Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
13/997036-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlengde invoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997036-17 (Promis)

Datum uitspraak: 16 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [huis van bewaring] te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 26, 27 en 28 maart 2018, 4 april 2018 en 2 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Plooij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.C. Polat naar voren hebben gebracht.

De zaak tegen [verdachte] is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (13/997037-17), [medeverdachte 2] (13/997034-17), [medeverdachte 3] (13/997035-17) en [medeverdachte 4] (13/997033-17).

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Harlingen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 261 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

In het onderzoek 26TandemII was op basis van Ennetcomgegevens - de door politie ontsloten ‘PGP-berichten’- het vermoeden ontstaan dat [naam 1] zich samen met [naam 2] sinds 2015 bezig hield met het transport in verdovende middelen, waarbij ook de viskotter [nummer viskotter] zou worden ingezet en waarbij ook de naam van [medeverdachte 2] en [naam 3] zijn genoemd. [naam 1] is stelselmatig geobserveerd, waarbij op 9 juni 2017 wordt gezien dat hij samen met [verdachte] naar Harlingen gaat, waar [verdachte] door [medeverdachte 2] naar de [nummer viskotter] wordt gebracht. Om die reden is besloten de [nummer viskotter] te ‘vlaggen’, dat wil zeggen te laten volgen door de kustwacht. De kotter [nummer viskotter] was op vrijdag 9 juni 2017 in de avond uitgevaren vanuit de haven van Harlingen. Op grond van een verdachte beweging van de [nummer viskotter] - de viskotter heeft even stilgelegen in het spoor van het uit Brazilië afkomstige containerschip de MSC Krystal - is besloten de viskotter [nummer viskotter] te controleren.

Vast staat dat tijdens deze controle en de daarop volgende doorzoeking een hoeveelheid van 261 kilogram cocaïne is aangetroffen. Eveneens staat vast dat toen de [nummer viskotter] op 9 juni 2017 de haven van Harlingen uitvoer om deze vervolgens op 10 juni 2017 weer binnen te varen, [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aan boord waren. De eigenaar van de [nummer viskotter] , [medeverdachte 2] , stond op het moment van de controle van de [nummer viskotter] op 10 juni 2017 op de kade.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, het medeplegen van invoer van cocaïne, op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij niet wist van het werkelijke doel van de tocht. Verdachte is meegegaan om te vissen, heeft hoofdzakelijk ziek in bed gelegen en heeft niets meegekregen van het opvissen van de cocaïne. Daar wordt niet aan afgedaan doordat verdachte niet wil zeggen wie hem mee heeft gevraagd. Diegene zal bekend zijn geweest met het werkelijke doel van de tocht, zodat het logisch is dat verdachte niet over hem wil verklaren uit angst voor represailles. Ten slotte blijkt niet dat de apparatuur al in de tassen zat toen die door verdachte aan boord zijn gebracht. De ten laste gelegde invoer van cocaïne kan niet bewezen worden verklaard, omdat de cocaïne niet door verdachte binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, maar binnen de territoriale wateren uit zee is opgevist. Evenmin is sprake van verlengde invoer, aangezien niet blijkt dat verdachte wetenschap heeft gehad dat de cocaïne vlak daarvoor binnen Nederland was gebracht, zodat niet blijkt dat verdachte opzet op verlengde invoer heeft gehad. Het is immers heel goed mogelijk dat de cocaïne in de haven van Rotterdam aan boord van de MSC Krystal is gebracht.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 2]

, feitelijk mede-eigenaar van de kotter [nummer viskotter] , heeft zijn betrokkenheid bij het tenlastelegde cocaïnetransport bekend. Hij is naar eigen zeggen enkele weken vóór 10 juni 2017 door twee mannen gevraagd om cocaïne uit zee op te vissen in ruil voor € 300.000,-. Hoewel hij eerst niet wilde is hij uiteindelijk met dit voorstel akkoord gegaan, naar eigen zeggen omdat hij en zijn gezin bedreigd werd. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] op 7 juni 2017 [medeverdachte 4] gevraagd om als schipper van de [nummer viskotter] cocaïne uit zee op te vissen in ruil voor

€ 200.000,-, waarmee [medeverdachte 4] instemde. Op 9 juni 2017 vroeg [medeverdachte 2] het vaste bemanningslid [medeverdachte 3] om mee te helpen met het opvissen van cocaïne uit zee in ruil voor € 25.000,-. [medeverdachte 3] is hiermee akkoord gegaan. [medeverdachte 2] zegt te weten hoe en door wie [medeverdachte 1] is geregeld, maar wil daar verder niets over verklaren. Volgens [medeverdachte 2] ging [verdachte] , die hij heeft opgehaald en naar de [nummer viskotter] heeft gebracht, mee voor de communicatie aan boord.

