Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2838

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
13/650279-17 en 13/097582-14 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

8 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging voor een steekpartij met dodelijke afloop en waarbij een ander slachtoffer gewond is geraakt. Opzet aanwezig. Doodslag en poging doodslag. Een beroep op noodweer en noodweerexces wordt door de rechtbank verworpen. Niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een noodweersituatie. Vorderingen van de benadeelde partijen mbt materiele schade deels toegewezen. Geen vergoeding voor shockschade. Geen wettelijke mogelijkheid om tot vergoeding van affectieschade over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650279-17 en 13/097582-14 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 25 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1994,

zonder vaste woon- en verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het Huis van Bewaring [locatie te plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. Lonterman naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelden partijen, en van wat hun raadslieden mr. B. Hartman en mr. R. Ketwaru naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, door met dat opzet (na kalm beraad en rustig overleg) voornoemde [persoon 1] eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, (in de buik) te steken;

2.

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [persoon 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [persoon 2] eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, (in de lever/het lichaam) heeft gestoken;

subsidiair:

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [persoon 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (bestaande uit vijf, in elk geval een of meer steekwond(en) in het lichaam/de lever) heeft toegebracht, door voornoemde [persoon 2] met dat opzet eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, kort gezegd, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Naar zijn mening heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [persoon 1] en de poging doodslag op [persoon 2] . De officier van justitie heeft, aan de hand van zijn op schrift gestelde requisitoir, de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitaantekeningen vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde wegens, kort gezegd, het ontbreken van (voorwaardelijke) opzet op zowel de poging doodslag als op de doodslag. Daartoe heeft hij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat het niet de opzet van verdachte is geweest om het slachtoffer te doden. Verdachte heeft een afweerbeweging gemaakt, een soort reflex en heeft daarbij het slachtoffer geraakt. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde stelt de raadsman zich op het standpunt dat uit de letselverklaring niet blijkt dat het slachtoffer potentieel dodelijk letsel heeft opgelopen. Nu het steekwapen niet is aangetroffen en er weinig bekend is over de wijze waarop de steekverwondingen zijn toegebracht kan niet van voorwaardelijke opzet worden gesproken. Omdat op grond van de letselverklaring evenmin kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel en een poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet ten laste is gelegd, dient ook voor het onder 2 subsidiair ten laste gelegde vrijspraak te volgen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten

In de vroege ochtend van 10 juni 2017 waren onder andere verdachte, [persoon 1] en [persoon 2] met hun vriendinnen aanwezig op een huisfeest in de woning aan de [adres] in Amsterdam . Op enig moment, na een ruzie om een zoekgeraakte autosleutel van de Range Rover waarin [persoon 2] reed, is de sfeer omgeslagen en liepen de spanningen hoog op. Verdachte heeft op enig moment die ochtend een mes, die in de woning lag, in zijn broekzak gestoken. In de babykamer heeft verdachte [persoon 2] meerdere malen gestoken met een mes. [persoon 1] heeft met [persoon 3] de deur van de babykamer geforceerd en is naar binnen gegaan. Vervolgens is ook [persoon 1] , met een mes gestoken, aan welke gevolgen hij is overleden. [persoon 1] is geraakt in zijn buik waarbij zijn darm is geperforeerd en zijn aorta is geraakt, waardoor hij dood is gebloed. [persoon 2] heeft verschillende steekwonden opgelopen in zijn bovenlichaam (buik- en borststreek) en schouder/bovenarm. Verdachte bekent dat hij [persoon 1] en [persoon 2] heeft gestoken. Verdachte verklaart te hebben gehandeld uit noodweer (zie hierna onder punt 6).

4.3.2

Vrijspraak moord, poging tot moord

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, de voorbedachte rade bij zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van moord op [persoon 1] en de poging tot moord op [persoon 2] .

4.3.3

Ten aanzien van feit 1, bewezenverklaring doodslag [persoon 1]

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kan worden dat verdachte [persoon 1] op 10 juni 2017 met een mes in zijn buik heeft gestoken.

Opzet

De vraag die de rechtbank heeft te beoordelen is of verdachte opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke vorm) [persoon 1] van het leven heeft beroofd.

Verdachte heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het opzet om [persoon 1] te doden ontbrak en dat hij om die reden dient te worden vrijgesproken van deze beschuldiging, doodslag.

Het bestanddeel ‘opzettelijk” omvat alle gradaties van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet. Bij voorwaardelijk opzet is sprake van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans. De vraag is wanneer sprake is van een aanmerkelijke kans. Volgens de Hoge Raad is dit afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Naast het betrekken bij het oordeel van de aard van het geval en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, moet het gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

De gedragingen van verdachte zijn naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dodelijk letsel aan het slachtoffer zou worden toegebracht. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de verklaring van verdachte heeft hij vlak voor het incident een mes in zijn broekzak gestoken. Dit deed verdachte vanwege de ruzieachtige sfeer die was ontstaan. Vervolgens heeft hij eerst [persoon 2] meerdere malen in zijn lichaam gestoken en daarna toen [persoon 1] tussenbeide kwam heeft hij [persoon 1] in zijn buik met dit mes gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met een mes steken in vitale lichaamsdelen, zoals hier de buikstreek, een aanmerkelijk risico op dodelijk letsel met zich brengt. Dit blijkt in dit geval ook nu [persoon 1] is overleden na en door een messteek in zijn buik. De gedragingen van verdachte zijn naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer geschikt tot het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte zich hiervan bewust is geweest en daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn handelen de dood tot gevolg zou hebben.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman. De rechtbank acht doodslag bewezen en overweegt dat sprake is van (ten minste voorwaardelijk) opzet op het van het leven beroven van [persoon 1] .

