te twijfelen. Dit geldt temeer nu verbalisanten verdachte op momenten daarvoor en daarna ook hebben herkend en die herkenningen volgens verdachte wel kloppen.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario ten aanzien van de vingerafdrukken geen stand houdt. Dan blijft voor die vingerafdrukken geen andere verklaring over dan dat verdachte de pakketten met drugs en contant geld in handen heeft gehad en er dus van wist.

De rechtbank vindt het aannemelijk dat verdachte van alle drugs en al het geld in de woning op de hoogte was. Er is immers geen reden om aan te nemen dat verdachte de drugs en het geld waarop zijn vingerafdrukken niet zijn aangetroffen, niet heeft opgemerkt. Daarbij is van belang dat deze drugs in dezelfde ruimtes lagen als de drugs en het geld waarop de vingerafdrukken van verdachten zaten. Ook speelt een rol dat de eerste verdieping van de woning niet voor bewoning geschikt was en geheel was ingericht op de verkoop en verstrekking van drugs. Het is onder die omstandigheden onwaarschijnlijk dat de wetenschap van verdachte zich heeft beperkt tot de drugs en het geld waarop zijn vingerafdrukken zijn gevonden.

3.2.2.

Medeplegen

[naam kennis] is als huurder van de woning in beginsel verantwoordelijk voor wat zich in de woning bevindt. Zoals hiervoor uiteen is gezet, heeft ook verdachte (onder meer vanwege de aangetroffen vingerafdrukken en de informatie op zijn telefoon) deze drugs aanwezig gehad. Verdachte en [naam kennis] kenden elkaar, hebben in september 2017 samen spullen de woning in gebracht en [naam kennis] heeft verdachte op 15 november 2017 (voor een deel samen met anderen) enkele uren achtergelaten in de woning. Bovendien is tijdens de observaties door de verbalisanten waargenomen dat verdachte samen met een ander twee vuilniszakken en een doos uit de woning van [naam kennis] heeft meegenomen en in een Volkswagen Touran heeft gelegd en dat hij met een onbekende man is meegelopen die een zwarte tas met witte letters aan de bestuurder van een Volkswagen Jetta heeft gegeven. Daaruit leidt de rechtbank af dat [naam kennis] en verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt.

3.2.2.1. Macht

[naam kennis] had als huurder beschikkingsmacht over alle goederen in de woning. Op de dag dat de inval is gedaan (15 november 2017), is [naam kennis] om 15.42 uur uit de woning vertrokken. Verdachte is toen dus zonder [naam kennis] – maar wel met anderen – in de woning achtergebleven. Om 19.25 uur is verdachte aangehouden in de woning. In de tussentijd zijn er veel mensen de woning in en uit gegaan. Daarbij zijn blijkens de observaties meerdere dozen en zakken of tassen de woning uit gesjouwd. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte (zowel toen anderen in de woning aanwezig waren als op momenten dat hij alleen in de woning was) de gelegenheid had om te bepalen wat er met de spullen in de woning zou gebeuren. Die spullen bevonden zich dus in de machtssfeer van verdachte.

Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte en medeverdachte wetenschap hadden van de drugs, de drugsgerelateerde spullen en de contante gelden én dat die spullen zich in de machtssfeer van zowel medeverdachte als verdachte bevonden, kunnen de feiten 1 en 2 worden bewezen verklaard.

3.2.3.

Voorbereiding van drugshandel? (feit 3)

Vervolgens is de vraag aan de orde of ook is bewezen dat verdachte de handel in harddrugs heeft voorbereid of bevorderd. Daaronder valt het simpelweg aanwezig hebben van spullen die nodig zijn of kunnen worden gebruikt bij die drugshandel.

