Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2985

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
11-05-2018
Zaaknummer
C/13/626259 / HA ZA 17-325
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gestelde fraude, waarbij eiseres op basis van veronderstelde zakelijke transactie gelden heeft overgeboekt naar bankrekening die werd aangehouden bij gedaagde (bank).

Bestelde goederen zijn niet ontvangen, gelden zijn verdwenen.

Schending zorgplicht bank jegens eiseres als derde? Invloed publiekrechtelijke regelgeving? Maatstaf Van den Berg arrest.

Eigen schuld ex art 6:101 BW. Afwijzing schadevergoedingsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/1022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/626259 / HA ZA 17-325

Vonnis van 9 mei 2018

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

CHIRON DISTRIBUTION LTD.,

gevestigd te B'Kara (Malta),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het (voorwaardelijke) incident,

advocaat mr. A.T. Eisenmann te Amstelveen,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het (voorwaardelijke) incident,

advocaat mr. D.M.H. de Leeuw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Chiron en ING worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 maart 2017, met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijk verzoek ex artikel 22 en artikel 85 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en voorwaardelijke conclusie van eis in het incident ex artikel 843a Rv, met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident;

- het vonnis in incident van 19 juli 2017, waarbij de beslissing is aangehouden;

  • -

    het tussenvonnis van 18 oktober 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de spreekaantekeningen die namens Chiron en namens ING zijn uitgesproken ter comparitie van 17 januari 2018;

het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 17 januari 2018 en opgesteld op 24 januari 2018 (abusievelijk is de laatste datum in het proces-verbaal vermeld als de datum van behandeling);

- de opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal zijdens ING, ingezonden op

5 februari 2018.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Chiron houdt zich bezig met het handelen in (doorverkopen van) producten (bijvoorbeeld restanten) van luxueuze merken.

2.2.

Tussen 18 oktober en 16 november 2016 zijn de volgende betalingen verricht ten gunste van een op naam van Clarum Consultancy B.V. (hierna: Clarum ) staande rekening bij ING (hierna: de Bankrekening), onder vermelding van “ Burberry Clarum ” als begunstigde en “ [adres 1] ” te [plaats] als adres:

- op 18 oktober 2016 € 432.042,00 door Al Mukita ZCO (Dubai) (hierna: Al Mukita);

- op 14 november 2016 € 98.778,90 door Facets Inc. h.o.d.n. Signed Pieces (New York) (hierna: Signed Pieces);

- eveneens op 14 november 2016 € 79.266,64 door Chiron;

- op 17 november 2016 € 149.774,85 door Dazzling Couture LLC (Brooklyn, New York) (hierna: Dazzling Couture).

2.3.

Op 18 november 2016 heeft ING een SWIFT bericht ontvangen van haar correspondentbank RBS met het verzoek het door Chiron naar de Bankrekening overgemaakte bedrag van € 79.266,64 terug te storten. ING heeft daarop de Bankrekening geblokkeerd.

2.4.

Bij brief van 18 november 2016 heeft ING aan Clarum meegedeeld een melding te hebben ontvangen dat onder valse voorwendselen betalingen zijn verricht op de Bankrekening, dat bij ING het vermoeden is ontstaan dat de rekeninghouder zich schuldig maakt aan oplichting en dat de Bankrekening hangende het onderzoek daarnaar is geblokkeerd.

2.5.

Bij brief van 25 november 2016 heeft ING Clarum verzocht om nadere gegevens toe te zenden om haar actuele fiscale vestigingsplaats te kunnen vaststellen en daarmee te voldoen aan een sinds 1 januari 2016 op grond van Wet Uitvoering Common Reporting Standard (CRS) geldende internationale verplichting voor financiële instellingen daartoe.

2.6.

In december 2016 heeft Chiron een privédetective ingeschakeld om onderzoek te doen naar oplichting.

2.7.