4.3.4

Ten aanzien van feit 2, bewezenverklaring poging doodslag [persoon 2]

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kan worden dat verdachte [persoon 2] meermalen met een mes in zijn lichaam heeft gestoken.

Ook hier speelt de vraag of sprake is van opzet. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Verdachte heeft [persoon 2] meermalen met een mes in vitale lichaamsdelen gestoken. Volgens de letselverklaring van 11 juni 2017 opgesteld door arts-assistent J. van Hilst, blijkt dat [persoon 2] verschillende steekwonden heeft opgelopen in de thorax, de abdomen en zijn rechterarm. [persoon 2] liep het aanmerkelijk risico op dodelijk letsel. Verdachte zegt te hebben gestoken teneinde zichzelf te verdedigen. Het steken is dus bewust en doelgericht gedaan. De rechtbank leidt uit de gedragingen van verdachte af dat verdachte op dat moment ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [persoon 2] zou kunnen komen te overlijden. Dat de gedragingen van verdachte daadwerkelijk tot de dood hadden kunnen leiden is hiervoor gebleken. Aldus kan ten minste voorwaardelijk opzet op de dood worden aangenomen. Dat het mes niet is aangetroffen en er weinig bekend is over de wijze waarop de steekwonden zijn toegebracht, zoals de raadsman heeft bepleit, maakt dit niet anders. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van [persoon 2] .

4.4.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1:

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017121058-36 van 10 juni 2017, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pagina’s B 7-11).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 10 juni 2017 te 7:10 uur hoorden wij dat er een steekpartij had plaatsgevonden op het adres [adres] te Amsterdam . Om 7:17 uur kwamen wij ter plaatse.

(…)

Ik, verbalisant [opsporingsambtenaar 1] , hoorde een vrouw, zij gaf op genaamd te zijn [persoon 4] , zeggen: “Ik weet niet waar mijn vriend [persoon 1] is. Hij is een lieve jongen en hij probeerde de ruzie juist te sussen.”

Ik hoorde, verbalisant [opsporingsambtenaar 2] , tegen [persoon 4] zeggen dat er een slachtoffer in het trappenhuis is gevonden en dat hij is overleden. [persoon 4] gaf het signalement op van haar vriend [persoon 1] .

Ik hoorde [persoon 4] zeggen dat het dan niet anders kan dat het [persoon 1] is.

Een geschrift, zijnde het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, met zaaksnummer 2017.06.12.016 van 29 december 2017, opgesteld door arts en patholoog M. Buiskool, als deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s B 624-652).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Overledene [persoon 1] , [geboortedag 2] 1993.

De bovengenoemde persoon is overleden te Amsterdam, [adres] op 10 juni omstreeks 7.55 uur.

Bij sectie op het lichaam van [persoon 1] 23 jaren oud geworden, wordt het intreden van de dood verklaard door verbloeding als gevolg van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld (1 steekwond aan de buik).

Ten aanzien van feit 2:

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017121058-11 van

10 juni 2017, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] (doorgenummerde pagina’s B 1-2).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 10 juni 2017 omstreeks 7:10 uur kwamen ter plaatse op de [adres] . Wij zagen een man op de grond liggen. Wij zagen dat de man helemaal onder het bloed zat. De man verklaarde “ [persoon 2] ” te heten. Ik hoorde mevrouw [persoon 5] mij vertellen dat zij de vriendin van meneer [persoon 2] was, het slachtoffer dat gewond op straat lag na aanleiding van een steekpartij. Zij verklaarde het volgende: “ [verdachte] is met [persoon 2] vervolgens in de slaapkamer gegaan. Ik hoorde geschreeuw komen uit de slaapkamer. Toen ik de deur van de slaapkamer opende, zag ik dat [verdachte] met een mes aan het steken was in [persoon 2] .”

Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] met nummer PL1300-2017121058-1 van 13 juni 2017, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 5] en [opsporingsambtenaar 6] met bijlagen (doorgenummerde pagina’s B 109-120).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever, zakelijk weergegeven:

Wij waren in de nacht van 10 juni 2017 op een feest van een collega van [persoon 4] . Het was in [buurt] . (…)

NN2 deed de deur van de slaapkamer open ik liep achter hem aan. Toen we binnen waren sloot NN2 de deur.

Voordat we het gesprek begonnen veranderde hij in een soort monster. Hij begon mij meteen te vuisten. Ik dacht in ieder geval dat het slagen waren maar het bleek dat hij mij steeds aan het steken was. ik zag dat hij in een soort kickboxstand stond en met zijn lichaam naar mij toe kwam.

