Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3203

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
C/13/626096 / HA ZA 17-321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Vorderingen tegen een Nederlandse houdstermaatschappij en haar Griekse (klein)dochter tot vaststelling van aansprakelijkheid en verplichting tot schadevergoeding voor misbruik van economische machtspositie op de Griekse biermarkt. De rechtbank acht zich op grond van artikel 4 Brussel I bis-vo bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen de Nederlandse houdstermaatschappij. De rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen de Griekse (klein)dochter onder meer omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/626096 / HA ZA 17-321

Vonnis in incident van 9 mei 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar Grieks recht

MACEDONIAN THRACE BREWERY S.A .,

gevestigd te Komotini ( Griekenland ),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

HEINEKEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar Grieks recht

ATHENIAN BREWERY S.A .,

gevestigd te Aigaleo , Attica ( Griekenland ),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaak zal hierna MTB worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak zullen afzonderlijk Heineken en AB en gezamenlijk Heineken c.s. (in enkelvoud) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit

  • -

    de dagvaarding van 23 februari 2017,

  • -

    de akte overlegging producties van MTB van 29 maart 2017, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie houdende onbevoegdheid, tevens verzoek tot aanhouding van Heineken c.s. van 21 juni 2017, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord tot bevoegdverklaring tevens tot afwijzing verzoek aanhouding van MTB van 30 augustus 2017, met één productie,

  • -

    de akte overlegging producties van Heineken c.s. van 7 maart 2018,

  • -

    het proces-verbaal van pleidooi in het incident van 22 maart 2018,

  • -

    de brieven van mr. Deckers van 6 april 2018 en mr. Kortmann van 10 april 2018, met daarin opmerkingen over het proces-verbaal van pleidooi.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten voor zover van belang in het incident

2.1.

MTB is een Griekse bierbrouwerij die actief is op de Griekse biermarkt.

2.2.

AB is een Griekse bierbrouwerij die in haar eigen productiefaciliteiten een aantal bier- en watermerken produceert, alsmede andere merken importeert, en deze vervolgens verkoopt en - met gebruikmaking van haar eigen logistieke centra - distribueert in Griekenland . AB maakt als operating company of OpCo deel uit van het Heineken-concern, een wereldwijd opererend concern dat uit honderden verschillende juridische entiteiten bestaat in meer dan 70 landen.

2.3.

Heineken is een beursgenoteerde (houdster)vennootschap die de strategie en doelstellingen van het Heineken-concern vaststelt. Zij heeft zelf geen operationele activiteiten in Griekenland of elders. Heineken hield gedurende de in deze procedure relevante periode indirect - als (over)grootmoedervennootschap - circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB .

2.4.

Op 4 juli 2001 is de Griekse mededingingsautoriteit (Hellenic Competition Commission, hierna: HCC) ambtshalve een onderzoek gestart naar het algemene handelsbeleid van AB .

2.5.

In het dossier bevindt zich een kopie van een e-mail d.d. 26 september 2003 van de toenmalige advocaat van MTB aan MTB waarin onder meer is vermeld:

“(..) As you know we went to Brussels today in order to meet [naam 1] and [naam 2] from the Competiton Directorate-General of the European Commission. (..)

In particular, we argued that the Greek competition authority cannot be considered to be well placed to deal with the case, which displays a particular Community interest, mainly for the following reasons:

(..)

(ii) Heineken’s anticompetitive practices in Greece are the result of a commercial strategy which is defined at the European level by Heineken B.V. in Holland (we know that this is not totally in line with what you explained to us, but we used this in order to have the best possible chance to persuade the Commission that Heineken headquarters in Holland would also need to be raided, which was a good motivation for the Commission to act rather than the Greek authorities (..)

(..)

The reasoning of the Commission is mainly based on the fact that Heineken has recently been subject to two on-the-premises investigations carried out by Commission officers in Holland and that these investigations did not provide the evidence of any anticompetitive policy which would have been defined at the European level by Heineken B.V. [naam 2] explained that he personnally participated to these two raids and went through the very large amount of documentation taken away by the Commission. As a consequence, [naam 2] and Mr. Van Erps assumed that a new investigation in Heineken’s premises in Holland would be useless.

Hence, the Commission advised us to refer the case directly to the Greek competition authority (..)”

2.6.

In het kader van haar ambtshalve onderzoek heeft de HCC op 22 mei 2006 een bedrijfsinval gedaan in de kantoren van AB . In 2008 en 2009 zijn nog enkele bedrijfsinvallen van de HCC in de kantoren van AB gevolgd.

