Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3279

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
13/751164-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Frankrijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751164-18

RK-nummer: 18/1681

Datum uitspraak: 15 mei 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 februari 2018 door de Procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance te Verdun (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1952,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H. Kraimi, advocaat te Kerkrade.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 14 februari 2018 van de onderzoeksrechter bij het Tribunal de Grande Instance te Verdun.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zes naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

De verdenking die ten grondslag ligt aan het EAB betreft – kort samengevat – handel in heroïne vanuit Nederland. Daarbij is in het EAB melding gemaakt van een zevental strafbare feiten naar Frans recht met betrekking tot verdovende middelen. In het EAB is ten aanzien van de vermeende rol van de opgeëiste persoon vermeld dat hij de vervoerder is; hij moet – zoals bepaald door [naam] (de vermeende leider van het netwerk dat zich bezig zou houden met de handel in heroïne) – heroïne transporteren tot Verdun en het geld van verschillende kopers oogsten. Verder zijn in het EAB vermeld de vermeende pleegperiode: 1 juli 2017 tot 12 februari 2018, en de vermeende pleegplaatsen, te weten een vijftal met naam genoemde plaatsen in Frankrijk, waaronder Verdun.

De raadsman heeft aangevoerd dat de informatie ten aanzien van de feiten niet specifiek genoeg is om de opgeëiste persoon in staat te stellen een onschuldverweer te voeren. Daarom is de informatie ten aanzien van de feiten ongenoegzaam, wat primair moet leiden tot weigering van de overlevering en subsidiair tot aanhouding om nadere informatie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het primaire verweer van de raadsman niet kan slagen en dat geen aanleiding bestaat de zaak aan te houden, zoals subsidiair verzocht door de raadsman.

De rechtbank stelt voorop dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak is aan voormelde eisen voldaan, waarmee de verstrekte informatie ten aanzien van de feiten genoegzaam is.

De raadsman heeft ter zitting naar voren gebracht aan de hand van rittenstaten van de opgeëiste persoon, die internationaal taxichauffeur zou zijn, zijn onschuld te willen aantonen. Voor een dergelijke bewijswaardering is geen plaats in de overleveringsprocedure. Dat zal moeten gebeuren in de Franse strafzaak. Het verstrekken van nadere informatie door de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de verdenking van de opgeëiste persoon om een dergelijk verweer in de overleveringsprocedure te kunnen voeren, is dan ook niet aan de orde.

5 Strafbaarheid

5.1

Inleiding

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel e) van het EAB:

  • -

    vermeld dat het EAB betrekking heeft op zes strafbare feiten;

  • -

    het feitencomplex weergegeven;

  • -

    zeven wettelijke kwalificaties naar Frans recht genoemd, te weten:

1. onregelmatig misbruik ( “usage illicite”) van verdovingsmiddelen;

2. niet toegestaan transport van verdovingsmiddelen;

3. niet toegestane aanbod en overdracht van verdovingsmiddelen;

4. niet toegestane invoer van verdovingsmiddelen;

5. niet toegestaan bezit van verdovingsmiddelen;

6. niet toegestane aankoop van verdovingsmiddelen;

7. niet toegestaan gebruik (“emploi non autorisé”) van verdovingsmiddelen;

- de strafbare feiten aangeduid als feit 5 in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft, desgevraagd door de officier van justitie, bij e-mail van 9 april 2018 de aanvullende informatie verstrekt:

  • -

    dat op het hiervoor onder 1 vermelde strafbare feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van één jaar is gesteld;

  • -

    dat op de overige hiervoor vermelde strafbare feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van tien jaar is gesteld.

5.2

Lijstfeit/onderzoek naar dubbele strafbaarheid

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet in dit geval in beginsel achterwege blijven, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit, de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW (zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 1e, van de OLW).

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist.

In gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie moet dit tot de conclusie leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat – ook wanneer het feitencomplex wordt bezien in het licht van de kwalificaties naar Frans recht – van een dergelijke evidente tegenstrijdigheid geen sprake is.