Bij e-mail van 12 december 2016 heeft de afdeling fraude van ING aan de privédetective onder meer bericht dat de op de Bankrekening betaalde bedragen overgeboekt zijn naar bankrekeningen in Turkije, dat de Bankrekening op 18 november 2016 is geblokkeerd naar aanleiding van een “SWIFT alert” in verband met factuurfraude en dat de Bankrekening inmiddels leeg is. In de e-mail is ook vermeld dat de uiteindelijke belanghebbende van de vennootschap op wiens naam de Bankrekening is geregistreerd, een adres in Duitsland heeft en dat deze vermoedelijk alleen dienst heeft gedaan als “money mule”.

2.8.

Bij brief van 10 februari 2017 heeft de raadsvrouw van Chiron ING aansprakelijk gesteld voor door Chiron geleden schade.

2.9.

In het dossier bevindt zich een “Mandate Agreement” (lastgeving) van 20 februari 2017 waarin staat dat Dazzling Couture, Al Mukita en Signed Pieces aan Chiron een last ex artikel 7:414 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft om in haar eigen naam de vorderingen van de lastgevers in te stellen tegen ING.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

Chiron vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat ING onrechtmatig jegens Chiron en haar zakenrelaties Al Mukita, Signed Pieces en Dazzling Couture heeft gehandeld en schadeplichtig is;

II. ING te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 753.944,37 aan Chiron;

III. ING te veroordelen tot betaling aan Chiron van een bedrag van € 94.541,00 ter zake van door Chiron gemaakte kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid;

IV. ING te veroordelen tot betaling aan Chiron van de wettelijke rente over de eerdergenoemde bedragen;

V. ING te veroordelen tot betaling aan Chiron van een bedrag van € 5.544,72 aan buitengerechtelijke kosten, althans van een door de rechtbank te bepalen andere vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

VI. ING te veroordelen in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.

3.2.

Chiron legt aan haar vorderingen ten grondslag dat ING haar, ook jegens derden zoals Chiron in dit geval, geldende zorgplicht heeft geschonden. Chiron en haar zakenrelaties hebben diverse betalingen verricht voor de levering van (19.000) Burberry shawls. Chiron had daarover afspraken gemaakt, via een Gmailadres, met een zekere [naam 1] die stelde “Global Wholesale Manager” te zijn bij Burberry Ltd. De shawls zijn echter nooit afgeleverd en Chiron en haar zakenrelaties zijn het slachtoffer geworden van oplichting.

De Bankrekening waarop de bedragen zijn overgemaakt stond op naam van Clarum . Deze B.V. zou zijn gevestigd aan de [adres 2] te [plaats] en de persoon erachter is een Thaise man met een adres in Duitsland. Vanwege deze onverklaarbare geografische afstand tussen de locatie van de bankrekening en die van de cliënt had ING moeten weigeren de Bankrekening te openen, althans bij de monitoring van deze cliënt nader onderzoek moeten doen, te meer nu het adres van Clarum slechts een postadres is. Zonder de Bankrekening had de fraude niet kunnen plaatsvinden.

Voorts had ING zelfstandig moeten overgaan tot onderzoek naar de betalingen op de bankrekening. ING had immers kunnen zien dat de opgegeven naam van de begunstigde ( Burberry Clarum ) niet klopte met de naam van de rekeninghouder (naam-nummer controle) en dat het adres dat bij de betalingsopdracht vermeld was een ander was dan het vestigingsadres van de rekeninghouder. Voorts had ING ermee bekend moeten zijn dat de bij de betalingen als begunstigde ingevulde “ Burberry Clarum ” in feite geen bestaande entiteit was omdat Burberry één van de bekendste merken ter wereld is. Bovendien was sprake van betalingsverkeer dat aanzienlijk afweek van de gewoonlijke activiteiten op de Bankrekening: er werden binnen een beperkte termijn zeer grote bedragen naar de Bankrekening gestort die deels afkomstig waren uit het buitenland en die gelden werden vrijwel meteen weggesluisd door enerzijds veelvuldig pinnen van bedragen van € 1.000 en anderzijds overboekingen naar rekeningen in Turkije. Bij ING hadden dus alarmbellen moeten gaan rinkelen en zij had dus zelfstandig tot onderzoek moeten overgaan en Chiron moeten waarschuwen.

