Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3196

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
13/728226-16 (Promis
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moordaanslag op slachtoffer, zijn partner en hun tweejarige dochter. Verdachte is als medepleger betrokken geweest bij de moord op slachtoffer en de pogingen tot moord op zijn partner en hun tweejarige dochter. Slachtoffer was niet het beoogde doelwit. De aanslag was zorgvuldig voorbereid en verdachte en zijn mededaders hebben gebruikgemaakt van (semi)automatische wapens, gestolen auto’s en prepaidtelefoons. Verdachte heeft de bij de moordaanslag betrokken auto’s opgehaald, de schutters de parkeergarage ingereden en in een vluchtauto op hen gewacht. Er is dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders. Nu verdachte zelf niet heeft geschoten, maar wel een uitvoerende rol heeft gehad bij de voorbereiding en uitvoering van de aanslag, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 jaar passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728226-16 (Promis)

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) “ [PI] ”, locatie “ [locatie] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni, 8 september en 28 november 2017 alsmede 20 februari en 6, 7, 8, 9, 13, 14 en 15 maart en 26 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. C. Cnossen en A. van de Venn (hierna gezamenlijk te benoemen als: de officier van justitie), van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.A.C. van Tuinen naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van wat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , met mr. Y. Moszkowicz, en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , met mr. R.A. Korver, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging op de terechtzittingen van 20 februari en 6 maart 2018 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. Het medeplegen van moord op [slachtoffer] , subsidiair de medeplichtigheid daaraan;

  2. Het medeplegen van poging tot moord op [benadeelde partij 1] en [naam dochter] , subsidiair de medeplichtigheid daaraan;

  3. Het medeplegen van opzetheling, dan wel schuldheling van een Volkswagen Caddy (met gestolen kentekenplaten [kenteken] ), een Seat Leon (met gedupliceerde kentekenplaten [kenteken] en een Volkswagen GTI met (gestolen kentekenplaten [kenteken] );

  4. De deelname aan een criminele organisatie;

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 8 oktober 2016 wordt de Mini Cooper met daarin [slachtoffer] , zijn vriendin [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en hun tweejarige dochter [naam dochter] (hierna: het/hun kind) door zestien kogels beschoten in de parkeergarage onder hun appartementencomplex. [slachtoffer] overlijdt ter plaatse en [benadeelde partij 1] raakt zwaargewond, maar overleeft ternauwernood. Hun kind, dat op de achterbank zat, blijft wonderwel ongedeerd.

Uit het onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van een gerichte liquidatie, maar aangenomen moet worden dat de daders zich hebben vergist in de identiteit van de slachtoffers.

Op basis van een uitvoerig onderzoek zijn zeven verdachten aangehouden, waarvan er vijf worden beschuldigd van het gezamenlijk plegen (medeplegen) van de liquidatie. Verdachte is één van die vijf.

Twee bijkomende beschuldigingen, namelijk het helen van auto’s en het voorhanden van vuurwapens, zijn uit het onderzoek naar de liquidatie voortgekomen. Ook is de deelname aan een criminele organisatie tenlastegelegd, maar de officier van justitie heeft al in een vroeg stadium van het strafproces aangegeven geen bewijs te kunnen leveren voor die beschuldiging en daar dus vrijspraak voor te zullen vragen. Omdat de rechtbank zich kan verenigen met dat oordeel wordt aan die laatste beschuldiging in dit vonnis weinig aandacht besteed.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat verdachte als medepleger dient te worden veroordeeld voor de onder 1. primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] en de onder 2. primair ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij 1] en hun kind.

Tevens acht de officier van justitie het onder 3. ten laste gelegde medeplegen van heling wettig en overtuigend bewezen.

Ten slotte heeft de officier van justitie zich ten aanzien van de onder 4. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat verdachte niet bewust betrokken is geweest bij de liquidatie. Hij wist niet dat er een liquidatie zou gaan plaatsvinden of had plaatsgevonden en heeft hier ook nooit het opzet op gehad. Ook wist hij niet dat de voertuigen waar hij in heeft gereden van diefstal afkomstig waren. Hij moet dan ook worden vrijgesproken van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde. Tevens dient verdachte te worden vrijgesproken van de onder 4. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Inleiding

De rechtbank acht het voor een goed overzicht in deze zaak belangrijk om voorafgaand aan de juridische beoordeling een uiteenzetting te geven van de belangrijkste feiten die haar zijn gebleken. Naast een overzicht van telefoonnummers en auto’s is een tijdlijn van gebeurtenissen, beginnend in juni 2016, daarin opgenomen. Niet alle passages en daarbij genoemde verwijzingen naar het dossier maken deel uit van de bewijsconstructie. De rechtbank heeft over enkele gebeurtenissen naar aanleiding van de discussie daarover tussen het openbaar ministerie en de verdediging duidelijk willen maken wat zij wel, maar ook wat zij niet heeft kunnen opmaken uit het dossier en de terechtzitting. Daarbij wordt dus ook aangegeven wat de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie heeft beargumenteerd, niet heeft kunnen vaststellen.1

3.4.2

Feitenvaststelling

De rechtbank zal beginnen met een overzicht van de verdachten, hun telefoonnummers, de betrokken voertuigen en de bij de moordaanslag gebruikte (prepaid)telefoons.

De verdachten in onderzoek 13Mortel

  • -

    [verdachte 2] , hierna te noemen : [verdachte 2] ;

  • -

    [verdachte 3] , hierna te noemen : [verdachte 3] ;

  • -

    [verdachte] , hierna te noemen : [verdachte] ;

  • -

    [verdachte 4] , hierna te noemen : [verdachte 4] ;

  • -

    [verdachte 5] , hierna te noemen : [verdachte 5] ;

  • -

    [verdachte 6] , hierna te noemen : [verdachte 6] ;

  • -

    [verdachte 7] , hierna te noemen : [verdachte 7] .

Telefoons in gebruik bij verdachten

- [verdachte 2] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 1]2;

- [verdachte 3] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 2]3;

- [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 3]4;

- [verdachte 4] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 4]5;

- [verdachte 5] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 5]6;

- [verdachte 6] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 6]7;

- [verdachte 7] maakt gebruik van het telefoonnummer : [telefoonnummer 7]8.

Voertuigen in gebruik bij verdachten

- een Volkswagen Bora met kenteken [kenteken] (hierna: de Bora). Deze Bora staat op naam van [verdachte 4] en wordt door hem en [verdachte 3] gebruikt. Er zijn verder geen andere gebruikers van de Bora bekend geworden in het onderzoek.9 [verdachte 3] heeft verklaard dat alleen hij en [verdachte 4] de Bora gebruikten en dat er niet meer mensen waren die de Bora leenden.10 Ook [verdachte 4] heeft verklaard dat niemand anders dan hij en [verdachte 3] de Bora gebruikte, dat hij zelf de Bora aan niemand anders dan [verdachte 3] uitleende, en dat [verdachte 3] volgens hem niemand (anders) vertrouwde met die auto11. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Bora telkens wanneer die in het onderzoek rijdend is waargenomen, werd bestuurd door ofwel [verdachte 3] , ofwel [verdachte 4] .

- een Mercedes Vito met kenteken [kenteken] -R (hierna: de Vito), gehuurd door [verdachte 2]12;

- een Mercedes V-Klasse met kenteken [kenteken] (hierna: de V-Klasse), gehuurd door [verdachte 2]13;

- een Volkswagen Jetta met kenteken [kenteken] (hierna: de Jetta), op naam van [naam vader] , de vader van [naam partner] , de partner van [verdachte 7] , (mede) in gebruik bij [verdachte 7] .14

Bij de moordaanslag gebruikte voertuigen en telefoons

  • -

    een Volkswagen Caddy voorzien van valse kentekenplaten [kenteken] (hierna: de Caddy);

  • -

    een Seat Leon voorzien van gedupliceerde kentekenplaten [kenteken] (hierna: de Seat).

  • -

    [prepaid 1] (hierna: prepaid 1);

  • -

    [prepaid 2] (hierna: prepaid 2);

  • -

    [prepaid 3] (hierna: prepaid 3).15

3.4.3

Tijdlijn van gebeurtenissen en bewijsoverwegingen

15 juni 2016

Ophalen en verplaatsen van de Caddy

In de nacht van 14 op 15 juni 2016 wordt in Leiden een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] gestolen.16 Diezelfde nacht worden in Rotterdam kentekenplaten met kenteken [kenteken] gestolen van een andere Volkswagen Caddy.17

In de middag van 15 juni 2016 rijden [verdachte 3]18 en [verdachte 4]19 met de Bora van Amsterdam naar de woning van [verdachte] in [woonplaats] .20 Nadat zij [verdachte] hebben opgehaald rijden zij met de Bora naar Rotterdam. Daar stapt [verdachte]21 uit en hij rijdt met de in Leiden gestolen Caddy, inmiddels voorzien van de in Rotterdam gestolen kentekenplaten met kenteken [kenteken] , achter de Bora aan naar Alkmaar.22 [verdachte 3] wist de weg23 en heeft in Alkmaar met [verdachte 6] gesproken.24 De Caddy blijft in Alkmaar achter als een half uur later [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte] met de Bora naar Den Haag rijden en [verdachte] naar huis wordt gebracht. Daarna wordt met de Bora via Aalsmeer naar Hoofddorp gereden.25 [verdachte 4] is deze dag de bestuurder van de Bora, [verdachte 3] de bijrijder.26

20 juni 2016

Verplaatsen van de Caddy van Alkmaar naar Aalsmeer

Op 20 juni 2016 is de Caddy naar [plaats 2] gereden, in de buurt van de woning van [verdachte 2] . De telefoon van [verdachte 6] is met deze rit meebewogen. Later op de avond peilt de telefoon van [verdachte 6] weer uit in Alkmaar. De Caddy is niet geregistreerd rijdend richting Alkmaar maar rijdend vanaf Aalsmeer naar Amsterdam-Noord. De telefoon van [verdachte 5] is, voor vertrek van de Caddy, eveneens in Aalsmeer. Nadat de Caddy naar Amsterdam-Noord is verplaatst, peilt de telefoon van [verdachte 5] ook uit in Amsterdam-Noord.27 De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte 6] de Caddy van Alkmaar naar Aalsmeer heeft gereden en [verdachte 5] vervolgens de Caddy naar Amsterdam-Noord heeft gebracht.

27 en 28 juni 2016

De bewegingen van de Caddy en de Seat: een voorverkenning met de Caddy?

De Caddy beweegt op 27 juni 2016 rond middernacht vanuit Amsterdam-Noord naar de omgeving van de latere plaats delict, de parkeergarage “Oranjekwartier” aan het Koningin Wilhelminaplein in Amsterdam. De Caddy wordt daar vlakbij geregistreerd om 00:26 uur en opnieuw om 01:19 uur en is om 21:30 uur weer in Amsterdam-Noord. In de tijdvakken tussen deze drie tijdstippen zijn er geen registraties van de Caddy. 28

De rechtbank kan niet vaststellen dat de Caddy bij de parkeergarage is geweest, laat staan dat sprake was van een voorverkenning. De beweging is wel opvallend in het licht van de activiteiten op 28 juni 2016.

Die dag om 22:37 uur, zijn [verdachte 3]29, [verdachte 4]30 en [verdachte]31 met de Bora in Den Haag en later die avond in Rotterdam. [verdachte] rijdt vanaf Rotterdam, hooguit enkele minuten achter de Bora, naar Amsterdam-Noord in de Seat.32 Deze is eerder in juni gestolen.33 Vervolgens rijdt de Bora richting Aalsmeer.34 De Seat is voor het eerst weer geregistreerd in de nacht van 12 op 13 juli 2016 toen de Seat van Amsterdam-Noord naar Alkmaar is verplaatst.35

29 en 30 september en 2 oktober 2016

Reisbewegingen van de Jetta en de Bora naar Aalsmeer: is er een voorverkenning of voorbespreking van de moordaanslag?

Op 29 september 2016 om 23:52 uur wordt de Jetta, waarin op dat moment [verdachte 7] rijdt, geregistreerd rijdende vanuit Wormerveer naar Aalsmeer, waar deze om 00:41 uur aankomt. Om 01:21 uur vertrekt [verdachte 7] en rijdt hij terug naar Wormerveer, waar de Jetta om 02:17 uur wordt geregistreerd.36

Op 2 oktober 2016, rond 21:10 uur, rijden zowel [verdachte 7] (in de Jetta vanuit Wormerveer), als de Bora (vanuit [plaats 3] , woonplaats van [verdachte 3] ), naar Aalsmeer. De Bora komt hier om 21:30 uur aan en de Jetta rond 22:00 uur. De telefoon van [verdachte 3] is met de Bora meebewogen. Even later, rond 22:10 uur vertrekt de Bora, om terug te komen rond 23:30 uur. Kort hierop vertrekken zowel de Bora als [verdachte 7] uit Aalsmeer.37

Zowel [verdachte 2] als [verdachte 7] hebben bevestigd dat zij elkaar kennen van de handel in softdrugs. Volgens [verdachte 7] hadden hun ontmoetingen ook nergens anders betrekking op.38 [verdachte 7] heeft ook verklaard dat hij [verdachte 3] niet kent.39

De rechtbank gaat ervan uit dat er zowel in de nacht van 29 op 30 september, als op 2 oktober 2016 een ontmoeting is geweest tussen [verdachte 2] en [verdachte 7] . De reden van deze ontmoetingen is niet vast komen te staan. Er zijn op 29/30 september geen (gelijktijdige) reisbewegingen van andere (mede)verdachten. Op 2 oktober 2016 zijn er wel bewegingen van de Bora maar niet kan worden vastgesteld dat [verdachte 7] en [verdachte 3] elkaar die avond (moeten) hebben gezien. Evenmin kan worden vastgesteld dat [verdachte 7] in de Bora is meegereden noch waar de Bora op 2 oktober tussen 22:10 en 23:30 uur is geweest. Dat er een voorverkenning en/of voorbereiding van de moordaanslag zou zijn geweest, kan dan ook niet worden vastgesteld.

