Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3231

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
11-05-2018
Zaaknummer
13/689010-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 20-jarige vrouw is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur voor haar rol in een vechtpartij in de Dapperstraat in Amsterdam in november 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/689010-17 (Promis)

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Klein Egelink, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. N.D. de Fluiter, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging op 13 november 2016 op de Dapperstraat te Amsterdam door [slachtoffer] te snijden met een mes, te slaan met stokken en hockeysticks en te slaan en trappen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de openlijke geweldpleging kan worden bewezen, op grond van de aangifte, de getuigenverklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en de verklaring van de verdachte bij de politie.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de openlijke geweldpleging, omdat zij geen opzet op het geweld heeft gehad.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op 13 november 2016 heeft in de Dapperstraat een ontmoeting plaatsgevonden tussen medeverdachte [medeverdachte 1] (vader van verdachte, hierna: [medeverdachte 1] ) en aangever [slachtoffer] (hierna: aangever en/of [slachtoffer] ). Om verschillende redenen bestond tussen beide personen onmin, welke zij deze avond zouden uitpraten. Met [medeverdachte 1] waren verdachte en twee medeverdachten meegekomen, te weten [medeverdachte 2] (broer van de vader van verdachte, hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverachte 3] (broer van verdachte, hierna: [medeverachte 3] ). Vrijwel direct na aankomst van verdachten is een vechtpartij ontstaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij een stok van de grond heeft opgepakt en daarmee heeft gezwaaid. Zij sluit niet uit dat zij [slachtoffer] hierbij heeft geraakt. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben beiden verklaard over een vrouw die met een stok het slachtoffer heeft geslagen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte met een stok in haar hand door [medeverachte 3] wordt weggehouden van [slachtoffer] . Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat verdachte, [slachtoffer] met een stok heeft geslagen. Het feit dat verdachte op deze manier heeft gehandeld om haar vader en oom te ontzetten, heeft geen invloed op de vraag of zij deze handelingen opzettelijk heeft verricht. Door te slaan met een stok heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer] .

Het kan verder worden vastgesteld dat ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geweld tegen aangever [slachtoffer] hebben uitgeoefend. [medeverdachte 1] heeft bekend [slachtoffer] met een mes te hebben gesneden. [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] met een stok geslagen, gestompt en getrapt. Dit brengt de rechtbank tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het geweld is immers in vereniging en in het openbaar, te weten in de Dapperstraat, gepleegd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 13 november 2016 te Amsterdam met anderen op of aan de openbare weg, de Dapperstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

- het snijden met een mes in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] en

- het slaan met houten stokken en/of hockeysticks tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en

- het slaan en trappen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer]

waarbij verdachte

- heeft geslagen met een houten stok.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat sprake is geweest van noodweer dan wel noodweer exces. Verdachte heeft gezien dat haar vader ( [medeverdachte 1] ) en oom ( [medeverdachte 2] ) werden aangevallen met stokken door [slachtoffer] en zijn vrienden. Dit was een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van hun lichaam, waartegen verdachte zich mocht beschermen. Het slaan met een stok voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien de wederrechtelijkheid van het handelen van [slachtoffer] niet is komen vast te staan komt verdachte een beroep op putatief noodweer (exces) toe. In dat geval is sprake van een verontschuldigbare dwaling hieromtrent.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer(-exces)

Bij de beoordeling van het verweer moet allereerst worden opgemerkt dat het opsporingsonderzoek geheel voorbij lijkt te zijn gegaan aan de gerede mogelijkheid dat aangever [slachtoffer] zich voorafgaand aan de gewelddadigheden, wetende dat hij een ontmoeting met verdachte zou hebben, had verzekerd van de steun van een aantal met stokken bewapende vrienden. Aanleiding voor die veronderstelling is, naast de dienaangaande afgelegde verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten, het aanzienlijke aantal, als slagwapen bruikbare, stokken en latten en delen daarvan die op de plaats delict zijn aangetroffen. Er zijn in totaal elf van zulk soort attributen aangetroffen (waarvan vier stukken twee aan twee aan elkaar pasten). Verdachte en [medeverdachte 2] , die – zoals zij hebben verklaard – zich beiden met een stok of soortgelijk voorwerp naar het treffen hebben begeven, hadden er twee. Anderen beschikten derhalve over de vermoedelijk 7 overige slagwapens. Hierbij wordt overwogen dat [medeverachte 3] en [verdachte] ongewapend op het strijdtoneel zijn verschenen.