Hierbij komt dat de zorgplicht van ING mede wordt ingekleurd door publiekrechtelijke regels, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft), de Wet op het financieel toezicht (hierna Wft) en de daarop gebaseerde regelgeving en beleidsregels. Nu ING zich niet aan de hieruit voortvloeiende verplichtingen tot customer due diligence en het melden van ongebruikelijke transacties heeft gehouden is ook op basis daarvan sprake van onrechtmatig handelen jegens Chiron.

Chiron en haar zakenrelaties zijn de dupe van de nalatigheid van ING; inmiddels is duidelijk dat de aan Clarum betaalde bedragen op 18 november 2016 al waren doorgesluisd naar rekeningen in Turkije en dat de verantwoordelijke personen onvindbaar zijn. ING is voor de door Chiron en haar zakenpartners door de fraude geleden schade aansprakelijk. Zij dient dan ook niet alleen de bedragen die zijn betaald zonder dat daar iets tegenover stond te vergoeden, maar ook de kosten voor de privédetective die gemaakt zijn ter vaststelling van de schade (begroot op € 94.541,00) alsook de wettelijke rente daarover en de buitengerechtelijke kosten. Aldus steeds Chiron.

3.3.

ING voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In het (voorwaardelijke) incident

3.5.

ING vordert, na verduidelijking ter zitting, voor het geval de rechtbank de vorderingen van Chiron niet zou afwijzen, dat de rechtbank in dat geval Chiron beveelt afschrift van althans inzage in de in haar conclusie van eis genoemde bescheiden te verschaffen aan ING, op basis van artikel 22 respectievelijk 843a Rv.

3.6.

Chiron voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

Chiron stelt allereerst dat ING geen bankrekening voor Clarum had mogen openen en steken heeft laten vallen bij de monitoring van deze zakelijke relatie na het aangaan van de Bankrekening.

ING heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Zij heeft bij het aangaan van de Bankrekening een cliëntenonderzoek verricht conform haar verplichting daartoe in de Wwft en de (mede) daaraan ontleende beleidsregels van DNB; de DNB Leidraad. De uitkomst van dit onderzoek was dat Clarum door ING werd gekwalificeerd als een cliënt met een laag risico. Ten tijde van het aangaan van de relatie was er geen indicatie dat Clarum optrad ten behoeve van (criminele) derden. Er deden zich geen risico-indicatoren en ook overigens geen bijzondere omstandigheden voor op basis waarvan ING gehouden zou zijn geweest de rekening te weigeren. De structuur van Clarum was eenvoudig en bestond uit één bestuurder en aandeelhouder. De identiteit van deze persoon werd geverifieerd aan de hand van zijn paspoort en zijn naam kwam niet voor in het Extern Verwijzingsregister (EVR). Clarum is een in Nederland gevestigde vennootschap. Ten tijde van het aangaan van de Bankrekening was Clarum gevestigd in [plaats] . Bovendien was haar bestuurder en aandeelhouder woonachtig in [plaats] . Dat op enig moment een bestuurder van Clarum optrad die woonachtig was in Duitsland, was geen indicator voor verhoogd risico en verscherpte monitoring. Ook deze persoon heeft zich geïdentificeerd bij ING. Duitsland staat niet bekend als een woonland dat een risico indicator is voor witwassen of terrorisme financiering. Daarnaast vindt er veel grensoverschrijdend en woon-werkverkeer tussen Nederland en Duitsland plaats. De omstandigheid dat op enig moment het vestigingsadres van Clarum werd gewijzigd in een postadres in Amsterdam , was evenmin een reden om uitvoeriger te screenen. Dat het hier slechts om een postadres ging, was ING niet bekend en hoefde haar ook niet bekend te zijn. Het adres in kwestie is een verzorgd kantoorpand waar zelfstandigen zich kunnen vestigen en betreft één van de vele aanbieders van kantoorruimte in Amsterdam . Aldus steeds ING.