2.7.

Op 29 december 2006 heeft Mythos Brewery SA (hierna: Mythos), een concurrent van AB , een klacht bij de HCC ingediend over het handelen van AB op de Griekse biermarkt. Deze klacht heeft de HCC in behandeling genomen.

2.8.

In 2009 heeft de HCC de beide onderzoeken naar het handelen van AB (het ambtshalve onderzoek en het onderzoek naar aanleiding van de klacht van Mythos) samengevoegd tot één onderzoek (hierna: het onderzoek).

2.9.

De HCC heeft op 11 december 2013 een ‘mededeling van punten van bezwaar’ aan AB uitgebracht met daarin haar voorlopige oordeel dat AB inbreuk heeft gemaakt op de (Europese) mededingingsregels.

2.10.

Op verzoek van MTB heeft de HCC op 30 maart 2014 besloten om MTB als derde partij toe te laten tot het onderzoek.

2.11.

Op 23 mei 2014 diende MTB een formele klacht in bij de HCC vanwege het feit dat Heineken niet werd genoemd in de mededeling van punten van bezwaar. Daarbij heeft MTB tevens de HCC verzocht om Heineken in het onderzoek te betrekken.

2.12.

De HCC heeft bij beschikking van 19 september 2014 (hierna: de HCC-beschikking) geoordeeld dat AB haar economische machtspositie in de Griekse biermarkt heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014 door een beleid te voeren dat erop was gericht om concurrenten van de Griekse biermarkt uit te sluiten, en dat dit kwalificeert als één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 2 van de Griekse Mededingingswet (hierna: GCA). In de door MTB in het geding gebrachte (Engelse vertaling van de) HCC-beschikking is - voor zover hier van belang - vermeld:

“(..)

Submission of Macedonian Thrace Brewery for imputation of liability on the parent company

86 In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB , and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, with a view to establishing solidly - in the intervener’s opinion - “its engagement in the anti-competitive practices applied in the Greek market through the decisive control of the management of its subsidiary(..)

88 In the case at hand, the Commission, acting in the context of its discretionary powers and having due regard to all contents of the case file and all facts of the case, held unanimously that there is no evidence or sufficient indications, nor any superiour reasons of effictiveness justifying further investigation in that direction. (..)

89 In particular, without disregarding the ability to impute liability on the parent company for an infringement committed by its subsidiary, according to the relevant EU case-law, it is in any case imperative that all conditions imposing such liability based on the principle of proportionality be duly met. Accordingly, such discretion has been exercised by the national competition authorities up to now very scrupulously, and only in special cases. As already mentioned, there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (..)”

2.13.

AB is tegen de HCC-beschikking in beroep gekomen bij het Hof van Beroep van Athene. Dat Hof heeft op 3 juli 2017 het beroep van AB verworpen. Tegen deze beslissing heeft AB hoger beroep ingesteld.

3 De vorderingen in de hoofdzaak en in het incident

3.1.

MTB vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schending van artikel 102 VWEU dan wel artikel 2 GCA op de Griekse biermarkt in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014;

  2. voor recht verklaart dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn om de gehele door MTB geleden schade als gevolg van de schending van artikel 102 VWEU dan wel artikel 2 GCA te vergoeden;

  3. Heineken en AB hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

MTB legt aan haar vorderingen kort gezegd ten grondslag dat uit de HCC-beschikking blijkt dat AB misbruik heeft gemaakt van haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt. Uit de HCC-beschikking volgt dat de gedragingen van AB in de periode september 1998 tot en met september 2014, gericht op het uitsluiten van concurrenten van de Griekse biermarkt, als één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 2 GCA kwalificeren. Volgens MTB vormen Heineken en AB één onderneming in de zin van artikel 102 VWEU (vanwege de beslissende invloed die Heineken op AB uitoefent), zodat ook Heineken in strijd heeft gehandeld met het verbod op misbruik van economische machtspositie ex artikel 102 VWEU (tot 1 december 2009 artikel 82 EG-Verdrag) en artikel 2 GCA. Het gedrag van AB (zoals vastgesteld in de HCC-beschikking) moet op grond van artikel 102 VWEU worden toegerekend aan haar moedervennootschap Heineken. Zowel Heineken als AB hebben op grond van Europees dan wel het Griekse nationale recht onrechtmatig gehandeld en zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die MTB ten gevolge van de schending van het mededingingsrecht heeft geleden.

