Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3224

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
13/728238-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (schuld)heling van een gestolen auto. Gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, waarvan 40 dagen voorwaardelijk (met oplegging van bijzondere voorwaarden), en een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728238-16 (Promis)

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni, 8 september en 28 november 2017 alsmede 20 februari en 6, 7, 8, 9, 13, 14 en 15 maart en 26 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. C. Cnossen en A. van de Venn (hierna gezamenlijk te benoemen als: officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.R. Paardekooper naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van wat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , met mr. Y. Moszkowicz, en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , met mr. R.A. Korver, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging op de terechtzittingen van 20 februari en 6 maart 2018 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. Het medeplegen van opzetheling, dan wel schuldheling van een Volkswagen Caddy (met gestolen kentekenplaten [kenteken] en een Seat Leon (met gedupliceerde kentekenplaten [kenteken] );

  2. De deelname aan een criminele organisatie.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 8 oktober 2016 wordt de Mini Cooper met daarin [slachtoffer] , zijn vriendin [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en hun tweejarige dochter [naam dochter] (hierna: het/hun kind) door zestien kogels beschoten in de parkeergarage onder hun appartementencomplex. [slachtoffer] overlijdt ter plaatse en [benadeelde partij 1] raakt zwaargewond, maar overleeft ternauwernood. Hun kind, dat op de achterbank zat, blijft wonderwel ongedeerd.

Uit het onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van een gerichte liquidatie, maar aangenomen moet worden dat de daders zich hebben vergist in de identiteit van de slachtoffers.

Op basis van een uitvoerig onderzoek zijn zeven verdachten aangehouden, waarvan er vijf worden beschuldigd van het gezamenlijk plegen (medeplegen) van de liquidatie. De strafzaak van verdachte komt uit dit onderzoek voort, maar hij wordt zelf niet van betrokkenheid bij de liquidatie beschuldigd. Hij wordt ervan verdacht handelingen te hebben verricht ten aanzien van gestolen auto’s, waarvan er twee later als vluchtauto’s bij de liquidatie zijn gebruikt.

Ook is de deelname aan een criminele organisatie tenlastegelegd, maar de officier van justitie heeft al in een vroeg stadium van het strafproces aangegeven geen bewijs te kunnen leveren voor die beschuldiging en daar dus vrijspraak voor te zullen vragen. Omdat de rechtbank zich kan verenigen met dat oordeel wordt aan die laatste beschuldiging in dit vonnis weinig aandacht besteed.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat verdachte als medepleger dient te worden veroordeeld voor de onder 1. ten laste gelegde heling van de Volkswagen Caddy (met gestolen kentekenplaten [kenteken] en de Seat Leon (met gedupliceerde kentekenplaten [kenteken] ).

Ten aanzien van de onder 2. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat verdachte geen intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de heling van de voertuigen en dat zijn materiële bijdrage beperkt is gebleven tot de rol van chauffeur. Zijn gedragingen leveren dan ook geen medeplegen, maar (de niet ten laste gelegde) medeplichtigheid op. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Tevens dient verdachte te worden vrijgesproken van de onder 2. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Inleiding

De rechtbank acht het voor een goed overzicht in deze zaak belangrijk om voorafgaand aan de juridische beoordeling een uiteenzetting te geven van de belangrijkste feiten die haar zijn gebleken. Naast een overzicht van telefoonnummers en auto’s is een tijdlijn van gebeurtenissen, beginnend in juni 2016, daarin opgenomen. Niet alle passages en daarbij genoemde verwijzingen naar het dossier maken deel uit van de bewijsconstructie. De rechtbank heeft over enkele gebeurtenissen naar aanleiding van de discussie daarover tussen het openbaar ministerie en de verdediging duidelijk willen maken wat zij wel, maar ook wat zij niet heeft kunnen opmaken uit het dossier en de terechtzitting. Daarbij wordt dus ook aangegeven wat de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie heeft beargumenteerd, niet heeft kunnen vaststellen.1

3.4.2

Feitenvaststelling

De rechtbank zal beginnen met een overzicht van de verdachten, hun telefoonnummers, de betrokken voertuigen en de bij de moordaanslag gebruikte (prepaid)telefoons.

