Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3225

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
13/728255-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (schuld)heling van twee gestolen auto’s. Gevangenisstraf voor de duur van 48 weken met aftrek, waarvan 24 weken voorwaardelijk, en een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728255-16 (Promis)

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni, 8 september en 28 november 2017 alsmede 20 februari en 6, 7, 8, 9, 13, 14 en 15 maart en 26 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. C. Cnossen en A. van de Venn (hierna gezamenlijk te benoemen als: officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman mr. V.R.C. Shukrula naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van wat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , met mr. Y. Moszkowicz, en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , met mr. R.A. Korver, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging op de terechtzittingen van 20 februari en 6 maart 2018 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. Het medeplegen van opzetheling, dan wel schuldheling van een Volkswagen Caddy (met gestolen kentekenplaten [kenteken] ), een Seat Leon (met gedupliceerde kentekenplaten [kenteken] ) en een Volkswagen GTI met (gestolen kentekenplaten [kenteken] );

  2. De deelname aan een criminele organisatie.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 8 oktober 2016 wordt de Mini Cooper met daarin [slachtoffer] , zijn vriendin C. [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en hun tweejarige dochter [naam dochter] (hierna: het/hun kind) door zestien kogels beschoten in de parkeergarage onder hun appartementencomplex. [slachtoffer] overlijdt ter plaatse en [benadeelde partij 1] raakt zwaargewond, maar overleeft ternauwernood. Hun kind, dat op de achterbank zat, blijft wonderwel ongedeerd.

Uit het onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van een gerichte liquidatie, maar aangenomen moet worden dat de daders zich hebben vergist in de identiteit van de slachtoffers.

Op basis van een uitvoerig onderzoek zijn zeven verdachten aangehouden, waarvan er vijf worden beschuldigd van het gezamenlijk plegen (medeplegen) van de liquidatie. De strafzaak van verdachte komt uit dit onderzoek voort, maar hij wordt zelf niet van betrokkenheid bij de liquidatie beschuldigd. Hij wordt ervan verdacht handelingen te hebben verricht ten aanzien van gestolen auto’s, waarvan er twee later als vluchtauto’s bij de liquidatie zijn gebruikt.

Ook is de deelname aan een criminele organisatie tenlastegelegd, maar de officier van justitie heeft al in een vroeg stadium van het strafproces aangegeven geen bewijs te kunnen leveren voor die beschuldiging en daar dus vrijspraak voor te zullen vragen. Omdat de rechtbank zich kan verenigen met dat oordeel wordt aan die laatste beschuldiging in dit vonnis weinig aandacht besteed.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat verdachte als medepleger dient te worden veroordeeld voor de onder 1. ten laste gelegde heling.

Ten aanzien van de onder 2. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat verdachte de ten laste gelegde auto’s niet voorhanden heeft gehad. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Tevens dient verdachte te worden vrijgesproken van de onder 2. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Inleiding

De rechtbank acht het voor een goed overzicht in deze zaak belangrijk om voorafgaand aan de juridische beoordeling een uiteenzetting te geven van de belangrijkste feiten die haar zijn gebleken. Naast een overzicht van telefoonnummers en auto’s is een tijdlijn van gebeurtenissen, beginnend in juni 2016, daarin opgenomen. Niet alle passages en daarbij genoemde verwijzingen naar het dossier maken deel uit van de bewijsconstructie. De rechtbank heeft over enkele gebeurtenissen naar aanleiding van de discussie daarover tussen het openbaar ministerie en de verdediging duidelijk willen maken wat zij wel, maar ook wat zij niet heeft kunnen opmaken uit het dossier en de terechtzitting. Daarbij wordt dus ook aangegeven wat de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie heeft beargumenteerd, niet heeft kunnen vaststellen.1

3.4.2

Feitenvaststelling

De rechtbank zal beginnen met een overzicht van de verdachten, hun telefoonnummers, de betrokken voertuigen en de bij de moordaanslag gebruikte (prepaid)telefoons.

De verdachten in onderzoek 13Mortel

  • -

    [verdachte 2] , hierna te noemen : [verdachte 2] ;

  • -

    [verdachte 3] , hierna te noemen : [verdachte 3] ;

  • -

    [verdachte 4] , hierna te noemen : [verdachte 4] ;

  • -

    [verdachte 5] , hierna te noemen : [verdachte 5] ;

  • -

    [verdachte 6] , hierna te noemen : [verdachte 6] ;

  • -

    [verdachte] , hierna te noemen : [verdachte] ;

  • -

    [verdachte 7] , hierna te noemen : [verdachte 7] .

