Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3170

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
11-05-2018
Zaaknummer
13/997026-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf (waarvan 6 maanden voorwaardelijk) voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de verdere invoer van ongeveer 1500 kilo cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997026-17 (Promis)

Datum uitspraak: 8 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het [detentiecentrum] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 7 september 2017, 5 december 2017 en 1 maart 2018 (pro forma) en 11 april 2018 (inhoudelijke behandeling) en 24 april 2018 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Plooij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G.N. Weski naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. in de periode van 20 tot en met 29 mei 2017 in Nederland en/of in België

primair het (medeplegen van het) opzettelijk invoeren dan wel afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben in Nederland van ongeveer 1500 kilo cocaïne;

subsidiair poging tot het (medeplegen van het) opzettelijk invoeren dan wel afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben in Nederland van ongeveer 1500 kilo cocaïne;

2. in de periode van 15 mei tot en met 29 mei 2017 in Roosendaal het (medeplegen van het) voorbereiden/bevorderen van het invoeren dan wel vervoeren en/of afleveren in Nederland van ongeveer 1499 kilo cocaïne.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 9 mei 2017 werd een zeecontainer voorzien van het nummer [nummer] (hierna: de container) vanuit de haven van Cartagena (Colombia) op het vrachtschip de [naam schip] verzonden naar de haven van Antwerpen. Op 22 mei 2017 werd de container in Antwerpen gecontroleerd door de Belgische autoriteiten. Bij deze controle troffen zij in de container twintig big bags aan met kolen. Bij het priemen van de zakken werd in de achterste vier big bags op de priemen een wit poeder aangetroffen. Een dan uitgevoerde Scott Nark II 07-test, testte positief op de aanwezigheid van cocaïne. Na het verwijderen van de bovenste laag kolen kwamen getapete pakken tevoorschijn. In totaal werden 1338 getapete pakken aangetroffen met een totaalgewicht van 1.499 kilo. Binnen de partij werden vijf verschillende soorten verpakkingen onderscheiden. Op 29 mei 2017 zijn uit de verschillende soorten verpakkingen willekeurige stalen genomen. Deze monsters zijn overgedragen aan de Nederlandse Dienst Landelijke Recherche. Uit de monsters werd per soort verpakking een nieuw monster genomen. Laatstgenoemde monsters zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht en bevatten cocaïne.

Alleen de big bags waarin geen cocaïne werd aangetroffen zijn teruggeplaatst in de container.

In de container is, naar aanleiding van de aangetroffen cocaïne, opname- en volgapparatuur geplaatst. De container werd op 29 mei 2017 door de Belgische douane vrijgegeven. De container is op een vrachtwagencombinatie met een Belgisch kenteken vanuit de haven van Antwerpen vervoerd naar de parkeerplaats behorend bij het bedrijfspand van [naam bedrijfspand] aan de [adres 1] in [plaats] .

Op dat terrein stonden voor aankomst van de container al een kleine vrachtauto van het merk Iveco (hierna: de Iveco) en een bestelauto van het merk Opel, type Ivaro geparkeerd. Vanaf het terrein zwaaiden verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de vrachtwagencombinatie. Eveneens aanwezig was [naam werknemer] (hierna: [naam werknemer] ), werknemer van [naam bedrijfspand] . [medeverdachte 2] had hem in de middag in zijn woonplaats [woonplaats] opgehaald en naar het bedrijfspand gebracht. De vrachtwagencombinatie reed rond 19:30 uur het bedrijfsterrein op. De vrachtwagencombinatie werd geparkeerd en er ontstond een gesprek tussen de chauffeur, verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De trekker werd losgekoppeld van de oplegger en de vrachtwagenchauffeur vertrok.

De deuren aan de achterzijde van de container werden geopend. In elk geval verdachte en [naam werknemer] maakten een aanvang met werkzaamheden aan de lading. Op enig moment meenden verdachte en [naam werknemer] mogelijk een zender aan de onderkant van de container waar te nemen. Na enige discussie zei verdachte: “Ok, het maakt niet uit man. We gaan die klus doen”, waarna ze hun werkzaamheden voortzetten. Verdachte maakte gebruik van een portofoon. Om 19.51 uur zei verdachte, kennelijk door de portofoon “Ok, tekst jij met [naam 1] alsjeblieft.” [naam werknemer] bediende bij zijn werkzaamheden een vorkheftruck en verdachte bevond zich in de container, en zocht in de big bags, die hij (ook) kapot sneed of hakte. Om ongeveer 20.01 uur zei [naam werknemer] tegen verdachte: “Kom! Nu!”, werd gefluister gehoord en zei [naam werknemer] “weg nee weg”. Verdachte zei “broer kom me ophalen”.