Mede gelet op de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 3] die spreken van een min of meer massale vechtpartij, moet er dan ook van worden uitgegaan dat aangever en zijn medestanders zich in de gewelddadige confrontatie met verdachte niet onbetuigd hebben gelaten en mogelijk zelfs als eersten klappen hebben uitgedeeld, althans verdachte en [medeverdachte 2] met stokken gewapend hebben staan opwachten. Het is een omissie dat dit aspect in het opsporingsonderzoek buiten beschouwing is gebleven. Ook aangever en zijn medestanders zullen hun aandeel aan de gewelddadigheden hebben gehad.

Het beroep van verdachte op noodweer(-exces) wordt echter verworpen. De volgende feiten en omstandigheden zijn daarvoor redengevend. Op grond van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , de verklaring van met name de getuige [getuige 4] en de ter terechtzitting afgespeelde camerabeelden is de gang van zaken de volgende geweest. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben zich per auto naar de plaats delict begeven. Aldaar aangekomen zijn zij, teneinde de confrontatie met aangever aan te gaan, met wapens in de hand uitgestapt. Zij hebben zich blijkens de camerabeelden onmiddellijk, rechtstreeks en zonder aarzeling in de richting van, naar moet worden aangenomen, aangever begeven. Reeds deze agressieve manier waarop [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de confrontatie zijn aangegaan staat aan een succesvol beroep op noodweer(-exces) in de weg (culpa in causa). Het kan niet worden gezegd dat het geweld dat tegen hen werd uitgeoefend een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van hun lichaam was. Zij bevonden zich niet in een noodweersituatie, zodat het handelen van verdachte ook niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep hierop. Bovendien bevond aangever zich op de grond toen verdachte hem sloeg met de stok.

Putatief noodweer

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte de feitelijkheden maar zeer beperkt van dichtbij heeft meegemaakt en dat zij daarom verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de wederrechtelijkheid van het gebruikte geweld tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit de bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte volgt dat zij van het begin af aan aanwezig is geweest bij het incident en alles heeft zien gebeuren. Zij heeft immers verklaard dat zij haar vader ( [medeverdachte 1] ) heeft zien uitstappen en dat er mensen met knuppels op hem stonden te wachten. Eveneens betekent dit dat zij heeft gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op het moment van uitstappen gewapend waren en op een agressieve manier de confrontatie zijn aangegaan. Gezien het feit dat verdachte dit heeft gezien is er geen aanleiding te veronderstellen dat verdachte de aard van de hierop volgende aanranding verkeerd zou hebben beoordeeld. Om die reden komt verdachte geen beroep op putatief noodweer(-exces) toe.

Daarmee geldt dat het bestaan van een strafuitsluitingsgrond niet aannemelijk is geworden, zodat het een strafbaar feit betreft waarvoor verdachte strafbaar is.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een geheel voorwaardelijke geldboete of taakstraf op te leggen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, door samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het slachtoffer [slachtoffer] aan te vallen. Verdachte heeft hem met een stok geslagen. Verdachte heeft zich begeven in een min of meer massale vechtpartij op de openbare weg en daaraan deelgenomen. Dergelijk handelen tegen de openbare orde brengt tevens gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

De rechtbank houdt rekening met de rol die verdachte in het geheel heeft gespeeld; een aanmerkelijk kleinere rol dan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zij is zelfstandig naar de plaats delict toegegaan en kon van te voren niet weten dat de medeverdachten gewapend de confrontatie zouden aangaan. Haar valt wel te verwijten dat zij zich hier vervolgens bij heeft aangesloten.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken en acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat zij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De oriëntatiepunten spreken in dat geval in beginsel van een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur. De rechtbank ziet in de minder grote rol die zij in het geheel heeft gespeeld alsmede in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten haar zwangerschap en relatief jeugdige leeftijd, echter aanleiding hiervan af te wijken en zal een taakstraf van 60 uur opleggen.

7 Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

7.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 6.806,00 aan materiële schadevergoeding en € 20.000 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft mr. I. Güçlü de vordering nader toegelicht.

7.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat behandeling van deze een onevenredige belasting van het strafgeding met zich meebrengt. Voorts is de raadsman van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit de onderbouwing van de schriftelijke vordering en de mondelinge toelichting hiervan ter terechtzitting blijkt dat de gevorderde schadevergoeding voortkomt uit het letsel dat bij de benadeelde is ontstaan (de ziekenhuiskosten, inkomstenderving en het langdurige herstel). Het is vast komen te staan dat dit letsel is veroorzaakt door de slagen met het mes die medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gegeven en niet door het handelen van verdachte. Om die reden zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De schade waarvan vergoeding wordt gevorderd houdt immers geen rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en W.M. van den Bergh, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.H. Limburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.