Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3180

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
11-05-2018
Zaaknummer
13/997041-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 26-jarige man is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf (waarvan 10 maanden voorwaardelijk) voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de verdere invoer van ongeveer 1500 kilo cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997041-17 (Promis)

Datum uitspraak: 8 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het [detentiecentrum] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 7 september 2017, 5 december 2017 en 1 maart 2018 (pro forma) en 11 april 2018 (inhoudelijke behandeling) en 24 april 2018 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Plooij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. L. de Leon naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. in de periode van 20 tot en met 29 mei 2017 in Nederland en/of in België

primair het (medeplegen van het) opzettelijk invoeren dan wel afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben in Nederland van ongeveer 1500 kilo cocaïne;

subsidiair poging tot het (medeplegen van het) opzettelijk invoeren dan wel afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben in Nederland van ongeveer 1500 kilo cocaïne;

2. in de periode van 15 mei tot en met 29 mei 2017 in Roosendaal het (medeplegen van het) voorbereiden/bevorderen van het invoeren dan wel vervoeren en/of afleveren in Nederland van ongeveer 1499 kilo cocaïne.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 9 mei 2017 werd een zeecontainer voorzien van het nummer [nummer] (hierna: de container) vanuit de haven van Cartagena (Colombia) op het vrachtschip de [naam vrachtschip] verzonden naar de haven van Antwerpen. Op 22 mei 2017 werd de container in Antwerpen gecontroleerd door de Belgische autoriteiten. Bij deze controle troffen zij in de container twintig big bags aan met kolen. Bij het priemen van de zakken werd in de achterste vier big bags op de priemen een wit poeder aangetroffen. Een dan uitgevoerde Scott Nark II 07-test, testte positief op de aanwezigheid van cocaïne. Na het verwijderen van de bovenste laag kolen kwamen getapete pakken tevoorschijn. In totaal werden 1338 getapete pakken aangetroffen met een totaalgewicht van 1.499 kilo. Binnen de partij werden vijf verschillende soorten verpakkingen onderscheiden. Op 29 mei 2017 zijn uit de verschillende soorten verpakkingen willekeurige stalen genomen. Deze monsters zijn overgedragen aan de Nederlandse Dienst Landelijke Recherche. Uit de monsters werd per soort verpakking een nieuw monster genomen. Laatstgenoemde monsters zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht en bevatten cocaïne.

Alleen de big bags waarin geen cocaïne werd aangetroffen zijn teruggeplaatst in de container.

In de container is, naar aanleiding van de aangetroffen cocaïne, opname- en volgapparatuur geplaatst. De container werd op 29 mei 2017 door de Belgische douane vrijgegeven. De container is op een vrachtwagencombinatie met een Belgisch kenteken vanuit de haven van Antwerpen vervoerd naar de parkeerplaats behorend bij het bedrijfspand van [naam bedrijfspand] aan de [adres 1] in [plaats] .

Op dat terrein stonden voor aankomst van de container al een kleine vrachtauto van het merk Iveco (hierna: de Iveco) en een bestelauto van het merk Opel, type Ivaro geparkeerd. Vanaf het terrein zwaaiden verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de vrachtwagencombinatie. Eveneens aanwezig was [naam werknemer] (hierna: [naam werknemer] ), werknemer van [naam bedrijfspand] . Verdachte had hem in de middag in zijn woonplaats [woonplaats] opgehaald en naar het bedrijfspand gebracht. De vrachtwagencombinatie reed rond 19:30 uur het bedrijfsterrein op. De vrachtwagencombinatie werd geparkeerd en er ontstond een gesprek tussen de chauffeur, verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De trekker werd losgekoppeld van de oplegger en de vrachtwagenchauffeur vertrok.