De verdachten in onderzoek 13Mortel

  • -

    [verdachte 2] , hierna te noemen : [verdachte 2] ;

  • -

    [verdachte 3] , hierna te noemen : [verdachte 3] ;

  • -

    [verdachte 4] , hierna te noemen : [verdachte 4] ;

  • -

    [verdachte] , hierna te noemen : [verdachte] ;

  • -

    [verdachte 5] , hierna te noemen : [verdachte 5] ;

  • -

    [verdachte 6] , hierna te noemen : [verdachte 6] ;

  • -

    [verdachte 7] , hierna te noemen : [verdachte 7] .

Telefoons in gebruik bij verdachten

- [verdachte 2] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 1]2;

- [verdachte 3] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 2]3;

- [verdachte 4] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 3]4;

- [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 4]5;

- [verdachte 5] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 5]6;

- [verdachte 6] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 6]7;

- [verdachte 7] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 7]8.

Voertuigen in gebruik bij verdachten

- een Volkswagen Bora met kenteken [kenteken] (hierna: de Bora). Deze Bora staat op naam van [verdachte] en wordt door hem en [verdachte 3] gebruikt. Er zijn verder geen andere gebruikers van de Bora bekend geworden in het onderzoek.9 [verdachte 3] heeft verklaard dat alleen hij en [verdachte] de Bora gebruikten en dat er niet meer mensen waren die de Bora leenden.10 Ook [verdachte] heeft verklaard dat niemand anders dan hij en [verdachte 3] de Bora gebruikte, dat hij zelf de Bora aan niemand anders dan [verdachte 3] uitleende, en dat [verdachte 3] volgens hem niemand (anders) vertrouwde met die auto11. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Bora telkens wanneer die in het onderzoek rijdend is waargenomen, werd bestuurd door ofwel [verdachte 3] , ofwel [verdachte] .

- een Mercedes Vito met kenteken [kenteken] (hierna: de Vito), gehuurd door [verdachte 2]12;

- een Mercedes V-Klasse met kenteken [kenteken] (hierna: de V-Klasse), gehuurd door [verdachte 2]13;

- een Volkswagen Jetta met kenteken [kenteken] (hierna: de Jetta), op naam van [naam vader] , de vader van [naam partner] , de partner van [verdachte 7] , (mede) in gebruik bij [verdachte 7] .14

Bij de moordaanslag gebruikte voertuigen en telefoons

  • -

    een Volkswagen Caddy voorzien van valse kentekenplaten [kenteken] (hierna: de Caddy);

  • -

    een Seat Leon voorzien van gedupliceerde kentekenplaten [kenteken] (hierna: de Seat).

  • -

    [prepaid 1] (hierna: prepaid 1);

  • -

    [prepaid 2] (hierna: prepaid 2);

  • -

    [prepaid 3] (hierna: prepaid 3).15

3.4.3

Tijdlijn van gebeurtenissen en bewijsoverwegingen

15 juni 2016

Ophalen en verplaatsen van de Caddy

In de nacht van 14 op 15 juni 2016 wordt in Leiden een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] gestolen.16 Diezelfde nacht worden in Rotterdam kentekenplaten met kenteken [kenteken] gestolen van een andere Volkswagen Caddy.17