In het licht van dit uitvoerig gemotiveerde verweer heeft Chiron haar stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat deze faalt.

Dit geldt ook voor haar stelling dat ING “basisgegevens” van Chiron miste bij het openen van de bankrekening. Het enkele feit dat ING in haar brief van 25 november 2016 aan Chiron heeft verzocht om gegevens te verschaffen over haar actuele fiscale vestigingsplaats uit hoofde van de Wet Uitvoering CRS (zie rechtsoverweging [r.o.] 2.5) is daartoe niet voldoende.

4.2.

De rechtbank overweegt dat ook indien het voorgaande anders zou zijn in de zin dat geoordeeld zou moeten worden dat ING haar verplichtingen uit hoofde van de Wwft niet is nagekomen, dit niet kan leiden tot toewijzing van enige vordering van Chiron omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste (artikel 6:163 BW). Ter toelichting geldt het volgende.

Vooropgesteld wordt dat de Wwft ertoe strekt om de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties te integreren en dat met die wetten blijkens hun aanhef uitvoering wordt gegeven aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (91/308/EEG), die er blijkens de preambule toe strekt het witwassen van geld verkregen uit criminele activiteiten te voorkomen. Hieruit volgt dat de verplichting van banken tot het doen van onderzoek naar haar cliënten in het kader van het risico voor witwassen en financiering van terrorisme in het leven is geroepen ter bescherming van dit algemene maatschappelijk belang en niet ter bescherming van een in beginsel onbeperkte groep van derden tegen vermogensschade die op een veelal niet te voorziene wijze kan ontstaan doordat een rekening wordt gebruikt voor frauduleus betalingsverkeer (vergelijk gerechtshof Amsterdam 16 november 2006 (NJF 2007, 140), Hoge Raad ECLI:NL:HR:2012: BW7171 met AG-conclusie ECLI:NL:PHR:2012: BW7171 (“ [naam arrest 1] ”) en gerechtshof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE: 2016:3435).

Zelfs indien ING op grond van voornoemde wet- en de daarop gebaseerde regelgeving het verzoek tot het openen van een rekening door Clarum had moeten weigeren dan wel had moeten aanslaan op de bestuurswissel althans adreswijziging van de rekeninghouder – welk oordeel niet kan worden gebaseerd op hetgeen Chiron daartoe heeft gesteld – is de rechtbank van oordeel dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de gestelde door Chiron geleden schade en de vordering dus niet op grond van een gestelde schending van die regelgeving kan worden toegewezen.

Dit oordeel treft tevens Chiron’s beroep op de verplichtingen van ING als financiële instelling op grond van de Wet Uitvoering CRS, die in Nederland vanaf 1 januari 2016 van kracht is, die ertoe dienen om de Belastingdienst gegevens te verstrekken over rekeningen van personen en organisaties die in het buitenland belastingplichtig zijn, met het oog op voorkoming van belastingontduiking in internationaal verband.

4.3.

Chiron stelt verder dat ING op grond van haar zorgplicht jegens Chiron gehouden was om zelfstandig – dat wil zeggen vóór de melding van de gestelde fraude door RBS op 18 november 2016 – onderzoek te verrichten naar het betalingsverkeer op de rekening van Clarum en om Chiron van haar bevindingen op de hoogte te stellen. Het feit dat het rekeningnummer niet overeenstemde met degene die Chiron als begunstigde had vermeld en het ongebruikelijke betalingsverkeer dat op de rekening van Clarum plaatsvond, had daartoe aanleiding moeten geven, aldus Chiron. ING betwist deze stelling.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht meebrengt tegenover derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die maatschappelijke functie hangt ermee samen dat banken een centrale rol spelen in het betalings- en effectenverkeer en de dienstverlening ter zake, op die gebieden bij uitstek deskundig zijn en ter zake beschikken over informatie die anderen missen. Die functie rechtvaardigt dat de zorgplicht van de bank mede strekt ter bescherming tegen lichtvaardigheid en gebrek aan kunde en niet is beperkt tot zorg jegens personen die als klant in een contractuele relatie tot de bank staan. De maatschappelijke functie van een bank brengt een bijzondere zorgplicht mee tegenover derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van deze zorgplicht hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder ook de van toepassing zijnde publiekrechtelijke regels in de Wft en de daarop gegronde nadere regelgeving. (Vgl. Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2015:3399, “ [naam arrest 2] ”.)

