Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2801

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
6508167 CV EXPL 17-27963
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een voormalig werknemer van Hewlett Packard krijgt naast de reeds ontvangen vergoeding geen aanvullende toeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6508167 CV EXPL 17-27963

vonnis van: 24 april 2018

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. I.J.N. Fitters-Roeland (DAS Rechtsbijstand)

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hewlett-Packard Nederland B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: HP

gemachtigde: mr. B. Westerhout

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De kantonrechter is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- dagvaarding van 28 november 2017, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- instructievonnis;

- dagbepaling comparitie;

- twee nadere producties van de zijde [eiser] .

De comparitie heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018. [eiser] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. HP is verschenen bij mevrouw [naam] , vergezeld door de gemachtigde. Namens partijen zijn de standpunten toegelicht. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is van 1990 tot 29 januari 2014 in dienst geweest van HP. Hij had laatstelijk een leidinggevende functie. Blijkens de overgelegde salarisspecificatie van januari 2014 bedroeg zijn salaris, exclusief emolumenten en vakantietoeslag, ruim € 6.500,00 per maand.

In verband met een reorganisatie zijn in 2013 bij HP arbeidsplaatsen vervallen, waaronder die van [eiser] . Bij brief van 1 april 2013 heeft HP dit schriftelijk aan [eiser] aangezegd. In deze brief staat verder vermeld dat het Sociaal Plan van toepassing zal zijn. Dit betreft het Sociaal Plan dat van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 van toepassing was, hierna het Sociaal Plan.

1.2

Blijkens de overgelegde beeëndigingsovereenkomst van 23 april 2013 is de arbeidsovereenkomst met ingang van 29 januari 2014 met wederzijds goedvinden beëindigd. Verder is bepaald dat tot 29 januari 2014 een bemiddelingsperiode zal gelden waarin [eiser] is vrijgesteld van de verplichting de overeengekomen arbeid te verrichten. Partijen zijn verder onder meer overeengekomen dat HP [eiser] overeenkomstig paragraaf 5.B.1 van het Sociaal Plan na beëindiging van de arbeidsovereenkomst een bedrag van € 258.833,24 bruto zal voldoen en een bedrag van maximaal € 550,00 netto voor vergoeding juridische kosten. [eiser] heeft zich bij de onderhandelingen over de beëindigingsovereenkomst laten bijstaan door een juridisch deskundige. In punt 16 van de beëindigingsovereenkomst is een finaal kwijtingsbeding opgenomen dat als volgt luidt:

Na voldoening van vorenstaande verplichtingen zullen Werkgever en de aan haar gelieerde vennootschappen en Werknemer jegens elkaar geen verdergaande verplichtingen meer hebben uit hoofde van het dienstverband, de (wijze van) beëindiging daarvan, of uit welke andere hoofde dan ook en verlenen partijen elkaar over en weet finale kwijting.

1.3

[eiser] heeft gedurende 38 maanden (tot ongeveer maart 2017) een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontvangen. Hij heeft ter zitting meegedeeld er niet in geslaagd te zijn ander werk te vinden.

1.4

[eiser] heeft HP bij brief van 15 juni 2017 verzocht hem in aanmerking te brengen voor een Toeslag als bedoeld in paragraaf 5.B.1. onder N.B. Toeslag bij veroeding ex paragraaf 5.B.1.. Deze bepaling luidt als volgt:

“NB. Toeslag bij vergoeding ex paragraaf 5.B.1.