De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 2] geloofwaardig om de volgende redenen. [medeverdachte 2] heeft vanaf zijn tweede verklaring, afgelegd op 13 juni 2017,duidelijk en consistent verklaard. Zijn verklaringen worden voorts ondersteund door de verklaring van [naam 3] dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld dat [medeverdachte 2] de [nummer viskotter] wilde gebruiken voor een cocaïnetransport, en door het tactisch bewijs in het dossier, bestaande uit onder meer zijn zoektocht in Den Oever om iemand te regelen om de cocaïne uit het water te halen hetgeen bevestigd wordt door de historische gegevens van zijn telefoon . Daarnaast bevestigen de observaties van 9 en 10 juni 2017 de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij [verdachte] bij de brandweerkazerne heeft opgehaald en naar de [nummer viskotter] heeft gebracht. Ook [medeverdachte 4] bevestigt dat hij inderdaad door [medeverdachte 2] is gevraagd voor een transport. Dat [medeverdachte 2] heeft geweigerd over bepaalde personen (nader) te verklaren, doet aan zijn geloofwaardigheid niet af.

De gang van zaken rondom het transport van 10 juni 2017

Uit een observatie op 9 juni 2017 blijkt dat [medeverdachte 2] [verdachte] ophaalt van een parkeerplaats te Harlingen, waar [verdachte] door [naam 1] naartoe is gebracht. [verdachte] heeft twee zwarte tassen bij zich, waarvan één is voorzien van de opdruk: ‘The North Face’. Deze tassen vertonen sterke gelijkenis met de later bij de cocaïne aangetroffen tassen. In de North Face tas zat een gele ENOS koffer (reddingsapparatuur om de positie van een duiker mee te kunnen bepalen) en in de zwarte rugtas zat een satteliettelefoon, een portofoon, twee verrekijkers en een nachtlamp. [medeverdachte 2] brengt [verdachte] naar de [nummer viskotter] . [verdachte] gaat aan boord om 21.01 uur. [medeverdachte 2] vertrekt weer met de auto en neemt [naam 3] mee als passagier.

Om 21:29 uur wordt een onbekende persoon met een tas door een Audi A6 afgezet bij de [nummer viskotter] . Deze persoon gaat aan boord. Om 22:14 uur vaart de [nummer viskotter] uit.

Op 10 juni 2017 om 05:00 of 06:00 uur komt de [nummer viskotter] aan op de gebruikelijke visgronden op de Noordzee binnen de Nederlandse territoriale wateren, alwaar gedaan wordt alsof er wordt gevist. Die ochtend bericht [medeverdachte 4] [medeverdachte 2] dat er motorproblemen zijn, zijnde de vooraf tussen hen afgesproken verklaring voor de voor een “normale” vistocht ongebruikelijk snelle terugkeer naar de haven. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat vervolgens één van de bemanningsleden tegen hem zei dat de [nummer viskotter] zich om 15:05 uur op bepaalde coördinaten moest bevinden. Op dat tijdstip en op die locatie ziet [medeverdachte 4] iets drijven in zee. De kustwacht observeert op hetzelfde moment dat de [nummer viskotter] in het spoor van het containerschip MCS Krystal vaart. [medeverdachte 4] ziet op dat moment vanuit de stuurhut de drie overige bemanningsleden (de rechtbank begrijpt: [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ) op het dek. [medeverdachte 4] legt de [nummer viskotter] stijf tegen datgene aan wat hij in het water ziet drijven. Dat blijken zwarte sporttassen te zijn. Het bemanningslid dat [medeverdachte 4] de coördinaten heeft doorgegeven trekt de sporttassen aan boord. Als de sporttassen op het dek liggen, is [medeverdachte 4] in de stuurhut en zijn de drie overige bemanningsleden ook op het dek aanwezig.