De deuren aan de achterzijde van de container werden geopend. In elk geval [medeverdachte 2] en [naam werknemer] maakten een aanvang met werkzaamheden aan de lading. Op enig moment meenden [medeverdachte 2] en [naam werknemer] mogelijk een zender aan de onderkant van de container waar te nemen. Na enige discussie zei [medeverdachte 2] : “Ok, het maakt niet uit man. We gaan die klus doen”, waarna ze hun werkzaamheden voortzetten. [medeverdachte 2] maakte gebruik van een portofoon. Om 19.51 uur zei [medeverdachte 2] , kennelijk door de portofoon “Ok, tekst jij met [naam 1] alsjeblieft.” [naam werknemer] bediende bij zijn werkzaamheden een vorkheftruck en [medeverdachte 2] bevond zich in de container, en zocht in de big bags, die hij (ook) kapot sneed of hakte. Om ongeveer 20.01 uur zei [naam werknemer] tegen [medeverdachte 2] : “Kom! Nu!”, werd gefluister gehoord en zei [naam werknemer] “weg nee weg”. [medeverdachte 2] zei “broer kom me ophalen”.

Verdachte reed even voor acht uur in een Volkswagen Golf op de parkeerplaats naast het terrein. Op enig moment heeft hij [medeverdachte 2] opgehaald, waarna [medeverdachte 2] een voorwerp – mogelijk een zender – uit het raam van de auto heeft gegooid. Vervolgens zijn zij weer teruggereden richting de [adres 1] .

De deuren van de container werden even na acht uur afgesloten door [naam werknemer] , waarna hij richting de eerder genoemde parkeerplaats liep. Hij stapte bij verdachte in de auto, waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] al in zaten, en samen reden zij weg richting Breda. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] keken onderweg veel op hun telefoon en wisselden steeds een telefoon met elkaar uit. In de auto was sprake van een gestresste sfeer. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] spraken druk met elkaar. In Breda stapten alle mannen behalve [naam werknemer] uit. [naam werknemer] reed in de Volkswagen Golf naar zijn huis in [woonplaats] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] stapten in bij een man die hen vanuit Roosendaal had gevolgd en werden door deze man terug gebracht naar het bedrijfsterrein in Roosendaal.

Om 21:30 uur stonden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de achterzijde van de container. Nadat zij de container hadden geopend gingen ze de container in. [medeverdachte 2] vertelde [medeverdachte 1] waar hij moest staan en nam een foto van hem. [medeverdachte 1] moest goed naar [medeverdachte 2] kijken en [medeverdachte 2] zei daarbij “for your friend” en “they say that you not here”. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij deze foto moest maken van [naam 1] om aan te tonen dat ze wel in de container waren geweest. Er werden wederom geluiden van hakken en zagen in zakken gehoord. Even na half tien zei [medeverdachte 2] : ‘We hebben ze nu alle drie opengemaakt en leeg”. Er werd naar de achterzijde van de container gelopen over de zakken. [medeverdachte 2] vroeg “nothing?” Hierop gereageerde [medeverdachte 1] met “nothing!” Ongeveer tien minuten later sloten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de container af en stapten samen in de Opel Vivaro die op het terrein geparkeerd stond. Hierna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] direct aangehouden. Bij hun aanhouding bleek dat de binnenverlichting van de Iveco brandde en dat de sleutels van het voertuig in het bedieningspaneel van de laadklep zaten. De laadruimte was nagenoeg leeg. Bij [medeverdachte 1] werd een bedrag van ongeveer € 2.950,- aangetroffen alsook een telefoon, waarvan bij het opnieuw aanzetten de persoonlijke instellingen werden verwijderd en de fabrieksinstellingen terugkeerden. Verdachte is op 30 juni 2017 aangehouden.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij midden mei 2017 is benaderd door vrienden van en namens [naam 1] met de vraag of hij voor hen een plek kon regelen waar een container kon worden gelost. In het verleden heeft verdachte softdrugs vervoerd die in beslag zijn genomen. Sindsdien heeft hij een schuld bij [naam 1] van € 40.000,- tot € 50.000,- en is hij daarover meermalen benaderd en ook bedreigd. Zodra verdachte een plek voor de container zou hebben geregeld zou hij in één keer van deze schuld af zijn. Verdachte mocht niets weten over de inhoud van de container en mocht er ook met niemand over praten. Verdachte heeft [naam werknemer] gevraagd of zijn terrein gebruikt mocht worden. Nadat [naam werknemer] had aangegeven daar geen problemen mee te hebben, heeft verdachte teruggekoppeld aan de genoemde vrienden van [naam 1] dat hij een terrein had geregeld. Verdachte kreeg van [naam werknemer] de sleutels en is met een vriend van [naam 1] naar het terrein gegaan. Deze vriend gaf toen aan dat het een perfecte locatie was. Op 29 mei 2017 haalde verdachte, in een Volkswagen Golf van iemand van het sloopbedrijf waar hij voor werkte, [naam werknemer] in diens woonplaats [woonplaats] op en zij reden samen naar Roosendaal. Verdachte had van [naam 1] een Nokia telefoon gekregen die hij bij zich moest houden en die hij moest opnemen als hij zou worden gebeld. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het om duistere zaken ging, hij dacht aan softdrugs.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Hij heeft hiertoe overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir – samengevat – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1