Voorts kan een Medewerker die in 2012 of 2013 op de Aanzegdatum 54 jaar of ouder is én op de Aanzegdatum 8 Dienstjaren heeft, in aanmerking komen voor een eenmalige bruto toeslag indien 1) de Datum einde dienstverband is gelegen op het einde van de voor hem toepasselijke maximale duur van de Bemiddelingsperiode, 2) de Medeweker actief heeft gewerkt aan zijn bemiddeling vanuit de Werk-naar-werk Afdeling, 3) de Medewerker na afloop van de maximale Bemiddelingsperiode geen nieuw dienstverband bij een Derde heeft gevonden én 4) de Medewerker 38 aaneengesloten maanden aansluitend aan het einde van het Dienstverband volledig aanspraak heeft gemaakt op de voor hem van toepassing zijnde wettelijk maximale WW- danwel bijstandsuitkering. De hoogte van de eenmalige bruto toeslag

wordt als volgt berekend: 70% van het laatst genoten Brutomaandsalaris van de Medewerker tot een maximum van 70% van het Maximumdagloon berekend over de periode vanaf Datum einde dienstverband tot aan de toepasselijke Pensioenrichtleeftijd, minus de eenmalige bruto vergoeding berekend conform paragraaf 5.B.1 èn minus de ontvangen maximale WW-uitkering,

in veel gevallen 3 jaar en twee maanden.

(…)

Voor de Medewerker met een Brutojaarsolaris van EUR 115.000 of hoger zal de eenmalige bruto vergoeding conform paragraaf 5.B.1 én de hiervoor genoemde eenmalige bruto toeslag bij keuze 5.B.1 (100% respectievelijk 50%) bij elkaar opgeteld nooit meet bedragen dan 1 Brutojaarsalaris (…)”.

1.5

In paragraaf 2 van het Sociaal Plan, de Definities, is bepaald dat de pensioenrichtleeftijd is de eerste dag van de maand dat de Medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt; voorts dat met ingang van 1 april 2012 de pensioenrichtleeftijd zal worden vastgesteld op de dag waarop de medewerker de leeftijd van 65 jaar daadwerkelijk bereikt.

1.6

Paragraaf 19 van het Sociaal Plan bepaalt het volgende:

“Als de toepassing van dit Plan leidt tot een apert onbillijk resultaat voor een bepaalde Medewerker, mag de HR-Director van HP in gezamenlijk overleg met de Vertrouwenscommissie beslissen om ten voordele van de betrokken Medewerker af te wijken van dit Plan. “

HP heeft het verzoek van [eiser] voorgelegd aan de HR-Director en deze commissie. Op 21 juli 2017 hebben de commissie en de HR-director het verzoek van [eiser] afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen:

“(…)

Uitspraak

De commissie heeft jouw verzoek bestudeerd. In je beroep op de

hardheidsclausule geef je als reden op waarom je van mening bent dat

het tot een onbillijk resultaat leidt dat de in het Sociaal Plan genoemde

AOW-leeftijd van 65 jaar wordt gehanteerd voor de berekening van een

aanvullende vergoeding aangezien kort na de totstandkoming van het

Sociaal Plan de AOW-leeftijd via een wetswijziging is gewijzigd. Je bent

van mening dat de leeftijd van het Sociaal Plan ook mee moet schuiven

met de pensioenrichtleeftijd. Het verschil zou betekenen dat je wel voor

een aanvullende vergoeding in aanmerking komt aangezien je helaas

nog geen nieuwe baan hebt kunnen vinden.

De commissie realiseert zich dat het vinden van een nieuwe baan lastig

en uitdagend is. Dit geldt echter voor iedereen die zich meldt op de

arbeidsmarkt. De commissie is dan ook heel blij dat tussen de sociale

partners en Hewlett-Packard Nederland B.V. (HPE) afspraken zijn

gemaakt en een Sociaal Plan is afgesloten.

In het Sociaal Plan zijn afspraken gemaakt rondom de financiële

vergoedingen en hoe toe te passen. Hierin is o.a. vastgelegd dat dit

Sociaal Plan met een leeftijd van specifiek 65 jaar rekening houdt. De

commissie is van mening dat afwijken van de afgesproken afspraken

niet wenselijk is, aangezien dit een precedent werking zou hebben. Je

geeft aan dat je de extra vergoeding nu mist om het gat’ op te vullen

tussen 65 jaar en de inmiddels opgeschoven pensioenrichtleeftijd. Het

sociaal plan is echter niet bedoeld om dit ‘financiële gat te vullen. Het is

bedoeld om de medewerkers een financiële tegemoetkoming te geven,

waardoor ze o.a. meer tijd hebben om een nieuwe passende baan te

vinden en ter compensatie van een eventueel toekomstig lager loon bij

een nieuwe werkgever.