Volgens de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte gegevens is op de hiervoor onder 2 tot en met 7 vermelde strafbare feiten naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld, wat een vereiste is voor het van toepassing zijn van een lijstfeit. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feitencomplex voor zover dat valt onder deze strafbare feiten naar Frans recht dus in redelijkheid onder het lijstfeit kunnen brengen.

Met de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het deel van het feitencomplex dat valt onder het hiervoor onder 1 vermelde strafbare feit naar Frans recht – onregelmatig misbruik van verdovingsmiddelen – niet in redelijkheid onder het lijstfeit heeft kunnen scharen vanwege het niet toereikende strafmaximum naar Frans recht (maximaal één jaar vrijheidsstraf). Dat betekent dat ten aanzien van dit deel van het feitencomplex moet worden getoetst of is voldaan aan de (kaderbesluitconform uitgelegde) eisen van dubbele strafbaarheid van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e, van de OLW. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. De feitelijke handelingen die naar Frans recht worden gekwalificeerd als onregelmatig misbruik van verdovingsmiddelen impliceren ook het bezitten van verdovende middelen, wat naar Nederlands recht strafbaar is als: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Daarbij geldt dat bij zowel voormeld strafbaar feit naar Frans recht als voormeld strafbaar feit naar Nederlands recht hetzelfde rechtsgoed wordt beschermd, te weten de volksgezondheid.

6 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Public Prosecutor bij het Verdun District Court heeft, desgevraagd door de officier van justitie, bij e-mail van 6 april 2018 – die ook ziet op medeverdachte in het Franse onderzoek [naam] – de volgende garantie gegeven:

“I, the undersigned, hereby stat that [naam opgeëiste persoon] , born on the [geboortedag] 1952 in [geboorteplaats 1] (The Netherlands) and [naam] , born on the [geboortedag 2] 1987 in [geboorteplaats 2] (The Netherlands), both Dutch national, will be entitled, in case they are sentenced to a custodial sentence by a final judgement, to serve their prison term in the Netherlands pursuant tot he provisions of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty fort he purpose of their enforcement in the European Union.”

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

  • -

    medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

  • -

    medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

  • -

    medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Volgens de raadsman is de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW van toepassing. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat in Nederland, in de strafzaak die ten grondslag ligt aan het EAB, een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Aangezien dat een daad van vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland is, moet ervan uit worden gegaan dat zij ook in Nederland wordt vervolgd, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat tegen de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering is verzocht, geen strafvervolging in Nederland gaande is.

De rechtbank stelt vast dat de raadsman zijn voormelde, andersluidende stelling niet heeft onderbouwd met stukken en ook niet op andere wijze heeft aangetoond dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van de officier van justitie. De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW is dus niet van toepassing.

9 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    de drugs zijn ingevoerd in Frankrijk;

  • -

    de Franse rechtsorde is hierdoor geschokt;

  • -

    de bewijsmiddelen bevinden zich op Frans grondgebied;

  • -

    het onderzoek is in Frankrijk aangevangen.

.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk de voorkeur verdienen, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft hij in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen.

Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

10 Detentieomstandigheden

Met betrekking tot de detentieomstandigheden verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6648, waarin kortgezegd is geoordeeld dat het ernstige vermoeden dat de situatie in het huis van bewaring in Nîmes wegens ruimtegebrek in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, niet is weggenomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de brief van 10 april 2018 van de Onderzoeksrechter te Verdun waarin is vermeld dat de opgeëiste persoon in geen geval gedetineerd zal worden in Nîmes. Dit betekent dat er voor de opgeëiste persoon geen sprake is van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie en dat de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering vormen.

11 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

12. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 van de Opiumwet en 2, 5, 6 en 7, van de OLW.

13 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëiste persoon] , aan de Procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance te Verdun (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en E.G. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.