Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2716

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/13/634385 / FA RK 17-5614
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2019:2972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de berekening van de behoefte is geen rekening gehouden met de kosten van de jongmeerderjarige kinderen van de vrouw, maar bij het berekenen van haar aanvullende behoefte zijn de kosten van de kinderen in mindering gebracht op haar NBI

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

locatie Amsterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/13/634385 / FA RK 17-5614

Beschikking d.d. 25 april 2018 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. P.J. Montanus, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P. Tijsterman, gevestigd te Uithoorn,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 15 augustus 2017;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 1 november 2017;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens aanvullende verzoeken, ingekomen op 2 januari 2018;

- de reactie op de aanvullende verzoeken, ingekomen op 24 januari 2018;

- de correspondentie waaronder:

 het F9-formulier met producties van 13 maart 2018 van de zijde van de man;

 het F9-formulier met producties van 16 maart 2018 van de zijde van de vrouw.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 23 maart 2018.

Bij die gelegenheid zijn beide partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 26 juni 2009 te [plaats] .

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.2.2.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Onderhoudsbijdrage(n)

2.3.1.

De vrouw heeft zelfstandig verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 5.153,00 bruto per maand.

2.3.2.

De man voert verweer. Hij betwist primair de door de vrouw gestelde behoefte aan de verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en subsidiair betwist hij dat hij draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te voldoen.

Behoefte

2.3.3.

De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij, mede gezien de welstand van partijen gedurende het huwelijk, een totale behoefte heeft van € 4.478,- netto per maand. Rekening houdend met haar huidige inkomen van (ongeveer) € 1.500,- netto per maand stelt de vrouw zich op het standpunt dat ze een aanvullende behoefte heeft van € 2.978,- netto per maand. Ter onderbouwing van haar stellingen legt zij een behoeftelijstje over.

2.3.4.

De man betwist dat de door de vrouw berekende behoefte haar werkelijke behoefte is. De huwelijksgerelateerde behoefte is onvoldoende door de vrouw onderbouwd. De vrouw moet bovendien in staat worden geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, aldus de man.

2.3.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de vrouw. De vrouw stelt dat behoeftebepaling volgens de Hofnorm zou uitkomen op een behoefte van ongeveer € 6.700,-, maar dat neemt zij niet als uitgangspunt.

2.3.6.

Nu de vrouw een behoefteopstelling heeft gemaakt die zij voor een deel met stukken heeft onderbouwd, zal de rechtbank deze lijst tot uitgangspunt nemen bij het bepalen van de behoefte van de vrouw. De rechtbank overweegt vervolgens dat het op de weg van de vrouw ligt om de hoogte van bepaalde posten te stellen en bij betwisting te onderbouwen. De man heeft deze behoeftelijst op meerdere punten betwist. De rechtbank zal de door de vrouw opgevoerde posten hierna bespreken. Zij overweegt daarbij dat zij rekening zal houden met de omstandigheid dat partijen gedurende geruime tijd een relatie hebben gehad, waarvan negen jaar gehuwd. De rechtbank acht het, gelet op het inkomen van de man gedurende het huwelijk en het netto besteedbaar inkomen dat daaruit volgt, niet redelijk om bij het bepalen van de behoefte van de vrouw steeds uit te gaan van de Nibudnormen, zoals door de man wordt aangevoerd, en zal aansluiting zoeken bij de welstand van partijen tijdens het huwelijk.

Auto

2.3.7.

In haar lijst heeft de vrouw een bedrag van € 382,-- gemiddeld per maand opgevoerd ter zake van autokosten. De man heeft betoogd dat rekening moet worden gehouden met een maximaal bedrag van € 344,-- per maand, gelet op de Nibudnormen en het type auto dat de vrouw nu rijdt. De rechtbank volgt de man in zijn stelling, zodat zij uit zal gaan van een bedrag van autokosten van € 344,-- per maand.

Belastingen

2.3.8.

Het door de vrouw opgevoerde bedrag aan belastingen van € 45,34 per maand wordt door de man niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.

Boodschappen

2.3.9.

De vrouw gaat bij de berekening van haar behoefte uit van een bedrag aan boodschappen van € 628,-- per maand. De man betoogt dat, uitgaande van de Nibudnormen, met een bedrag van € 223,-- per maand rekening dient te worden gehouden. Gelet op de welstand van partijen acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een bedrag aan boodschappen van € 628,-- per maand.

Kleding en schoenen

2.3.10.

De vrouw voert een bedrag van € 300,-- gemiddeld per maand op aan kleding en schoenen. De man gaat uit van een bedrag van € 180,-- gemiddeld per maand. Gelet op de welstand van partijen acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een bedrag van 300,-- per maand aan kosten van kleding en schoenen.

Cadeaus

2.3.11.

De rechtbank acht de hoogte van deze kosten gelet op de welstand van het huwelijk niet onredelijk, zodat zij de vrouw hierin volgt. Zij zal dan ook rekening houden met een totaal bedrag van € 30,-- per maand.

Persoonlijke verzorging

2.3.12.

Het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 128,75 per maand wordt door de man niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.

Krant e.d.

2.3.13.