Gebaseerd op bovenstaande wijzen de vertrouwenscommissie Sociaal

Plan en de HR directeur jouw verzoek om aanspraak te maken op de

hardheidsclausule af. Er is naar onze mening geen sprake van een

apert onbillijke situatie, waarvoor de hardheidsclausule bedoeld is (…)”

1.7

HP heeft, met verwijzing naar hetgeen de commissie en de HR-director hebben overwogen, zich op het standpunt gesteld dat van een apert onbillijke situatie in de zin van paragraaf 19 van het Sociaal Plan bij [eiser] geen sprake is, waarbij is verwezen naar de ontvangen vergoeding, in combinatie met de vrijstelling van arbeid, outplacement begeleiding en opleidingsmogelijkheden gedurende de Bemiddelingsperiode. HP heeft daarom het verzoek van [eiser] afgewezen.

1.8

Ten tijde van de totstandkoming van het Sociaal Plan in maart 2012 speelde in Nederland de discussie over de verhoging van de AOW-leeftijd. De Eerste Kamer heeft in juli 2012 met de voorstellen ingestemd.

Vordering en verweer

2.1.

[eiser] vordert primair dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de pensioenrichtleeftijd in het Sociaal Plan aldus moet worden geïnterpreteerd dat deze ziet op de toepasselijke (verhoogde) AOW-leeftijd. [eiser] vordert verder dat HP wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 100.119,00 bruto. Subsidiair vordert [eiser] op grond van de hardheidsclausule hetzelfde bedrag. In beide gevallen dient het gevorderde bedrag te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 maart 2017 tot aan de dag van voldoening, met de buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 1.776,19 en de proceskosten.

[eiser] baseert zijn vordering op, kort samengevat, nakoming van de tussen partijen aangegane overeenkomst.

2.2.

HP heeft de vordering en ook de hoogte daarvan betwist. Zij doet allereerst een beroep op het niet van toepassing zijn van het Sociaal Plan. Verder zou het beding inzake finale kwijting in de beëindigingsovereenkomst aan toewijzing van de vorderingen in de weg staan. Inhoudelijk wordt de vordering bestreden met een beroep op hetgeen in het Sociaal Plan is vermeld over de pensioenrichtleeftijd van 65 jaar. Verder bestrijdt HP dat sprake is van een geval van hardheid in de zin van de hardheidsclausule. HP voert verder aan dat de door [eiser] berekende toeslag niet klopt en dat het hoogstens om een bedrag van € 53.057,08 zou kunnen gaan. Op de verweren zal hierna worden ingegaan.

Beoordeling

3.1.

Beoordeeld moet worden of [eiser] terecht aanspraak maakt op een Toeslag als bedoeld in paragraaf 5.B.1 van het Sociaal Plan. Zoals ter zitting besproken gaat het om een eenmalig bedrag waarop een ex-werknemer die onder het Sociaal Plan valt, aanspraak kan maken wanneer hij of zij na de periode waarop aanspraak bestond op een WW-uitkering nog steeds werkloos is. Een aanspraak bestaat eerst wanneer de rekensom van 70% van het laatstgenoten brutosalaris tot een maximum van 70% van met maximumdagloon berekend over de periode vanaf datum einde arbeidsovereenkomst tot aan de toepasselijke pensioenrichtleeftijd meer is dan de verstrekte eenmalige bruto vergoeding plus de ontvangen (maximale) WW-uitkering. Wanneer in het geval van [eiser] wordt gerekend met 65 jaar als pensioenrichtleeftijd dan komt de rekensom op nul uit of op een negatief bedrag. Wanneer met de inmiddels verhoogde AOW-leeftijd wordt gerekend ontstaat wel een positief verschil. Over de hoogte daarvan verschillen partijen, zoals hierboven vermeld, van mening. [eiser] heeft toegelicht dat hij tegen zijn verwachting in nog steeds werkloos is en dat hij een groot financieel belang heeft bij toewijzing van een aanvullend bedrag nu de eenmalige bruto-vergoeding ontoereikend is om het inkomensverlies tot de datum van de AOW-leeftijd te financieren.