Vervolgens keert de [nummer viskotter] terug naar de haven van Harlingen. Aldaar komen de FIOD en de Douane aan boord, alwaar vervolgens in het droge mangat in de machinekamer de natte tassen met daarin cocaïne worden aangetroffen, alsmede een rugzak en een tas met de opdruk ‘North face’, waarin zich voormelde apparatuur bevond.

Wetenschap verdachte van het werkelijke doel van de tocht

Tegenover de verklaring van [medeverdachte 2] staat de verklaring van [verdachte] , dat hij na een verblijf van 1 tot 9 juni 2017 in Frankrijk, waar hij vanuit Montenegro naar toe is gevlogen, op 9 juni 2017 naar Nederland is gekomen om daags daarna met de [nummer viskotter] mee te varen omdat hij erachter wilde komen of het werken in de visserij iets voor hem was en dat hij gedurende de vaartocht voornamelijk in zijn bed lag wegens zeeziekte.

Deze verklaring is om meerdere redenen niet geloofwaardig. In de eerste plaats blijkt uit de onderzoeksbevindingen dat het niet klopt dat [verdachte] pas op 9 juni 2017 naar Nederland is gekomen op zoek naar werk: volgens de reisbescheiden in zijn fouillering is [verdachte] op 1 juni om 10.20 uur vertrokken vanuit vliegveld Podgoria Montenegro en diezelfde dag om 13.00 uur aangekomen in Parijs. Hij is maar ongeveer 4 uur in Parijs geweest, want om 17.25 uur vertrok hij per trein vanuit Parijs en arriveerde hij op 1 juni om 20.42 uur al op Amsterdam Centraal. Daarnaast peilt zijn telefoon al vanaf 2 juni 2017 uit in Amsterdam, meestal op de mast ‘ [adres] ’, die dichtbij de locatie ligt waar de op de kotter aangetroffen satelliettelefoon contact mee had. Vaststaat ook op grond van de observatie dat [verdachte] op 9 juni 2017 [naam 1] in Amsterdam heeft ontmoet en dat hij door [naam 1] vervolgens met de rugzak en een tas met opdruk ‘Northface’ bij zich naar Harlingen is gebracht om vervolgens door [medeverdachte 2] naar de [nummer viskotter] gebracht te worden.

De verklaring van verdachte dat hij op het moment van het opvissen van de cocaïne ziek op bed lag wordt weersproken door de verklaring van [medeverdachte 4] , inhoudende dat er drie mannen op het dek waren (dat moeten dan dus hijzelf, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn geweest). Volgens [medeverdachte 4] zijn de tassen bovendien aan boord getrokken door de man die hem de coördinaten had doorgegeven. Gelet op hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard moet dit verdachte zijn geweest. Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de Montenegrijn op het dek was toen de tassen daar lagen.

Gelet op het voorgaande alsmede het feit dat er communicatie- en lokalisatieapparatuur is aangetroffen in de tassen die door verdachte aan boord zijn gebracht, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte degene was die verantwoordelijk was voor de communicatie betreffende de cocaïne-overdracht en het lokaliseren van die cocaïne op zee. De rechtbank houdt het er daarom voor dat verdachte door één of meerdere organisatoren van het cocaïnetransport is gevraagd om mee te varen en de overdracht van de cocaïne op zee met behulp van speciaal daarvoor meegebrachte apparatuur in goede banen te leiden.

Dit leidt tot de conclusie dat verdachte welbewust aan boord van de [nummer viskotter] is gegaan met de intentie cocaïne op te vissen uit zee en dit vervolgens aan land brengen.

Verlengde invoer

De MSC Krystal, op 27 mei 2017 vertrokken uit Brazilië, is op 7 juni 2017 via Nederlandse wateren in de haven van Antwerpen aangekomen om daar dezelfde dag te vertrekken met bestemming Rotterdam. In de ochtend van 10 juni 2017 is de MSC Krystal vanuit Rotterdam vertrokken waarna omstreeks 15.00 uur die dag de cocaïne op de afgesproken plaats in zee is gegooid en door de [nummer viskotter] is opgevist. Op het moment bevonden beide vaartuigen zich binnen de territoriale wateren van Nederland. Uit het voorgaande volgt dat de MSC Krystal meerdere malen van buiten naar binnen de Nederlandse territoriale wateren is gevaren, zodat de cocaïne al binnen Nederlands grondgebied is geweest voordat het op de [nummer viskotter] terecht kwam en naar Harlingen is gebracht.

