Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3166

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
11-05-2018
Zaaknummer
6451863 CV EXPL 17-25522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een man die na het overlijden van zijn moeder in 2017 in haar huurwoning in Amsterdam-Oost bleef wonen, moet daar vertrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6451863 CV EXPL 17-25522

vonnis van: 8 mei 2018

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie, verweerder in reconventie

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: [naam gemachtigde]

t e g e n

de stichting Woningstichting Rochdale

gevestigd te Amsterdam

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie

nader te noemen: Rochdale

gemachtigde: Van der Hoeden/Mulder gerechtsdeurwaarders en juristen

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 1 november 2017;
- conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie, met producties;
- instructievonnis;
- dagbepaling comparitie;

- conclusie van antwoord in reconventie, met producties.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigde. Rochdale is verschenen bij mr. R. Matti en mr. N.E. Noordermeer
(Van der Hoeden/Mulder). Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

Vanaf medio 2002 heeft Rochdale aan mevrouw [naam moeder] , de moeder van [eiser] , verhuurd de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde).

1.2.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is vanaf de aanvang van de huur tot
3 mei 2011 woonachtig geweest in het gehuurde. Hij heeft in die periode ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde. Aansluitend heeft [eiser] de woning verlaten om met de moeder van zijn kind samen te wonen.

1.3.

In de periode van 16 maart 2012 tot 7 januari 2013 heeft [eiser] ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde en nadien met ingang van
26 juni 2013 wederom.

1.4.

De moeder van [eiser] is op 14 mei 2017 overleden.

1.5.

Rochdale heeft het verzoek van [eiser] om de huur van de woning te mogen voortzetten afgewezen.

Vordering en verweer


In conventie:

2. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat [eiser] de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] als huurder voortzet. Verder vordert [eiser] betaling van Rochdale van een bedrag van € 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, te vermeerderen met rente.

3. [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] vordert dat hij de huurovereenkomst van zijn moeder op grond van artikel 7:268 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) voortzet. [eiser] stelt hiertoe dat hij een gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder voerde, die onder andere bestond uit gezamenlijk boodschappen doen, wandelen, eten en tv kijken. De moeder van [eiser] kookte meestal het eten, maar [eiser] hielp haar daarbij wel eens. De moeder van [eiser] bracht veel tijd door met haar thans 9-jarige kleindochter (dochter van [eiser] ), die elk weekend in het gehuurde verbleef en thans nog verblijft. [eiser] betaalde aan zijn moeder maandelijks een contant bedrag van € 200,00 aan huur, aldus [eiser] .

4. Rochdale heeft het volgende verweer gevoerd. Zij betwist dat [eiser] een duurzaam gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met zijn moeder. [eiser] volstaat met een algemene toelichting op feiten en omstandigheden die onder normale omstandigheden tot een duurzaam gemeenschappelijke huishouding kunnen leiden. Deze toelichting is al onvoldoende, maar in het geval van het samenleven tussen ouder en kind dient er sprake te zijn van bijzondere omstandigheden, waardoor een samenleven van kind en ouder kan worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. [eiser] stelt en bewijst niets omtrent dergelijke bijzondere omstandigheden en geeft onvoldoende toelichting. Het voornemen tot het hebben van een duurzame gemeenschappelijke huishouding ontbreekt reeds omdat [eiser] vanwege het stuklopen van zijn relatie met de moeder van zijn dochter, dus noodgedwongen, bij zijn moeder is ingetrokken. Reeds op grond daarvan dient de vordering afgewezen te worden, aldus Rochdale.

In reconventie:

5. In het verlengde van de conclusie tot afwijzing van de vordering in conventie, vordert Rochdale in reconventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst met moeder [eiser] is geëindigd per 31 juli 2017, althans aan het einde van de tweede maand na haar overlijden, althans per een in goede justitie te bepalen datum;
- [eiser] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen; en
- betaling van [eiser] van de proceskosten in reconventie.

6. Rochdale legt aan haar vordering hetzelfde ten grondslag als hetgeen zij in conventie heeft aangevoerd.

7. [eiser] voert ten verwere aan, kort samengevat, hetgeen hij in conventie heeft gesteld.

Beoordeling in conventie en reconventie

8. Ingevolge artikel 7:268 lid 2 juncto lid 3 BW dient het door [eiser] gevorderde te worden afgewezen indien hij niet aannemelijk maakt dat hij in het gehuurde hoofdverblijf heeft en dat hij met zijn moeder aldaar een duurzaam gemeenschappelijke huishouding heeft gehad. Daarnaast dient voldaan te zijn aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 7:268 lid 3 onder b en c.

9. De stelling van [eiser] dat hij hoofdverblijf in het gehuurde heeft is door Rochdale niet bestreden, zodat ervan uitgegaan zal worden dat aan dat vereiste is voldaan.