4 oktober 2016

Een voorverkenning met de V-Klasse?

[verdachte 2] heeft de V-Klasse gehuurd voor de periode tussen 30 september 2016 en 6 oktober 2016.40

Op 4 oktober 2016 heeft de V-Klasse overdag meerdere reisbewegingen gemaakt, waarbij de telefoon van [verdachte 5] (eindigend op # [nummer] ) is meebewogen. Om 20:04 uur wordt de V-Klasse geparkeerd vlakbij de woning van [verdachte 5] aan de [plaats 4] . Om 20:21 uur rijdt de V-Klasse vanaf deze locatie naar de woning van [verdachte 2] in [plaats 2] . Tegelijkertijd rijdt [verdachte 7] in de Jetta vanuit Wormerveer naar de woning van [verdachte 2] . De auto’s komen bijna gelijktijdig aan. Enkele minuten nadat beide auto’s bij de woning van [verdachte 2] zijn aangekomen, beweegt de V-Klasse in de richting van Amsterdam, waar deze om 21:17 uur op de Rijksweg A10 West nabij afslag S106/Cornelis Lelylaan wordt geregistreerd. Dit is op een afstand van ongeveer 600 meter vanaf de plaats delict. De eerstvolgende registratie is om 21:37 uur, op de Oostoever in Amsterdam. Deze locatie is ongeveer acht minuten rijden van de eerder genoemde afslag. De telefoon van [verdachte 2] (eindigend op # [nummer] ) is met de V-Klasse meebewogen vanuit Aalsmeer. Tussen 21:21 en 21:41 uur zijn er meerdere belbewegingen met deze telefoon naar contacten van [verdachte 2] . Vervolgens rijdt de V-Klasse, via de woning van [verdachte 5] in [plaats 4] , terug naar de woning van [verdachte 2] , waarbij de telefoon van [verdachte 5] is meebewogen. Nadat de V-Klasse hier is aangekomen, vertrekken zowel de Jetta (naar Wormerveer) als de V-Klasse (naar Amsterdam) uit Aalsmeer, waarbij de telefoon van [verdachte 5] met de V-Klasse is meebewogen.41

[verdachte 7] heeft ten aanzien van bovenstaande reisbewegingen verklaard dat hij de reisbeweging met de Jetta heeft gemaakt en dat dit gerelateerd was aan softdrugs. Verder heeft hij, zowel bij de politie, als ter terechtzitting, ontkend de reisbeweging met de V-Klasse te hebben gemaakt.42

Uit de beschreven bewegingen van de auto’s en telefoons leidt de rechtbank af dat in elk geval [verdachte 5] en [verdachte 2] op deze avond in de V-Klasse reden. [verdachte 5] beschikte die dag over de V-Klasse en deze auto is deze avond ook vertrokken vanaf zijn woning in [plaats 4] .De telefoons van zowel [verdachte 5] als [verdachte 2] hebben op meerdere momenten deze avond meebewogen met de V-Klasse en bovendien zijn van beide telefoons belbewegingen geregistreerd met contacten van [verdachte 5] en [verdachte 2] .

De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de V-klasse of de verdachten daadwerkelijk in of vlakbij de parkeergarage zijn geweest waar de moordaanslag later is gepleegd. Dat [verdachte 2] en [verdachte 5] die avond een voorverkenning hebben uitgevoerd is daarom niet vast komen te staan.

Ten aanzien van [verdachte 7] kan de rechtbank niet vaststellen dat hij in de V-Klasse heeft (mee)gereden. De omstandigheid dat de V-Klasse kort na aankomst van [verdachte 7] in Aalsmeer is weggereden en [verdachte 7] kort nadat de V-klasse terug is in Aalsmeer met de Jetta is weggereden, is daarvoor onvoldoende. Zijn telefoon is ook niet in beeld bij deze reisbewegingen (zoals bij [verdachte 5] en [verdachte 2] wél het geval is). Bovendien heeft hij ontkend de reisbeweging te hebben gemaakt.

6 en 7 oktober 2016

Verplaatsing van de Seat naar de omgeving van de plaats delict

[verdachte 2] heeft de Vito gehuurd voor de periode van 6 oktober 2016 tot 18 oktober 2016.43

Op 6 oktober 2016 rijdt [verdachte 3] met de Bora naar het station van Zoetermeer, waar hij [verdachte] ophaalt, waarna zij terugrijden naar Beverwijk. Die avond rijdt de Bora om 22:41 uur richting Alkmaar. [verdachte 2] is rond 20:30 uur al naar Alkmaar gereden in de Vito en hij is bij [verdachte 6] . [verdachte 2] heeft ook [verdachte 3] in Alkmaar gezien.44 De rechtbank gaat er daarom, in samenhang met het hierna volgende, vanuit dat [verdachte 3] deze avond de bestuurder is van de Bora.

Rond 23:30 uur vertrekken de Bora, de Vito én de Seat vanuit Alkmaar. De Bora en de Seat rijden direct naar Hoofddorp en de Vito rijdt via de woning van [verdachte 5] ook naar [plaats 5] , naar de woning van de moeder van [verdachte 2] en [verdachte 3] , waar deze rond 00:30 uur aankomt.45

De Vito is kort na aankomst bij de woning in [plaats 5] weer geregistreerd rond 00.45 uur rijdend vanuit Hoofddorp in de richting van Amsterdam, waarbij de Vito enkele minuten voor de Seat uit rijdt. De Seat wordt voor het laatst geregistreerd om 01:02 uur en bevindt zich dan op de N200 ter hoogte van de afslag Kimpoweg.46

Om 01:50 uur maakt de Vito weer GPS-contact en de auto is dan onderweg naar een parkeerplaats in de buurt van de woning van [verdachte 5] , waar ook korte tijd wordt stilgestaan. Hierna keert de Vito terug naar de woning van de moeder van [verdachte 2] en [verdachte 3] in [plaats 5] om 02:44 uur. Vervolgens vertrekt de Vito om 03:04 uur naar de woning van [verdachte 2] in [plaats 2] en de Bora om 03:11 uur naar Beverwijk.47 In de Bora bevinden zich [verdachte 3] en [verdachte] , omdat zij om 03:45 uur door de politie samen in deze auto worden gecontroleerd.48

De Seat is die nacht door iemand bestuurd en de rechtbank gaat ervan uit dat dit [verdachte] moet zijn geweest. Hij is immers eerder deze dag opgehaald door [verdachte 3] en heeft de Seat al eerder, op 28 juni 2016, bestuurd. Verder staat vast dat de Bora pas om 03:11 uur uit Hoofddorp is vertrokken nadat de Vito daar rond 03:00 uur is teruggekeerd. Het kan niet anders zijn dan dat [verdachte] de Seat heeft achtergelaten, in de Vito is gestapt en in Hoofddorp aangekomen vervolgens in de Bora. Door de politiecontrole staat immers vast dat [verdachte 3] en [verdachte] samen in de Bora uit Hoofddorp zijn vertrokken.

De Seat is op 7 oktober 2016 rond 08:00 uur aangetroffen op de parkeerplaats van de Wittgensteinlaan. De Seat heeft op die plek gestaan tot de middag van de moordaanslag.49

De voorgaande bewegingen en het aantreffen van de Seat op de parkeerplaats in onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank tot de volgende conclusies. De Seat is in de nacht van 6 op 7 oktober 2016 klaargezet nabij de plaats delict. De Vito is die nacht hierbij gebruikt. De Seat is die nacht bestuurd door [verdachte] , terwijl ook [verdachte 3] en [verdachte 2] betrokken zijn geweest bij het ophalen van de Seat in Alkmaar. [verdachte 3] heeft in Hoofddorp op [verdachte] gewacht en nadat hij terugkwam om 02:44 uur in de Vito zijn zij naar Beverwijk gereden.

De vraag is wie er nog meer betrokken is/zijn geweest bij het klaarzetten van de Seat.

[verdachte 2] heeft over deze nacht verschillend verklaard. Eerst heeft hij de Vito op 6 oktober 2016 voor [verdachte 5] gehuurd en deze rond middernacht bij de woning van [verdachte 5] in [plaats 4] aan hem overgedragen.50 Later heeft hij hieraan toegevoegd dat [verdachte 5] hem niet thuis wilde brengen en dat hij de Vito een paar uur later weer heeft opgehaald bij [verdachte 5] .51 Vervolgens heeft [verdachte 2] verklaard dat hij, nadat hij de Vito had gehuurd, naar huis is gereden en er ’s avonds mee naar Alkmaar is gegaan, naar [verdachte 6] . Hier is hij, toevalligerwijs, [verdachte 3] tegengekomen. Vanuit Alkmaar is hij naar [plaats 4] gereden om de Vito bij [verdachte 5] af te leveren, waarna hij met een vriend naar een pokerlocatie in Sloterdijk is gereden om daar te gaan pokeren. Bij die pokerlocatie heeft [verdachte 2] ook [verdachte 5] met de Vito gezien, waarna hij met de hiervoor genoemde vriend weer naar de woning van [verdachte 5] is gereden. Daar aangekomen wilde [verdachte 5] hem niet thuis afzetten, waarna hij de Vito zelf heeft meegenomen naar Hoofddorp. Hier is hij [verdachte 3] wederom tegengekomen.52

[verdachte 5] heeft verklaard dat hij niet meer weet of [verdachte 2] op 6 oktober 2016 de Vito bij hem heeft achtergelaten. Hij heeft echter ook verklaard dat hij weet dat hij vóór 8 oktober 2016 niet in deze Vito heeft gereden53. [verdachte 5] kan zich niet herinneren of hij in de nacht van 6 op 7 oktober 2016 in Hoofddorp is geweest. Hij kent daar niemand en heeft daar eigenlijk niets te zoeken.54 Pas op 8 oktober 2016 zou [verdachte 5] de Vito van [verdachte 2] hebben geleend55. Ook heeft hij verklaard dat hij op 8 oktober de Vito niet heeft gezien.56

De rechtbank gelooft niet dat [verdachte 2] de Vito aan [verdachte 5] heeft overgedragen, waarna hij zelf zou zijn gaan pokeren. Deze verklaring van [verdachte 2] wordt door niets ondersteund. [verdachte 2] wil niet verklaren door wie hij naar de pokerlocatie zou zijn gebracht, om welke pokerlocatie dit gaat en met wie hij zou hebben gepokerd. Ook zou [verdachte 2] later die nacht de Vito weer hebben teruggenomen, omdat [verdachte 5] hem niet thuis had willen brengen. Echter, op het moment dat [verdachte 2] weer de beschikking krijgt over de Vito, rijdt hij niet naar huis, maar naar Hoofddorp.

De rechtbank neemt aan dat [verdachte 2] de Vito niet heeft overgedragen, maar ermee vanuit Alkmaar, via de woning van [verdachte 5] , naar Hoofddorp is gereden. Omdat de Vito vervolgens ook betrokken is geweest bij het klaarzetten van de Seat, en [verdachte 2] hier geen enkele aannemelijke alternatieve verklaring voor heeft gegeven, leidt dit de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte 2] ook betrokken is geweest bij het klaarzetten van de Seat.

[verdachte 5] heeft verschillende verklaringen afgelegd die elkaar bovendien tegenspreken. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte 5] ongeloofwaardig. Uit de reisbewegingen blijkt dat de Vito in de nacht van 6 op 7 oktober 2016 bij de woning van [verdachte 5] is gestopt, waarna is doorgereden naar Hoofddorp. Vervolgens is de Vito later die nacht, nadat de Seat is klaargezet, via de woning van [verdachte 5] naar Hoofddorp teruggereden. Het kan niet anders zijn dan dat [verdachte] toen ook in de Vito heeft gezeten. Nu voor deze tussenstops bij de woning van [verdachte 5] geen enkele aannemelijke verklaring is gegeven, gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte 5] rond middernacht door [verdachte 2] met de Vito is opgehaald, waarna zij samen naar Hoofddorp zijn gereden. De rechtbank acht verder aannemelijk dat [verdachte 5] weer thuis is afgezet. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat ook [verdachte 5] betrokken is geweest bij het klaarzetten van de Seat.

Opvallend is dat [verdachte 7] de nacht van 6 op 7 oktober 2016, nog voordat de Bora, de Vito en de Seat uit Alkmaar vertrokken, met de Jetta om 23:02 uur uit Wormerveer is vertrokken in zuidelijke richting. Hoewel niet bekend is geworden waar de Jetta naar toe is gereden, rijdt deze om 03:07 uur, en dat is binnen een tijdsbestek van tien minuten met de Bora en de Vito, uit Hoofddorp terug naar Wormerveer.57

De rechtbank kan hieruit niet concluderen dat [verdachte 7] ook betrokken is geweest bij het klaarzetten van de Seat. Er is geen zicht op zijn handel en wandel tussen 23.00 en 03.07 uur. [verdachte 7] kan dan ook, anders dan [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 5] en [verdachte] , niet in de Bora, de Vito of de Seat worden geplaatst en zijn betrokkenheid bij het ophalen of klaarzetten van de Seat kan dus niet worden vastgesteld.