De volgende omstandigheden zijn hier van belang.

4.5.

ING was de bank van rekeninghouder Clarum , zijnde de ontvanger van de betalingen, en niet van Chiron. ING is verplicht gevolg te geven aan een ten gunste van haar rekeninghouder gegeven betaalopdracht. Uitgangspunt is dat banken (automatische) overboekingen niet controleren en dat zij dat ook niet hoeven te doen (vgl. artikel 7:542 BW). Banken hoeven dus geen naam-/nummercontrole uit te voeren. Wanneer een betaalopdracht wordt uitgevoerd op basis van een unieke identificator, zoals in dit geval een bankrekening-nummer, wordt de betaalopdracht geacht correct te zijn uitgevoerd wat betreft de met dat nummer gespecificeerde begunstigde. Anders dan Chiron stelt, valt ING ten aanzien van uitvoeren van de betaalopdracht zonder controle of het rekeningnummer overeenstemde met de opgegeven naam van de begunstigde en de omschrijving (adres) in beginsel dus geen verwijt te maken.

4.6.

Het voorgaande neemt niet weg dat een bank ook jegens een derde gehouden is tot actie als zij weet dat op de rekening van haar cliënt ongebruikelijke transacties worden verricht die mogelijk een gevaar voor die derde meebrengen. Uit voornoemd Hoge Raad-arrest (“ [naam arrest 2] ”) volgt naar het oordeel van de rechtbank dat “behoren te weten” niét (mede) het criterium is, maar dat het moet gaan om daadwerkelijke wetenschap oftewel “subjectief gevaarsbewustzijn”. Daarbij heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van een in zoverre andersluidende maatstaf die zij heeft gehanteerd in haar vonnissen ECLI:NL:RBAMS:2017: 5360 (r.o. 4.2) en ECLI:NL:RBAMS:2017:8021 (r.o.4.3).

4.7.

Chiron stelt dat ING had behoren te weten wat er gebeurde op de Bankrekening en dat als ING het niet wist, zij niet aan haar publiekrechtelijke verplichtingen heeft voldaan aangezien het ongebruikelijke transacties betreffen. ING betwist deze stelling.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het overwogene in r.o. 4.6. volgt dat, als terecht aangevoerd door ING, een beroep op “behoren te weten” Chiron niet kan baten. Het had op de weg van Chiron gelegen om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan de rechtbank zou kunnen oordelen dat ING voor 18 november 2016 wist van de transacties op de rekening en het gevaar dat die transacties voor derden – in dit geval Chiron – zouden opleveren. Chiron heeft daartoe echter niets gesteld. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat ING voor 18 november 2016 jegens Chiron gehouden was tot het ondernemen van actie.

4.8.

Voor zover de rechtbank Chiron zo moet begrijpen dat zij stelt dat het feit dat ING niet van de transacties wist en dit een schending van haar jegens Chiron in acht te nemen zorgplicht zou opleveren omdat dit impliceert dat ING de op haar rustende verplichtingen tot het monitoren van ongebruikelijk betalingsverkeer niet heeft nageleefd, geldt het volgende.

ING heeft aangevoerd dat de op de rekening verrichte transacties niet kwalificeerden als ongebruikelijke transacties en dat deze dus ook niet bij de (wel op haar rustende verplichting tot) monitoring van ongebruikelijk betalingsverkeer uit hoofde van de Wwft naar boven zijn gekomen dan wel hadden moeten komen. De objectieve risico indicatoren en de subjectieve indicator als weergegeven in de bijlage bij artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wwft hebben zich niet voorgedaan. De betalingen en overboekingen waren voor een zakelijke rekening niet ongebruikelijk, temeer nu bij de aanvraag van de Bankrekening was aangegeven dat deze bestemd was voor internationaal betalingsverkeer. Het door Clarum gestelde patroon van contante opnames is feitelijk onjuist. Clarum heeft op verschillende data in oktober 2016 in totaal negen keer een bedrag van € 1.000,00 opgenomen, hetgeen niet ongebruikelijk is in de zin van de Wwft en de DNB Leidraad. Aldus steeds ING.