3.3.

Heineken c.s. vordert in het incident, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

  1. zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak van MTB jegens AB ;

  2. de vorderingen in de hoofdzaak van MTB jegens Heineken afwijst;

subsidiair:

de hoofdzaak aanhoudt totdat de HCC-beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of nietig is verklaard;

meer subsidiair:

een afwijkende procesorde bepaalt waarbij eerst een conclusiewisseling en een beoordeling van het door Heineken c.s. te voeren verjaringsverweer zal plaatsvinden;

een en ander met veroordeling van MTB in de kosten van het incident.

3.4.

Heineken c.s. legt het volgende aan haar primaire incidentele vorderingen ten grondslag. Artikel 8 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo) biedt, anders dan MTB meent, geen grond voor de rechtbank om rechtsmacht aan te nemen ten aanzien van de vorderingen tegen AB . Tussen de vorderingen tegen Heineken en de vorderingen tegen AB bestaat geen nauwe band in de zin van de Brussel I bis-Vo. Heineken en AB bevinden zich in een andere situatie feitelijk en rechtens. Bovendien was voor AB in het geheel niet voorzienbaar dat MTB haar zou oproepen voor de rechtbank in Amsterdam. Ten slotte levert de kunstmatige constructie van een niet-bestaande vordering tegen Heineken misbruik van (proces)bevoegdheid op. De vordering tegen Heineken is enkel ingesteld om een forum te creëren. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd en moet reeds daarom worden afgewezen.

Aan haar subsidiaire vordering legt Heineken c.s. het volgende ten grondslag. MTB baseert haar vorderingen geheel en uitsluitend op de HCC-beschikking. De kans bestaat dat die beschikking in de nog lopende administratieve hoger beroepsprocedure in Griekenland (gedeeltelijk) wordt vernietigd. In dat geval zal het partijdebat in deze procedure (ten dele) opnieuw moeten worden gevoerd. Vanwege dat risico moet, gelet op de proceseconomie, de procedure in de hoofdzaak worden aangehouden totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan dan wel nietig is verklaard. Dit is ook passend gezien het risico van tegenstrijdige beslissingen in beide procedures. Indien de rechtbank de procedure in de hoofdzaak niet aanhoudt, dan verzoekt Heineken c.s. de procedure in ieder geval aan te houden voor de onderwerpen die zijn verweven met de geldigheid van de
HCC-beschikking.

Meer subsidiair verzoekt Heineken c.s. het partijdebat gefaseerd voort te zetten.

3.5.

MTB voert verweer in het incident en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in het bevoegdheidsincident en tot niet-ontvankelijkverklaring met betrekking tot de vorderingen in het incident tot aanhouding. Daarnaast verzoekt MTB dat de rechtbank verklaart dat Heineken haar verweren ten gronde heeft gevoerd.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

In het bevoegdheidsincident is de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak jegens AB . Heineken c.s. betoogt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van zowel vordering A als vordering B in de hoofdzaak tegen AB rechtsmacht ontbeert. Anders dan MTB stelt, kan derhalve geen rechtsmacht worden aangenomen ten aanzien van vordering A in de hoofdzaak omdat AB zou zijn verschenen zonder de bevoegdheid ten aanzien van die vordering te betwisten (vgl. artikel 26 Brussel I bis-Vo).

bevoegdheid ten aanzien van Heineken

4.2.

De rechtbank is op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken in de hoofdzaak. Heineken is immers statutair gevestigd in Amsterdam en heeft derhalve woonplaats in Amsterdam. Het voorgaande is tussen partijen ook niet in geschil.

4.3.

Heineken c.s. heeft in dit incident geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak jegens Heineken op inhoudelijke gronden. Daarvoor is in dit incident geen plaats nu dit een beslissing over materiële geschillenpunten zou betreffen.

bevoegdheid ten aanzien van AB

4.4.