7 oktober 2016

Ontmoeting [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 7] en [verdachte] ?

In de middag van 7 oktober 2016 bevinden [verdachte 3] en [verdachte] zich kennelijk, in Beverwijk, aangezien hun telefoons daar uitpeilen. Vervolgens haalt [verdachte 3] met de Bora [verdachte 4] op in Amsterdam, waarna wordt doorgereden naar Amsterdam-Noord. Het is onbekend of [verdachte] is meegereden. ’s Avonds rijdt de Bora richting Aalsmeer, waar deze om 20:52 uur aankomt. Om 21:10 uur wordt de Jetta geregistreerd, rijdend van Wormerveer naar Aalsmeer, waar deze om 21:57 uur aankomt. Om 23:08 uur vertrekt de Bora uit Aalsmeer en de Bora rijdt richting de woning van [verdachte 4] .58 De telefoon van [verdachte 3] beweegt mee met de Bora.59 Om 23:36 uur maakt de telefoon van [verdachte] een connectie met het WiFi-netwerk van [verdachte 4] . Vervolgens wordt doorgereden naar Beverwijk, waarbij de telefoons van [verdachte 3] en [verdachte] meebewegen. Ondertussen is de Jetta om 23:21 uur vertrokken uit Aalsmeer, waarna deze om 00:21 uur aankomt in Wormerveer.60

[verdachte 2] heeft in algemene zin verklaard dat [verdachte 7] wel eens bij hem kwam en dat dat te maken had met softdrugs. Hij weet niet meer precies wanneer [verdachte 7] allemaal bij hem langs is geweest.

De rechtbank stelt vast dat er een ontmoeting is geweest tussen [verdachte 2] en [verdachte 7] . Ook stelt de rechtbank vast dat [verdachte 3] in Aalsmeer is geweest, in dezelfde periode dat [verdachte 7] zich in Aalsmeer bevond. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat [verdachte] die avond in Aalsmeer is geweest, of dat er een ontmoeting is geweest tussen [verdachte 3] en [verdachte 7] , noch dat zij elkaar moeten hebben gezien. Wel kan worden vastgesteld dat [verdachte 3] en [verdachte 7] afzonderlijk van elkaar naar Aalsmeer zijn gereden, waar in elk geval [verdachte 7] [verdachte 2] heeft ontmoet, en dat [verdachte 7] en [verdachte 3] afzonderlijk van elkaar weer zijn vertrokken.

8 oktober 2016

De dag van de moordaanslag

[verdachte 3] brengt [verdachte] naar de schutters en activatie prepaid 1, 2 en 3

Rond 15:10 uur rijdt de Bora met [verdachte 3] als chauffeur naar de omgeving van het Buikslotermeerplein, waar [verdachte] wordt afgezet. Gedurende deze rit wordt prepaid 1, in gebruik bij [verdachte] , om 15:12 uur geactiveerd. Vervolgens worden rond 15:20 uur ook prepaid 2 en 3 geactiveerd en alle drie de prepaidtelefoons maken dan gebruik van de zendmast op het adres [adres 2] , in de omgeving van het Buikslotermeerplein. Vervolgens vertrekt [verdachte 3] met de Bora rond 15:29 uur in de richting van [plaats 2] , waar deze om 15:51 uur wordt geregistreerd (in de buurt van de woning van [verdachte 2] ).61

[verdachte 3] heeft verklaard dat hij, nadat hij [verdachte] heeft afgezet in [plaats 4] , naar de woning van de dochter van [verdachte 4] aan de [adres 3] is gegaan, waar hij de hele dag is gebleven.62

Dat [verdachte 3] , nadat hij [verdachte] had afgezet, naar de woning van de dochter van [verdachte 4] zou zijn gereden gelooft de rechtbank niet. De Bora wordt immers om 15:51 uur geregistreerd in Aalsmeer. Gelet op de reistijd die hiermee gemoeid is moet de Bora direct naar Aalsmeer gereden zijn. Bovendien weerspreken getuigen dat [verdachte 3] al in de middag op het feestje van de dochter van [verdachte 4] was.63

[verdachte] vervoert de schutters met de Caddy naar de parkeergarage

Om 15:32 uur wordt de Caddy geregistreerd, rijdende over de A10 richting de Coentunnel.64 Vervolgens rijdt [verdachte] , die de bestuurder is65, de Caddy met daarin nog twee andere inzittenden, om 15:41 uur de parkeergarage “Oranjekwartier” (de plaats delict) in. Na enkele rondjes te hebben gereden, wordt de Caddy geparkeerd en stapt [verdachte] uit en verlaat hij om 15:53 uur te voet de parkeergarage.66 [verdachte] is naar de Seat gelopen, die geparkeerd stond op het parkeerterrein bij de Wittgensteinlaan. Hier moest hij stand-by staan totdat hij een seintje kreeg.67

Om 16:04 uur peilen zowel prepaid 1, als prepaid 2 uit in de buurt van de plaats delict.68

Om 16:38 uur is de Caddy (waar zich, gelet op de verklaring van [verdachte] , nog twee personen in bevinden) in de parkeergarage verplaatst naar een andere parkeerplaats. Deze parkeerplaats bevindt zich schuin tegenover de parkeerplek waar de Mini Cooper van de (latere) slachtoffers bijna altijd stond geparkeerd.69

[verdachte 3] brengt prepaid 3 naar [verdachte 2]

Rond 16:35 uur vertrekken de Bora en de Vito vlak na elkaar vanuit de omgeving van de woning van [verdachte 2] in [plaats 2] . De Vito beweegt naar de woning van de zus van [verdachte 2] en [verdachte 3] , [naam zus] , aan de [adres 4] , waar de Vito om 16:42 uur aankomt en tot 17:44 uur stilstaat. Vervolgens stuurt prepaid 3 om 16:45 uur een sms-bericht naar prepaid 2, waarbij prepaid 3 gebruikmaakt van een zendmast in de buurt van de Musholm.70 Waar de Bora heenrijdt is niet bekend, nu deze pas later op de avond voor het eerst weer in beeld komt.71

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat [verdachte 3] na het afzetten van [verdachte] direct is doorgereden naar Aalsmeer in de Bora. Deze werd bovendien alleen gebruikt door [verdachte 3] en [verdachte 4] . Van [verdachte 4] staat vast dat hij de hele middag op het verjaardagsfeest van zijn dochter was. 72 Dit leidt tot de conclusie dat [verdachte 3] rond 16.35 uur vanuit Aalsmeer met de Bora is weggereden.

[verdachte 2] heeft ontkend met de Vito vanuit Aalsmeer naar de woning van zijn zus in [plaats 5] te zijn gereden.

[verdachte 5] heeft verklaard dat hij met een snorder naar de woning van [verdachte 2] is gegaan, omdat hij de Vito wilde lenen. Hij had niet met [verdachte 2] afgesproken, maar wist wel dat hij thuis was. Vervolgens heeft hij rond 17:00 of 18:00 uur bij de woning van [verdachte 2] de Vito opgehaald. Deze wilde hij gebruiken voor het vervoer van een door hem bij de Praxis aan te schaffen tafelblad. Toen hij wilde wegrijden werd hij in Aalsmeer aangesproken door een bekende van hem die hem vroeg of hij wat mensen kon ophalen bij de McDonald’s in Hoofddorp.73 Vervolgens zijn zij allebei (al dan niet in aparte voertuigen) naar Hoofddorp gereden om deze mensen (waarvan [verdachte 5] pas later bleek dat zij pech hadden gekregen) op te halen.74

Ten aanzien van de verklaring van [verdachte 5] overweegt de rechtbank als volgt. De Vito bevindt zich, nadat deze is weggereden uit Aalsmeer, tussen 16:42 en 17:42 uur in Hoofddorp bij de woning van de zus van [verdachte 2] en [verdachte 3] . De Vito blijft in Hoofddorp uitpeilen tot 18:28 uur.75 Het kan dus niet zo zijn dat [verdachte 5] de Vito rond 17:00 of 18:00 uur heeft opgehaald bij de woning van [verdachte 2] in [plaats 2] , laat staan dat hij deze vervolgens vanuit Aalsmeer (op instructie) naar de McDonald’s in Hoofddorp heeft gereden. Hetgeen [verdachte 5] heeft verklaard over zijn rit met de Vito komt verder geheel niet overeen met de rit die de Vito volgens de track & trace-gegevens heeft gereden. Bovendien wil of kan [verdachte 5] zijn verklaring op detailniveau op geen enkele manier onderbouwen. Zo wil hij niet verklaren wie hem naar Aalsmeer zou hebben vervoerd76, wie hem in Aalsmeer zou hebben gevraagd om mensen in Hoofddorp op te halen77 of hoe hij wist dat hij specifiek deze mannen moest oppikken.78 Bovendien bevreemdt de verklaring over het lenen van de bus voor de aanschaf van een tafelblad.79 Dit alles maakt dat geen enkel element van de verklaring van [verdachte 5] wordt ondersteund door het dossier en dat deze door de wel bekende feiten en omstandigheden krachtig wordt weersproken. Kort gezegd gelooft de rechtbank helemaal niets van de verklaring van [verdachte 5] dat hij in de Vito heeft gereden.

Nu [verdachte 5] niet heeft gereden in de Vito blijft enkel [verdachte 2] over als logische gebruiker van deze auto. [verdachte 2] is immers de huurder en gebruiker van de auto. De auto beweegt bovendien die dag van de omgeving van [verdachte 2] woning naar de omgeving van de woning van zijn zus (en vervolgens verder door Hoofddorp) en gaat daarna weer terug naar de omgeving van de woning van [verdachte 2] . De verklaring die ook [verdachte 2] hierover heeft afgelegd, namelijk dat [verdachte 5] de auto bestuurde80, volgt het oordeel van de verklaring van [verdachte 5] hierover en is dus ongeloofwaardig. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [verdachte 2] de Vito naar de [adres 4] moet hebben gereden. Nu prepaid 3 om 16:45 uur, drie minuten na aankomst van de Vito aldaar, in de directe omgeving van de [adres 4] uitpeilt, kan het niet anders zijn dan dat [verdachte 2] op dat moment over deze telefoon beschikte. Dit maakt bovendien dat [verdachte 3] deze telefoon in Aalsmeer aan [verdachte 2] moet hebben overgedragen. Hij is immers degene die vanaf de omgeving van het Buikslotermeerplein, waar prepaid 3 voor het laatst uitpeilde rond 15:20 uur, naar Aalsmeer is gereden.81 Vervolgens peilt prepaid 3 daar om 16:20 uur uit, dus voordat [verdachte 3] en [verdachte 2] afzonderlijk uit Aalsmeer wegrijden.

De sms-berichten tussen prepaid 1, 2 en 3

De rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker van prepaid 1 was en [verdachte 2] de gebruiker van prepaid 3. [verdachte] heeft na zijn aanhouding verteld waar hij zijn prepaid had weggegooid, waarna deze op de door hem genoemde locatie werd aangetroffen.82 De ontvangen en verzonden sms-berichten tussen prepaid 1 en 2 en tussen prepaid 1 en 3 konden dan ook worden uitgelezen, waarvan de inhoud hieronder staat vermeld83:

Prepaid 2 (schutters)

Prepaid 1 ( [verdachte] )

Prepaid 3 ( [verdachte 2] )

16:16

Zit achter in die waggie 

16:17

 Ja

16:48

 Zit je goed

16:51

Nee en het is druk 

16:52

 Ok em nu

16:53

Bikkelen 

16:53

 Waar zijndie andere

16:54

Binnen 

16:55

 Hun hebben bereik

16:56

Ja 

16:57

 Ok heb ze gesproken

16:58

Ok 

17:28

 Kan ik me benen ff gaan strekken

17:29

 Krijg kramp

[verdachte] heeft verklaard dat hij, nadat hij de garage uitliep, direct naar de Seat is gelopen. Hier is hij achterin gaan zitten en moest hij wachten. Omdat hij het erg warm had, besloegen de ramen en hij was bang dat het op zou vallen. Hij heeft daarom de Seat verplaatst naar een minder opvallende plek. Ook wilde hij op enig moment weten of het nog lang zou duren, omdat hij heel nodig moest urineren. Nadat hij dat had gedaan, zag hij links van hem een Caddy in brand staan, waarna hij naar de Seat is gerend en is weggereden.84

Uit de verschillende sms-berichten over en weer leidt de rechtbank het volgende af. Het gegeven dat met prepaid 2 aan [verdachte] het bericht wordt gestuurd of hij “achter in die waggie” zit, geeft aan dat de schutters weten dat [verdachte] stand-by is in een tweede vluchtauto. Weliswaar is de inhoud van de sms-berichten tussen prepaid 2 en prepaid 3 niet bekend geworden, maar er is meermalen sms-contact geweest in aanloop naar de moordaanslag. Zo heeft prepaid 3 tussen 16:20 uur en 17:06 uur vijf berichten verzonden naar prepaid 2, terwijl prepaid 2 drie berichten naar prepaid 3 heeft verstuurd. Bovendien is gebleken dat slechts één minuut nadat er telefonisch contact is geweest tussen prepaid 2 en 3, het contact van de Vito aangaat, waarna de schutters (uiteindelijk) met deze auto worden opgehaald.85

Bovendien heeft [verdachte 2] (als gebruiker van prepaid 3) de schutters (de gebruikers van prepaid 2), ook gesproken, getuige het sms-bericht van 16:57 uur aan prepaid 1.