In de middag van 15 juni 2016 rijden [verdachte 3]18 en [verdachte]19 met de Bora van Amsterdam naar de woning van [verdachte 4] in [plaats 1] .20 Nadat zij [verdachte 4] hebben opgehaald rijden zij met de Bora naar Rotterdam. Daar stapt [verdachte 4]21 uit en hij rijdt met de in Leiden gestolen Caddy, inmiddels voorzien van de in Rotterdam gestolen kentekenplaten met kenteken [kenteken] , achter de Bora aan naar Alkmaar.22 [verdachte 3] wist de weg23 en heeft in Alkmaar met [verdachte 6] gesproken.24 De Caddy blijft in Alkmaar achter als een half uur later [verdachte 3] , [verdachte] en [verdachte 4] met de Bora naar Den Haag rijden en [verdachte 4] naar huis wordt gebracht. Daarna wordt met de Bora via Aalsmeer naar Hoofddorp gereden.25 [verdachte] is deze dag de bestuurder van de Bora, [verdachte 3] de bijrijder.26

20 juni 2016

Verplaatsen van de Caddy van Alkmaar naar Aalsmeer

Op 20 juni 2016 is de Caddy naar [plaats 2] gereden, in de buurt van de woning van [verdachte 2] . De telefoon van [verdachte 6] is met deze rit meebewogen. Later op de avond peilt de telefoon van [verdachte 6] weer uit in Alkmaar. De Caddy is niet geregistreerd rijdend richting Alkmaar maar rijdend vanaf Aalsmeer naar Amsterdam-Noord. De telefoon van [verdachte 5] is, voor vertrek van de Caddy, eveneens in Aalsmeer. Nadat de Caddy naar Amsterdam-Noord is verplaatst, peilt de telefoon van [verdachte 5] ook uit in Amsterdam-Noord.27 De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte 6] de Caddy van Alkmaar naar Aalsmeer heeft gereden en [verdachte 5] vervolgens de Caddy naar Amsterdam-Noord heeft gebracht.

27 en 28 juni 2016

De bewegingen van de Seat

Die dag om 22:37 uur, zijn [verdachte 3]28, [verdachte]29 en [verdachte 4]30 met de Bora in Den Haag en later die avond in Rotterdam. [verdachte 4] rijdt vanaf Rotterdam, hooguit enkele minuten achter de Bora, naar Amsterdam-Noord in de Seat.31 Deze is eerder in juni gestolen.32 Vervolgens rijdt de Bora richting Aalsmeer.33 De Seat is voor het eerst weer geregistreerd in de nacht van 12 op 13 juli 2016 toen de Seat van Amsterdam-Noord naar Alkmaar is verplaatst.34

3.4.4

Vrijspraak van de onder 2. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten. Het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3.4.5

De onder 1. ten laste gelegde heling van de Caddy en de Seat

Zoals de rechtbank onder 3.4.3 heeft overwogen, is verdachte betrokken geweest bij het ophalen van de Caddy en de Seat in juni 2016 in Rotterdam. Telkens bestuurde hij de Bora, waar ook [verdachte 3] in meereed en [verdachte 4] heeft de Caddy en de Seat bestuurd. Ten aanzien van het ophalen van de Caddy heeft verdachte verklaard niet te weten dat het om een gestolen auto ging. Nadat de Caddy op 15 juni 2016 in Alkmaar was neergezet en nadat [verdachte 4] weer in de Bora was gestapt en zij ( [verdachte 3] , [verdachte 4] en verdachte) in de Bora naar Amsterdam reden, bedacht verdachte zich dat er iets niet klopte aan deze werkwijze.35 Ten aanzien van (het ophalen van) de Seat heeft verdachte verklaard dat hij nu wel wist dat het niet pluis was, maar dat hij het toch weer heeft gedaan, omdat hij geld kon verdienen.36