Ik had toen nog niet door dat ik gestoken werd. Pas toen ik het bloed zag wist ik het.

Nadat hij zo’n vijf keer op mij was ingeklapt voelde ik opeens een warmte op mijn borstkas en op de plekken waar hij mij sloeg.

Toen ik in het AMC ziekenhuis kwam hebben de doktoren mij geholpen. Ze zeiden dat ik door de steekwonden letsel had aan mijn lever en dat mijn logen bijna geraakt waren.

Een geschrift, zijnde een medische verklaring van 11 juni 2017, opgesteld door arts-assistent Chirurgie J. van Hilst, (doorgenummerde pagina’s B 119-120).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

4x steekverwonding abdomen, thorax en rechter schouder met op CT-abdomen een leverlaceratie segment 3/4a zonder blush.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2017121058 van 11 juni 2017, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 7] en [opsporingsambtenaar 8] (doorgenummerde pagina’s PD 12-18).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Vervolgens trok [persoon 2] mij de kamer van het kindje in en deed de deur achter mij dicht. Ik raakte in paniek en pakte mijn mes uit mijn zak en toen gebeurde het eigenlijk.

Toen vloog de deur open en toen kwam zijn kompaan. Ik moest mezelf ook tegen hem verdedigen. Hij zag dat ik een mes had.

Toen hoorde ik dat ze klopten en zeiden “Politie open doen”. Ik wist niet was ik moest doen en toen ging ik naar de tuin. Ik had toch iemand met een mes verwond.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 april 2018, inhoudende de eigen verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik had wel door dat ik [persoon 2] had gestoken. Ik weet niet precies hoe vaak ik hem heb gestoken, een aantal keer. Ik wist dat hij gewond was. Ik was gestopt met steken toen de deur open ging. In mijn beleving kwam [persoon 1] vervolgens op mij af en heb ik een afweerbeweging gemaakt en heb ik hem daardoor geraakt. Het was een reflex.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 10 juni 2017 te Amsterdam, [persoon 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet voornoemde [persoon 1] met een mes, in de buik te steken;

2.

op 10 juni 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 2] van het leven te beroven, met dat opzet, voornoemde [persoon 2] meermalen met een mes, in het lichaam heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten en van verdachte

6.1.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman, overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, aangevoerd dat verdachte ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde poging doodslag heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte bevond zich in de babykamer in een acute noodsituatie. Slachtoffer [persoon 2] heeft zich die avond in woord en gebaar agressief jegens verdachte geuit. Het slachtoffer heeft er voor gezorgd dat hij samen met verdachte in de babykamer terecht kwam. In de kamer heeft het slachtoffer verdachte met één arm naar de keel gegrepen, waarbij hij de andere arm steeds op zijn rug hield. Gelet op de omstandigheden van het geval was er op dat moment sprake van een wederrechtelijke aanranding of op zijn minst een dreigende aanranding, waartegen verdachte zich heeft mogen verweren.

Subsidiair doet de raadsman een beroep op noodweerexces. De raadsman voert daartoe het volgende aan. De aanval dan wel dreigende aanval van [persoon 2] heeft bij verdachte een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt. Verdachte is daarbij naar eigen zeggen in een soort overlevingsinstinct gekomen. Het noodweerexces wordt ook [persoon 1] noodlottig. De verdediging stelt zich ook ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde doodslag op het standpunt dat sprake is van noodweerexces.

De raadsman heeft geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging.

6.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, toekomt en daartoe het volgende aangevoerd. Het is niet aannemelijk geworden dat sprake was van noodweersituatie. De getuigen verklaren over bepaalde stoere taal van [persoon 2] en dat verdachte boos werd. Nergens uit het dossier volgt dat er een situatie is ontstaan waarin verdachte daadwerkelijk doodsbang was geworden voor [persoon 2] . Van een noodweersituatie ten aanzien van [persoon 2] is geen sprake geweest. Ten aanzien van [persoon 1] bestond er evenmin een noodsituatie. [persoon 2] was op het moment dat [persoon 1] binnenkwam “uitgeschakeld” en er was geen sprake van een situatie waarin de vrees voor verdachte bestond dat hij zou worden aangevallen. Indien wel sprake is van een noodweersituatie, is het gebruikte verdedigingsmiddel en het gebruikte geweld niet proportioneel ten aanzien van zowel [persoon 2] als [persoon 1] . Onder beide situaties zou er een volstrekte wanverhouding bestaan tussen de mogelijke aanranding en het middel van verdedigen. Het beroep van de raadsman op noodweer(exces) kan niet slagen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Voor een succesvol beroep op noodweer is ten eerste vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijfs, eerbaarheid of goed. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of sprake was van een dergelijke noodsituatie. De rechtbank zal eerst bespreken of er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [persoon 2] .