Uit voornoemde berichten blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook dat [verdachte 2] een coördinerende rol bekleedde. Zo had hij middels prepaid 3 meermalen contact met zowel prepaid 1 als prepaid 2. Tussen prepaid 1 en 2 was minder contact.

Uit het beperkte contact tussen prepaid 1 en 2 leidt de rechtbank af dat [verdachte] wel degelijk wist dat er iets te gebeuren stond. Hij vroeg immers niet aan [verdachte 2] , maar aan de personen in de Caddy of hij zijn benen kon gaan strekken.

Ten slotte blijkt uit de omvang en de inhoud van het sms-contact tussen de drie prepaidtelefoons dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de gebruikers van de telefoons, te weten [verdachte 2] , [verdachte] en de twee schutters.

De moordaanslag

Om 17:29 uur rijdt het gezin [naam] met hun Mini Cooper de parkeergarage “Oranjekwartier” binnen en de auto wordt geparkeerd op de plek waar zij hun auto altijd neerzetten.86 [slachtoffer] is de bestuurder, zijn vriendin [benadeelde partij 1] zit op de bijrijdersstoel en achterin zit hun tweejarige dochter, [naam dochter] . Direct nadat de Mini is geparkeerd, komen (om 17:30:11 uur) twee mannen, respectievelijk met lichte broek (NN1) en donkere broek (NN2) van links en rechts uit de Caddy. Beide mannen rennen direct in de richting van de zwarte Mini Cooper, waarna deze veelvuldig, en in een tijdsbestek van slechts enkele seconden, wordt beschoten.87 Vervolgens keren deze schutters respectievelijk om 17:30:17 (NN2) en 17:30:21 uur (NN1) terug, waarbij zij allebei aan de rechterkant van de Caddy instappen.88

Op de plaats delict worden zestien kogelhulzen aangetroffen, wat er op duidt dat (minimaal) zestien keer is geschoten.89 Veertien van deze hulzen zijn vermoedelijk verschoten met een (semi)automatisch werkend machinepistool van het kaliber 9mm Parabellum, merk Heckler & Koch, model MP5. Ten aanzien van deze veertien hulzen is het minimaal zeer veel waarschijnlijker dat ze uit één en dezelfde loop zijn afgevuurd.90

Twee hulzen zijn vermoedelijk verschoten met een semiautomatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Browning Kort.91 In de motorkap van de Mini worden twee schotsbeschadigingen aangetroffen en bij het openen van de motorkap worden twee kogels van het kaliber 9mm Browning Kort aangetroffen in/op het motorblok.92 Ten aanzien van deze twee kogels is het minimaal zeer veel waarschijnlijker dat ze uit één en dezelfde loop zijn afgevuurd.93

De schotsbeschadigingen aan de voorzijde van de Mini impliceren dat één van de schutters van linksvoor het voertuig naar rechtsachter op het voertuig geschoten. Ook is gebleken dat één van de schutters van links, van de kant van de bestuurder, naar rechts op het voertuig geschoten.94 Gezien de looprichtingen van de schutters en de korte afstand tussen de Caddy en Mini is het waarschijnlijker dat de man met de lichte broek (NN1) aan de bestuurderszijde heeft gestaan en met het (semi-)automatisch werkend machinepistool heeft geschoten op de Mini Cooper en de slachtoffers. De man met de donkere kleding (NN2) heeft waarschijnlijk links voor de Mini Cooper gestaan en geschoten met een semiautomatisch werkend pistool.95

Bij dit vuurwapengeweld is [slachtoffer] door acht kogels geraakt, waarvan vier kogels in het hoofd, waardoor hij is overleden.96 [benadeelde partij 1] wordt door zes kogels geraakt en overleeft de aanslag ternauwernood.97 De tweejarige [naam dochter] blijft wonderwel ongedeerd98. Er is wel een kogel aangetroffen vlak boven haar kinderzitje.99

Vlucht met de Caddy naar de Wittgensteinlaan en vlucht met de Seat

Nadat de twee schutters weer in de Caddy zijn gestapt, rijdt deze zo snel mogelijk, met een andere auto mee onder de slagboom door, de garage uit.100 Vervolgens wordt gezien dat de Caddy met hoge snelheid via het fietspad van de Fregelaan naar het parkeerterrein op de Wittgensteinlaan rijdt. De bestuurder had een donkere huidskleur. Even later wordt op ditzelfde parkeerterrein de Caddy brandend aangetroffen.101 Vervolgens wordt door verschillende getuigen gezien dat twee mannen in zwarte jassen vanuit de richting van de brandende Caddy langs de flats op de Wittgensteinlaan rennen. Er worden geen andere mensen in de buurt gezien.102 Eén van deze mannen zou een donkere huidskleur hebben, terwijl de andere man blank of lichtgetint zou zijn.103 Een andere getuige heeft vanuit zijn woning omstreeks 17:39 uur de twee wegrennende personen gefilmd met zijn mobiele telefoon. Uit deze beelden blijkt dat één persoon een lichte (spijker)broek draagt (NN1), terwijl de andere persoon volledig in het zwart is gekleed (NN2). Deze laatste persoon houdt tijdens het rennen zijn hand bij zijn oor, waarna hij zijn hand weghaalt, voor zich houdt en ernaar kijkt.104 De rechtbank merkt ten aanzien hiervan op dat prepaid 1 (in gebruik bij [verdachte] ) een oproep van prepaid 2 (in gebruik bij de schutters) heeft gemist om 17:38:34 uur, waardoor aannemelijk is dat de schutters hebben geprobeerd [verdachte] op dat moment te bereiken.105

Een tweede filmopname van deze getuige toont dat aan de linkerzijde van de Wittgensteinlaan een donker gekleurde auto staat geparkeerd met verlichte remlichten. Een persoon met hetzelfde signalement als NN1, namelijk een lichte broek, zwarte jas, donker(blauwe) capuchon en zwarte schoenen met een lichte zijkant van de zool, stapt linksachter in deze auto (achter de bestuurder).106 De getuige heeft aanvullend verklaard dat de andere persoon (NN2) rechtsachter in de auto (achter de bijrijdersstoel) is ingestapt.

De rechtbank stelt op basis van de beelden en verklaringen, waaronder ook die van [verdachte] , vast dat de schutters de Caddy brandend op de parkeerplaats van de Wittgensteinlaan hebben achtergelaten, waarna zij naar de Seat zijn gerend. Vervolgens zijn de schutters bij [verdachte] in de Seat gestapt en is [verdachte] vervolgens met hen weggereden.

De Caddy en de Seat zijn in juni 2016 opgehaald in Rotterdam en vervolgens enige tijd koudgezet. Op 7 oktober 2016 is de Seat klaargezet nabij de plaats delict en vervolgens, net als de Caddy, gebruikt bij de moordaanslag op 8 oktober 2016. Nu niet is gebleken dat één van de auto’s in de tussentijd een andere bestemming heeft gehad, komt de rechtbank tot de conclusie dat zowel de Caddy als de Seat in Rotterdam zijn opgehaald met het specifieke doel om gebruikt te worden bij het plegen van de moordaanslag.

Vlucht met en het stranden van de Seat

De Seat rijdt richting Rijksweg A10107 en om 17:43 uur belt prepaid 2 (de schutters) met prepaid 3 ( [verdachte 2] ), waarbij een zendmast in de buurt van de A10 wordt aangestraald. Prepaid 3 is dan nog in de buurt van de [adres 4] . Direct daarna, om 17:44 uur, gaat het contact van de Vito aan en de Vito maakt een rit van vijf minuten.108

Om 17:48 uur strandt de Seat op de N196 in Hoofddorp, waarna de drie inzittenden, waaronder [verdachte] , uitstappen en de Seat achterlaten.109 De drie inzittenden van de Seat zijn te voet verder gegaan, waarbij hun route door middel van verschillende camerabeelden inzichtelijk is gemaakt.110

Tijdens deze looproute probeert prepaid 2 meerdere malen te bellen met prepaid 3 (namelijk om 17:52 en om 17:53 uur). Beide keren wordt niet opgenomen. Prepaid 2 straalt op dat moment een mast aan op het adres [adres 5] .111 Uit camerabeelden blijkt dat NN2 (de donkere schutter) rond 17:52 uur zijn hand aan zijn oor heeft.112 De derde poging, om 17:54:35 uur, is succesvol en het gesprek duurt 318 seconden. Uit camerabeelden blijkt dat NN2 (de donkere schutter) rond 17:54 uur zijn hand aan zijn oor heeft.113 Prepaid 3 bevindt zich op dat moment nabij de Paviljoenlaan in Hoofddorp. Een halve minuut nadat het gesprek is afgelopen komt de Vito in beweging vanaf de Paviljoenlaan. Vervolgens vindt om 18:09 uur nogmaals een telefooncontact plaats tussen prepaid 2 en 3, waarbij zij dezelfde paal aanstralen en dus in elkaars nabijheid zijn. Dit telefoongesprek duurt tot ongeveer 18:16 uur.114 In deze omgeving heeft [verdachte] prepaid 1 weggegooid.115 Om 18:20 uur rijdt de Vito over de Burgemeester van Pabstlaan en enkele minuten later parkeert de Vito op de [adres 4] . Om 18:28 uur rijdt de Vito naar Aalsmeer, waar uiteindelijk bij de woning van [verdachte 2] wordt geparkeerd.116

Op hetzelfde tijdstip wordt de achtergelaten Seat op de N196 aangetroffen met vier lege banden. Bovendien wordt op de voetenplank voor de bijrijdersstoel een PET-fles aangetroffen die is gevuld met een gele vloeistof, die later benzine blijkt te zijn.117

Al eerder heeft de rechtbank vastgesteld dat [verdachte 2] gebruik maakte van de Vito en van prepaid 3. Direct nadat hij door de schutters wordt gebeld om 17:43 uur, vertrekt hij met de Vito naar de kennelijk afgesproken plaats om de drie personen op te pikken, te weten de Paviljoenlaan in Hoofddorp. Het ligt voor de hand dat door niemand was voorzien dat de Seat met pech langs de kant van de weg kwam te staan. De inzittenden van de Seat hadden dan ook plotseling en onmiddellijk vervangend vervoer nodig, waarop [verdachte 2] werd gebeld, die direct met de Vito in actie is gekomen. [verdachte] , de twee schutters en [verdachte 2] treffen elkaar, hetgeen blijkt uit het bij elkaar komen van de drie prepaidtelefoons, waarna in de Vito wordt teruggereden naar de [adres 4] (en uiteindelijk naar de woning van [verdachte 2] in Aalsmeer).

Forensisch onderzoek aan en in de Seat

Het forensisch onderzoek heeft bevestigd dat [verdachte] de Seat heeft bestuurd. Zijn DNA is immers, met een matchkans kleiner dan één op één miljard, aangetroffen op een deel van de handgreep van het portier linksvoor.118

De rechtbank brengt in herinnering dat is vastgesteld dat de twee schutters achter in de Seat zijn ingestapt, waarbij NN1 links achter de bestuurder plaatsnam, terwijl NN2 rechts achter de bijrijdersstoel instapte.119

Nadat de Seat op de N196 verlaten was aangetroffen is deze onderzocht. Hierbij is een DNA-spoor aangetroffen op de armsteun rechtsachter dat matcht met [verdachte 5] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.120 Op de binnenkant van de dop van de met benzine gevulde colafles werd eveneens DNA van [verdachte 5] aangetroffen, met wederom een matchkans kleiner dan één op één miljard121.

De rechtbank hecht geen geloof aan de eerst ter terechtzitting door [verdachte 5] afgelegde verklaring.

Kijkend naar de plekken waar het DNA van [verdachte 5] is aangetroffen, te weten op de plek waar de donkere schutter moet hebben gezeten en op de binnenkant van de dop van een met benzine gevulde colafles, is de rechtbank van oordeel dat beide DNA-sporen zijn aan te merken als dadersporen. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat [verdachte 5] degene is die achter de bijrijdersstoel is ingestapt in de Seat die op 8 oktober 2016 stond geparkeerd op de Wittgensteinlaan.

Dit betekent dat [verdachte 5] ook degene is geweest die van de Caddy naar de Seat is gerend en de persoon die de Caddy heeft gereden vanuit de parkeergarage naar het parkeerterrein op de Wittgensteinlaan. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat [verdachte 5] de hierboven als NN2 beschreven man is geweest die in de parkeergarage uit de Caddy is gerend en samen met NN1 de Mini Cooper onder vuur heeft genomen.

Het voorgaande onderstreept de eerdere conclusie van de rechtbank dat niet [verdachte 5] maar [verdachte 2] de persoon is geweest die de Vito naar Hoofddorp heeft gereden, de prepaid 3 in gebruik heeft gehad en die [verdachte] , [verdachte 5] en de tweede schutter heeft opgehaald in Hoofddorp.