AB heeft geen woonplaats in Nederland, maar in Griekenland . Ingevolge de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo heeft de Griekse rechter derhalve rechtsmacht om kennis te nemen van de vorderingen jegens AB . MTB betoogt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo, onder verwijzing naar Heineken als 'ankergedaagde'. Dit artikel bepaalt dat indien er in dezelfde procedure meer dan één gedaagde is, de gedaagden kunnen worden opgeroepen voor de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zo nauwe band bestaat, dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

4.5.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voorheen Europese Gemeenschappen (HvJ) met betrekking tot dit artikellid volgt het volgende. Aan de bijzondere bevoegdheidsregels (waaronder artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo), waarmee wordt afgeweken van de in artikel 4 Brussel I bis-Vo neergelegde beginselbevoegdheid van de rechter van de woonplaats van verweerder, moet een strikte uitleg worden gegeven. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (HvJ 11 oktober 2007, C-98/06, Freeport / Arnoldsson, rov. 35).

4.6.

De rechter dient bij de beoordeling of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, rekening te houden met alle noodzakelijke elementen van het dossier (HvJ 11 oktober 2007, zaak C-98/06, Freeport / Arnoldsson, rov. 41). Hij hoeft zich daarbij niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar kan rekening houden met alle ter beschikking staande gegevens, daaronder begrepen de betwistingen van de gedaagde (HvJ 28 januari 2015, zaak C-375/13, Kolassa, rov. 64).

4.7.

Het gevaar op onverenigbare beslissingen dient te worden verstaan als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Beslissingen kunnen niet reeds tegenstrijdig worden geacht in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Van tegenstrijdigheid is pas sprake indien deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (HvJ 13 juli 2006, zaak C-539/03, Roche Nederland/Primus, rov. 26).

4.8.

Wanneer tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben, staat dat op zich niet in de weg aan toepassing van artikel 8 Brussel I bis-Vo, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste één van hen woonplaats had (HvJ 1 december 2011, zaak C-145/10, Painer, rov. 81).

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft MTB haar stelling dat tussen de ingestelde vorderingen tegen Heineken en AB een nauwe band in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo bestaat onvoldoende met concrete feiten onderbouwd.

4.10.

Gelet op de toelichting van MTB in paragraaf 21 en verder van de incidentele conclusie van antwoord begrijpt de rechtbank de vordering onder A als een vordering om voor recht te verklaren dat zowel Heineken als AB artikel 102 VWEU dan wel artikel 2 GCA hebben geschonden. MTB legt aan deze vordering weliswaar dezelfde (gestelde) gedragingen van AB op de Griekse biermarkt ten grondslag, maar dat betekent nog niet dat ten aanzien van beide gedaagden sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. MTB heeft ten aanzien van de betrokkenheid van Heineken bij de gestelde mededingingsinbreuk nauwelijks concrete feitelijke stellingen ingenomen. Voor de feitelijke onderbouwing van haar vorderingen verwijst zij voornamelijk naar de HCC-beschikking, maar daarin zijn alleen gedragingen van AB op de Griekse biermarkt vermeld en expliciet geen feitelijke gedragingen van Heineken. Integendeel, de Griekse Mededingingsautoriteit heeft juist overwogen dat er geen specifieke bevindingen en/of bewijzen zijn voor directe betrokkenheid van Heineken bij het door haar vastgestelde misbruik van machtspositie door AB (zie 2.12). Dat lijkt ook te volgen uit de hiervoor in 2.5 vermelde e-mail (en het daarin verwoorde standpunt van de Europese Commissie). Voorts staat vast dat Heineken zelf geen productie- of verkoopactiviteiten verricht op de Griekse markt. De op zich niet betwiste stellingen van MTB dat (i) Heineken (indirect) 98,8% van de aandelen in AB houdt, (ii) Heineken en AB als onderdeel van hetzelfde concern dezelfde zakelijke doelen nastreven, (iii) Heineken de jaarcijfers van AB consolideert in haar jaarrekening en (iv) AB bestuurders heeft (gehad) die voorheen elders in het Heineken-concern hebben gewerkt, zijn onvoldoende om betrokkenheid van Heineken bij de gestelde mededingingsrechtelijke inbreuk van AB aan te nemen. Hetzelfde geldt voor de algemene stellingen van MTB dat (i) Heineken gezien de organisatorische structuur van het concern invloed heeft op het financieel beleid, investeringen en managementontwikkelingen van AB , alsmede de verkoop- en marketingstrategie en het commerciële beleid van AB en (ii) dat Heineken binnen het Heineken-concern de Code of Business Conduct (beleidsregels op het gebied van integriteit), HeiRules (specifieke gedragsregels) en de OneHeineken-methode (een operationeel raamwerk) hanteert. Deze stellingen duiden er weliswaar op dat Heineken invloed heeft op onderdelen van het beleid van haar (klein)dochtervennootschap AB , maar onderbouwen niet dat Heineken betrokken is bij een mededingingsrechtelijke inbreuk van AB. MTB stelt weliswaar dat Heineken een eigen rol heeft gespeeld bij een mededingingsrechtelijke inbreuk van AB , maar concretiseert die rol slechts met de stelling dat Heineken exclusiviteitsstrategieën zoals FASCAR en A2QVP2 aan AB heeft opgelegd en geïmplementeerd. Heineken heeft echter gemotiveerd betwist dat dit exclusiviteitsstrategieën zijn en dat deze regelingen verplicht zijn voorgeschreven (opgelegd) door Heineken. Tegen deze achtergrond heeft MTB onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat Heineken heeft meegewerkt of deelgenomen aan de verweten gedragingen van AB op de Griekse biermarkt. Dat het Hof van Beroep van Athene in de beslissing van 3 juli 2017 heeft vastgesteld dat AB gebruik maakt van de verkoopstrategieën FASCAR en A2QVP2, maakt dit oordeel niet anders. Heineken is in die procedure geen partij. Bovendien volgt uit die vaststelling niet dat Heineken deze regelingen heeft opgelegd en evenmin dat AB niet zelfstandig haar marktgedrag kan bepalen.