Op 10 juni 2017 zijn tijdens een feestje in de woning van [persoon 6] te Amsterdam aanwezig de genoemde [persoon 6] , haar vriend [persoon 3] , [persoon 7] , [persoon 2] en zijn vriendin [persoon 5] , [persoon 1] en zijn vriendin [persoon 4] , en verdachte met zijn vriendin [persoon 8] . Op enig moment is er een gespannen sfeer ontstaan tussen [persoon 2] en verdachte over een verloren autosleutel van [persoon 2] . [persoon 2] gebruikt hierbij stoere taal. Noemt de “mocromaffia”, praat over liquidaties en een AK. Op een gegeven moment lijkt een oplossing te zijn gevonden voor die autosleutel. Er is een afspraak over de vergoeding van de schade. De ruzie blijkt niet voorbij. Over en weer wordt er verbaal geruzied tussen voornamelijk verdachte, [persoon 2] en [persoon 8] zowel in de woning als in de achtertuin van de woning. Op een gegeven moment verklaren de aanwezigen dat de rust is teruggekeerd. Verdachte en [persoon 2] willen de ruzie nog verder uitpraten en gaan de babykamer in om dit te doen. Dit gebeurt op vrijwillige basis. Kort daarop horen de overige aanwezige geluid en gestommel vanuit de babykamer. [persoon 1] en [persoon 3] forceren de deur. Bij het openen van de deur en het binnentreden van de kamer treffen zij verdachte tegenover [persoon 2] , waarbij [persoon 2] in de kamer achter de deur aanleunt tegen de muur en de kast. [persoon 1] springt de kamer in en komt tussen verdachte en [persoon 2] in en wordt door verdachte neergestoken.

Wat er in de babykamer is gebeurd, kan de rechtbank niet vaststellen. Immers, de verklaringen van verdachte en [persoon 2] staan lijnrecht tegenover elkaar. Verdachte verklaart dat [persoon 2] hem direct heeft aangevallen, hem bij de keel heeft gegrepen en zijn arm langs zijn rug had hangen waardoor hij vermoedde dat [persoon 2] naar een wapen greep. [persoon 2] verklaart daarentegen dat verdachte, nadat ze de kamer in waren gegaan hem direct begon te slaan; die vuistlagen bleken echter steken te zijn. De overige aanwezigen hebben niet kunnen waarnemen wat zich in die kamer heeft voorgevallen, nu zij zich niet in die kamer bevonden op dat moment.

Op grond van de beschikbare verklaringen kan de rechtbank echter wel vaststellen dat verdachte en [persoon 2] vrijwillig de babykamer in zijn gegaan. Een situatie zoals door verdachte is beschreven, dat hij door [persoon 2] de kamer in werd getrokken, is door niemand anders waargenomen. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaringen van de aanwezige getuigen.

Zo heeft [persoon 4] verklaard: “Daarna wilde [verdachte] praten met [persoon 2] . Dat gebeurde in dat kinderkamertje.”1 [persoon 3] heeft verklaard: “ [verdachte] en [persoon 2] hebben kort met elkaar gesproken en zijn vervolgens beide, volledig vrijwillig, de kinderkamer binnen gegaan. Niemand werd getrokken of geduwd.”2

Verder heeft verdachte ter zitting verklaard op een eerder moment een mes uit de keuken te hebben gepakt. Daarnaast staat vast dat er bij [persoon 2] geen wapens zijn aangetroffen, ook niet in zijn auto. Verdachte is een flink stuk groter en zwaarder dan [persoon 2] .3 [persoon 2] is blijkens de getuigenverklaringen achter de deur met zijn rug tegen de muur respectievelijk de kast aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [persoon 2] waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Een geslaagd beroep op noodweerexces kan evenmin slagen, nu er de noodzaak voor verdachte om zich te verdedigen ontbrak.

De rechtbank stelt verder vast dat ook ten aanzien van [persoon 1] geen sprake was een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft verklaard dat hij uit reflex en niet ter zelfverdediging heeft gehandeld en dat er geen dreiging uitging van [persoon 1] . Hij was niet bang voor [persoon 1] . Ook in dit geval kan geen geslaagd beroep worden gedaan op noodweer. Nu een reden voor verdediging ontbreekt verwerpt de rechtbank het beroep op noodweerexces ten aanzien van [persoon 1] eveneens.

Nu het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk is geworden en evenmin een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zijn de feiten en verdachte strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging op te leggen.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank toekomt aan de oplegging van straf, geen TBS-maatregel op te leggen. TBS met dwangverpleging is absoluut niet aan de orde. De hoogte van de voorgestelde gevangenisstraf moet flink worden gematigd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 10 juni 2017 is door toedoen van verdachte een stapavond uitgelopen op een verschrikkelijk drama. Verdachte heeft meerdere malen met een mes op het lichaam van [persoon 2] ingestoken. Verdachte heeft vervolgens [persoon 1] , die tussen verdachte en zijn vriend [persoon 2] in kwam, doodgestoken. Hiermee is hem het meest basale recht, het recht op leven, ontnomen. Hij is bovendien uit de levens van zijn ouders, broertje en vriendin alsmede overige familieleden en vrienden gerukt. [persoon 1] is slechts 23 jaar oud geworden. De gevolgen van het handelen van verdachte zijn onomkeerbaar en grijpen diep in in het leven van de nabestaanden, zoals treffend is verwoord in hun slachtofferverklaringen. Hun leven is en zal niet meer hetzelfde zijn na het verlies van hun zoon, broer en vriend.