Onder feit 1 primair is uitsluitend begrepen de invoer van ongeveer 1.500 kilo cocaïne per schip via de Westerschelde naar Antwerpen. Bewezen kan worden dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had op het leveren van een wezenlijke bijdrage aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs, toen de container nog onderweg was naar de Westerschelde. Verdachte regelde de losplaats al voordat de container in Antwerpen aankwam.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van strafbare bevordering van opzettelijke invoer van cocaïne. Volgens vaste rechtspraak kan iemand, ook als de cocaïne al in beslag is genomen, nog steeds strafbare gedragingen genoemd in artikel 10a Opiumwet plegen, als zijn opzet is gericht op het mogelijk maken van bijvoorbeeld de opzettelijke invoer in Nederland. Uit de eigen verklaring van verdachte kan minst genomen voorwaardelijk opzet op medeplegen van het bevorderen van opzettelijk invoeren van drugs worden afgeleid. Uit het dossier blijkt dat ten tijde van het openen van de container in Roosendaal sprake was van nauwe en bewuste samenwerking bij de gedragingen die strekten ter bevordering van het misdrijf van artikel 2 sub A Opiumwet. De bijdrage van elk van de deelnemers aan deze bevordering is ook van voldoende gewicht voor de kwalificatie medeplegen. De verdachten kwamen gelijktijdig bij de container aan, kort nadat deze in Roosendaal was aangekomen. Zij beschikten ter plaatse over twee lege bestelwagens die geschikt en kennelijk bestemd waren voor het verdere vervoer van de cocaïne. Verdachte hield toezicht, de medeverdachten bekeken samen de container, die zij betraden en waarin zij direct op zoek gingen naar de cocaïne.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe – samengevat – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1

Uit de verklaring van verdachte is af te leiden dat hij ongeveer twee weken vóór 29 mei 2017 is benaderd door mensen rond [naam 1] . Als verdachte een plek zou regelen zou hij van zijn schuld af zijn. Verdachte is met dat verhaal in gedachten, zonder te weten waar het precies om ging, aan de haal gegaan. Verdachte heeft zich op geen moment gerealiseerd dat een schip onderweg zou zijn richting Antwerpen. Er is onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij het drugstransport. Verdachte dient dan ook voor de invoer van cocaïne in Nederland te worden vrijgesproken.

De subsidiair ten laste gelegde poging tot invoer kan ook niet bewezen worden. Alle aangetroffen verdovende middelen zijn in Antwerpen in beslag genomen. De uitvoeringshandelingen dateren van na de inbeslagname. Dit betekent dat geen begin van uitvoering van het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden. Verdachte dient daarom ook hiervan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft alleen gesproken over het regelen van een plek. Voor hetgeen overigens die dag met betrekking tot de container heeft plaatsgevonden is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Nadat verdachte de plek had geregeld is hij feitelijk buiten spel gezet. Hij wist niet wanneer de vrachtwagen zou komen. Er is niet gebleken dat hij toezicht hield. Verdachte was in de veronderstelling dat het om softdrugs ging. De hoeveelheid is hem niet gezegd. Verdachte had er geen rekening mee behoeven te houden dat er sprake was van harddrugs. Verdachte dient ook hiervan te worden vrijgesproken.