Hiervoor is al vastgesteld dat verdachte verantwoordelijk wordt gehouden voor alle drugsgerelateerde spullen in de woning, dus ook voor de spullen die onder feit 3 zijn opgesomd. Gelet op de hoeveelheid en de combinatie van deze spullen kunnen alle spullen die in de tenlastelegging zijn opgesomd worden beschouwd als middelen om drugshandel voor te bereiden of te bevorderen.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde goederen dienen voor de handel in harddrugs. De politie heeft juist opgeschreven dat het een distributiecentrum voor softdrugs betrof, aldus de raadsman. De rechtbank wijst allereerst op de hoeveelheid harddrugs die in de woning is aangetroffen. De spullen die in de woning zijn aangetroffen en onder feit 3 zijn opgesomd, zijn geen spullen die bij uitstek of uitsluitend geschikt zijn voor de handel in softdrugs. Bovendien zijn op de USB-stick die in de woning is aangetroffen, meerdere foto’s en documenten gevonden met betrekking tot de verkoop van MDMA- en LSD producten.21De rechtbank verwerpt dan ook het verweer en acht feit 3 bewezen.

3.2.4.

Witwassen? (feit 4)

In het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat verdachte wist dat het een drugspand betrof en dat verdachte medepleger is van de voorbereiding/bevordering van drugshandel. In de kruipruimte van dat drugspand lagen stapels contant geld in grote coupures verstopt. De hoeveelheid geld, de coupures en de wijze waarop het geld werd bewaard is op zichzelf al reden om een illegale herkomst te vermoeden. Die informatie gecombineerd met de betrokkenheid bij drugshandel, maakt dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat het geld een criminele herkomst had. De rechtbank acht daarom ook het witwassen van het contante geld bewezen.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het witwassen van 0,18 bitcoin. Weliswaar is dat bedrag aangetroffen in een bitcoinwallet die was gekoppeld aan de bitcoinminer die in hetzelfde drugspand stond, maar daarmee is niet gegeven dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Sterker nog, het is juist aannemelijker dat het bedrag afkomstig is uit bitcoinmining en dat is een legale manier van bitcoins vergaren. Het enkele voorhanden hebben van een kleine hoeveelheid bitcoins levert evenmin een witwasvermoeden op. Dat betekent dat verdachte partieel zal worden vrijgesproken van feit 4, namelijk ten aanzien van 0,18 bitcoin.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten vervatte wettige bewijsmiddelen bewezen

dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 15 november 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 293 XTC tabletten (MDMA) en 5,11 gram cocaïne en 664 eenheden 25B-NBOMe en 0,77 gram tetrahydrocannabinol en 36,9 gram hennepolie;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 15 november 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 87,3 kilogram weed en 18 gram weed (fouillering) en 55,24 kilogram hasjiesj en 30,33 kilogram hennep en 6,02 kilogram voorgedraaide joints;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2017 tot en met 15 november 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of cocaïne en/of 25B-NBOMe en/of tetrahydrocannabinol en/of hennepolie voor te bereiden en/of te bevorderen onder meer voorhanden heeft gehad:

- één geldtelmachine en

- diverse weegschalen en

- diverse vacuümmachines en

- diverse sealbags en

- diverse machines om sealbags mee af te sluiten en

- diverse stickers met opdruk Temple balls en

- verpakkingsmateriaal en

- een grote hoeveelheid internationale postzegels en

- meerdere spuiten en

- diverse harde schijven en

- diverse documenten met aantekeningen en/of wachtwoorden en

- C2000 detector en

- diverse laptops en

- diverse USB sticks en

- diverse telefoons;

waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten dat die goederen bestemd waren tot het plegen van die feiten;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

op 15 november 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag van in totaal € 144.030,- voorhanden heeft gehad en terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 tot en met 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3,5 jaren, met aftrek van voorarrest. Bij het bepalen van de strafeis zijn blijkens het requisitoir de volgende omstandigheden meegewogen:

  • -

    de oriëntatiepunten van het Openbaar Ministerie voor het aanwezig hebben van de aangetroffen hoeveelheden hard- en softdrugs;

  • -

    de maatschappelijke gevolgen van drugsgebruik en drugshandel, waaronder de daarmee gepaarde gaande criminaliteit;

  • -

    de landelijke fraudeoriëntatiepunten van de rechtspraak;

  • -

    het georganiseerd verband waarin de feiten zijn gepleegd en de rol van verdachte daarin;

  • -

    de proceshouding van verdachte;

  • -

    de straf die tegen medeverdachte [naam kennis] is geëist en opgelegd.