Daarnaast, een doodslag en een poging doodslag als de onderhavige, die tot de zwaarste categorie misdrijven behoren die de Nederlandse strafwetgeving kent, maken niet alleen een grote inbreuk op de rechtsorde in het algemeen maar dragen ook bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

Straf

De rechtbank acht een forse gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats.

Uit het 10 pagina’s tellend strafblad van verdachte van 3 april 2018 blijkt dat verdachte vaker dan eens met justitie in aanraking is gekomen. Verdachte is eerder voor, onder andere, geweldsdelicten veroordeeld. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank ziet wat het opleggen van een gevangenisstraf betreft geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende en rekening houdende met de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Maatregel

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of naast de op te leggen gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS) dient te worden opgelegd.

Om te komen tot oplegging van een TBS-maatregel, moet aan een aantal vereisten zijn voldaan. Deze vereisten zijn:

  • -

    een misdrijf waarop minimaal 4 jaar gevangenisstraf staat, of dat is genoemd in 37a lid 1 onder 1 Sr;

  • -

    een verdachte bij wie ten tijde van het delict een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De wet (evenals de HR) vereist dus geen causaliteit tussen stoornis en delict, enkel gelijktijdigheid.

  • -

    het zogenaamde gevaarscriterium: de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel;

  • -

    advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines (multidisciplinaire gedragsrapportage), waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht, tenzij verdachte medewerking weigert te verlenen aan het onderzoek (artikel 37a lid 3 juncto artikel 37 lid 2 Sr).

Ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens

De maatregel van TBS met dwangverpleging kan alleen worden opgelegd als is vastgesteld dat bij een verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Niet is vereist dat het bewezen verklaarde het gevolg is van de geestesgesteldheid van de verdachte. In beginsel stelt de rechter het bestaan van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vast op basis van adviezen van twee gedragsdeskundigen.

Verdachte heeft echter, nadat hij in 2015 aan een dergelijke onderzoek heeft meegewerkt, geweigerd (opnieuw) aan dergelijke onderzoeken zijn medewerking te verlenen. Op grond van artikel 37a, derde lid, in samenhang met artikel 37, derde lid, Sr kan TBS met dwangverpleging ook worden opgelegd indien betrokkene weigert medewerking te verlenen aan onderzoek. Hieruit volgt dat de wetgever kennelijk bedoeld heeft dat een rechter ook zonder deskundigenadvies een geestelijke stoornis kan vaststellen. Nog steeds blijft vereist, dat door de rechter wordt vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Op grond van oudere rapporten van gedragskundigen waarin een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is vastgesteld, kan dan een TBS-maatregel worden opgelegd.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder meer acht geslagen op de volgende stukken:

  • -

    Pro Justitia rapport Psychologisch onderzoek van 18 augustus 2015 van GZ-psycholoog drs T. Smits;

  • -

    Pro Justitia rapport Psychiatrisch onderzoek van 3 oktober 2015 van psychiater J. Neeleman;

  • -

    Pro Justitia rapport Psychiatrisch onderzoek van 19 juni 2017 van psychiater J. van der Meer;

  • -

    Pro Justitia rapport Psychologisch onderzoek van 30 juli 2017 van GZ-psycholoog drs T. Smits;

  • -

    Reclasseringsadvies van 15 augustus 2017 van K. Holterman.

In het rapport van 3 oktober 2015 concludeert J. Neeleman, psychiater, samengevat, dat er bij verdachte sprake is van cannabisafhankelijkheid en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en theatrale trekken op basis van een hechtingstoornis in zijn jeugd die zich toen uitte in oppositionele opstandigheid. De precaire psychosociale omstandigheden (moeilijke jeugd, onveilige thuissituatie, gebrek aan scholing en gebrek aan hechting) die terug te voeren zijn op (jeugd)psychiatrische problemen zijn, zelfs als ze (nog) niet gepaard gaan met een actuele stoornis, volgens de psychiater, niettemin psychiatrisch zeer relevant, namelijk directe voorspellers of zelf vroege verschijnselen van vaak nog niet als zodanig te herkennen psychiatrische en/of andere gezondheidsproblematiek. De psychiater adviseert een behandeling te overwegen bij een psycholoog in verband met verdachtes impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en irrealistisch zelfbeeld.

Uit het rapport van GZ-psycholoog T. Smits van 18 augustus 2015 komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD en cannabisafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk een scheefgroei in de persoonlijkheid in de vorm van narcistische en antisociale trekken. Vanuit de persoonlijkheidspathologie spelen de lacunaire empathische en gewetensfuncties, de neiging tot acting-out gedrag in combinatie met een snel gekrenkt zelfgevoel, de behoefte aan status en het streven naar directe behoeftebevrediging een belangrijke rol in het vergroten van de kans op recidive in algemene zin. Het onvermogen om het sociaal maatschappelijk functioneren adequaat vorm te geven, vergroot eveneens de kans om criminaliteit in geld en status te laten voorzien, aldus de psycholoog. Ook de psycholoog adviseert begeleiding door de reclassering en behandeling bij een forensische polikliniek.