4.4

Oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

De officier van justitie heeft aangevoerd dat feit 1 primair uitsluitend ziet op de invoer via de Westerschelde toen de cocaïne zich nog in de container bevond. Het dossier biedt geen aanknopingspunten dat verdachte wetenschap had van dit specifieke vervoersmoment. De rechtbank zal verdachte daarom van het primaire tenlastegelegde feit vrijspreken.

De subsidiair ten laste gelegde poging tot de invoer kan evenmin bewezen worden. De tenlastelegging gaat er vanuit dat de container vanuit Antwerpen naar Roosendaal werd gereden, zonder dat deze toen nog cocaïne bevatte. Handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen, kunnen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en de overdracht van die verdovende middelen. De uitvoeringshandelingen die in de tenlastelegging bij de poging tot invoer zijn opgenomen dateren van na de inbeslagname van de cocaïne door de Belgische autoriteiten op 22 mei 2017. Dit betekent volgens vaste jurisprudentie dat geen begin van uitvoering van het ten laste gelegde delict heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de inbeslagname en dat sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

4.4.2

Bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op het bevorderen van de verlengde invoer van een grote partij cocaïne en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte had een grote schuld bij ene “ [naam 1] ” opgebouwd door het verlies van een partij softdrugs. Over deze schuld was hij al een aantal keren benaderd en tevens bedreigd. Door een relatief kleine tegenprestatie, die met geheimzinnigheid was omgeven – het regelen van een terrein waar een container kon worden gelost, en waarover met niemand gesproken mocht worden en in welk verband verdachte een speciale telefoon ontving – zou deze schuld verdachte worden kwijtgescholden. De geschiktheid van het terrein voor het lossen van de container was kennelijk van dermate groot belang dat verdachte dit terrein door vrienden van [naam 1] moest laten goedkeuren. Verdachte vermoedde dat de lading van de container illegaal was, hij ging er van uit dat het om softdrugs zou gaan.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met regelmaat grote hoeveelheden harddrugs in zeecontainers via de haven van Antwerpen Europa bereiken en vervolgens over land naar Nederland worden vervoerd, en voorts dat dit veelal geschiedt door de drugs als nevenlading bij te plaatsen in containers met overigens reguliere goederen. Ook verdachte moet dat hebben geweten. Hierbij valt op dat verdachte een losplaats heeft geregeld in Roosendaal, een plaats die dicht bij de grens met België en de haven van Antwerpen ligt.

Door te handelen als hij heeft gedaan heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de illegale lading in de container bestond uit een grote hoeveelheid harddrugs, zoals in dit geval ook is gebleken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bevorderen van de verlengde invoer van ongeveer 1.500 kilo cocaïne.

Medeplegen

Verdachte heeft op 29 mei 2017 medeverdachte [naam werknemer] thuis opgehaald en hem naar de loods in Roosendaal gebracht. [naam werknemer] zou met een heftruck de lading uit de container halen. Nadat verdachte [naam werknemer] had afgezet bleef hij met hem in contact. Op enig moment heeft verdachte medeverdachte [medeverdachte 2] , die de container moest lossen, bij het terrein opgehaald, zodat deze zich kennelijk kon ontdoen van een mogelijke zender of tracker die zich in of aan de container bevond. Toen [naam werknemer] verdachte boos opbelde reed verdachte terug naar het terrein om hem op te halen. In de auto waren ook aanwezig de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Er heerste een stressvolle sfeer in de auto. Onderweg heeft tussen de verdachten onderling contact plaatsgevonden waarbij verdachte en [medeverdachte 2] in het Marokkaans met elkaar spraken en de laatstgenoemde en [medeverdachte 1] een telefoon uitwisselden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn teruggekeerd om de container verder op de inhoud van cocaïne te doorzoeken. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Het handelen van verdachte en zijn mededaders strekte ter bevordering van de (verlengde) invoer van cocaïne. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II van dit vonnis vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 15 mei tot en met 29 mei 2017 in Nederland, alleen respectievelijk tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, te weten het opzettelijk vervoeren en/of afleveren van (ongeveer) 1499 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, die in een zeecontainer verborgen was (geweest), voor te bereiden of te bevorderen,