10. De vraag of sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW, moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Er dient daartoe door [eiser] aannemelijk gemaakt te worden dat zowel sprake is geweest van een duurzame als van een gemeenschappelijke huishouding. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en haar of zijn ouders na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in voormeld artikellid. Op de medebewoner die de huur wilt voortzetten na overlijden van de huurder rust een verzwaarde stelplicht. Indiende verhuurder, zoals hier, betwist dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, dient hij daarover voldoende concrete feiten aan te voeren om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies heeft te richten. Bij de bescherming die artikel 7:268 lid 2 BW biedt is enerzijds het woonbelang van degene die opvolgend huurder wil zijn in het geding en anderzijds het belang van de verhuurder zelf te bepalen aan wie hij de woning verhuurt en bij dat laatste kan tevens het belang van een evenwichtige verdeling van betaalbare woonruimte in het geding zijn.

11. Om te kunnen spreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding dienen betrokkenen de bedoeling te hebben gehad om blijvend en met een verwachting voor de toekomst samen te wonen. Op grond van de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden kan geen duurzame gemeenschappelijke huishouding worden aangenomen. Ter toelichting dient het volgende.

12. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat de beweegredenen om met ingang van
16 maart 2012 weer samen met zijn moeder te gaan wonen, was ingegeven door het stuklopen van zijn relatie met de moeder van zijn dochter. Daarnaast heeft [eiser] ter zitting verklaard dat hij in de eerste helft van 2013 een woning in [plaats] heeft gehuurd. In het licht van deze verklaringen volgt dat [eiser] niet, zoals voor het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding is vereist, de bedoeling heeft gehad om blijvend en met een verwachting voor de toekomst samen met zijn moeder te wonen. Die bedoeling en toekomstige verwachting blijken ook niet uit de door [eiser] overgelegde verklaringen. Uit de verklaringen blijkt slechts dat [eiser] samen met zijn moeder woonachtig was in het gehuurde en dat [eiser] zijn moeder verzorgde gedurende haar ziekteperiode tot het moment dat zij kwam te overlijden. Dit laatste duidt bovendien echter eerder op mantelzorg dan op een gemeenschappelijk huishouden met een wederkerigheid in de relatie.

13. Dat [eiser] en zijn moeder de kosten van het huishouden deelden, samen kookten en samen televisie keken, heeft [eiser] wel gesteld maar op geen enkele wijze onderbouwd. Zo zijn bijvoorbeeld geen bankafschriften overgelegd. [eiser] heeft gesteld dat hij aan zijn moeder maandelijks een contant bedrag van € 200,00 aan huur betaalde, maar dat wordt door Rochdale betwist en is verder niet door [eiser] onderbouwd . Daarnaast heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat alleen het internetabonnement van de woning op zijn naam staat. De huishoudelijke verzekeringen stonden op naam van zijn moeder, alsook de energieovereenkomst en de huistelefoon. Verder is gesteld noch gebleken dat [eiser] en zijn moeder samen aankopen hebben gedaan, gezamenlijk hebben deelgenomen aan het sociaal verkeer of samen vrije tijd hebben besteed.

14. Op grond van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser] en zijn moeder, zodat de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen.

15. Dit betekent dat [eiser] thans zonder recht of titel in de woning verblijft. Gelet hierop wordt de vordering in reconventie tot ontruiming van het gehuurde toegewezen, evenals de gevorderde verklaring voor recht. Rochdale heeft expliciet gevraagd de veroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat zij vreest voor misbruik van recht, nu volgens haar voldoende duidelijk is dat [eiser] geen aanspraak op de woning kan maken, terwijl het een sociale huurwoning betreft waar lange wachtlijsten voor bestaan. Rochdale verwijst daarbij naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 november 1990 (WR 1991/17).

16. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 7:268 lid 2 BW (laatste volzin) de hoofdregel is dat [eiser] bevoegd is de huur voort te zetten zolang niet op de door hem ingestelde vordering onherroepelijk is beslist. Het gerechtshof Amsterdam stelt deze regel ook voorop in de door Rochadale aangehaalde beslissing. Alleen in geval van misbruik van recht of strijd met de goede trouw kan dit anders zijn, zo overweegt het Hof maar daartoe had de betrokken woningbouwvereniging te weinig gesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft ook Rochdale geen, althans onvoldoende, omstandigheden aannemelijk gemaakt die de door haar gestelde misbruik van recht rechtvaardigen, zodat niet van voornoemde wetsbepaling afgeweken zal worden. Op grond van het voorgaande wordt de door Rochdale gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis ter zake van de ontruiming daarom afgewezen.

17. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van deze procedure waarbij wegens de samenhang tussen de conventie en reconventie een kosten veroordeling zal worden uitgesproken.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie:

wijst de vordering af;

In reconventie:

verklaart voor recht dat de tussen Rochdale en [naam moeder] geldende huurovereenkomst per 31 juli 2017 is geëindigd

veroordeelt [eiser] om de onroerende zaak aan het adres [adres]
te ontruimen en ter beschikking van Rochdale te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;


In conventie en reconventie:

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van Rochdale tot op heden begroot op € 300,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 15,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.