GZ-psycholoog T. Smits stelt in haar rapport van 30 juli 2017 dat gezien de structurele aard van de problematiek (persoonlijkheidsproblematiek en ADHD) die in 2015 geconstateerd werd en er geen begeleiding en behandeling is ingezet, dat het voorstelbaar is dat de pathologie nog altijd aanwezig is.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich vanaf jeugdige leeftijd schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank constateert daarbij dat met de onderhavige feiten de door verdachte gepleegde strafbare feiten in ernst lijken toe te nemen. Uit verdachtes handelen ten aanzien van de slachtoffers blijkt een mate van ongeremdheid. De rechtbank sluit geenszins uit dat verdachte in de toekomst andermaal naar geweld zal grijpen en zodoende nieuwe slachtoffers zal maken. Dit terwijl de motivatie tot gedragsverandering volledig lijkt te ontbreken bij verdachte.

Met inachtneming van de beschouwingen van de voornoemde gedragsdeskundigen, welke de rechtbank overneemt, stelt de rechtbank vast dat er geen begeleiding of behandeling heeft plaatsgevonden voor de stoornissen die in 2015 bij verdachte zijn geconstateerd. Gelet op de structurele aard van de problematiek komt de rechtbank, alles afwegende, tot het oordeel dat in voldoende mate aannemelijk is dat bij verdachte ook ten tijde van het ten laste gelegde sprake was de eerder vastgestelde stoornissen. Het is verder juridisch niet relevant in welke mate verdachte door voornoemde stoornissen is beïnvloed, nu volgens vaste jurisprudentie slechts is vereist de gelijktijdigheid van het bestaan van de stoornis en het begaan van de feiten. Er zijn evenwel geen aanwijzingen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. De rechtbank acht de stoornissen zodanig, dat zij het onverantwoord vindt om verdachte zonder adequate behandeling terug te laten keren in de maatschappij. Verdachte heeft door zijn weigering medewerking te verlenen aan met het oog op rapportage door gedragsdeskundigen te verrichten onderzoek, iedere opening naar een onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van het recidivegevaar onmogelijk gemaakt.

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een TBS-maatregel met dwangverpleging aangewezen is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daarvoor zijn doorslaggevend de feiten waarvoor verdachte in deze zaak wordt veroordeeld en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals hiervoor weergegeven. De beide bewezengeachte feiten betreffen elk een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat de bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om conform het bepaalde in artikel 37b Sr een advies uit te brengen omtrent het tijdstip waarop de TBS-maatregel met dwangverpleging dient aan te vangen. Dit betekent dat de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling zal ingaan op het moment dat de gevangenisstraf is ondergaan.

8 Beslag

Onder verdachte zijn, blijkens de beslaglijst van 15 maart 2018, de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Zaktelefoon, APPLE IPHONE 7 (5400407)

2 1.00 STK Zaktelefoon, APPLE IPHONE 5 wit (5400413)

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoons retour kunnen naar de rechthebbende.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal bepalen dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven telefoons worden geretourneerd aan de rechthebbende.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[persoon 9] , [persoon 10] , [persoon 11] , [persoon 4] en [persoon 2] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen ieder afzonderlijk materiële en immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hoezeer ook de rechtbank begrip heeft voor het enorme verdriet dat de nabestaanden hebben, dienen hun vorderingen in de juiste wettelijke context te worden beoordeeld.

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot algehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, behoudens de door [persoon 2] gevorderde shockschade.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat artikel 361 lid 2 onder a Sv aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Subsidiair dient de vordering voor zover deze ziet op affectieschade, niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu bij de huidige stand van recht affectieschade in het strafproces niet voor vergoeding in aanmerking komt. De vordering van [persoon 4] dient in zijn geheel te worden afgewezen omdat zij niet als benadeelde partij kan worden aangemerkt, nu zij geen familielid en nabestaande van [persoon 1] is.

9.3.

[persoon 9]

De benadeelde partij [persoon 9] , vader van het overleden slachtoffer, vordert met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde een totaal bedrag van € 10.664,66 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit € 272,- kosten rouwkaart, € 494,65 factuur rouwadvertentie, € 45,95 kosten verzenden rouwpost, € 9.792,- kosten grafsteen en € 60,06 kilometervergoeding en een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert de benadeelde partij een bedrag van € 1.000,- aan mogelijk toekomstige kosten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Immers de heer [persoon 9] is nabestaande van het [persoon 1] , zijn zoon. Op grond van artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen nabestaanden in aanmerking komen voor schadevergoeding. In dit artikel wordt een limitatieve opsomming gegeven van personen die een vordering kunnen instellen en van hetgeen kan worden gevorderd. Kort gezegd kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen deze kosten vorderen. De gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de kosten rouwkaart, de factuur rouwadvertentie, de kosten verzenden rouwpost en de kilometervergoeding is niet betwist en komt de rechtbank, niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom tot een bedrag van € 872,66 worden toegewezen. De rechtbank overweegt ten aanzien van het (toekomstige) bedrag aan kosten voor de grafsteen dat het aannemelijk is dat deze kosten gemaakt moeten worden. De rechtbank acht een bedrag van € 2.500,- daarvoor redelijk.