Telefoons in gebruik bij verdachten

- [verdachte 2] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 1]2;

- [verdachte 3] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 2]3;

- [verdachte 4] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 3]4;

- [verdachte 5] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 4]5;

- [verdachte 6] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 5]6;

- [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 6]7;

- [verdachte 7] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 7]8.

Voertuigen in gebruik bij verdachten

- een Volkswagen Bora met kenteken [kenteken] (hierna: de Bora). Deze Bora staat op naam van [verdachte 5] en wordt door hem en [verdachte 3] gebruikt. Er zijn verder geen andere gebruikers van de Bora bekend geworden in het onderzoek.9 [verdachte 3] heeft verklaard dat alleen hij en [verdachte 5] de Bora gebruikten en dat er niet meer mensen waren die de Bora leenden.10 Ook [verdachte 5] heeft verklaard dat niemand anders dan hij en [verdachte 3] de Bora gebruikte, dat hij zelf de Bora aan niemand anders dan [verdachte 3] uitleende, en dat [verdachte 3] volgens hem niemand (anders) vertrouwde met die auto11. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Bora telkens wanneer die in het onderzoek rijdend is waargenomen, werd bestuurd door ofwel [verdachte 3] , ofwel [verdachte 5] .

- een Mercedes Vito met kenteken [kenteken] (hierna: de Vito), gehuurd door [verdachte 2]12;

- een Mercedes V-Klasse met kenteken [kenteken] (hierna: de V-Klasse), gehuurd door [verdachte 2]13;

- een Volkswagen Jetta met kenteken [kenteken] (hierna: de Jetta), op naam van [naam vader] , de vader van [naam partner] , de partner van [verdachte 7] , (mede) in gebruik bij [verdachte 7] .14

Bij de moordaanslag gebruikte voertuigen en telefoons

  • -

    een Volkswagen Caddy voorzien van valse kentekenplaten [kenteken] (hierna: de Caddy);

  • -

    een Seat Leon voorzien van gedupliceerde kentekenplaten [kenteken] (hierna: de Seat).

  • -

    [prepaid 1] (hierna: prepaid 1);

  • -

    [prepaid 2] (hierna: prepaid 2);

  • -

    [prepaid 3] (hierna: prepaid 3).15

3.4.3

Tijdlijn van gebeurtenissen en bewijsoverwegingen

15 juni 2016

Ophalen en verplaatsen van de Caddy

In de nacht van 14 op 15 juni 2016 wordt in Leiden een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] gestolen.16 Diezelfde nacht worden in Rotterdam kentekenplaten met kenteken [kenteken] gestolen van een andere Volkswagen Caddy.17

In de middag van 15 juni 2016 rijden [verdachte 3]18 en [verdachte 5]19 met de Bora van Amsterdam naar de woning van [verdachte 4] in [plaats 1] .20 Nadat zij [verdachte 4] hebben opgehaald rijden zij met de Bora naar Rotterdam. Daar stapt [verdachte 4]21 uit en hij rijdt met de in Leiden gestolen Caddy, inmiddels voorzien van de in Rotterdam gestolen kentekenplaten met kenteken [kenteken] , achter de Bora aan naar Alkmaar.22 [verdachte 3] wist de weg23 en heeft in Alkmaar met [verdachte] gesproken.24 De Caddy blijft in Alkmaar achter als een half uur later [verdachte 3] , [verdachte 5] en [verdachte 4] met de Bora naar Den Haag rijden en [verdachte 4] naar huis wordt gebracht. Daarna wordt met de Bora via Aalsmeer naar Hoofddorp gereden.25 [verdachte 5] is deze dag de bestuurder van de Bora, [verdachte 3] de bijrijder.26