4.11.

MTB stelt verder dat Heineken wist van het gedrag van AB en heeft verzuimd in te grijpen. Dat baseert zij opnieuw in algemene, en daarmee onvoldoende, zin door te wijzen op de organisatiestructuur van het concern. Concreet onderbouwt zij die stelling slechts door te verwijzen naar de verschillende onderzoekshandelingen die de HCC in het kader van haar onderzoek naar AB heeft verricht. Daarmee kan zij niet volstaan, nu die enkele verwijzing de conclusie van MTB dat het niet anders kan dan dat Heineken wetenschap had van een mededingingsrechtelijke inbreuk van AB (die eerst later door de HCC is vastgesteld) niet rechtvaardigt. Ook die stelling is bovendien door Heineken gemotiveerd betwist, waarbij zij een feitelijke onderbouwing heeft gegeven van hetgeen AB aan haar rapporteerde omtrent het onderzoek van de HCC. De stellingen van MTB zijn dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van dezelfde situatie feitelijk en rechtens en dus om op basis daarvan bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van AB aan te nemen. MTB betoogt terecht dat zij Heineken voor haar eigen forum ter verantwoording moet kunnen roepen voor een gestelde mededingingsrechtelijke inbreuk. Dat betekent evenwel niet dat haar algemene stellingen ook voldoende zijn om een nauwe band tussen de beide vorderingen aan te nemen en daarmee om (in afwijking van de hoofdregel) ook bevoegdheid aan te nemen ten aanzien van AB .

4.12.

MTB betoogt voorts dat Heineken - ook zonder eigen handelen of nalaten - aansprakelijk kan worden gehouden voor de beweerdelijke mededingingsinbreuk van AB omdat de norm van artikel 102 VWEU zich richt tot ondernemingen en niet tot rechtspersonen. Volgens MTB is dan ook sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van AB en haar moedermaatschappij Heineken zodat reeds op die grond sprake is van een nauwe band tussen de vorderingen in de zin van artikel 8 Brussel I bis-Vo. De rechtbank is (evenals partijen) van oordeel dat de vraag of in dit geval een recht op schadevergoeding kan worden uitgeoefend jegens de moedervennootschap wordt beheerst door Grieks recht. Naar Grieks recht is een vennootschap in beginsel niet aansprakelijk voor schade die wordt veroorzaakt door onrechtmatig handelen van een andere vennootschap, ook niet wanneer die twee vennootschappen tot hetzelfde concern behoren. Ook uit het Europese recht volgt niet dat een moedervennootschap op grond van het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip civielrechtelijk verplicht is tot betaling van schadevergoeding zonder dat haar daadwerkelijke betrokkenheid bij een mededingingsrechtelijke inbreuk is vastgesteld. Hieruit volgt reeds dat op grond van de enkele omstandigheid dat Heineken de (groot)moedervennootschap is van AB niet kan worden aangenomen dat sprake is van dezelfde situatie rechtens. Dit betekent dat Heineken een eigen onrechtmatige gedraging, dan wel betrokkenheid bij de gestelde onrechtmatige gedragingen van AB , moet kunnen worden verweten. Zoals hiervoor reeds onder 4.10. en 4.11. is overwogen, heeft MTB daarvoor echter onvoldoende concrete gedragingen van Heineken gesteld. Daardoor kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens in de hiervoor bedoelde zin.