Ten aanzien van de kostenpost ‘mogelijk toekomstige kosten’ zal de benadeelde partij niet- ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 3.372,66 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van de voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Immateriële schade (Affectieschade)

Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt door het overlijden of ernstig letsel van iemand tot wie men in een nauwe en affectieve relatie stond. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft, zoals volgt uit de laatste zinsnede van artikel 6:95 BW.

Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak sprake is van een zeer tragische gebeurtenis die bij de nabestaanden veel verdriet heeft veroorzaakt. Toewijzing van hun vordering tot vergoeding van affectieschade kan een zekere erkenning van het door hen ondervonden leed betekenen. Dit kan op zichzelf echter geen grond zijn tot toewijzing van de vordering. Zoals reeds hiervoor overwogen, mag een rechter slechts schade toewijzen binnen het stelsel van de wet. Het huidige wettelijke stelsel, in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 van het BW, voorziet niet in de mogelijkheid om affectieschade te vergoeden. Mogelijk is dat in de toekomst anders, aangezien wetsvoorstel nr. 34.257, dat onder meer ziet op vergoeding van dergelijke schade, onlangs in de Eerste Kamer is aanvaard. Zoals de Hoge Raad echter herhaaldelijk heeft geoordeeld (o.a. in het Taxibusarrest van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356), heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventuele door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding van schade toe te kennen. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal de rechtbank de raadsman niet volgen in zijn voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

Gelet op het bovenstaande zal de vordering tot vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde voor een bedrag van in totaal € 3.372,66 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening) de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

9.4.

[persoon 10]

De benadeelde partij [persoon 10] vordert met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde een totaal bedrag van € 10.717,26 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit € 9.716,21,- kosten begrafenis, € 171,- aanschaf rouwboeket, € 357,50 kosten condoleance, € 318,55 kosten mortuarium, € 57,- kosten grafrecht, € 97,- en kosten onderhoud begraafplaats en een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert de benadeelde partij een bedrag van € 1.000,- aan mogelijk toekomstige kosten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Mevrouw [persoon 10] is nabestaande van [persoon 1] , haar zoon. Op grond van artikel 6:108 BW kunnen nabestaanden in aanmerking komen voor schadevergoeding. In dit artikel wordt een limitatieve opsomming gegeven van personen die een vordering kunnen instellen en van hetgeen kan worden gevorderd. Kort gezegd kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen deze kosten vorderen. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding ziet op de kosten van lijkbezorging en komt de rechtbank, niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de kostenpost ‘mogelijk toekomstige kosten’ zal de benadeelde partij niet- ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 10.717,26 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van de algehele voldoening.

Immateriële schade (Affectieschade)

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 10.1. is overwogen met betrekking tot affectieschade, zal de rechtbank de benadeelde partij hiervoor niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde voor een bedrag van in totaal € 10.717,26 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening) de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.5.

[persoon 11]

De benadeelde partij [persoon 11] vordert met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag van € 376,- aan materiële schadevergoeding, bestaande uit kosten voor de psycholoog en een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiële schade

[persoon 11] is de broer van het overleden slachtoffer [persoon 1] . Hij is nabestaande en kan op grond van artikel 6:108 BW slechts op limitatieve gronden om schadevergoeding vragen. De gevorderde schadevergoeding van € 376,- voor de kosten voor de psycholoog, hoe begrijpelijk ook, komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Immateriële schade (Affectieschade)

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 10.1. is overwogen met betrekking tot affectieschade, zal de rechtbank de benadeelde partij hiervoor niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

9.6.

[persoon 4]

De benadeelde partij [persoon 4] vordert met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag van € 16.850,- aan materiële schadevergoeding, bestaande uit kosten voor studievertraging en een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schadevergoeding (shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat [persoon 1] en [persoon 4] ten tijde van de fatale gebeurtenis al enige tijd een relatie hadden. Anders dan de raadsman heeft betoogd is [persoon 4] , als zijnde vriendin van [persoon 1] , in dit geding aan te merken als benadeelde partij.