De verdediging acht de strafeis disproportioneel en veel te hoog. De raadsman heeft erop gewezen dat het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden bij de strafmaat betrekt die niet op de tenlastelegging zijn gezet, kennelijk omdat daar onvoldoende bewijs voor is.

De rechtbank komt tot een gevangenisstraf van 28 maanden voor de vier bewezen verklaarde feiten. Zij heeft aansluiting gezicht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en heeft gekeken hoe de straf van verdachte zich zou verhouden tot de straf die is opgelegd in het vonnis van [naam kennis] ; dat was een gevangenisstraf van 26 maanden voor bezit van hard- en softdrugs en witwassen.

In algemene zin kan worden gezegd dat drugsbezit moet worden bestreden en bestraft omdat drugs en drugshandel onze maatschappij veel kwaad doen. Door drugshandel komt de volksgezondheid in het geding en wordt de samenleving op kosten gejaagd, zowel vanwege de zorg voor gebruikers en verslaafden als vanwege de criminaliteit die drugshandel met zich brengt.

In deze zaak gaat de rechtbank ervan uit dat de voorraad drugs die is gevonden een handelsvoorraad betreft. Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting rechtvaardigen de bewezen verklaarde hoeveelheden geld en drugs in het kader van drugshandel de volgende straffen.

Feit 1: aanwezig hebben van harddrugs

 293 293 tabletten (uitgangspunt: 1 pil = 0,5 gram) = 146,5 gram XTC

 293 5,11 gram cocaïne

 293 664 eenheden (uitgangspunt: 1 eenheid ≈ 1 pil = 0,5 gram) = 332 gram 25B-NBOMe

 293 0,77 gram THC

 293 36,9 gram hennepolie

Totaal: 521,28 gram harddrugs. Daarop staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Wanneer sprake is van drugshandel in georganiseerd verband kan daar een maand gevangenisstraf bij worden opgeteld.

Feit 2: aanwezig hebben van softdrugs

 87,3 87,3 kilogram weed

 87,3 18 gram weed

 87,3 55,24 kilogram hasjiesj

 87,3 30,33 kilogram hennep

 87,3 6,02 kilogram voorgedraaide joints

Totaal: 178,908 kilogram softdrugs. Dat valt binnen de bandbreedte 25.000 - 250.000 gram, waarop een gevangenisstraf van twaalf maanden staat. Gelet op de brandbreedte 10.000 - 25.000 gram, waarop een gevangenisstraf van zes maanden staat acht de rechtbank een gevangenisstraf van tien maanden voor de bewezen verklaarde hoeveelheid passend.

Feit 3: voorbereiden/bevorderen van drugshandel

Hiervoor acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden passend. Daarbij is relevant de hoeveelheid spullen die is gevonden en kennelijk ten behoeve van drugshandel zou dienen.

Feit 4: witwassen

Voor witwassen bestaat geen landelijk oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zoals voor drugsbezit. Wel kan volgens dat LOVS het oriëntatiepunt Fraude worden gebruikt als het witwassen in een frauduleuze context heeft plaatsgevonden. Hoewel daar hier geen sprake van is en bij witwassen niet (direct) kan worden gesproken van een benadelingsbedrag zoals bij fraudedelicten, ziet de rechtbank aanleiding om aan te haken bij het oriëntatiepunt Fraude omdat de rechtbank witwassen in het kader van drugshandel vergelijkbaar acht met vermogensdelicten die zien op andere soorten handel: ofwel fraude. In het geval van verdachte gaat het om witwassen van een totaalbedrag van € 144.030,-. Dat valt blijkens het LOVS-oriëntatiepunt Fraude in de bandbreedte € 125.000,- € 250.000,-, waarop een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden staat. De rechtbank acht voor dit feit een gevangenisstraf van tien maanden passend.

Dat leidt tot een totale gevangenisstraf van 28 maanden. Een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van deze duur zou geen recht doen aan de omstandigheden en hoeveelheden drugs en geld in deze zaak. In het feit dat alle strafbare feiten zijn medegepleegd of de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn strafblad en zorgtaken, ziet de rechtbank geen prangende redenen om die straf te verhogen of verlagen. De rechtbank acht deze straf passend.