De groep gaat uit elkaar

Vanaf de woning van [verdachte 2] rijdt de Vito rond 19:15 uur naar de woning van [verdachte 5] in [plaats 4] . Ongeveer twintig minuten na aankomst rijdt de Vito naar een garagebox op de Klipperstraat, waarna wordt doorgereden naar de [adres 3] , waar op dat moment het verjaardagsfeest van de dochter van [verdachte 4] nog gaande is. Hier komt de Vito om 20:27 uur aan. Een klein kwartier later vertrekt de Vito naar het adres van een vriendin van [verdachte 5] , waar hij, gelet op zijn telecomgegevens, de rest van de avond doorbrengt. Vervolgens is de Vito bijna de gehele nacht actief in de weer, waarbij de telefoon van [verdachte 5] meebeweegt.122

Direct nadat de Vito is vertrokken vanaf de woning van [verdachte 2] , vertrekt ook een op naam van de zus van [verdachte 2] gehuurde Volkswagen Passat (met kenteken [kenteken] ) uit [plaats 2] . Een nota voor de huur van deze Volkswagen Passat is in [verdachte 2] woning aangetroffen123. Nadat deze Passat verschillende keren van en naar Aalsmeer is gereden (steeds richting of komende uit de richting Hoofddorp), rijdt deze richting de [adres 3] in [plaats 4] . De telefoon van [verdachte 2] beweegt mee en hij is volgens getuigenverklaringen ook op het feestje geweest.124 Aan het eind van de avond beweegt de Passat weer terug naar de woning van [verdachte 2] .125

De Bora wordt om 20:46 uur geregistreerd, rijdende vanaf de omgeving van de woning van de dochter van [verdachte 4] richting de woning van [verdachte] in [woonplaats] .126 Dit is de eerste registratie sinds de reisbeweging vanuit Aalsmeer om 16:37 uur (nadat [verdachte 3] prepaid 3 aan [verdachte 2] had overgedragen).

[verdachte 4] heeft verklaard dat hij, nadat hij in het begin van de middag op de [adres 3] was afgezet, daar de hele dag en avond is gebleven. Later op de avond kwamen, afzonderlijk van elkaar, achtereenvolgens [verdachte 3] , [verdachte] en [verdachte 2] langs. [verdachte 5] is niet langsgekomen. [verdachte] is maar kort gebleven en hij is door [verdachte 3] thuisgebracht met de Bora, waarna [verdachte 3] is teruggekomen. Tussen 24:00 en 01:00 uur is [verdachte 4] vervolgens met de Bora thuisgebracht door [verdachte 3] .127

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat drie auto’s naar de [adres 3] zijn gereden, te weten de Vito, de Bora en de Passat. Ook stelt de rechtbank vast dat [verdachte] , [verdachte 3] en [verdachte 2] pas in de avond op het feestje van de dochter van [verdachte 4] aanwezig zijn geweest. Kijkend naar de reisbewegingen van de Vito kan het niet anders dan dat [verdachte 5] de Vito tot zijn beschikking heeft gehad en dat [verdachte] door [verdachte 5] is afgezet in de [adres 3] . [verdachte] is immers op het feestje aanwezig geweest en [verdachte 5] niet, terwijl de Vito daar wel heeft stilgestaan.

De Bora is door [verdachte 3] bestuurd en hij heeft [verdachte] naar huis gebracht. Dit volgt uit de reisbewegingen en wordt bevestigd door de verklaring van [verdachte 4] .

Uit de bekend geworden informatie omtrent de Passat leidt de rechtbank af dat [verdachte 2] daarmee op deze avond heeft gereden.

Later die nacht wordt een Suzuki Alto met kenteken [kenteken] om 01:28 uur geregistreerd, rijdend richting Wormerveer.128 Deze auto staat op naam van de moeder van [verdachte 7] en hij gaat ervan uit dat hij de auto op dat moment heeft bestuurd, al heeft hij daaraan geen concrete herinnering.129 De rechtbank kan geen andere reisbewegingen vaststellen in relatie tot deze registratie van de Alto.

11 oktober 2016

Reisbeweging Alto naar Aalsmeer

Op 11 oktober 2016, om 06:52 uur, wordt de Alto geregistreerd, rijdende richting Aalsmeer. Een uur later, om 07:52 uur rijdt de Alto weer Aalsmeer uit, richting Hoofddorp. [verdachte 7] heeft verklaard dat hij een afspraak had, maar dat hij daar niks meer over had gehoord. Daarom is hij op de bonnefooi naar Aalsmeer gereden, maar kreeg daar geen gehoor.130 De rechtbank kan slechts vaststellen dat [verdachte 7] op die dag met de Alto naar en uit Aalsmeer is gereden.

3.4.4

De onder 5. ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten. Het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3.4.5

Het onder 1. primair ten laste gelegde medeplegen van moord

De rechtbank heeft onder 3.4.3 vastgesteld dat verdachte de twee schutters met de Caddy op 8 oktober 2016 in de parkeergarage ‘Oranjekwartier’ heeft gebracht en vervolgens heeft hij op een nabije parkeerplaats in de Seat op hun gewacht. De schutters zijn uit de Caddy gerend en hebben de Mini Cooper onder vuur heeft genomen. Bij dit vuurwapengeweld is [slachtoffer] door kogels geraakt, waardoor hij is overleden. Nadat de Caddy in brand stond zijn de schutters bij verdachte in de Seat ingestapt en zijn zij op de vlucht geslagen.

Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van moord moet komen vast te staan dat er sprake is van:

  • -

    opzet op de dood van [slachtoffer] ;

  • -

    voorbedachte raad, en

  • -

    dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het voltooien van het delict, tussen de verschillende mededaders.

Opzet op de dood

De auto van het gezin [naam] is gericht, van korte afstand en veelvuldig beschoten met (semi)automatische vuurwapens. Het is duidelijk, gezien de schotrichtingen en de locaties van de aangetroffen kogels, dat de schutters in ieder geval de bestuurder van deze auto dodelijk wilden raken. Die bestuurder bleek uiteindelijk [slachtoffer] te zijn; daarmee is er dus het opzet op zijn dood. Uit niets is gebleken dat [slachtoffer] het oorspronkelijk beoogde doelwit was. De omstandigheid dat er sprake is van een verwisseling van het beoogde slachtoffer maakt de beoordeling van het opzet op de dood niet anders. De rechtbank acht de opzet op de dood bewezen.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te hebben gegeven. Ook hier staat een verwisseling van het beoogde slachtoffer niet aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg. In dit geval is er kennelijk geen enkele voorzorgsmaatregel genomen om dit risico uit te sluiten.

Verdachte heeft gehandeld volgens een gedurende langere tijd beraamd en in stappen uitgevoerd plan. De voorbereiding daarvan is voor het eerst zichtbaar als in de nacht van 14 op 15 juni 2016 de Caddy, waarin verdachte op 8 oktober 2016 het slachtoffer in de garage heeft opgewacht, onder anderen door verdachte wordt opgehaald en naar Alkmaar gebracht. Op 28 juni 2016 heeft verdachte de Seat met anderen in Rotterdam opgehaald. In de nacht van 6 op 7 oktober 2016 is verdachte betrokken geweest bij het klaarzetten van de Seat op de Wittgensteinlaan.

Op 8 oktober 2016 is hij met de beide schutters naar de parkeergarage gereden, er zijn drie prepaid telefoons gebruikt - verdeeld over verdachte in de Seat, de schutters in de Caddy en [verdachte 2] in de Vito- en heeft verdachte in de Seat op de schutters gewacht. [verdachte 5] en de andere schutter (hierna aangeduid als NN1) hebben in de Caddy gewacht op de komst van de auto waarin [slachtoffer] reed. Vervolgens hebben zij minimaal zestien kogels afgevuurd op (de inzittenden van) deze auto. Hierna zijn de schutters gevlucht in de Caddy, die brandend is achtergelaten, waarna zij zijn bij verdachte ingestapt in de gereed staande Seat. Nadat deze was gestrand is verdachte met [verdachte 5] en NN1 verder te voet gevlucht, waarbij met prepaid 2 contact is onderhouden met [verdachte 2] . Hierdoor konden zij nadat verdachte met de Seat is gestrand door [verdachte 2] worden opgehaald met de Vito.

Verdachte heeft verklaard dat ‘dit’ nooit de bedoeling is geweest en dat niemand heeft gewild dat [slachtoffer] om het leven zou komen en zijn partner ernstig gewond zou raken (en de rechtbank begrijpt: noch dat hun kind hierbij aanwezig was). Verdachte heeft niet willen verklaren wat er dan wel de bedoeling zou zijn geweest.

Medeplegen

De betrokkenheid bij een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende mededaders, welke samenwerking is gericht op het voltooien van het delict. Uit hetgeen onder 3.4.3 is vastgesteld leidt de rechtbank af dat verdachte bij de onder feit 1 tenlastegelegde moord nauw en bewust heeft samengewerkt met [verdachte 5] , NN1 en [verdachte 2] . Daarbij heeft verdachte de Caddy en Seat opgehaald, de Seat klaargezet, de schutters met de Caddy naar de parkeergarage gebracht, waar de schutters op de bestuurder van de auto hebben gewacht en vervolgens op hem geschoten, terwijl verdachte vlakbij paraat stond met een vluchtauto. Vanuit de Seat heeft hij via prepaid 1 contact onderhouden met de schutters (prepaid 2) en [verdachte 2] (prepaid 3). Verdachte heeft vervolgens de Seat met daarin de schutters na afloop van de moordaanslag tijdens hun vlucht bestuurd. Zijn bijdrage aan het delict was dan ook van voldoende gewicht om als medeplegen te kunnen worden aangemerkt. Dat betekent dat hij strafrechtelijk niet alleen verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen, maar ook voor dat van zijn mededaders. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen.

3.4.6

Het onder 2. primair ten laste gelegde medeplegen van pogingen tot moord

Op het moment dat [slachtoffer] in de auto werd beschoten zat zijn partner [benadeelde partij 1] naast hem op de bijrijdersstoel en hun kind op de achterbank. Ten aanzien van [benadeelde partij 1] en hun kind gaat de rechtbank er niet vanuit dat het de planners van de moordaanslag er van tevoren om te doen was hen te doden. Ook kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat gericht op [benadeelde partij 1] of hun kind is geschoten met de bedoeling hen te doden.

Vast staat dat opzettelijk veelvuldig van dichtbij, in korte tijd met (semi)automatische wapens op een auto in een parkeergarage is geschoten. Dit hield een groot risico in dat, naast de bestuurder, ook nog andere inzittenden van de auto of passanten zouden komen te overlijden. Juridisch merkt de rechtbank dat risico aan als een aanmerkelijke kans. De daders hebben deze aanmerkelijke kans kennelijk bewust aanvaard, aangezien zij het plan hebben uitgevoerd op de wijze zoals hiervoor beschreven. Juridisch is dan sprake van voorwaardelijk opzet op het doden van alle overige inzittenden van de auto, en dus ook [benadeelde partij 1] en hun kind.

De rechtbank neemt bovendien aan dat er gezien de lange voorbereidingstijd ruimschoots gelegenheid is geweest om na te denken over het risico op de mogelijke dood van meerdere slachtoffers. Het schieten met (semi)automatische wapens op een auto in een parkeergarage draagt dat risico immers evident in zich. Het is dan ook redelijk aan te nemen dat de verdachte daadwerkelijk gebruik van deze gelegenheid heeft gemaakt. Er is evenwel niet gebleken dat op enigerlei wijze een voorzorgsmaatregel is getroffen om het risico op meerdere slachtoffers te voorkomen.

De onder 3.4.4 ten aanzien van feit 1 bewezen geachte voorbedachte raad geldt daarom evenzeer voor deze twee pogingen.

Wat betreft het medeplegen geldt hetzelfde als onder 3.4.4 ten aanzien van feit 1 is overwogen; daarvan is ook hier sprake.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank heeft kennisgenomen van de verklaring van verdachte dat hij ‘dit niet heeft gewild’ en het pleidooi van zijn raadsman, die heeft aangevoerd dat verdachte nooit aan een moord heeft willen meewerken, zodat het opzet daarop dus zou ontbreken. Verdachte heeft echter niet verklaard wat hij dacht dat er dan wél zou gaan gebeuren. De raadsman heeft gespeculeerd over bijvoorbeeld de overdracht van drugs. Verdachte heeft het recht te zwijgen maar dat brengt mee dat de rechtbank op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen zal beoordelen waar het opzet van de verdachte bij die gedragingen op was gericht. De hiervoor omschreven gedragingen en handelingen van verdachte impliceren dat hij van begin tot eind in volledige en nauwe samenwerking met anderen aan het plan om de bestuurder van de auto in de parkeergarage te doden heeft meegewerkt. De schutters zijn bovendien door hem naar de plaats delict gebracht en hij heeft de vlucht mede mogelijk gemaakt. Daarmee is de lijn tussen verdachte en de feitelijke uitvoeders een zeer korte. Zijn verklaring dat hij slechts op instructie heeft gehandeld, hem de plaats van de Seat is gewezen, hij de wapens niet heeft gezien én hij niets heeft meegekregen omtrent een plan om iemand te doden in de parkeergarage acht de rechtbank niet geloofwaardig. Dat het niet de bedoeling was om juist deze slachtoffers te beschieten, daarvan is ook de rechtbank overtuigd. Alles in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat ook ten aanzien van verdachte het bestanddeel voorbedachte raad, de opzet op de (pogingen) moord en het medeplegen daarvan bewezen kan worden.

Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van zowel de moord op [slachtoffer] als de poging tot moord op [benadeelde partij 1] en hun kind wettig en overtuigend bewezen.

3.4.7

De onder 3. ten laste gelegde heling

Verdachte heeft op verschillende momenten twee gestolen auto’s, namelijk de Caddy en de Seat opgehaald, de Seat klaargezet en vervolgens op 8 oktober 2016 zowel de Seat als de Caddy bestuurd. Dit alles in het kader van de voorbereiding en uitvoering van een moordaanslag zoals hiervoor (in rubriek 3.4.4 en 3.4.5) beschreven. Dat bij een dergelijk plan gebruik wordt gemaakt van gestolen auto’s en gestolen of gedupliceerde kentekenplaten ligt zodanig in de lijn der verwachtingen dat verdachte die herkomst ten tijde van het voorhanden krijgen van deze auto’s telkens redelijkerwijs moet hebben vermoed. Verdachte heeft zich dan ook, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan het medeplegen van (schuld)heling van deze auto’s.