20 juni 2016

Verplaatsen van de Caddy van Alkmaar naar Aalsmeer

Op 20 juni 2016 is de Caddy naar Aalsmeer gereden, in de buurt van de woning van [verdachte 2] . De telefoon van [verdachte] is met deze rit meebewogen. Later op de avond peilt de telefoon van [verdachte] weer uit in Alkmaar. De Caddy is niet geregistreerd rijdend richting Alkmaar maar rijdend vanaf Aalsmeer naar Amsterdam-Noord. De telefoon van [verdachte 6] is, voor vertrek van de Caddy, eveneens in Aalsmeer. Nadat de Caddy naar Amsterdam-Noord is verplaatst, peilt de telefoon van [verdachte 6] ook uit in Amsterdam-Noord.27 De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] de Caddy van Alkmaar naar Aalsmeer heeft gereden en [verdachte 6] vervolgens de Caddy naar Amsterdam-Noord heeft gebracht.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet in de Caddy heeft gereden en dat hij in zijn eigen auto, een Audi, naar [verdachte 2] is gereden om te gamen. Hij weet niets van de Caddy. Mogelijk heeft deze zich ten tijde van de registratie toevallig in zijn buurt bevonden.

27 en 28 juni 2016

De bewegingen van de Seat

Die dag om 22:37 uur, zijn [verdachte 3]28, [verdachte 5]29 en [verdachte 4]30 met de Bora in Den Haag en later die avond in Rotterdam. [verdachte 4] rijdt vanaf Rotterdam, hooguit enkele minuten achter de Bora, naar Amsterdam-Noord in de Seat.31 Deze is eerder in juni gestolen.32 Vervolgens rijdt de Bora richting Aalsmeer.33 De Seat is voor het eerst weer geregistreerd in de nacht van 12 op 13 juli 2016 toen de Seat van Amsterdam-Noord naar Alkmaar is verplaatst.34

3.4.4

Vrijspraak van de onder 2. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten. Het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3.4.5

De onder 1. ten laste gelegde heling

De Caddy

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat de Caddy bij hem heeft gestaan, of dat hij deze ook maar ooit heeft gezien. De rechtbank overweegt als volgt.

De Caddy is op 15 juni 2016 achtergelaten in de omgeving van de woning van verdachte door onder andere [verdachte 3] , met wie verdachte op dat moment ook heeft gesproken. De eerstvolgende keer dat de Caddy een reisbeweging maakt is op 20 juni 2016 naar de woning van [verdachte 2] . Dit gebeurt op hetzelfde moment dat verdachte naar [verdachte 2] reist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de Caddy op 15 juni 2016 voorhanden heeft gekregen en dat hij met de Caddy naar [verdachte 2] in Aalsmeer is gereden. De rechtbank gelooft de verklaring van verdachte niet dat hij deze auto nooit heeft gezien. Zijn raadsman heeft bij pleidooi de lezing van verdachte als ‘alternatief scenario’ bestempeld, maar de rechtbank acht het niet meer dan een niet onderbouwde en niet waarschijnlijke suggestie dat misschien iemand anders toevallig op hetzelfde moment als verdachte naar Aalsmeer reed in de Caddy.

Gelet op de omstandigheden waaronder de Caddy bij hem is gebracht en achtergelaten, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze Caddy (met gestolen kentekenplaten) van diefstal afkomstig was. Dat de Caddy bij hem is achtergelaten volgt uit de omstandigheid dat verdachte op 20 juni 2016 kennelijk over de sleutels van de Caddy beschikt. De rechtbank heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij al meerdere keren voor heling is veroordeeld. Hij had dan ook – simpel gezegd – beter moeten weten op het moment dat hem op deze manier een auto wordt gebracht. Het medeplegen van (schuld)heling van deze Volkswagen Caddy acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

De Seat

Ten aanzien van de Seat is niet gebleken dat deze auto in één van de garageboxen van verdachte is gestald, bij hem in de buurt heeft gestaan, noch dat hij op enig ander moment de beschikking over de auto heeft gehad. Verdachte zal ten aanzien van dit feit dan ook worden vrijgesproken.

De Volkswagen Golf GTI

Op 2 december 2016 is door middel van een inkijkoperatie een onderzoek ingesteld in de garagebox aan de [adres 1] . In deze garagebox stond een Volkswagen Golf GTI (hierna: GTI), voorzien van Poolse kentekenplaten met kenteken [kenteken] .35 Zowel de GTI36, als de kentekenplaten bleken te zijn gestolen.37 Als de GTI op 14 december in beslag wordt genomen en doorzocht, blijken de originele kentekenplaten (met kenteken [kenteken] ) in de auto te liggen.38

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de beschikking had over de garage, maar hij zou deze tussen 25 november en 5 december 2016 hebben verhuurd aan “een jongen”. Meer wil verdachte hier niet over kwijt.