3.2.

Het eerste door HP aangevoerde verweer, te weten dat het Sociaal Plan niet van toepassing is, wordt door de kantonrechter verworpen. HP baseert dit verweer op de stelling dat alleen in de considerans van de tussen partijen aangegane beëindigingsovereenkomst over de toepasselijkheid van het Sociaal Plan wordt gesproken en dat bepalingen in een considerans geen verplichtingen scheppen tussen partijen. Dit betoog (door de kantonrechter ter zitting als een “tegen beter weten in betoog “ getypeerd) kan HP niet baten. [eiser] heeft met verwijzing naar de brief van HP van 1 april 2013 erop gewezen dat ook HP destijds ervan is uitgegaan dat het Sociaal Plan van toepassing was. Verder hebben partijen, onder andere bij de uitvoering van de berekening van de bruto-vergoeding en in 2017 bij de procedure inzake de beoordeling van de hardheidsclausule, overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Plan gehandeld. De bepalingen van het Sociaal Plan zijn daarom van toepassing op de beëindigingsovereenkomst die partijen zijn aangegaan.

3.3

Ook het verweer dat het finale kwijtingsbeding aan toewijzing van de vordering in de weg staat wordt verworpen. Finale kwijting, zo staat in no. 16 van de beëindigingsovereenkomst, vindt plaats nadat partijen aan hun verplichtingen hebben voldaan. Aan de hier aan de orde zijnde verplichting, te weten de beoordeling of na ommekomst van de periode waarin een WW-uitkering wordt genoten, kan per definitie niet ten tijde van het aangaan van de beëindigingsovereenkomst zijn voldaan. De ter zitting aanwezige vertegenwoordiger van HP heeft ook bevestigd dat deze beoordeling, zoals bij [eiser] het geval is geweest, eerst na maart 2017 kon plaatsvinden en ook heeft plaatsgevonden. Dat betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] geen finale kwijting heeft verleend ten aanzien van deze, destijds nog niet uitgevoerde, verplichting van HP.

3.4.

De (eerste) kernvraag in deze procedure is of [eiser] ondanks dat in het Sociaal Plan sprake is van een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar niettemin (inmiddels) mag begrijpen dat partijen een richtleeftijd die samenvalt met de inmiddels opgeschoven AOW-leeftijd hebben bedoeld af te spreken. Beide partijen hebben uitgebreid aandacht besteed aan de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de uitleg van overeenkomsten, waarbij enerzijds de Haviltex-norm en anderzijds de meer geobjectiveerde uitlegnorm bij cao’s en sociale plannen de revue passeren. HP haakt aan bij de puur objectieve uitlegnorm. De kantonrechter overweegt dat nu het om de uitleg van de inhoud van een Sociaal Plan gaat, in beginsel de uitlegnorm die geldt bij cao’s aan de orde is. Maar ook dan heeft te gelden dat beslissende betekenis toekomt aan alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In die zin wordt er ook wel gesproken over een vloeiende overgang van de Haviltex uitlegnorm en de cao-uitlegnorm.

3.5.