3.4.8

De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde

De heling van de Caddy en de Seat is op een dusdanige manier verweven met de voorbereiding en de uitvoering van de moordaanslag, dat de onderlinge bewijsmiddelen niet los van elkaar kunnen worden gezien. De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde dan ook gebruikgemaakt van de relevante bewijsmiddelen die in de volgende voetnoten staan vermeld: 2 t/m 35, 43 t/m 49, 61 t/m 72, 75, 81 t/m 127.

4 Bewezenverklaring

Hierboven heeft de rechtbank onder 3.4.8 aangeduid welke bewijsmiddelen gebruikt worden voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank acht op grond van de daar aangeduide bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde:

op 8 oktober 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met meer vuurwapens meerdere schoten afgevuurd op voornoemde [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde:

op 8 oktober 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij 1] en [naam dochter] (geboren op [geboortedatum] ) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met vuurwapens meerdere schoten hebben afgevuurd op voornoemde [benadeelde partij 1] en voornoemde [naam dochter] ;

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde:

op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 15 juni 2016 tot en met 8 oktober 2016 te Amsterdam en Alkmaar en Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen meerdere voertuigen en kentekenplaten (te weten een Volkswagen Caddy voorzien van (gestolen) kentekenplaten [kenteken] en een Seat Leon voorzien van (gedupliceerde) kentekenplaten [kenteken] heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het door diefstal verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbare feiten. Ook kan verdachte worden verweten dat hij deze feiten heeft gepleegd.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1. primair, 2. primair en 3. bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar, met aftrek van voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, maar zich wel op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie disproportioneel is.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 21 februari 2018. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor het plegen van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich met zijn handlangers schuldig gemaakt aan een van de ergste feiten dat het Nederlandse strafrecht kent: moord en twee pogingen tot moord.

De voorbereidingen van de moord waren van een professioneel karakter. Gestolen auto’s

voorzien van gestolen of valse kentekenplaten werden eerst koud gezet en de vluchtauto is kort voor de aanslag klaar gezet. Er zijn 3 prepaid telefoons gebruikt waarmee de mededaders enkel communiceerden in verband met de moordaanslag. De moord is uitgevoerd met (semi) automatische wapens waarover verdachte en zijn mededaders kennelijk de beschikking hebben kunnen krijgen. Dit komt over als een strak geplande en geregisseerde voorbereiding van de moordaanslag. De inzittenden van de beschoten auto waren kansloos tegen dit geregisseerde vuurwapengeweld.

Als gevolg hiervan is een jonge man zeer gewelddadig om het leven gekomen. Een jonge vrouw heeft het ternauwernood overleefd en zij moet nu verder zonder haar partner. Hun 2-jarige kind is hiervan getuige geweest en had zelf ook geraakt kunnen worden. Een jong, gelukkig gezin is stuk gemaakt. Nabestaanden en vrienden is onherstelbaar leed aangedaan.

Zijn partner, moeder en vader hebben treffend hun leed onder woorden gebracht.

De tragiek wil dat [slachtoffer] , daarvan is de rechtbank overtuigd, niet het beoogde doelwit was. De daders hebben de moordaanslag met een niet te bevatten nonchalance en roekeloosheid gepleegd en daarmee blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het menselijk leven.

De moordaanslag in de parkeergarage is daarnaast ook voor de omwonenden een heftige gebeurtenis geweest. Dit levensgevaarlijke handelen heeft gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen bij buurtbewoners en vele anderen in de samenleving.

Met afgrijzen is gereageerd op de zoveelste liquidatie in Amsterdam. Dat er weer onschuldige burgers het slachtoffer zijn geworden heeft een golf van verontwaardiging veroorzaakt in de maatschappij, waarbij de roep op harder afstraffen steeds luider klinkt.

Zeer recent, op 4 mei 2018, heeft het gerechtshof te Amsterdam zich in een aantal zaken - die kunnen worden aangemerkt als onderdeel van de liquidatiegolf – uitgesproken over de overwegingen die maken dat in het concrete geval een proportionele strafmaat tot stand komt.

Ook de rechtbank benadrukt dat haar strafmaatoverwegingen betrekking hebben op een weging en waardering van de gedragingen van de verdachte zelf. De rechtbank kan echter niet voorbij gaan aan het vele vuurwapengeweld waarmee de samenleving wordt geconfronteerd en de nietsontziende, onverschillige en brute wijze van toepassing ervan. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. Maar niet levenslang, dat zou in dit geval - alles overwegend - disproportioneel zijn. Daarbij wordt nog opgemerkt dat alleen zwaarder straffen de golf van geweld niet tot stoppen kan brengen.

De op te leggen straf bedoelt ook bij te dragen aan bescherming van de samenleving. Het lijkt erop dat de daders slechts een lage drempel hebben hoeven nemen, voordat zij dit pad insloegen. Bovendien heeft verdachte weliswaar enigszins, maar allesbehalve volledige openheid van zaken en inzicht in zijn beweegredenen willen geven, hetgeen doet vrezen voor de toekomst.

Verdachte heeft de bij de moordaanslag betrokken auto’s opgehaald, de schutters de parkeergarage ingereden, heeft paraat gestaan om de vlucht mogelijk te maken en daadwerkelijk een vluchtauto bestuurd. Verder heeft hij ook contact gehad gedurende de periode van wachten in de parkeergarage met zowel de schutters als met medeverdachte [verdachte 2] . Hij dient voor zijn rol in het geheel een zware straf te krijgen. Deze straf valt wel lager uit dan de straf voor de schutter, omdat verdachte de trekker niet heeft overgehaald op het moment dat duidelijk had moeten worden dat een onschuldige familie in de betreffende auto zat. Bovendien neemt de rechtbank aan dat verdachte, gelet op zijn rol, veelal is aangestuurd door anderen. De rechtbank houdt ten slotte rekening met het feit dat verdachte over zijn betrokkenheid bij de moordaanslag heeft verklaard, de vindplaats van de prepaid 1 heeft aangewezen en blijk van berouw heeft gegeven. Al met al acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

7 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

16. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

NOKIA 105

5381412

De officier van justitie heeft gevorderd dat het goed verbeurd zal worden verklaard. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.

Verbeurdverklaring

Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 1., 2. en 3. bewezen geachte is voorbereid en begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

De vorderingen

8.1.1

De vorderingen van [benadeelde partij 1] en [naam dochter]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.057.709,80 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:

  • -

    Verlies levensonderhoud door verlies echtgenoot : € 1.055.508,81

  • -

    Verlies arbeidsvermogen : P.M.

  • -

    Kosten berekening schade NRL verlies levensonderhoud : € 2.200,99

  • -

    Kosten berekening schade NRL verlies inkomen : P.M.

De benadeelde partij [naam dochter] (hierna: het kind) vordert € 90.767,01 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:

- Verlies levensonderhoud door verlies vader : € 90.767,01

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en het kind vorderen allebei € 50.000,- aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit:

  • -

    Shockschade : € 30.000,-

  • -

    Affectieschade : € 20.000,-

Aan overige immateriële schadevergoeding vordert [benadeelde partij 1] :

- Smartengeld eigen letsel : € 20.200,-

Verder vordert [benadeelde partij 1] € 88,22 aan proceskosten, bestaande uit:

- Reiskosten 2x advocaat in Utrecht = 4*46 km à € 0,19 : € 34,69

Kosten hoger beroep 4x IJdok v.v.

  • -

    Snelste route ANWB routeplanner: 8*12,4 km à € 0,19 : € 18,84

  • -

    Reiskosten 2x advocaat in Utrecht = 4*46 km à € 0,19 : € 34,69

Ten slotte vordert [benadeelde partij 1] vergoeding van alle overige nog te maken kosten en behoudt zij zich het recht voor om via een gerechtelijke procedure (aanvullende) schadevergoeding te verzoeken.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.1.2

De vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert, gelet op de door hem op 28 februari 2018 ondertekende en nagezonden pagina van de vordering, € 23.561,96 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:

  • -

    Kosten uitvaart : € 10.505,32

  • -

    Kosten rouwadvertentie : € 357,52

  • -

    Kosten grafsteen en begraafplaats : € 6.415,00

  • -

    Kosten 40e dag : € 1.579,90

  • -

    Kosten bezoeken schoondochter in ziekenhuis : € 3.267,36

  • -

    Reiskosten en parkeerkosten eerste aanleg : € 831,10

  • -

    Reiskosten en parkeerkosten hoger beroep (toekomstig) : € 605,76

De benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] vorderen allebei € 42.500,- aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit:

  • -

    Affectieschade : € 17.500,-

  • -

    Shockschade : € 25.000,-

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde partij 1] ten aanzien van de post ‘Verlies arbeidsvermogen’ niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat nog geen medische eindtoestand is bereikt.

Voor het overige kunnen de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en het kind integraal worden toegewezen.

Ook de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] kunnen integraal worden toegewezen, met uitzondering van de reiskosten in hoger beroep, ten aanzien waarvan [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

Ten aanzien van alle vorderingen heeft de officier van justitie subsidiair verzocht om een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen voorschot toe te kennen en de vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten slotte is ten aanzien van alle vorderingen verzocht de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

8.3.1

Ten aanzien van de vorderingen tot materiële schadevergoeding

De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 2] is, buiten de post ‘reiskosten en parkeerkosten hoger beroep (toekomstig)’, niet betwist.

Ten aanzien van de vorderingen tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 1] en het kind heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze te complex zijn en dus een onevenredige belasting opleveren voor het strafproces. De benadeelde partijen zijn dan ook niet-ontvankelijk in dat gedeelte van hun vordering.

8.3.2

Ten aanzien van de vorderingen tot immateriële schadevergoeding

Voor een vergoeding van affectieschade is volgens de raadsman onder het huidige recht geen plaats. De vorderingen dienen op dit punt dan ook te worden afgewezen.

Ten aanzien van de shockschade heeft de raadsman aangevoerd dat deze post een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en dat de benadeelde partijen daarom op dit punt niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering. Primair gaat het om een zowel juridisch als feitelijk gecompliceerde schadevergoedingskwestie. Subsidiair kan niet worden vastgesteld dat de PTSS van de vier benadeelde partijen is ontstaan als gevolg van het waarnemen van de gebeurtenis of door een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf. Indien de benadeelde partijen desalniettemin ontvankelijk worden verklaard, dan heeft de verdediging zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag te hoog is en het toe te kennen bedrag zou dan ook aanmerkelijk moeten worden gematigd.

Ten aanzien van het smartengeld dat is gevorderd door [benadeelde partij 1] is door de verdediging niet betwist dat zij aanspraak kan maken op een vergoeding, maar nu niet is gemotiveerd waarom het gevorderde bedrag billijk zou zijn, wordt deze post toch in zijn geheel betwist.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1

Ten aanzien van de vorderingen tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 1] en het kind

Kosten van levensonderhoud [benadeelde partij 1] en het kind

De rechtbank concludeert dat een volledige berekening van de toe te wijzen vordering tot materiële schadevergoeding een onevenredige belasting oplevert van het strafproces. Er wordt namelijk om vergoeding gevraagd van een leven lang levensonderhoud op basis van het inkomen van het slachtoffer, [slachtoffer] . Recht op schadevergoeding hebben degenen die voor het overlijden met de overledene in gezinsverband samenwoonden en die door hem werden onderhouden (art. 6:108 BW). De beoordeling van de vraag naar de volledige omvang van die schade is, mede gelet op de betwisting van de vordering door de verdediging, een te complexe kwestie om in het kader van dit strafproces te beslechten.

De rechtbank kan echter een gedeelte van de toe te wijzen vordering wel schatten. Het staat immers als een paal boven water dat de benadeelde partij schade heeft geleden en de rechtbank kan wel degelijk een inschatting maken van de kosten van gederfd levensonderhoud die in ieder geval voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat de vordering in elk geval tot een bedrag van € 300.000,- kan worden toegewezen, nu dit niet een onredelijke belasting van het strafproces oplevert. Dit laatste geldt echter wel voor het overige gedeelte van de vordering tot vergoeding van levensonderhoud, zodat [benadeelde partij 1] voor dat overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ook de tweejarige dochter, heeft een vergoeding gevraagd voor gederfd levensonderhoud. Het kind is minderjarig en dit zal zij de komende jaren ook nog blijven. Het ligt dan ook in de rede dat zij, ook gedurende de komende jaren, wordt verzorgd en financieel wordt onderhouden door haar moeder. De rechtbank heeft in het bovenstaande een bedrag aan gederfd levensonderhoud toegekend aan [benadeelde partij 1] , ook bedoeld voor kosten van levensonderhoud van het kind. De vraag of, en zo ja, welk bedrag aan het kind zelf voor gederfd levensonderhoud toekomt is niet eenvoudig te beantwoorden. Het onderzoek naar het antwoord op die vraag levert een onredelijke belasting op voor het strafproces. De rechtbank zal het kind daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van haar vordering tot materiële schadevergoeding.