- heeft getracht een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen, en

- voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;

immers heeft hij, verdachte:

- in die periode een locatie op een bedrijfsterrein aan de [adres 1] te [plaats] geregeld, waar die zeecontainer zou kunnen worden gelost, en

heeft hij verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders:

- zich op 29 mei 2017 met een auto , al dan niet geschikt voor het verdere vervoer van die cocaïne, naar dat bedrijfsterrein aan de [adres 1] in [plaats] begeven, waar die zeecontainer zou aankomen, ten einde die zeecontainer op de aanwezigheid van die cocaïne te controleren en die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en

- die zeecontainer na opening betreden en

- met behulp van een hakbijl en/of stanleymes big bags in die zeecontainer opengesneden en

- door middel van een portofoon of telefoon contact onderhouden met één of meer personen elders over de aangetroffen situatie.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het plegen van bevorderingshandelingen ten behoeve van de invoer van een grote partij cocaïne in Nederland. Deze partij cocaïne werd vanuit Colombia in een container verscheept naar de haven van Antwerpen. Verdachte heeft het terrein geregeld waar de container zou worden gelost. Nadat de container was gearriveerd stond verdachte in contact met de medeverdachten. Nadat de zender in de container werd ontdekt heeft verdachte de medeverdachten in zijn auto naar Breda gebracht.

Uit de tapgesprekken blijkt dat verdachte zich betrekkelijk intensief bezighield met de rechtsbijstand van medeverdachte [medeverdachte 2] nadat deze was aangehouden en zich in voorlopige hechtenis bevond. Hieruit leidt de rechtbank af dat de positie van verdachte kennelijk groter is dan hij heeft doen voorkomen. Het Openbaar Ministerie dicht verdachte zelfs een organiserende rol toe. De rechtbank heeft dat echter uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kunnen opmaken.

Verdachte zou voor deze ‘klus’ bevrijdt zijn van een schuld van € 40.000,- tot € 50.000,- . Nu het transport niet is geslaagd zal de schuld van verdachte niet vereffend zijn en is het niet ondenkbaar is dat verdachte weer ontvankelijk zal zijn voor voorstellen als waarvan hier sprake is. De rechtbank ziet hierin reden een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

Verdachte heeft zich met zijn handelen begeven op het terrein van de grootschalige handel in verdovende middelen. Het in georganiseerd verband smokkelen van een grote partij cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en dient krachtig bestreden te worden. Als deze partij niet zou zijn onderschept, zou deze waarschijnlijk in Nederland of elders op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Met de internationale handel in harddrugs wordt veel criminele winst behaald. Verdachte heeft klaarblijkelijk gehandeld uit geldelijk gewin en zich niet bekommerd om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Het op de markt brengen van cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van randcriminaliteit.

De rechtbank houdt er ten nadele van verdachte rekening mee dat uit zijn strafblad blijkt van een eerdere veroordeling voor overtreding van de Opiumwet.

De eis van de officier van justitie verhoudt zich niet met wat in andere zaken op dit moment wordt opgelegd en lijkt kennelijk mede ingegeven te zijn door een zeer recent voornemen van justitie om in de toekomst fors hogere straffen ter zake van feiten als de onderhavige te bepleiten.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, op wat hiervoor is overwogen en gelet op de straffen die in soortgelijke pleegden te worden opgelegd, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank ziet in de situatie van en de persoonlijkheid van verdachte, zoals die uit de overlegde rapporten en ter zitting naar voren is gekomen, aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

6. 1 zaktelefoon Porsche design

7. 1 zaktelefoon BlackBerry

8. 1 zaktelefoon Nokia

28. 1 zaktelefoon BlackBerry

29. 1 zaktelefoon BlackBerry

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht en 10a van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd:

6. 1 zaktelefoon Porsche design

7. 1 zaktelefoon BlackBerry

8. 1 zaktelefoon Nokia

28. 1 zaktelefoon BlackBerry

29. 1 zaktelefoon BlackBerry

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. C. Klomp en. H.E. Spruit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 mei 2018.