[medeverdachte 2] reed even voor acht uur in een Volkswagen Golf op de parkeerplaats naast het terrein. Op enig moment heeft hij verdachte opgehaald, waarna verdachte een voorwerp – mogelijk een zender – uit het raam van de auto heeft gegooid. Vervolgens zijn zij weer teruggereden richting de [adres 1] .

De deuren van de container werden even na acht uur afgesloten door [naam werknemer] , waarna hij richting de eerder genoemde parkeerplaats liep. Hij stapte bij [medeverdachte 2] in de auto, waar [medeverdachte 1] en verdachte al in zaten, en samen reden zij weg richting Breda. Verdachte en [medeverdachte 1] keken onderweg veel op hun telefoon en wisselden steeds een telefoon met elkaar uit. In de auto was sprake van een gestresste sfeer. Verdachte en [medeverdachte 1] spraken druk met elkaar. In Breda stapten alle mannen behalve [naam werknemer] uit. [naam werknemer] reed in de Volkswagen Golf naar zijn huis in [woonplaats] . Verdachte en [medeverdachte 1] stapten in bij een man die hen vanuit Roosendaal had gevolgd en werden door deze man terug gebracht naar het bedrijfsterrein in Roosendaal.

Om 21:30 uur stonden [medeverdachte 1] en verdachte bij de achterzijde van de container. Nadat zij de container hadden geopend gingen ze de container in. Verdachte vertelde [medeverdachte 1] waar hij moest staan en nam een foto van hem. [medeverdachte 1] moest goed naar verdachte kijken en verdachte zei daarbij “for your friend” en “they say that you not here”. Verdachte heeft verklaard dat hij deze foto moest maken van [naam 1] om aan te tonen dat ze wel in de container waren geweest. Er werden wederom geluiden van hakken en zagen in zakken gehoord. Even na half tien zei verdachte: ‘We hebben ze nu alle drie opengemaakt en leeg”. Er werd naar de achterzijde van de container gelopen over de zakken. Verdachte vroeg “nothing?” Hierop gereageerde [medeverdachte 1] met “nothing!” Ongeveer tien minuten later sloten [medeverdachte 1] en verdachte de container af en stapten samen in de Opel Vivaro die op het terrein geparkeerd stond. Hierna zijn [medeverdachte 1] en verdachte direct aangehouden. Bij hun aanhouding bleek dat de binnenverlichting van de Iveco brandde en dat de sleutels van het voertuig in het bedieningspaneel van de laadklep zaten. De laadruimte was nagenoeg leeg. Bij [medeverdachte 1] werd een bedrag van ongeveer € 2.950,- aangetroffen alsook een telefoon, waarvan bij het opnieuw aanzetten de persoonlijke instellingen werden verwijderd en de fabrieksinstellingen terugkeerden. [medeverdachte 2] is op 30 juni 2017 aangehouden.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij op 24 mei 2017 door [naam 1] werd gevraagd om naar Roosendaal te komen. Verdachte kent [naam 1] al jaren en spreekt hem vaak. Hij wist dat [naam 1] zich bezig hield met duistere zaken. Op het terrein in Roosendaal vroeg [naam 1] of verdachte een klus voor hem wilde doen. Er zou een container worden geleverd met daarin zakken met kolen. In die zakken zat iets dat van [naam 1] was. [naam 1] wilde niet ingaan op details. Verdachte zou hier € 5.000,- voor krijgen. Verdachte mocht over deze klus met niemand praten en moest de volgende dag antwoorden of hij de klus wilde doen. De volgende dag is verdachte terug gegaan naar Roosendaal en zei daar tegen [naam 1] dat hij op het aanbod inging. Op 26 mei 2017 moest verdachte opnieuw naar Roosendaal komen om een telefoon en portofoon in ontvangst te nemen. Hij zou via de telefoon verdere instructies krijgen wanneer de klus zou moeten worden gedaan. Op 29 mei 2017 werd verdachte door [naam 1] gebeld dat hij naar Roosendaal moest komen. Verdachte is met een gehuurde Audi Q5 naar Breda gereden, heeft die auto daar geparkeerd en is vervolgens in een Opel Vivaro naar Roosendaal gereden. Hij ruilde de auto omdat hij dacht dat hij wellicht iets uit de container moest meenemen dat niet in de Audi zou passen. Op het bedrijfsterrein aangekomen sms’te verdachte [naam 1] . Verdachte trof op het terrein [naam werknemer] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en een andere hem onbekende man aan. Na ongeveer een uur liet [naam 1] weten dat de container er bijna zou zijn. De container zou een Belgisch nummerbord hebben. Nadat [naam werknemer] de container opende, sms’te [naam 1] dat verdachte bij de achterste zakken moest zijn. Terwijl verdachte in de zakken sneed, werd de volgapparatuur ontdekt. Verdachte was in paniek en zag [medeverdachte 2] voorbij rijden, stapte bij hem in en gooide enige tijd later de volgapparatuur uit het raam van de auto. Vervolgens stapten ook [medeverdachte 1] en [naam werknemer] in. De mannen reden samen richting Breda. Onderweg ontving verdachte een sms-bericht van [naam 1] dat hij terug moest naar de container en beter moest zoeken. Als hij dit niet zou doen zou verdachte een ‘groot’ probleem hebben. Verdachte moest in de container een foto maken van [medeverdachte 1] , om te bewijzen dat hij daar was geweest. Teruggekomen op het terrein klommen verdachte en [medeverdachte 1] in de container, en troffen niets anders aan dan kolen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Hij heeft hiertoe overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir – samengevat – het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van strafbare bevordering van opzettelijke invoer van cocaïne. Volgens vaste rechtspraak kan iemand, ook als de cocaïne al in beslag is genomen, nog steeds strafbare gedragingen genoemd in artikel 10a Opiumwet plegen, als zijn opzet is gericht op het mogelijk maken van bijvoorbeeld de opzettelijke invoer in Nederland. Uit de eigen verklaring van verdachte kan minst genomen voorwaardelijk opzet op het medeplegen van het bevorderen van opzettelijk invoeren van drugs worden afgeleid. Uit telefoon en sms-contact van verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] tijdens zijn detentie via een mini gsm blijkt van een grotere rol van [verdachte] dan hij zelf wil doen geloven. Uit het dossier blijkt dat ten tijde van het openen van de container in Roosendaal sprake was van nauwe en bewuste samenwerking bij de gedragingen die strekten ter bevordering van het misdrijf van artikel 2 sub A Opiumwet. De bijdrage van elk van de deelnemers aan deze bevordering is ook van voldoende gewicht voor de kwalificatie medeplegen. De drie verdachten en een tot dusver onbekende man kwamen gelijktijdig aan bij de container, kort voordat deze in Roosendaal was aangekomen. Zij beschikten ter plaatse over twee lege bestelwagens die geschikt en kennelijk bestemd waren voor het verdere vervoer van de cocaïne. Medeverdachte [medeverdachte 2] hield toezicht, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hielden zich samen bezig met de container, die zij betraden en waarin zij direct op zoek gingen naar de cocaïne.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Voor zover relevant voor de beslissing heeft de raadsman het volgende – samengevat – aangevoerd.

Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de vijf monsters die aan het NFI zijn gezonden en naar later bleek cocaïne bleek te bevatten, ook daadwerkelijk afkomstig zijn uit container [nummer] . De potjes die door de Belgische autoriteiten zijn overhandigd zijn niet genummerd. De nummering is pas in Nederland geschied. Nu de chain of evidence dermate gebrekkig en oncontroleerbaar is kan niet worden bewezen dat cocaïne zou zijn ingevoerd.

Verdachte heeft aangegeven dat hem was gevraagd om voor [naam 1] ‘iets’ uit een container te halen. Gelet op de verklaring van verdachte is niet uitgesloten dat zich in de container mogelijk ‘illegale waar’ bevond, maar dit betekent nog niet dat de aanmerkelijke kans bestond dat de zakken gevuld waren met 1.499 kilo cocaïne en dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het tenlastegelegde. De tegenprestatie van € 5.000,- draagt niet bij aan het aannemen van voorwaardelijk opzet. Dit bedrag staat niet in verhouding tot een dergelijke opdracht. Het gegeven dat verdachte ‘iets’ uit een container moest halen maakt niet dat hij had moeten vermoeden dat het om cocaïne ging nu het een illusie is dat alleen cocaïne heimelijk in ladingen wordt verstopt. De container stond al op een bedrijventerrein in Nederland, waardoor de gedachte niet behoefde op te komen dat die container net van buiten Nederland zou zijn binnengebracht. Daarnaast blijkt uit de opgenomen communicatie dat op geen enkel moment is gesproken over pakketten cocaïne, dan wel kilo’s. Ook zijn geen wapens aangetroffen, terwijl de aanwezigheid hiervan bij een dergelijk omvangrijk drugstransport wel voor de hand had gelegen. Op grond hiervan blijkt dat geen sprake is van voorwaardelijk opzet en dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.4

Oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

4.4.2

Bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op het bevorderen van de verlengde invoer van een grote partij cocaïne.