De verklaring van verdachte dat hij de garagebox had verhuurd is niet onderbouwd. Zo heeft verdachte niet willen verklaren aan wie hij de garage had verhuurd en heeft hij ook geen huurcontract kunnen laten zien. Bovendien blijkt uit een tapgesprek op 3 december 2016, de dag nadat de GTI in de garage werd aangetroffen, dat verdachte zich zorgen lijkt te maken dat de politie mogelijk in de garage is geweest. Bovendien blijkt hieruit dat [verdachte] niet als enige op dat moment de beschikking had over de GTI .39 Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen dat verdachte zelf nog steeds de beschikking had over de garage, maar ook dat hij kennelijk iets te verbergen had. Uit het voorgaande blijkt dat verdachte ook deze auto (en de kentekenplaten) onder zodanige omstandigheden voorhanden heeft gekregen dat hij daarbij minst genomen moest vermoeden dat de auto van diefstal afkomstig was, mede gelet op het zojuist al aangehaalde strafblad van verdachte. De GTI was bovendien voorzien van gestolen Poolse kentekenplaten, terwijl de originele kentekenplaten zich in de auto bevonden. De rechtbank acht de schuldheling van de Volkswagen GTI dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft ten behoeve van het bewijs van de onder 1. ten laste gelegde heling gebruikgemaakt van de bewijsmiddelen die in de voetnoten 2 t/m 27 en 35 t/m 39 staan vermeld.

3.4.6

Het vermeende vormverzuim

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht alle door verdachte gevoerde tapgesprekken van na 13 december 2016 uit te sluiten van het bewijs. Er zou namelijk sprake zijn van een vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Samengevat heeft de raadsman gesteld dat een machtiging van de rechter-commissaris zou zijn afgegeven voor een bevel aan provider KPN, terwijl het bevel van de officier van justitie een bevel naar telecomprovider Vodafone is gericht. Omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en gelet op de ernst ervan, zou al het bewijs dat door het onrechtmatig uitgevaardigde bevel is verkregen moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De machtiging van de rechter-commissaris van 13 december 2016 is afgegeven voor het telefoonnummer (inclusief mobiel internet) van verdachte ( [mobiel internet] ). In de machtiging zelf staat geen specifieke telecomprovider genoemd en dat is ook geen vereiste om rechtmatig te kunnen tappen.40 De machtiging was dus afgegeven met het doel om de (tele)communicatie van het mobiele telefoonnummer van verdachte op te nemen, ongeacht de specifieke telecomprovider waar dat telefoonnummer aan gekoppeld zou zijn. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim, waardoor het verweer van de raadsman niet kan slagen en wordt verworpen.

4 Bewezenverklaring

Hierboven heeft de rechtbank onder 3.4.5 aangeduid welke bewijsmiddelen gebruikt worden voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank acht op grond van de daar aangeduide bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 15 juni 2016 tot en met 14 december 2016 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere voertuigen en kentekenplaten (te weten een Volkswagen Caddy voorzien van gestolen kentekenplaten [kenteken] en een Volkswagen Golf GTI voorzien van gestolen kentekenplaten [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het door diefstal verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbare feiten. Ook kan verdachte worden verweten dat hij deze feiten heeft gepleegd.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1. bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 24 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht geen voorwaardelijke straf, werkstraf of reclasseringscontact op te leggen. Er kan worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 21 februari 2018. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden meerdere keren is veroordeeld voor het plegen van soortelijke feiten. Eerder opgelegde straffen hebben hem er niet van weerhouden onderhavig feit te plegen.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 22 februari 2018. Hieruit blijkt dat sprake is van een delictpatroon op het gebied van vermogensdelicten. Betrokkene heeft lange tijd een procriminele houding gehad. Hij had daarnaast geen structureel inkomen, ging om met personen die delictgedrag niet afkeurden, dacht onvoldoende na over de keuzes die hij maakte en trok zijn eigen plan. Zijn mogelijk beperkte intelligentie kan een rol hebben gespeeld bij zijn delictverleden. Betrokkene zegt te hebben geleerd van zijn fouten uit het verleden en claimt al meerdere jaren een delictvrij bestaan te leiden. Hij schetst op alle leefgebieden een positief zelfbeeld. Het sociale netwerk van betrokkene vormt mogelijk nog steeds een risicofactor voor delictgedrag en dit geldt mogelijk ook voor zijn cognitieve vaardigheden. Zijn huidige werk- en