De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] zich op het moment van het voorhanden krijgen van de Caddy (toen die werd opgehaald in Rotterdam) realiseerde of had moeten realiseren dat er iets niet klopte. Dit bedacht hij zich immers pas op het moment dat hij de Caddy niet meer voorhanden had en aan die gedachte achteraf kan het bewijs van weten of moeten vermoeden op het moment van voorhanden krijgen ook niet worden ontleend. Van de heling van de Volkswagen Caddy zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Verdachte heeft zich echter wel schuldig gemaakt aan het medeplegen van heling van de Seat op 28 juni 2016. Hij heeft immers met [verdachte 3] in de Bora voorop gereden en daarmee de weg gewezen voor [verdachte 4] in de Seat vanuit Rotterdam. Uit zijn verklaring blijkt voorts dat hij op het moment van voorhanden krijgen van de Seat vermoedde dat deze auto van diefstal afkomstig was. Door met de Bora de weg te wijzen voor [verdachte 4] (in de Seat), heeft [verdachte] bovendien een bijdrage van voldoende gewicht aan het delict geleverd om als medepleger te kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank heeft ten behoeve van het bewijs van de onder 1. ten laste gelegde heling gebruikgemaakt van de bewijsmiddelen die in de voetnoten 2 t/m 34 staan vermeld.

4 Bewezenverklaring

Hierboven heeft de rechtbank onder 3.4.5 aangeduid welke bewijsmiddelen gebruikt worden voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank acht op grond van de daar aangeduide bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 27 juni 2016 tot en met 28 juni 2016 te Rotterdam en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een voertuig en kentekenplaten (te weten een Seat Leon voorzien van (gedupliceerde) kentekenplaten [kenteken] ) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door diefstal verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbare feiten. Ook kan verdachte worden verweten dat hij deze feiten heeft gepleegd.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1. bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tachtig dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan veertig dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat aan deze proeftijd de bijzondere voorwaarden worden verbonden, zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering in het rapport van 28 februari 2018, te weten een meldplicht en een behandelverplichting – ambulante behandeling.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de proceshouding van verdachte, met het rapport van de reclassering (waaruit een laag recidiverisico blijkt) en met het summiere strafblad van verdachte.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 21 februari 2018. Hieruit blijkt dat verdachte eerder, maar ruim buiten de recidivetermijn van vijf jaar, is veroordeeld voor vermogensdelicten. De rechtbank zal deze eerdere veroordelingen niet mee laten wegen bij de strafoplegging.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 27 februari 2018. Hieruit blijkt dat gelet op het strafblad van betrokkene niet gesproken kan worden van een delictpatroon. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat zijn psychische problemen niet delictgerelateerd zijn, omdat al twintig jaar sprake zou zijn van een paniekstoornis. De klachten zijn echter wel toegenomen sinds het tenlastegelegde. Volgens de reclassering is ambulante behandeling onvoldoende van de grond gekomen vanwege toenemende angst van betrokkene rondom onderhavige zaak. Door het ten laste gelegde is voor betrokkene een groot deel van zijn sociaal netwerk (namelijk zijn medeverdachten in deze strafzaak) weggevallen en zijn zijn psychische klachten toegenomen. De reclassering vindt het wenselijk dat begeleiding en behandeling binnen het forensisch kader gecontinueerd worden met als doel stabilisering van de leefomstandigheden van betrokkene, het creëren van een delictvrij sociaal netwerk en het eventueel toewerken naar een klinische behandeling indien ambulante behandeling geen soelaas meer biedt. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting – ambulante behandeling.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een auto. Heling houdt andere misdaad in stand. Immers, het bezit van de auto werd voorafgegaan door de diefstal van deze auto. In andere woorden: heling doet (andere) misdaad lonen. Bovendien worden gestolen en/of geheelde auto’s regelmatig gebruikt bij het plegen van zware strafbare feiten, hetgeen in deze zaak ook is gebeurd. Ondanks het feit dat de rechtbank minder bewezen heeft geacht dan de officier van justitie, zal de rechtbank het Openbaar Ministerie wel volgen in de strafeis. De rechtbank vindt deze namelijk, ook voor de heling van (maar) één auto, redelijk. Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van verdachte en met zijn persoonlijke omstandigheden zoals deze uit het rapport van de reclassering zijn gebleken. Verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tachtig dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan veertig dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Ook zullen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, worden opgelegd, te weten ( kort samengevat) een meldplicht en een behandelverplichting – in de vorm van een ambulante behandeling.