Materiële schade

[persoon 4] kan op grond van artikel 6:108 BW slechts op limitatieve gronden om schadevergoeding vragen. Nabestaanden die door de overledene (deels) in hun levensonderhoud werden voorzien kunnen deze kosten op de aansprakelijke persoon vorderen. Voorts kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen deze kosten vorderen. Ten slotte kan een nabestaande als erfgenaam onder algemene titel een vordering van het slachtoffer verkrijgen. Van deze drie mogelijkheden is hiervan geen sprake. De gevorderde schadevergoeding van € 16.850,- kan dan ook niet worden toegewezen en de benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Immateriële schade (Shockschade)

De situatie zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, BW, de shockschade, kan onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking komen. Shockschade is geestelijk letsel dat men oploopt door getuige te zijn van een schokkende gebeurtenis, waarbij de shock dermate ernstig is dat deze leidt tot een aantasting van de gezondheid, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het gaat bij shockschade om psychische letsel dat veroorzaakt is door die waarneming. Zonder af te doen aan de schokkende ervaring die [persoon 4] heeft meegemaakt blijkt niet dat bij haar sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd. Enkel de stelling dat zij een psycholoog heeft bezocht is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal [persoon 4] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot shockschade.

9.7.

[persoon 2]

De benadeelde partij [persoon 2] vordert met betrekking tot het onder feit 2 ten laste gelegde een totaal bedrag van € 5.186,42,- aan materiële schadevergoeding, bestaande uit gederfde inkomsten, een bedrag van € 2.316,- aan kosten rechtsbijstand, een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding en met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag van € 10.000,- aan shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding van € 5.186,42 komt de rechtbank, niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van de algehele voldoening.

Immateriële schade

De rechtbank acht het aannemelijk, hoewel de vordering summier is onderbouwd, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 2 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij de bepaling van de omvang van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij vergelijkbare zaken. De rechtbank begroot de immateriële schade in deze zaak op € 5.000,-. Voornoemd bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Shockschade

Onder omstandigheden kan shockschade voor vergoeding in aanmerking komen. Zoals hiervoor onder 9.6 reeds overwogen worden aan de toekenning van vergoeding voor shockschade strenge eisen gesteld. Aan deze eisen is niet voldaan. [persoon 2] is geen getuige geweest van de gebeurtenis waarbij zijn vriend is overleden en overigens is geestelijk letsel als gevolg van de doodslag op [persoon 1] bij [persoon 2] niet vastgesteld. De rechtbank zal [persoon 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot shockschade.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde voor een bedrag van in totaal € 10.186,42, (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening) de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Kosten rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering. Een redelijke uitleg van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 750,- (3 punten à € 250,- )4 en wijst de vordering tot dat bedrag toe.

De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de kosten rechtsbijstand voor het overige niet-ontvankelijk.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 16 juni 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/097582-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 augustus 2014 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 29 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen omdat niet is gebleken wanneer de looptijd van de proeftijd verstrijkt of zou zijn verstreken, zodat niet kan worden vastgesteld of verdachte zich binnen de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Het had op de weg van de officier van justitie gelegen om daar duidelijkheid over te verschaffen. De enkele stelling dat verdachte ongeveer 17 maanden in detentie heeft gezeten en de proeftijd toen dus niet doorliep, is daartoe onvoldoende.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

- doodslag;

ten aanzien van feit 2

- poging doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht (8) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Beslag:

Gelast de teruggave aan rechthebbende van:

1. STK Zaktelefoon, APPLE IPHONE 7 (5400407)

2 1.00 STK Zaktelefoon, APPLE IPHONE 5 wit (5400413)

Benadeelde partijen:

[persoon 9]

Wijst de vordering van [persoon 9] , wonende te Amsterdam, toe tot € 3.372,66 aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag van in totaal € 3.372,66 aan [persoon 9] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 9] aan de Staat € 3.372,66 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 43 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

[persoon 10]

Wijst de vordering van [persoon 10] , wonende te Amsterdam, toe tot € 10.717,26 aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag van in totaal € 10.717,26 aan [persoon 10] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 10] aan de Staat € 10.717,26 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 87 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

[persoon 11]

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

[persoon 4]

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.

[persoon 2]

Wijst de vordering van [persoon 2] , wonende te Amstelveen, toe tot € 5.186,42,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag van in totaal € 10.186,42 aan [persoon 2] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] aan de Staat € 10.186,42 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 85 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van € 750,-.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en R.W.L. Koopmans, rechters

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 april 2018.

1 Het proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2017121058 van 28 juni 2017, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 9] en [opsporingsambtenaar 7] (doorgenummerde pagina B 389).

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2017121058 van 21 juni 2017, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 9] en [opsporingsambtenaar 10] (doorgenummerde pagina B 149).

3 Het proces-verbaal sporenonderzoek, met nummer 2017121058-85 van 3 augustus 2017, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 11] (doorgenummerde pagina B 318).

4 Bij de toepassing van het liquidatietarief dient aansluiting te worden gezocht bij de competentieregels voor de civielrechtelijke procedure. Dat wil zeggen dat voor vorderingen tot en met € 25.000,- het Liquidatietarief kanton (http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Landelijke-regelingen/Sector-kantonrecht/Pages/Staffel-incasso-kosten-en-salarissen-in-rolzaken-sector-kanton.aspx) wordt gehanteerd en voor vorderingen boven € 25.000,- het Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven (http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Landelijke-regelingen/Sector-civiel-recht/Pages/Liquidatietarief-rechtbanken-en-gerechtshoven.aspx).