De rechtbank stelt vast dat verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de door hem te lossen lading illegale goederen bevatte. Verdachte, woonachtig in [woonplaats] , moest enige malen naar een bedrijventerrein in Roosendaal afreizen om daar van [naam 1] , die uit (de omgeving van) [woonplaats] afkomstig is, te vernemen waar de opdracht uit bestond. Hij zou een bedrag van € 5.000,- ontvangen voor een klus van hooguit een uur. Verdachte moest ‘iets’ uit zakken kolen halen. Hij mocht met niemand over de klus praten. Hij moest er ‘een nachtje over slapen’ voordat hij, wederom in Roosendaal, zei of hij de opdracht aannam. Verdachte moest de dag daarna weer naar Roosendaal afreizen om een speciale telefoon en een portofoon in ontvangst te nemen. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn opdrachtgever al jaren kent en dat hij wist dat hij zich bezig hield met duistere zaken. Op de dag van de klus had verdachte zijn personenauto omgewisseld voor een bestelauto omdat de door hem gehuurde personenauto mogelijk niet over voldoende ruimte zou beschikken. Verdachte heeft op het bedrijfsterrein in Roosendaal, met de speciaal daarvoor gekregen telefoon en een portofoon, contact met anderen, die te maken hadden met het transport en daar gewacht op instructies. Verdachte hoorde dat hij onderin de achterste zakken moest zoeken. Op het terrein waren diverse mannen aanwezig en er stonden twee bestelbusjes. Op het moment dat een mogelijke zender werd gevonden raakte verdachte in paniek. Als hij weg wil gaan wordt hij door [naam 1] gesommeerd terug te gaan om het karwei af te maken omdat hij anders ‘grote’ problemen zou krijgen. Toen verdachte voor de tweede keer in de container was maakte hij een foto van medeverdachte [medeverdachte 1] als bewijs dat hij in de container was geweest. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte is de conclusie gerechtvaardigd dat hij wist dat de container contrabande bevatte.

De te lossen container betrof een zeecontainer die op een oplegger met Belgisch kenteken werd vervoerd, hetgeen verdachte bekend was. Het is een feit van algemene bekendheid dat met regelmaat grote hoeveelheden harddrugs in zeecontainers via de haven van Antwerpen en vervolgens over land naar Nederland komen, en dat dat veelal geschiedt door de drugs als nevenlading bij te plaatsen in containers met reguliere goederen. Ook verdachte moet dat hebben geweten. Het terrein waar de container gelost werd bevond zich in Roosendaal, dicht bij de grens met België en de haven van Antwerpen. Door te handelen zoals hij heeft gedaan heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de illegale lading in de container bestond uit een grote hoeveelheid cocaïne, zoals in dit geval ook is gebleken.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bevorderen van de verlengde invoer van ongeveer 1.500 kilo cocaïne.

Medeplegen

Verdachte heeft in het kader van de afwikkeling van het containertransport via de telefoon en de portofoon contact gehad. Verdachte kreeg opdrachten die hij samen met medeverdachten [naam werknemer] en [medeverdachte 1] uitvoerde. Toen de volgapparatuur werd gevonden is verdachte samen met de medeverdachten vertrokken en ook weer terug gekeerd naar de container. Onderweg is tussen de verdachten onderling contact geweest. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Forensisch onderzoek

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat uit het dossier onvoldoende zou blijken dat het door het NFI onderzochte materiaal afkomstig is uit de container.

Uit het “navolgend proces-verbaal” van de Federale gerechtelijke politie Provincie Antwerpen (p. 207 e.v.) blijkt dat door de gerechtelijk commissaris, Officier van Gerechtelijke Politie [naam 2] stalen cocaïne uit de container met nummer [nummer] worden overgedragen aan de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die verbonden zijn aan de Nederlandse Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Recherche. Daarnaast komen de omschrijving van de monsters en de aantallen volledig overeen met de inventaris van de inbeslaggenomen goederen (p. 29). Het is naar het oordeel van de rechtbank buiten twijfel dat deze monsters uiteindelijk via de afdeling Specialistische Ondersteuning, team Forensische Opsporing, door het NFI zijn onderzocht. De rechtbank stelt vast dat het forensisch onderzoek heeft gezien op de uit container [nummer] inbeslaggenomen goederen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II van dit vonnis vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 29 mei 2017 in Roosendaal tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, te weten het opzettelijk vervoeren en/of afleveren van (ongeveer) 1499 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, die in een zeecontainer verborgen was (geweest), voor te bereiden of te bevorderen,