7 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Stroomstootwapen Kl: zwart

5361037

6. 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

5360158

9. 1.00 STK Computer

RASPBERRY

5360172

De officier van justitie heeft gevorderd het goed met nummer 1. zal worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige inbeslaggenomen goederen aan verdachte zullen worden geretourneerd. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.

Onttrekking aan het verkeer

Nu het voorwerp met nummer 1. is aangetroffen in het onderzoek naar het door verdachte begane feit en van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

Teruggave aan verdachte

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met nummers 6. en 9. zullen aan verdachte worden teruggegeven.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

De vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.057.709,80 aan materiële schadevergoeding, € 70.200,- aan immateriële schadevergoeding en € 34,69 aan proceskosten.

De benadeelde partij [naam dochter] vordert € 90.767,01 aan materiële schadevergoeding en € 50.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 23.561,96 aan materiële schadevergoeding en € 37.500,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 37.500,- aan immateriële schadevergoeding.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het feit ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt gevorderd, en omdat evenmin een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de schade en hetgeen wél bewezen is verklaard, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 47 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 2. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde:

Medeplegen van schuldheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 80 (tachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht en houden aanwijzingen van de reclassering

De veroordeelde moet zich binnen drie dagen na onherroepelijke veroordeling melden bij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op het volgende adres: [adres 1] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houden aan de aanwijzingen.

Behandelverplichting – Ambulante behandeling

De veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn psychische problemen bij GGZinGeest of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. STK Stroomstootwapen Kl: zwart

5361037

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

6. 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

5360158

9. 1.00 STK Computer

RASPBERRY

5360172

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering.

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [naam dochter] in haar vordering.

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in zijn vordering.

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in haar vordering.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 PD 1, Rub. 2.1, p. 001-028

3 PD 2, Rub. 2.1, p. 001-008

4 PD 3, Rub. 2.1, p. 001-011

5 PD 4, Rub. 2.1, p. 001-017

6 PD 5, Rub. 2.1, p. 001-009

7 PD 6, Rub. 2.1, p. 001-003

8 PD 7, Rub. 8, p. 8001-8010

9 ZD I, Rub. 5, p. 0265-0284 en PD 4, Rub. 3, p. 015.

10 PD 2, Rub. 3, p. 009

11 PD 4, Rub. 3, p. 015-016

12 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

13 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

14 ZD VI, p. 001-020

15 ZD I, Rub. 5, p. 27-29 en 120-126

16 ZD I, Rub. 2, p. 4-7

17 ZD I, Rub. 2, p. 8-9

18 PD 2, Rub. 3, p. 040-041

19 PD 4, Rub. 3, p. 055-061

20 ZD I, Rub. 5, p. 0357-0359 en Rub 4.1, p. 165 en 211-215

21 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte 4] , PD 3, Rub. 3, p. 0310

22 ZD I, Rub. 5, p. 0359-0363

23 PD 4, Rub. 3, p. 055-056

24 Zoals ter terechtzitting verklaard door [verdachte 3] , [verdachte] én [verdachte 6]

25 ZD I, Rub. 5, p. 0363-0369

26 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte 4] , PD 3, Rub. 3, p. 0310; PD 2, Rub. 3, p. 040-041 en PD 4, Rub 3, p. 055-056

27 ZD I, Rub. 5, p. 0370-0372

28 PD 2, Rub. 3, p. 041-043

29 PD 4, Rub. 3, p. 057-061

30 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte 4] , PD 3, Rub. 3, p. 0310

31 ZD I, Rub. 5, p. 0379-0381

32 ZD I, Rub. 02, p. 010-013

33 ZD I, Rub. 5, p. 0379-0381

34 ZD I, Rub. 5, p. 0382-0383

35 PD 4, Rub. 3, p. 055-057

36 PD 4, Rub .3, p. 057-061