In het licht van deze gemotiveerde betwisting door ING heeft Chiron onvoldoende onderbouwd dat deze transacties dusdanig ongebruikelijk waren voor Clarum dat ING daarop had moeten aanslaan. Zelfs als dat anders zou zijn, dan kan, als overwogen in r.o. 4.2., Chiron jegens ING geen beroep doen op ING’s gehoudenheid tot nakoming van haar daar genoemde publiekrechtelijke verplichtingen. Het ontbreken van de vereiste relativiteit staat ook in dit verband aan toewijzing van de vordering van Chiron in de weg.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat de stelling dat ING jegens Chiron tot meer gehouden zou zijn geweest dan de verrichte blokkade van de Bankrekening op 18 november 2016 onvoldoende is onderbouwd en dus faalt. De conclusie is dat ING niet aansprakelijk is voor de gestelde door Chiron en de gestelde zakenrelaties geleden vermogensschade.

4.10.

Zelfs als dit anders zou zijn, dan is – als subsidiair aangevoerd door ING – sprake van een in de causaliteitsafweging zodanig zwaar wegende eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW aan de zijde van Chiron en de gestelde zakenrelaties dat de schade als gevolg van een eventuele fout van ING geheel voor hun rekening dient te blijven. De gestelde fraude heeft derhalve eerst en hoofdzakelijk kunnen slagen door lichtvaardig handelen van Chiron en de gestelde zakenrelaties zelf.

Zij zijn het immers die de betalingen hebben geaccordeerd zonder enige controle van de vermeende identiteit van de verkoper, terwijl er meer dan genoeg aanwijzingen waren op grond waarvan daaraan getwijfeld had moeten worden. Zij hebben de betrokken contactpersoon, die gebruik van verschillende e-mailadressen en met name een Gmail-account, niet ontmoet noch geïdentificeerd. Bovendien wisten zij op basis van informatie van Burberry dat deze persoon daar niet bekend was. Daar komt bij dat na de eerste betaling een derde partij hen expliciet erop wees dat deze persoon niet te identificeren was als werkzaam voor Burberry. Desalniettemin zijn de onderhavige betalingen gewoon verricht.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering integraal zal worden afgewezen. Gegeven deze uitkomst behoeven de overige verweren van ING, daaronder begrepen de betwisting van de rechtsgeldigheid van de lastgeving (zie r.o. 2.9), geen beoordeling. ING heeft daar bij deze stand van zaken immers geen belang meer bij.

4.12.

Chiron zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- griffierecht 3.894,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2 punten × tarief € 3.099,00)

Totaal € 10.092,00

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als bij de beslissing vermeld.

De (na)kosten zullen nog worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, als bij de beslissing vermeld. De (na)kostenveroordeling zal op de vordering daartoe van ING uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

In het (voorwaardelijke) incident

4.13.

Nu aan de voorwaarde voor de behandeling van de incidentele vordering (zie r.o. 3.5) niet is voldaan, behoeft deze vordering geen inhoudelijke beoordeling.

5 De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Chiron in de kosten van het geding, aan de zijde van ING tot heden begroot op € 10.092,00, te vermeerderen met nasalaris advocaat begroot op een bedrag van

€ 157,00, te verhogen met een bedrag van € 82,00 onder de voorwaarde dat Chiron niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, voornoemde bedragen van € 10.092,00 en

€ 131,00 te vermeerderen met de gewone wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag der voldoening, voornoemd bedrag van € 82,00 te vermeerderen met de gewone wettelijke rente vanaf de dag van betekening van het vonnis tot de dag der voldoening,

5.3.

verklaart de (na)kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.