Bij de uitleg van de bepaling inzake de pensioenrichtleeftijd heeft [eiser] ervoor gepleit aan te sluiten bij andere sociale plannen van HP. Daarnaast wordt bij de berekening van de eenmalige bruto-vergoeding zijns inziens ook aangeknoopt bij de AOW-leeftijd. De toeslag is volgens [eiser] als aanvulling bedoeld voor degenen die onverhoopt werkloos blijven en een overbrugging tot de daadwerkelijk pensioengerechtigde leeftijd nodig hebben om het inkomensverlies op te vangen. HP heeft deze argumenten bestreden met in hoofdzaak een beroep op de tekst van het Sociaal Plan zelf waarin nadrukkelijk is gekozen voor een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar en dat dit getal ook met zoveel woorden in de tekst van het Sociaal Plan is opgenomen. HP heeft verder gesteld dat de bij het Sociaal Plan betrokken partijen nog wel hebben overlegd over een eventuele tussentijdse aanpassing naar aanleiding van na de veranderingen ten aanzien van de AOW-leeftijd die destijds aanstaande waren. Zij zouden er echter bewust voor gekozen hebben dit Sociaal Plan zo te laten en eventueel bij latere sociale plannen mogelijk een andere formulering te kiezen, hetgeen bij het Sociaal Plan dat gold van 1 november 2014 tot en met 31 december 2015 ook is gebeurd en is gekozen voor de AOW gerechtigde leeftijd als pensioenrichtleeftijd. HP heeft er echter ook op gewezen dat hierbij niet zomaar kan worden aangeknoopt, omdat in latere Sociale Plannen bijvoorbeeld op het punt van de hoogte van de eenmalige bruto vergoeding uitgegaan wordt van een veel lager bedrag dan de in 2012/2013 nog – als uitgangspunt - geldende kantonrechtersformule. Naar de mening van HP kan [eiser] niet een beroep doen op slechts de – voor hem - meer gunstige bepalingen van latere sociale plannen.

3.6.

De kantonrechter overweegt dat het in dit geval toepasselijke Sociaal Plan er tekstueel gezien geen misverstand over laat bestaan wat onder de pensioenrichtleeftijd moet worden verstaan die bij de berekening van de Toeslag aan de orde is. Dat is de leeftijd van 65 jaar. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting bevestigd dat hij bij het aangaan van de overeenkomst zich ervan bewust was dat met 65 jaar werd gerekend. Verder is hierbij van belang dat [eiser] zich toen liet bijstaan door een juridisch deskundige. Destijds was de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd een belangrijk maatschappelijk issue in Nederland, waarover binnen en buiten het parlement uitgebreid is gesproken. De Eerste Kamer heeft op 10 juli 2012 ingestemd met het betreffende wetsvoorstel. [eiser] was er dus ruim voor het aangaan van de beëindigingsovereenkomst van op de hoogte dat hij niet meer op 65 jarige leeftijd aanspraak kon maken op een AOW-uitkering. Dat blijkt overigens ook uit de inhoud van productie 11, de (ook door [eiser] ondertekende) brief van HP inzake de aanpassing van de standaardbepaling inzake beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ook overigens zijn in het Sociaal Plan zelf geen aanknopingspunten te vinden waarom bij de pensioenrichtleeftijd bij nader inzien zou moeten worden aangeknoopt bij 67 jaar of bij 67 jaar en enkele maanden. De aanknopingspunten die [eiser] noemt liggen buiten het Sociaal Plan, te weten de latere aanpassing van de pensioenreglementen die bij HP gelden en de (standaard-) aanpassing van de arbeidsovereenkomst op het punt van de leeftijd dat de arbeidsovereenkomst in verband met de pensioengerechtigde leeftijd eindigt. Beide aanknopingspunten zien op andere rechtsbronnen dan die welke in het Sociaal Plan en de hier aan de orde zijnde beëindigingsovereenkomst aan de orde zijn.

Tenslotte acht de kantonrechter van belang dat [eiser] geen voorbehoud heeft gemaakt bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst, ten aanzien van de pensioenrichtleeftijd. Ook in verband hiermee blijkt niet van een eventuele andere partijbedoeling dan nu uit de overeenkomst is af te leiden. Gelet op alle omstandigheden van het concrete geval en voorts gelet op hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, is de kantonrechter van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is voor een uitleg van het Sociaal Plan als door [eiser] voorgestaan.