8 Beslag

Onder verdachte zijn geldbedragen (goednummers 5485299 en 5485292 in totaal€ 144.030,-euro) en een horloge (goednummer 5485495) in beslag genomen. Zowel het Openbaar Ministerie als de raadsman hebben verzocht het horloge te retourneren aan verdachte. De rechtbank zal gehoor geven aan dat verzoek. Anders dan de raadsman en met het Openbaar Ministerie acht de rechtbank de geldbedragen voor vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze aan verdachte kunnen worden toegeschreven en de geldbedragen voorwerp zijn van het strafbare feit dat onder 4 is bewezen verklaard. Als bijkomende straf zullen die geldbedragen worden verbeurd verklaard, omdat criminaliteit niet mag lonen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C gegeven verbod (namelijk harddrugs aanwezig hebben);

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C gegeven verbod (namelijk softdrugs aanwezig hebben);

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10, te weten opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B gegeven verbod (namelijk harddrugs verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren) voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

medeplegen van witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen geldbedragen met goednummers 5485292 en 5485299.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van het in beslag genomen horloge met goednummer 5485495.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 mei 2018.

1 Deze feiten komen voort uit de wettige bewijsmiddelen in het dossier of uit hetgeen ter terechtzitting is besproken. Voor zover niet anders vermeld, wordt in de volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aanhouding van 15 november 2017 (pagina PD 03 0001).

3 Een geschrift, te weten een huurovereenkomst van 1 september 2017 ten aanzien van de [adres 1] waarin [naam kennis] per 1 september 2017 als huurder wordt aangewezen (pagina’s ZD 05 50-53).

4 Een proces-verbaal ter terechtzitting van 2 mei 2018 inhoudende de verklaring van verdachte.

5 Een proces-verbaal van bevindingen doorzoeking [adres 1] van 16 november 2017 (pagina’s ZD 05 5-9).

6 Een proces-verbaal van bevindingen van aantreffen drugs van 16 november 2017 (ZD 05 155-156) en meerdere verslagen, te weten deskundigenrapporten van drs. R.F. Kranenburg (pagina’s ZD 08 16-18, 27, 28, 30, 31) en een proces-verbaal beslag uit fouillering [verdachte] van 22 november 2017 (pagina’s ZD 14 16-18). van 25 januari 2018 over goednummers 5485179A (pagina’s ZD 08 17-18);

7 Een proces-verbaal van bevindingen geldtellen [adres 1] [plaats] van 16 november 2017 (pagina ZD 05 121).

8 Meerdere verslagen, te weten deskundigenrapporten van 23 februari en 5 maart 2018 over spoornummer AALG4561NL#D03 (pagina’s ZD 08 334-337), van 23 februari, 28 februari en 7 maart 2018 over spoornummer AALG4561NL#D17 (pagina’s ZD 08 338-341), van 16 en 17 februari 2018 over spoornummer AALG5074NL#D02-03 (pagina’s ZD 08 342-345), van 19 en 20 februari 2018 over spoornummer AALG5075NL#D03 (pagina’s ZD 08 346-349), van 22 februari, 27 februari en 6 maart 2018 over spoornummer AALG5078NL#D02 (pagina’s ZD 08 350-353), van 23 februari, 28 februari en 7 maart 2018 over spoornummer AALG5078NL#D16 (pagina’s ZD 08 354-357), van 23 februari, 28 februari en 7 maart 2018 over spoornummer AALG5078NL#D18 (pagina’s ZD 08 358-361), van 23 februari, 28 februari en 7 maart 2018 over spoornummer AALG5078NL#D19 (pagina’s ZD 08 362-365), van 23 februari, 27 februari en 5 maart 2018 over spoornummer AALG5079NL#D01 (pagina’s ZD 08 366-369), van 17, 20 en 21 februari 2018 over spoornummer AALG5080NL#D04 (pagina’s ZD 08 370-373), van 17, 20 en 22 februari 2018 over spoornummer AALG5080NL#D06 (pagina’s ZD 08 374-377), van 14, 20 en 27 februari 2018 over spoornummer AALG5080NL#D07 (pagina’s ZD 08 378-381), van 17, 20 en 21 februari 2018 over spoornummer AALG5080NL#D08 (pagina’s ZD 08 382-385), van 19, 20 en 21 februari 2018 over spoornummer AALG5081NL#D01 (pagina’s ZD 08 386-389), van 16 februari en 16 april 2018 over spoornummer AALG5081NL#D08 (pagina’s ZD 08 390-393), van 17, 20 en 22 februari 2018 over spoornummer AALG5081NL#D14 (pagina’s ZD 08 394-397) en van 18, 19 en 22 februari 2018 over spoornummer AALG5081NL#D15 (pagina’s ZD 08 398-401).