Verlies arbeidsvermogen [benadeelde partij 1]

Nu nog geen medische eindtoestand is bereikt, kan de omvang van de schade ook (nog) niet worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook, conform de wens van de raadsman van de benadeelde partij en de vordering van de officier van justitie de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Kosten berekening schade NRL

NRL heeft twee rapporten opgemaakt: één voor de berekening van het verlies van levensonderhoud en één voor de berekening van het verlies van inkomen. De kosten voor het rapport inzake de berekening van het verlies van levensonderhoud zijn onderbouwd met een factuur van NRL en deze kosten zullen dan ook worden toegewezen.

8.4.2

Ten aanzien van de vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 2]

De materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 2]

De rechtbank overweegt dat de reiskosten, zoals deze zijn gevorderd, niet vallen onder rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dergelijke kosten vallen immers onder proceskosten als bedoeld in artikel 592a Sv. De rechtbank leest de vordering van de benadeelde partij dan ook zo, dat deze reiskosten (€ 831,10 voor reiskosten in eerste aanleg en € 605,76 voor reiskosten in hoger beroep) als proceskosten worden gevorderd. Laatstgenoemde post is betwist.

Het restant van de vordering tot materiële schadevergoeding is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Rente

Ten aanzien van de rente overweegt de rechtbank dat deze wordt toegekend vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De rechtbank hanteert hierbij telkens de factuurdatum, zoals blijkt uit de bijlagen bij de vordering.

Ten aanzien van de post ‘kosten uitvaart’

  • -

    Een bedrag van € 9.367,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

  • -

    Een bedrag van € 1.138,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

Ten aanzien van de post ‘kosten rouwadvertentie’

- Een bedrag van € 357,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

Ten aanzien van de post ‘kosten grafsteen en begraafplaats’

  • -

    Een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2017 tot en met de dag van algehele voldoening;

  • -

    Een bedrag van € 2.415,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

Ten aanzien van de post ‘kosten 40e dag’

  • -

    Een bedrag van € 868,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

  • -

    Een bedrag van € 711,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

Ten aanzien van de post ‘kosten bezoeken schoondochter in ziekenhuis’

- Een bedrag van € 3.267,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

Ten aanzien van de post ‘reiskosten eerste aanleg’

- Een bedrag van € 831,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2017 tot en met de dag van algehele voldoening;

8.4.3

De vorderingen tot immateriële schadevergoeding

8.4.3.1 Ten aanzien van de vordering van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Smartengeld eigen letsel

Ten aanzien van het gevorderde smartengeld voor het eigen letsel van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] staat het vast dat aan de benadeelde partij door het onder 2. primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De benadeelde partij heeft immers ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel opgelopen en er is een ernstige inbreuk gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. Zo is zij ernstig gewond geraakt en bevindt één van de kogels zich nog steeds in haar lichaam. Ook is zij enige tijd afhankelijk geweest van een rolstoel en zij heeft zichzelf en haar dochter door haar verwondingen niet kunnen verzorgen.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 20.200,-.

8.4.3.2 Ten aanzien van de vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer]

Huidig recht

Het huidige stelsel van de wet brengt op dit moment met zich mee dat nabestaanden recht hebben op immateriële schadevergoeding in de volgende gevallen:

  1. als kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk had om nabestaanden leed en verdriet toe te brengen (als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub a BW), of

  2. als sprake is van shockschade bij nabestaanden waardoor zij in hun persoon zijn aangetast (in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW).

Oogmerk om leed en verdriet toe te brengen

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer heeft gedood met het oogmerk – de specifieke bedoeling – om de benadeelde partijen verdriet te doen. Op basis hiervan bestaat dan ook geen recht op immateriële schadevergoeding.

Shockschade

Van shockschade is slechts onder strikte voorwaarden sprake. Shockschade is geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat ontstaat door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

De rechtbank stelt vast dat alle benadeelde partijen PTSS hebben opgelopen, nu dit uit de door hun raadslieden overgelegde stukken genoegzaam is gebleken. Ten aanzien van het antwoord op de vraag waardoor deze PTSS is ontstaan overweegt de rechtbank, per persoon, als volgt.

Ten aanzien van [benadeelde partij 1] blijkt uit de onderbouwende stukken niet eenduidig waaruit de PTSS is voortgevloeid. De oorzaak van de PTSS kan de rechtbank dan ook niet vaststellen alleen op basis van de stukken die (de raadsman van) de benadeelde partij heeft ingebracht.

Uit de inhoud van het dossier leidt de rechtbank het volgende af. [benadeelde partij 1] heeft bij de politie verklaard dat zij zich nog maar weinig kan herinneren van de dag zelf en dat zij eigenlijk dingen weet doordat anderen dat aan haar hebben verteld. [benadeelde partij 1] heeft echter ook het volgende verklaard bij de politie:

Nadat [slachtoffer] de auto parkeerde zag ik opeens twee mannen van achter een pilaar tevoorschijn komen met geweren en toen begonnen ze te schieten. Ik weet nog dat ik mijn arm omhoog deed ter afwering, het leek wel vuurwerk, kort daarna raakte ik bewusteloos. Ik heb nog geroepen ‘wat is dit’.. Ik realiseer me dat [slachtoffer] toen waarschijnlijk al dood was.131

Hieruit blijkt dat er ook elementen van de aanslag zijn die [benadeelde partij 1] uit eigen herinnering kan navertellen. Zij noemt immers bepaalde persoonsgebonden details die zij onmogelijk uit het dossier of uit andere bron kan hebben vernomen. De rechtbank stelt dan ook vast dat zij de moord op haar partner heeft zien gebeuren en dat zij zich daar ook van bewust is geworden. Dat pas op een later moment, namelijk toen zij uit haar coma ontwaakte, het besef kwam dat [slachtoffer] als gevolg van dit feit was overleden, kan volgens de rechtbank niet los worden gezien van de moordaanslag zoals zij die op 8 oktober 2016 heeft beleefd. Gelet op bovenstaande omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de PTSS van [benadeelde partij 1] , in elk geval voor een gedeelte, een gevolg is geweest van het aanschouwen van de gebeurtenis waardoor [slachtoffer] is overleden. De rechtbank acht het verder niet noodzakelijk om van haar, nu zijzelf ook zeer ernstig gewond is geraakt bij deze moordaanslag, te vergen onderscheid te maken tussen de dood van haar partner en haar eigen noodlottige toestand. De PTSS vindt zijn oorsprong in een en dezelfde moordaanslag.

Hiermee is het bestaan van shockschade aangetoond. De rechtbank waardeert de omvang van de shockschade, gelet op hetgeen de rechtbank zelf heeft kunnen vaststellen, op € 15.000,-. Ten aanzien van het meer gevorderde is de rechtbank van oordeel dat de vordering, gelet op de summiere argumentatie van (de raadsman van) de benadeelde partij, onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het kind is komen vast te staan dat zij de moordaanslag heeft zien gebeuren en dat zij bovendien direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het misdrijf. Haar ouders werden immers voor haar ogen beschoten, waarna haar vader direct overleed en haar moeder in coma raakte. Getuigen hebben het tweejarige kind, schreeuwend om haar moeder, uit de auto kunnen halen. Bovendien blijkt uit een door de raadsman van de benadeelde partij overgelegde brief dat de PTSS van het kind direct samenhangt met de moordaanslag.132 De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor een bedrag van € 15.000,- kan worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Door de benadeelde partij is onvoldoende onderbouwd waarom een bedrag van € 30.000,- recht zou doen aan de shockschade van het kind. Het gaat op dit moment redelijk goed met haar en niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate het trauma in volgende ontwikkelingsfases (weer) een rol gaat spelen. Nadere onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank onredelijk belastend voor het strafproces en de benadeelde partij zal dan ook voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Ten aanzien van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] is onderbouwd dat zij PTSS hebben opgelopen. Deze nabestaanden hebben het misdrijf zelf niet zien gebeuren. Het is dan de vraag of voldaan is aan het vereiste voor de vergoeding van deze shockschade, dat zij direct zijn geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het misdrijf. De rechtbank benadrukt dat de criteria die de Hoge Raad heeft gesteld strikt dienen te worden geïnterpreteerd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de onderbouwing van de vordering en de betwisting door de verdediging, niet voldoende is komen vast te staan dat de bij de ouders gediagnosticeerde PTSS is ontstaan door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de ouders niet ten tijde van, of kort na het misdrijf op de plaats delict zijn geweest. Weliswaar zijn zij geconfronteerd met het lichaam van hun zoon en de aanwezige letsels, maar de rechtbank kan niet voldoende vaststellen dat juist dit gegeven de ‘shock’ heeft veroorzaakt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de raadsman van de benadeelde partij heeft gesteld dat ook de media-aandacht of de suggestie dat het slachtoffer betrokken zou zijn geweest bij criminele activiteiten zouden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de shock. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of, en zo ja in hoeverre, de PTSS is ontstaan door de directe confrontatie met (de ernstige gevolgen van) het misdrijf. De rechtbank realiseert zich het onmiskenbaar grote leed dat de ouders is aangedaan en dat dit misdrijf diepe en onuitwisbare sporen bij hen heeft achtergelaten. Dat kan echter niet tot een andere conclusie leiden, gegeven de strikte voorwaarden die voor toekenning van shockschade gelden. Het nader uitdiepen van deze kwestie zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen zullen in dit gedeelde niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kunnen dit gedeelte van hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Affectieschade

Nabestaanden hebben volgens de huidige wet- en regelgeving geen recht op een vergoeding wegens het verdriet dat het overlijden van een naaste voor henzelf heeft veroorzaakt (zogeheten affectieschade). De rechtbank is zich bewust van het feit dat een wetsvoorstel dat hier verandering in moet brengen (en dat vergoeding van affectieschade wél mogelijk maakt) op 10 april 2018 met algemene stemmen door de Eerste Kamer der Staten-Generaal is aangenomen.133 De raadslieden van de benadeelde partijen hebben bij de behandeling van deze strafzaak, gelet op de (vergevorderde) stand van zaken met betrekking tot dit wetsvoorstel en de omstandigheid dat de Nederlandse Staat de implementatietermijn om Richtlijn 2012/29/EU in te voeren ruimschoots heeft overschreden, de rechtbank verzocht te anticiperen op de aanstaande wetgeving en een vergoeding van affectieschade toe te kennen.

De rechtbank heeft het wetsvoorstel bestudeerd en geconstateerd dat in het wetsvoorstel geen specifieke regeling van overgangsrecht is opgenomen. Dat werd, gelet op (onder andere) de Memorie van Toelichting (MvT) ook niet noodzakelijk geacht. De wetgever achtte het immers wenselijk dat aansluiting werd gezocht bij het ‘reguliere’ overgangsrecht, dat is vastgelegd in de Overgangswet van het nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW).134 Artikel 69, onder d, van de Overgangswet bepaalt dat wanneer een nieuwe wet van toepassing wordt, dit niet tot gevolg heeft dat er een vorderingsrecht ontstaat als alle feiten die de wet daarvoor vereist vóór het van toepassing worden van de wet waren voltooid. Deze zogenoemde eerbiedigende werking is in het belang van de rechtszekerheid: na het voltooien van een voorval kunnen geen nieuwe rechtsvorderingen opkomen.135

Dit betekent dat het wetsvoorstel enkel en alleen van toepassing is (en zal zijn) voor (nabestaanden van) slachtoffers van feiten die zijn gepleegd na inwerkingtreding van de wet. Oftewel, zelfs als de rechtbank zou anticiperen op de in werking te treden wet, dan nóg zouden de nabestaanden niet in aanmerking komen voor een vergoeding van affectieschade. Immers, het feit waarvoor zij een vergoeding verzoeken is gepleegd op 8 oktober 2016. Dit maakt ook dat de nabestaanden zich niet op de Richtlijn 2012/29/EU kunnen beroepen. De wetgever heeft immers reeds een keuze gemaakt over de wijze waarop de Richtlijn zal worden geïmplementeerd en heeft daar ook de nodige vrijheid in. De wetgever heeft er expliciet voor gekozen om geen overgangsrecht in de wet op te nemen en tot aan het moment van inwerkingtreding van de wet zal dan ook geen affectieschade kunnen worden gevorderd (althans een dergelijke vordering niet worden toegewezen), omdat een vordering daartoe pas op het moment van inwerkingtreding kan ontstaan. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om dit op een andere wijze te beoordelen. De benadeelde partijen zullen ten aanzien van de vorderingen tot vergoeding van affectieschade dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is zich er zeer van bewust dat dit voor de nabestaanden een bittere pil is om te slikken. De wetgever heeft zich immers bereid getoond om de wet aan te passen, zodat nabestaanden van slachtoffers in aanmerking kunnen komen voor een vergoeding voor hun verdriet. Echter, deze zelfde wetgever heeft er óók bewust voor gekozen om deze wet niet van toepassing te laten zijn op feiten die al zijn gepleegd, of die nog gepleegd zullen gaan worden tot aan de dag van de inwerkingtreding van de wet.

8.4.4

Proceskosten

Proceskosten [benadeelde partij 1]

De rechtbank zal de proceskosten ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg, zoals gevorderd door [benadeelde partij 1] , toekennen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. Zij zal ten aanzien van de proceskosten voor de behandeling van een eventueel hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

Proceskosten van het kind

Verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

Proceskosten [benadeelde partij 2]

De rechtbank zal de proceskosten ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg, zoals gevorderd door [benadeelde partij 2] , toekennen. Hij zal ten aanzien van de proceskosten voor de behandeling van een eventueel hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

Proceskosten [benadeelde partij 3]

Verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

8.4.5

Toe te wijzen bedragen

Ten aanzien van [benadeelde partij 1]

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 337.435,68 (zegge driehonderdzevenendertigduizend vierhonderdvijfendertig euro en achtenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2016) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 302.200,99 aan materiële schadevergoeding, € 35.200,00 aan immateriële schadevergoeding en € 34,69 (zegge: vierendertig euro en negenenzestig eurocent) aan proceskosten).