4.13.

Voorts geldt dat het voor AB gezien de aard van de verweten gedraging - misbruik van economische machtspositie op de Griekse markt - niet voorzienbaar was dat zij voor een andere dan haar eigen (Griekse) rechter zou kunnen worden opgeroepen. Zoals hiervoor is overwogen, zijn er geen concrete aanwijzingen gesteld voor de conclusie dat Heineken het gedrag van AB op de Griekse markt heeft bepaald. In het verlengde daarvan moet worden aangenomen dat het voor AB - bij gebreke van dergelijke aanwijzingen - ook niet voorzienbaar was dat zij voor de rechter van de woonplaats van haar (groot)moedermaatschappij zou kunnen worden opgeroepen.

4.14.

De primaire incidentele vordering tot onbevoegdverklaring jegens AB zal derhalve worden toegewezen. Gelet daarop behoeven de argumenten van Heineken c.s. dat MTB misbruik maakt van procesbevoegdheid (door het kunstmatig creëren van de voorwaarden voor toepassing van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo) geen verdere behandeling.

4.15.

Zoals hiervoor in 4.3 al is overwogen zal de primaire incidentele vordering tot afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak jegens Heineken worden afgewezen. De rechtbank komt derhalve in zoverre toe aan de subsidiaire incidentele vordering om de hoofdzaak (jegens Heineken) aan te houden totdat de HCC-beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of nietig is verklaard. Ter zitting heeft Heineken dit verzoek gehandhaafd nu AB hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van het Hof van Beroep van Athene (zie 2.13). Deze subsidiaire incidentele vordering zal worden afgewezen nu de Nederlandse rechter in de procedure tegen Heineken niet gebonden is aan een oordeel van de Griekse mededingingsautoriteit ten aanzien van AB .

4.16.

Aangezien de door Heineken in het geding gebrachte opinies over Grieks recht niet van doorslaggevend belang zijn geweest bij het oordeel van de rechtbank, wordt het ter zitting gedane verzoek van MTB om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld daarop te reageren, afgewezen.

4.17.

MTB zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De proceskosten worden aan de zijde van Heineken c.s. tot op heden begroot op € 1.086,00 (twee punten van tarief II ad € 543,00). Ambtshalve zal de rechtbank ook de nakosten begroten en toewijzen.

in de hoofdzaak

4.18.

MTB stelt zich op het standpunt dat Heineken c.s. in haar incidentele conclusie concludeert tot afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak van MTB jegens Heineken en daartoe reeds verweer ten gronde heeft gevoerd. Volgens MTB moet de incidentele conclusie daarom worden aangemerkt als conclusie van antwoord in de hoofdzaak en mag Heineken niet (nogmaals) een conclusie van antwoord nemen. De rechtbank volgt MTB op dit punt niet. Heineken c.s. hebben in hun incidentele conclusie uitdrukkelijk geconcludeerd tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen van MTB jegens AB en in dat kader hebben zij aangevoerd dat de vorderingen jegens Heineken als ankergedaagde reeds op grond van de inhoud van de dagvaarding ongegrond zijn. Dat zij daaraan de conclusie hebben verbonden dat de vorderingen in de hoofdzaak jegens Heineken moeten worden afgewezen, brengt niet mee dat afstand is gedaan van het recht om in de hoofdzaak voor antwoord te concluderen. Integendeel, Heineken heeft zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden ten gronde verweer te voeren. Na het onderhavige vonnis in het incident zal de hoofdzaak derhalve naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord aan de zijde van Heineken. Heineken heeft nog verzocht een afwijkende procesorde vast te stellen in die zin dat in het hoofdzaak eerst het debat over verjaring wordt gevoerd, maar nu MTB daar niet mee instemt zal dit verzoek worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de primaire vordering onder (i) toe,

5.2.

wijst de overige vorderingen af,

5.3.

veroordeelt MTB in de kosten van het incident, aan de zijde van Heineken c.s. tot op heden begroot op € 1.086,00,

5.4.

veroordeelt MTB in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat MTB niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart deze (proceskosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.6.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van MTB jegens AB ,

5.7.

bepaalt dat de zaak tussen MTB en Heineken weer op de rol zal komen van 20 juni 2018 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Heineken,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, mr. M.E.M. James-Pater en mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechters, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.