- heeft getracht zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen, en

- voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders:

- zich op 29 mei 2017, met een auto, al dan niet geschikt voor het verdere vervoer van die cocaïne, naar dat bedrijfsterrein aan de [adres 1] in Roosendaal begeven, waar die zeecontainer zou aankomen, ten einde die container op de aanwezigheid van die cocaïne te controleren en die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en

- die zeecontainer na opening te betreden en

- met behulp van een hakbijl en/of een stanleymes big bags in die zeecontainer opengesneden en

- door middel van een portofoon of telefoon contact onderhouden met één of meer personen elders over de aangetroffen situatie.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 2 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de beperkte rol van verdachte bij het tenlastegelegde en zijn persoonlijke omstandigheden. De raadsman heeft onder verwijzing naar uitspraken van andere rechtbanken verzocht te volstaan met een straf gelijk aan de duur van het voorarrest aangevuld met een voorwaardelijke straf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het plegen van bevorderingshandelingen ten behoeve van de verlengde invoer van een grote partij cocaïne in Nederland. Het betrof een partij cocaïne verborgen in zakken steenkool die vanuit Colombia in een container werd verscheept naar de haven van Antwerpen. Verdachte was aanwezig op het terrein toen de container uit België aankwam. Verdachte is samen met anderen in de container op zoek gegaan, precies op de plek waar de cocaïne verborgen had gezeten. Met een mes en een bijl werden zakken open gesneden. Nadat een zender werd ontdekt vertrok verdachte samen met de medeverdachten. Even later kwam verdachte terug naar de container en zocht verder samen met medeverdachte [medeverdachte 1] .

Door aldus te handelen heeft verdachte zich begeven op het terrein van de grootschalige handel in verdovende middelen. Het in georganiseerd verband smokkelen van een grote partij cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en dient krachtig bestreden te worden. Als deze partij niet zou zijn onderschept, zou deze waarschijnlijk in Nederland of elders op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Met de internationale handel in harddrugs wordt veel criminele winst behaald. Verdachte heeft klaarblijkelijk gehandeld uit geldelijk gewin en zich niet bekommerd om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Het op de markt brengen van cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van randcriminaliteit.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte. Hierin worden als criminogene factoren genoemd dat verdachte geen stabiel inkomen heeft en connecties heeft in de drugswereld. Er wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De rechtbank acht verdachte, mede gelet op de indruk die hij maakte op zitting, in staat om in te toekomst zelfstandig te proberen niet in herhaling te vallen. De rechtbank legt om die reden geen meldplicht op maar wel een deels voorwaardelijke straf.

De eis van de officier van justitie verhoudt zich niet met wat in andere zaken op dit moment wordt opgelegd en lijkt kennelijk mede ingegeven te zijn door een zeer recent voornemen van justitie om in de toekomst fors hogere straffen te bepleiten ter zake van feiten als de onderhavige.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. geld € 350

3. stanleymes

4. bijl

6. navigator TomTom uit Opel Vivaro

7. personenauto Opel Vivaro [kenteken]

8. verpakkingsmateriaal portofoon

9. handschoen 2 stuks

Alle voorwerpen, behalve de Opel Vivaro, behoren aan verdachte toe. De Opel Vivaro dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Het geld dient aan verdachte te worden geretourneerd nu een relatie met het tenlastegelegde ontbreekt.

Nu met behulp van de voorwerpen 3, 4, 6, 8 en 9 het onder 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Ter terechtzitting is gebleken dat een portofoon onder verdachte in beslag is genomen doch dat dit voorwerp niet op de beslaglijst van verdachte maar op die van medeverdachte [medeverdachte 1] is geplaatst. De rechtbank zal niet in de uitspraak tegen de medeverdachte, doch in de onderhavige uitspraak hier een beslissing over geven en wel als volgt.

Nu ook met deze portofoon het onder 2 bewezen geachte is begaan wordt ook dit voorwerp verbeurd verklaard.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht en 10a van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. geld € 350

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

7. personenauto Opel Vivaro [kenteken]

Verklaart verbeurd:

3. stanleymes

4. bijl

6. navigator TomTom uit Opel Vivaro

8. verpakkingsmateriaal portofoon

9. handschoen 2 stuks, alsmede

portofoon.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. C. Klomp en. H.E. Spruit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 mei 2018.