3.7.

Vervolgens is aan de orde of HP het beroep van [eiser] op toepassing van de hardheidsclausule terecht heeft verworpen. De kantonrechter overweegt dat het bij de hardheidsclausule van paragraaf 19 van het Sociaal Plan gaat over een “apert onbillijk resultaat”. Het gaat verder om een bevoegdheid van de HR-Director van HP om in gezamenlijk overleg met de Vertrouwenscommissie ten voordele van de betrokken medewerker af te wijken van het Sociaal Plan. [eiser] voert aan dat het Sociaal Plan ten onrechte niet is aangepast aan de nieuwe werkelijkheid van de hogere AOW-gerechtigde leeftijd en dat hij daardoor is benadeeld, nu hij geen ander werk heeft gevonden en de kans dat hij ander werk vindt vanwege zijn leeftijd verwaarloosbaar is. Voor gevaar van precedentwerking behoeft naar zijn mening niet te worden gevreesd, nu het maar een hele kleine groep van ex-collega’s betreft die in vergelijkbare omstandigheden verkeert. Hij is van oordeel dat hij zich in een zeer uitzonderlijke situatie bevindt die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. HP bestrijdt dit standpunt. Zij verwijst naar het oordeel van de HR-Director en Vertrouwenscommissie. Zij heeft er verder op gewezen dat [eiser] na de wijzigingen in de pensioenregelingen er desgewenst voor kan kiezen zijn (bedrijfs-) pensioen eerder te laten ingaan dan op 67 jarige leeftijd. HP heeft er verder op gewezen dat [eiser] een (naar tegenwoordige maatstaven) ruime beëindigingsvergoeding heeft ontvangen, naast een bemiddelingstermijn van 9 maanden en dat al met al van een apert onbillijk resultaat niet kan worden gesproken.

3.8.

De kantonrechter is van oordeel dat in het geval van [eiser] niet kan worden gesproken van een apert onbillijk resultaat in de zin van de hardheidsclausule. Met de HR-Director en Vertrouwenscommissie is de kantonrechter van oordeel dat de regeling in het Sociaal Plan niet bedoeld is (en niet bedoeld kan zijn) voor volledige dekking van inkomensverlies tot de pensioengerechtigde leeftijd. Het is

veeleer een financiële tegemoetkoming. Dat blijkt ook reeds uit de hoogte van het gevorderde bedrag. [eiser] heeft zelf desgevraagd ter zitting naar voren gebracht dat hij in zijn verwachtingen in het kunnen vinden van ander werk ernstig is teleurgesteld, maar dit feit is als zodanig niet voldoende voor een terecht beroep op de hardheidsclausule. Daarbij is voorts van belang dat, zeker in de huidige tijd met de in het kader van de WWZ in het algemeen wat lagere beëindigingsvergoedingen, het (veel) vaker voorkomt dat een vergoeding in het kader van een Sociaal Plan in het algemeen niet toereikend is voor de volledige dekking van inkomensverlies tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Dat de precedentwerking mogelijk maar beperkt van omvang zou zijn is in dit verband evenmin beslissend. HP heeft ter zitting meegedeeld dat er door enkele andere collega’s van [eiser] wel is geïnformeerd naar de mogelijkheden van het alsnog in aanmerking komen voor een Toeslag, maar verdere stappen hebben zij niet ondernomen.

3.9.

Gezien de uitkomst van voorgaande overwegingen kan het verschil van mening tussen partijen over de juiste berekening van de gevorderde Toeslag verder onbesproken blijven.

3.10

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal hij de kosten van de procedure hebben te dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:

- wijst de vordering van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van HP begroot op € 400,00 wegens salaris gemachtigde;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

- verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.