Ten aanzien van het kind

De vordering van de benadeelde partij [naam dochter] wordt toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00 (zegge vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2016) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

Ten aanzien van [benadeelde partij 2]

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] wordt toegewezen tot een bedrag van € 22.956,19 (zegge tweeëntwintigduizend negenhonderdzesenvijftig euro en negentien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 22.125,09 aan materiële schadevergoeding en € 831,10 aan proceskosten.

8.4.6

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1. primair en 2. primair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank merkt hierbij op dat proceskosten niet onder de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vallen.

De rechtbank zal bovendien, als stok achter deur, een periode van vervangende hechtenis verbinden aan de drie op te leggen schadevergoedingsmaatregelen. De totale duur van deze vervangende hechtenis kan en zal dus ook niet meer zijn dan één jaar. Toepassing van deze vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting van verdachte overigens niet op.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van [benadeelde partij 1] op een bedrag van € 337.400,99 (zegge driehonderdzevenendertigduizend vierhonderd euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal negen maanden.

Ten aanzien van het kind waardeert de rechtbank de schade op een bedrag van € 15.000,00 (zegge vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

Ten aanzien van [benadeelde partij 2] waardeert de rechtbank de schade op een bedrag van € 22.125,09 (zegge: tweeëntwintigduizend honderdvijfentwintig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal twee maanden.

Het bedrag dat verdachte betaalt aan de Staat, hoeft hij niet meer te betalen aan de benadeelde partijen. Omgekeerd geldt hetzelfde.

8.4.7

Overige beslissingen

Hoofdelijkheid

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Schadefonds Geweldsmisdrijven

De toe te wijzen bedragen zullen niet verrekend worden met een reeds toegekend bedrag vanuit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dit blijkt niet alleen uit de wetsgeschiedenis, ook uit de rechtspraktijk is naar voren gekomen dat deze (verrekende) bedragen uiteindelijk niet door de dader(s), maar door de maatschappij worden betaald.136 De bedoeling van de wetgever, dat de bedragen niet moeten worden verrekend, is bovendien recentelijk nog bevestigd door de Minister van Veiligheid en Justitie.137

Niet-ontvankelijk voor het overige

De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. De behandeling ervan levert om de hiervoor telkens bij de desbetreffende posten genoemde redenen een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen kunnen dit gedeelte van hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 58, 289 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 4. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. primair en 2. primair bewezen verklaarde:

De eendaadse samenloop van

Medeplegen van moord

en

Medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 3. bewezen verklaarde:

Medeplegen van schuldheling, meermalen gepleegd;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

16. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

NOKIA 105

5381412

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst toe de vordering van [benadeelde partij 1], tot een bedrag van € 337.400,99 (zegge driehonderdzevenendertigduizend vierhonderd euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 34,69 (zegge: vierendertig euro en negenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 337.400,99 (zegge driehonderdzevenendertigduizend vierhonderd euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde partij 1] .

Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 9 (negen) maanden. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam dochter] en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst toe de vordering van [naam dochter], tot een bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam dochter] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 15.000,00 (zegge vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan het moment dat de schade is vergoed, ten behoeve van [naam dochter] .

Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst toe de vordering van [benadeelde partij 2], tot een bedrag van € 22.125,09 (zegge: tweeëntwintigduizend honderdvijfentwintig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 831,10 (zegge: achthonderdeenendertig euro en tien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 22.125,09 (zegge: tweeëntwintigduizend honderdvijfentwintig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde partij 2] .

Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 2 (twee) maanden. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart niet-ontvankelijk de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 PD 1, Rub. 2.1, p. 001-028

3 PD 2, Rub. 2.1, p. 001-008

4 PD 3, Rub. 2.1, p. 001-011

5 PD 4, Rub. 2.1, p. 001-017

6 PD 5, Rub. 2.1, p. 001-009

7 PD 6, Rub. 2.1, p. 001-003

8 PD 7, Rub. 8, p. 8001-8010

9 ZD I, Rub. 5, p. 0265-0284 en PD 4, Rub. 3, p. 015.

10 PD 2, Rub. 3, p. 009

11 PD 4, Rub. 3, p. 015-016

12 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

13 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

14 ZD VI, p. 001-020

15 ZD I, Rub. 5, p. 27-29 en 120-126

16 ZD I, Rub. 2, p. 4-7

17 ZD I, Rub. 2, p. 8-9

18 PD 2, Rub. 3, p. 040-041

19 PD 4, Rub. 3, p. 055-061

20 ZD I, Rub. 5, p. 0357-0359 en Rub 4.1, p. 165 en 211-215

21 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte] , PD 3, Rub. 3, p. 0310

22 ZD I, Rub. 5, p. 0359-0363

23 PD 4, Rub. 3, p. 055-056

24 Zoals ter terechtzitting verklaard door [verdachte 3] , [verdachte 4] én [verdachte 6]

25 ZD I, Rub. 5, p. 0363-0369

26 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte] , PD 3, Rub. 3, p. 0310; PD 2, Rub. 3, p. 040-041 en PD 4, Rub 3, p. 055-056

27 ZD I, Rub. 5, p. 0370-0372

28 ZD I, Rub. 5, p. 0373-0378

29 PD 2, Rub. 3, p. 041-043

30 PD 4, Rub. 3, p. 057-061

31 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte] , PD 3, Rub. 3, p. 0310

32 ZD I, Rub. 5, p. 0379-0381

33 ZD I, Rub. 02, p. 010-013

34 ZD I, Rub. 5, p. 0379-0381

35 ZD I, Rub. 5, p. 0382-0383

36 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 0020-0022

37 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 0135-0149

38 Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte 2] bij de rechter-commissaris van 15 december 2017 en proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte 7] bij de rechter-commissaris van 16 februari 2017.

39 PD 7, Rub. 7, p. 7256

40 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

41 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 0026-0063

42 PD 7, Rub. 7, p. 7252-7253

43 ZD I, Rub 4.1, p. 242-243 en ZD I, Rub. 5, p. 0816-0823

44 ZD I, Rub. 5, p. 0391-0398 en Verhoor van getuige [verdachte 2] bij de rechter-commissaris op 1 september 2017.

45 ZD I, Rub. 5, p. 0398-0400

46 ZD I, Rub. 5, p. 0401-0402

47 ZD I, Rub. 5, p. 0403-0404

48 ZD I, Rub. 5, p. 0405 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 008-009

49 ZD I, Rub. 3, p. 0151-0152

50 PD 1, Rub. 3, p. 058-060

51 PD 1, Rub. 3, p. 093-095

52 Verhoor van getuige [verdachte 2] bij de rechter-commissaris op 1 september 2017.

53 PD 5, Rub.3, p. 039-042

54 PD 5 Rub. 3, p. 143-144

55 PD 5, Rub.3, p. 039-042

56 Verhoor van getuige [verdachte 5] bij de rechter-commissaris op 1 september 2017.

57 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 008-009 en ZD I, Rub. 5, p. 0404

58 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 0175-0177

59 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 0011

60 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 0177

61 ZD I, Rub. 5, p. 0414-0417, PD 2, Rub. 3, p. 042-045 en op schrift gestelde verklaring van [verdachte] , PD 3, Rub. 3, p. 0310-0313

62 PD 2, Rub. 3, p. 045

63 ZD 1, Rub. 3, p. 0203 en p. 0205-0207

64 ZD I, Rub. 5, p. 0413-0417

65 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte] , PD 3, Rub. 3, p. 0310-0313

66 ZD I, Rub. 5, p. 032-082 en 338-342

67 Op schrift gestelde verklaring van [verdachte] , PD 3, Rub. 3, p. 0310-0313

68 ZD I, Rub. 5, p. 0418

69 ZD I, Rub. 5, p. 032-082 en ZD I, Rub. 2, p. 001-003

70 ZD I, Rub. 5, p. 0419-0427

71 ZD I, Rub. 5, p. 0436

72 ZD 1, Rub. 3, p. 0205-0207 en p. 203

73 PD 5, Rub. 3, p. 036-053

74 PD 5, Rub. 3, p. 152-156

75 ZD 1, Rub. 5, p. 0419-0429

76 PD 5, Rub. 3, p. 036

77 PD 5, Rub. 3, p. 146-147

78 PD 5, Rub. 3, p. 036-053

79 PD 5, Rub. 3, p. 036-043

80 Verhoor van getuige [verdachte 2] bij de rechter-commissaris op 1 september 2017.

81 ZD I, Rub. 5, p. 0414-0417, PD 2, Rub. 3, p. 042-045 en op schrift gestelde verklaring van [verdachte] , PD 3, Rub. 3, p. 0310-0313

82 ZD I, Rub. 5, p. 0742-0758

83 ZD I, Rub. 5, p. 0792-0795

84 Op schrift gestelde verklaring [verdachte] , ZD I, Rub. 5, p. 0749-0758

85 ZD I, Rub. 5, p. 0421-0429

86 ZD I, Rub. 5, p. 032-082 en ZD I, Rub. 2, p. 001-003

87 ZD I B, Rub. B5, p. 0144-0150

88 ZD I, Rub. 5, p. 032-082

89 ZD I, Rub. 10, p. 046-112

90 Een verslag, inhoudende een Munitieonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 2 november 2016, opgemaakt door ing. P.J.M. Pauw-Vugts, ZD I B, Rub. B 5, p. 0160-0171

91 ZD I B, Rub. B5, p. 0144-0150

92 ZD I, Rub. 10, p. 053-054

93 Een verslag, inhoudende een Munitieonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 december 2016, opgemaakt door ing. M.E. Bestebreurtje, ZD I B, Rub. B 5, p. 0172-0177

94 ZD I B, Rub. B5, p. 0151-0159

95 ZD I B, Rub. B5, p. 0150

96 Een verslag, inhoudende een Schouwverslag van de GGD Amsterdam van 8 oktober 2016, opgemaakt door forensisch arts D. Rijken, ZD I, Rub. 5, p. 016-018 en een verslag, inhoudende een Voorlopig Sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 oktober 2016, opgemaakt door arts en patholoog dr. V. Soerdjbalie-Malkoe, ZD I, Rub. 5, p. 019-024.

97 Een verslag, inhoudende een Letselrapportage van de GGD Amsterdam van 10 oktober 2016, opgemaakt door forensisch arts A. Beijering, ZD I, Rub. 10, p. 015-018

98 ZD I, Rub. 10, p. 047.

99 ZD I, Rub. 5, p. 706-708

100 ZD I, Rub. 5, p. 032-082

101 ZD I, Rub. 3, p. 0050-0054

102 ZD I, Rub. 3, p. 0014-0015 en p. 0027-0030

103 ZD I, Rub. 5, p. 0014-0015

104 ZD I, Rub. 5, p. 895-910

105 ZD I, Rub. 5, p. 0792-0793

106 ZD I, Rub. 5, p. 895-910

107 ZD I, Rub. 5, p. 102-103

108 ZD I, Rub. 5, p. 0426-0427

109 ZD I, Rub. 5, p. 106

110 ZD I, Rub. 5, p. 146-160

111 ZD I, Rub. 5, p. 0426-0427

112 ZD I, Rub. 5, p. 147-151

113 ZD I, Rub. 5, p. 147-155

114 ZD I, Rub. 5, p. 0426-0429

115 ZD I, Rub. 5, p. 0742-0758

116 ZD I, Rub. 5, p. 0429-0430

117 ZD I, Rub. 5, p. 007-008 en ZD I, Rub. 10 B, p. 010-018

118 Een verslag, inhoudende een Forensisch DNA Rapport van Verilabs van 8 december 2016, opgemaakt door DNA-deskundige M. Hidding, ZD I, Rub. 10, p. 023-028 + 206

119 ZD I, Rub. 5, p. 895-910 en ZD I, Rub. 3, p. 0024-0026

120 Een verslag, inhoudende een Forensisch DNA Rapport van Verilabs van 8 december 2016, opgemaakt door DNA-deskundige M. Hidding, ZD I, Rub. 10, p. 023-028 + 043

121 Een verslag, inhoudende een Forensisch DNA Rapport van Verilabs van 8 december 2016, opgemaakt door DNA-deskundige M. Hidding, ZD I, Rub. 10, p. 023-028

122 ZD I, Rub. 5, p. 0432-0439

123 ZD IV, p. 0463-0464 en 0470

124 ZD I, Rub. 3, p. 202-204 en 205-213

125 ZD I, Rub. 5, p. 0432-0440

126 ZD I, Rub. 5, p. 0436-0437

127 PD 4, Rub. 3, p. 093-099

128 ZD I B, Rub. B 5.1, p. 0023-0025

129 ZD VI, p. 001-002 + 005

130 PD 7, Rub. 7, p. 7277-7278

131 ZD I, Rub. 2, p. 31.

132 Brief van Ouder Kind Lijn van 7 maart 2018, opgemaakt door [psychotherapeut] , psychotherapeut K en J, IMH specialist.

133 Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 2 en Kamerstukken I 2017/18, 34257 nr. 26

134 Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3

135 Kamerstukken II 2015/16, 34257, nr. 6

136 Kamerstukken II, 32363, 2009-2010, nr. 3, p. 4

137 Kamerstukken II, 33552, 2016-2017, nr. 25