Door de cocaïne binnen de Nederlandse territoriale wateren uit zee op te vissen en naar Harlingen te brengen, hebben verdachte en de medeverdachten de cocaïne binnen Nederland verder vervoerd. Om vast te kunnen stellen dat verdachte en de medeverdachten de cocaïne binnen Nederland hebben gebracht, ofwel verlengd hebben ingevoerd zoals bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, moet blijken dat zij wisten dat de cocaïne betrekkelijk kort voor het opvissen binnen het grondgebied van Nederland was gebracht.

Gelet op het feit dat de cocaïne op een bepaald tijdstip op een bepaalde locatie in het kielzog van een containerschip uit de zee moest worden opgevist en naar het Nederlandse vasteland moest worden gebracht, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de cocaïne betrekkelijk kort vóór dat tijdstip van buiten Nederland naar die locatie binnen Nederland is gebracht en dat verdachte en zijn mededaders dat ook wisten. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat cocaïne veelvuldig door containerschepen vanuit Zuid-Amerika naar Europa wordt verscheept en dat deze vervolgens met kleinere vaartuigen aan land wordt gebracht. Het door de verdediging geschetste alternatief scenario, dat de zee op moest worden gegaan om daar iets op te vissen dat uit Nederland afkomstig was of al langer dan betrekkelijk kort in Nederland aanwezig was en vervolgens naar het Nederlandse vasteland te brengen, is dan ook volstrekt onaannemelijk. Dat de MSC Krystal tussendoor nog de haven van Rotterdam heeft aangedaan maakt dit oordeel niet anders, aangezien de rechtbank het volstrekt onaannemelijk acht dat de cocaïne in Rotterdam aan boord van de MSC Krystal is gebracht. Immers valt niet in te zien waarom cocaïne in Nederland aan boord van een uit Brazilië afkomstig schip zou worden gebracht, om vervolgens binnen de Nederlandse wateren weer overboord te worden gezet en met een vissersschip weer naar het Nederlandse vasteland te worden gebracht.

Door de cocaïne op dat tijdstip op die locatie uit zee op te vissen en naar Harlingen te brengen wisten verdachte en zijn mededaders dat zij de cocaïne daarmee binnen Nederland verder zouden vervoeren zoals bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, waarmee zij zich schuldig hebben gemaakt aan de verlengde invoer van cocaïne.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij geldt dat de exacte rol van elke betrokkene afzonderlijk niet vast hoeft komen te staan.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

[medeverdachte 2] heeft, hoewel hij niet met de [nummer viskotter] is meegegaan, wel mogelijk gemaakt om de cocaïne uit zee op te vissen en naar Harlingen te brengen door zijn schip ter beschikking te stellen en hij heeft [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] over gehaald om daarbij als respectievelijk schipper en bemanningslid op te treden en in die rol de cocaïne uit zee te halen. [medeverdachte 2] stond vervolgens klaar op de kade om de [nummer viskotter] na het transport weer op te wachten.

[medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn op 9 juni 2017 gezamenlijk met de viskotter [nummer viskotter] uitgevaren om cocaïne uit zee op te vissen en naar Harlingen te brengen. Daarbij is door [medeverdachte 4] als schipper en door [medeverdachte 3] als bemanningslid opgetreden. De rol van [verdachte] in dit geheel is dat hij op 10 juni 2017 met behulp van een door hem meegebrachte portofoon in contact gestaan met één of meerdere personen, die de cocaïne vanaf de MSC Krystal overboord heeft/hebben gezet en de exacte locatie van de cocaïne in zee heeft bepaald met behulp van door hem speciaal daarvoor meegebrachte apparatuur. Vervolgens is [medeverdachte 4] met de [nummer viskotter] tegen de tassen met cocaïne aan gaan liggen en zijn die tassen aan boord getrokken en in een watertank verstopt. Daarna zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] teruggevaren naar de haven van Harlingen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het binnen het grondgebied van Nederland verder vervoeren van de cocaïne. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

4.4.2.