9 Zie hieronder voetnoten 11 tot en met 17.

10 Een proces-verbaal van observatie 15 november 2017 van 16 november 2017 (pagina’s ZD 07 1-11).

11 Zie telkens de betreffende verwijzing naar een kennisgeving van inbeslagneming in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2018 (pagina ZD 08 252) en de foto van het goed waarop de vingerafdruk is gevonden, waarnaar eveneens wordt verwezen in de betreffende voetnoot.

12 Een geschrift, te weten een ongetekende kennisgeving van inbeslagneming van 16 januari 2018, volgnummer 2, (beslagdossier pagina 48) en de bovenste foto met bijschrift (pagina ZD 08 315) behorend bij een geschrift, te weten een bericht van W.J. Dittmar, forensisch onderzoeker Vingersporenonderzoek (hierna: f.o.) bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), van 21 februari 2018 (ZD 08 295).

13 Een geschrift, te weten een ongetekende kennisgeving van inbeslagneming van 16 januari 2018, volgnummer 19, (beslagdossier pagina 57) en de bovenste foto met bijschrift (pagina ZD 08 296) behorend bij een geschrift, te weten een bericht van W.J. Dittmar, f.o. bij het NFI, van 21 februari 2018 (ZD 08 295).

14 Een geschrift, te weten een ongetekende kennisgeving van inbeslagneming van 16 januari 2018, volgnummer 20, (beslagdossier pagina 57) en de onderste foto met bijschrift (pagina ZD 08 296), de onderste foto met bijschrift (pagina ZD 08 297), de bovenste foto met bijschrift (pagina ZD 08 299) en de bovenste foto met bijschrift (pagina ZD 08 300) behorend bij een geschrift, te weten een bericht van W.J. Dittmar, f.o. bij het NFI, van 21 februari 2018 (ZD 08 295).

15 Een geschrift, te weten een getekende kennisgeving van inbeslagneming van 16 november 2017, volgnummer 23, (beslagdossier pagina’s 13-14) en de onderste foto met bijschrift (pagina ZD 08 300) behorend bij een geschrift, te weten een bericht van W.J. Dittmar, f.o. bij het NFI, van 21 februari 2018 (ZD 08 295).

16 Een geschrift, te weten een ongetekende kennisgeving van inbeslagneming van 16 november 2017, volgnummer 10, (beslagdossier pagina 7) en de bovenste foto met bijschrift (pagina ZD 08 304), de beide foto’s met bijschrift (pagina ZD 08 305) behorend bij een geschrift, te weten een bericht van W.J. Dittmar, f.o. bij het NFI, van 21 februari 2018 (ZD 08 295).

17 Een geschrift, te weten een ongetekende kennisgeving van inbeslagneming van 16 november 2017, volgnummer 32, (beslagdossier pagina 18) en beide foto’s met bijschrift (pagina ZD 08 307) behorend bij een geschrift, te weten een bericht van W.J. Dittmar, f.o. bij het NFI, van 21 februari 2018 (ZD 08 295).

18 Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek goednummer 5485262 van 18 januari 2018 (pagina
ZD 05 253-255)

19 Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek goednummer 5485264 van 18 januari 2018 (pagina
ZD 05 250-252)

20 Een proces-verbaal van observatie woensdag 15 november 2017 (pagina AD 02 44-54).

21 Een proces-verbaal van bevindingen uitlezen harde schijven van 5 december 2017 (ZD 05 284-312).