gezinssituatie kan als beschermende factor worden aangemerkt. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat. De reclassering is van mening dat een toezicht op bijzondere of een behandeling niet aan de orde is en adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van twee auto’s. Heling houdt andere misdaad in stand. Immers, het bezit van de Caddy en de GTI door verdachte werd voorafgegaan door de diefstal van deze auto’s. In andere woorden: heling doet (andere) misdaad lonen. Ondanks het feit dat de rechtbank de heling van de Seat niet bewezen heeft geacht, zal het Openbaar Ministerie wel worden gevolgd in de strafeis. De rechtbank vindt deze namelijk, ook voor de heling van (maar) twee auto’s, redelijk, mede gelet op het strafblad van verdachte waarop al eerdere veroordelingen voor heling staan. Verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 24 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

7 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.

De vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.057.709,80 aan materiële schadevergoeding, € 70.200,- aan immateriële schadevergoeding en € 34,69 aan proceskosten.

De benadeelde partij [naam dochter] vordert € 90.767,01 aan materiële schadevergoeding en € 50.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 23.561,96 aan materiële schadevergoeding en € 37.500,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 37.500,- aan immateriële schadevergoeding.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het feit ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt gevorderd, en omdat evenmin een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de schade en hetgeen wél bewezen is verklaard, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 47 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart het onder 2. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde:

Medeplegen van schuldheling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 (achtenveertig) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 24 (vierentwintig) weken, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering.

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [naam dochter] in haar vordering.

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in zijn vordering.

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 PD 1, Rub. 2.1, p. 001-028

3 PD 2, Rub. 2.1, p. 001-008

4 PD 3, Rub. 2.1, p. 001-011

5 PD 4, Rub. 2.1, p. 001-017

6 PD 5, Rub. 2.1, p. 001-009

7 PD 6, Rub. 2.1, p. 001-003

8 PD 7, Rub. 8, p. 8001-8010

9 ZD I, Rub. 5, p. 0265-0284 en PD 4, Rub. 3, p. 015.

10 PD 2, Rub. 3, p. 009

11 PD 4, Rub. 3, p. 015-016

12 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

13 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

14 ZD VI, p. 001-020

15 ZD I, Rub. 5, p. 27-29 en 120-126

16 ZD I, Rub. 2, p. 4-7

17 ZD I, Rub. 2, p. 8-9

18 PD 2, Rub. 3, p. 040-041

19 PD 4, Rub. 3, p. 055-061

20 ZD I, Rub. 5, p. 0357-0359 en Rub 4.1, p. 165 en 211-215

21 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte 4] , PD 3, Rub. 3, p. 0310

22 ZD I, Rub. 5, p. 0359-0363

23 PD 4, Rub. 3, p. 055-056

24 Zoals ter terechtzitting verklaard door [verdachte 3] , [verdachte 5] én [verdachte]

25 ZD I, Rub. 5, p. 0363-0369

26 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte 4] , PD 3, Rub. 3, p. 0310; PD 2, Rub. 3, p. 040-041 en PD 4, Rub 3, p. 055-056

27 ZD I, Rub. 5, p. 0370-0372

28 PD 2, Rub. 3, p. 041-043

29 PD 4, Rub. 3, p. 057-061

30 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte 4] , PD 3, Rub. 3, p. 0310

31 ZD I, Rub. 5, p. 0379-0381

32 ZD I, Rub. 02, p. 010-013

33 ZD I, Rub. 5, p. 0379-0381

34 ZD I, Rub. 5, p. 0382-0383

35 ZD I, Rub. 5, p. 191-192

36 ZD I, Rub. 2, p. 024-027

37 ZD I, Rub. 2, p. 018-020

38 ZD 1, Rub. 5, p. 158-160

39 PD 6, Rub. 2, p. 021

40 Beslissing op de vordering tot machtiging bevel opnemen van (tele)communicatie van de rechter-commissaris van 13 december 2016, BOB-dossier [verdachte] , Rub. 02, p. 017