De bewijsmiddelen

De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, de overtuiging gekregen, en acht dan ook bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierna beschreven in rubriek 5.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 10 juni 2017 te Harlingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft vervoerd, een hoeveelheid van in totaal ongeveer 261 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Strafmaatverweer verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank er in strafmatigende zin rekening mee te houden dat verdachte geen leider is, aangezien de organisatie alleen vervangbare personen, die niet hoog op de ladder staan, zal hebben meegestuurd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen ongeveer 261 kilogram cocaïne verder binnen het grondgebied van Nederland verspreid. Uitgaande van de waarde in het handelsverkeer per kilo van ongeveer € 30.000,- (zo blijkt uit openbare bronnen) bedraagt de waarde van de in onderhavige zaak in beslag genomen cocaïne meer dan zeven-en-een-half-miljoen euro. De stof cocaïne vormt een gevaar voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat - gelet op het zeer lucratieve karakter ervan - gepaard met zware criminaliteit en ondermijning van de rechtstaat.

Kennelijk louter uit geldelijk gewin heeft verdachte zich direct door het criminele samenwerkingsverband dat het transport heeft georganiseerd laten inschakelen om een grote hoeveelheid cocaïne uit zee op te vissen en naar het vasteland te brengen. Daarbij heeft verdachte – als enige van de betrokkenen direct aangestuurd door de organisatoren van het drugstransport - een essentiële rol gespeeld door de communicatie- en lokalisatieapparatuur mee te brengen en te bedienen, waarmee de overdracht van de cocaïne van het containerschip naar de viskotter is gerealiseerd. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht heeft als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 6 jaren vastgesteld in geval van invoer van meer dan 20 kilogram in georganiseerd verband. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken.

9 Beslag

De rechtbank zal de onder verdachte in beslag genomen zaktelefoon en het papier teruggeven aan verdachte en de overige in beslag genomen goederen, zijnde de communicatie- en lokalisatieapparatuur, de bijhorende opladers en de tassen waarin deze zijn aangetroffen verbeurd verklaren, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Laatstgenoemde goederen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien deze aan verdachte toebehoren en het bewezen geachte feit met behulp daarvan is gepleegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, lid 5, van de Opiumwet

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Zaktelefoon Kl:blauw

NOKIA 105 RM-1134 V-01.02.001

V-01.02.001 imei: [nummer]

2 1.00 STK Papier

T-MOBILE V-01.01.005

opschr.pin [pin] , puk- [puk] /puk2 en pin2/puk2

Verklaart verbeurd:

3 1.00 STK Tas

A3.001.01

A3.001.01 met opschrift North Face

4 1.00 STK Oplader

STUFENBLEILADER 4C12030 A3.001.01.B

A3.001.01.B zwart blok, lader snoer en blauwuiteind

5 1.00 STK Rugzak

A3.001.02

A3.001.02 gevuld met plastic zak

6 1.00 STK Verrekijker

STEINER/64805 military M A3.001.02.A

A3.001.02.A verrekijker groot/military Marine

7 1.00 STK Verrekijker

REINAERT A.03.001.02.B

A.03.001.02.B nachtkijker (klein) electronicx A’dam

8 1.00 STK Portofoon

KENWOOD TK-3301 A3.001.02.C

A3.001.02.C (019048184825) batterij:10338

9 1.00 STK Oplader

KENWOOD rapid cha. A3.001.02.D

A3.001.02.D portofoon, rapid charcher W08-1249

10 1.00 STK Marifoon

IRIDIUM A3.001.02.E

A3.001.02.E satelliet telefoon imei: [nummer]

11 1.00 STK Oplader

IRIDIUM FD7650/06 A3.001.02.F

A3.001.02.F oplader satelliet telefoon

12 1.00 STK Oplader

IRIDIUM 021999 A3.001.02.G

A3.001.02.G autolader satelliet telefoon

13 1.00 STK Zaklantaarn

A3.001.02.H

A3.001.02.H zaklamp met blauw randje

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,

mrs. J. Edgar en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.L. Slaats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 mei 2018.