De rechtbank acht de hoogte van deze kosten gelet op de welstand van het huwelijk niet onredelijk, zodat zij de vrouw hierin volgt. Zij zal dan ook rekening houden met een totaal bedrag van € 39,80 per maand.

Goede doelen

2.3.14.

De rechtbank acht de hoogte van deze kosten gelet op de welstand van het huwelijk niet onredelijk, zodat zij de vrouw hierin volgt. Zij zal dan ook rekening houden met een totaal bedrag van € 30,50 per maand.

Gas, water en Nuon

2.3.15.

Het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 96,05 per maand wordt door de man niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.

TV en mobiel

2.3.16.

De rechtbank acht de hoogte van deze kosten gelet op de welstand van het huwelijk niet onredelijk, zodat zij de vrouw hierin volgt. Zij zal dan ook rekening houden met een totaal bedrag van € 163,40 per maand.

Sport en vrije tijd en vakantie

2.3.17.

In haar lijst voert de vrouw een bedrag van sport en vrije tijd op van € 250,-- per maand en daarnaast heeft zij een bedrag van € 312,50 gemiddeld per maand opgevoerd ter zake van vakantiekosten. De man betoogt dat het totaalbedrag van deze kosten op € 250,-- per maand dient te worden gesteld. Gezien de welstand tijdens het huwelijk acht de rechtbank het redelijk om van het door de vrouw opgevoerde totaalbedrag van € 562,50 per maand uit te gaan.

Ziektekosten

2.3.18.

Gelet op de gemiddelde kosten van een zorgverzekering acht de rechtbank het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 125,47 per maand redelijk.

Inboedel

2.3.19.

De rechtbank acht de hoogte van deze kosten gelet op de welstand van het huwelijk niet onredelijk, zodat zij de vrouw hierin volgt. Zij zal dan ook rekening houden met een totaal bedrag van € 12,-- per maand.

Pensioensparen

2.3.20.

De man voert onweersproken aan dat de vrouw recht heeft op een deel van het pensioen van de man, zodat een pensioenvoorziening niet nodig is. De rechtbank volgt de man hierin, nu gesteld noch gebleken is dat de vrouw, naast dit deel van het pensioen, nog behoefte heeft aan een aanvullend pensioen. De rechtbank zal met deze kosten dan ook gene rekening houden.

Uitvaart, levensverzekering en overlijdensrisico

2.3.21.

De rechtbank acht de hoogte van deze kosten niet onredelijk, zodat zij de vrouw hierin volgt. Zij zal dan ook rekening houden met een totaal bedrag van € 82,08 per maand.

Garantieverzekering wasmachine

2.3.22.

De man heeft deze kosten betwist. De vrouw heeft deze post niet onderbouwd met stukken. Nu derhalve niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een dergelijke verzekering en, indien deze verzekering zou bestaan, ook niet of deze noodzakelijk is, zal de rechtbank geen rekening houden met deze lasten.

Huurlasten

2.3.23.

Partijen zijn het eens over de door de vrouw gesteld huurlast van € 1.115,- per maand, zodat de rechtbank hiermee rekening zal houden.

Klein onderhoud woning

2.3.24.

Het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 25,-- per maand wordt door de man niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.

Kosten kinderen van de vrouw

2.3.25.

De kosten voor de kinderen horen niet thuis in de behoeftelijst en dienen bij berekening van de behoefte van de vrouw buiten beschouwing te worden gelaten. De kosten voor de kinderen zijn immers geen kosten die zien op het levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank zal hierna echter wel rekening met deze kostenpost houden.

Kosten hond

2.3.26.

De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een gemiddelde van de door de vrouw opgevoerde kosten van € 140,-- per maand en de door de man opgevoerde kosten van € 20,-- per maand, zodat zij rekening zal houden met een bedrag van € 80,-- per maand.

2.3.27.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een behoefte van de vrouw van (afgerond) 3.808,-- netto per maand.

Behoeftigheid

2.3.28.

De vrouw stelt dat zij niet (geheel) in voormelde behoefte kan voorzien. De man betwist dat en voert aan dat van de vrouw, gezien haar opleidingsniveau en werkervaring, kan worden verwacht dat zij in ieder geval voor een zeer groot deel in haar eigen behoefte voorziet.

2.3.29.

Gelet op de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties zal de rechtbank uitgaan van een jaarinkomen van de vrouw van € 21.049,-- bruto. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt derhalve € 1.566,-- per maand, inclusief vakantiegeld. De vrouw heeft gedurende het huwelijk langere tijd niet gewerkt. Op enig moment is zij een schoonheidssalon aan huis gestart, waarmee zij is gestopt toen partijen uit elkaar gingen. Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet van de vrouw worden gevergd dat zij, thans en binnen afzienbare tijd, zich meer inkomsten verwerft dan zij nu doet en daarmee aanvullend voorziet in haar behoefte. Wel is de rechtbank van oordeel dat van haar kan worden verwacht dat zij in de komende jaren meer inkomen gaat verwerven. De rechtbank acht het redelijk om per 1 mei 2019 uit te gaan van een inkomen van de vrouw van € 1.750,-- netto per maand en vanaf 1 mei 2020 van een inkomen van € 2.000,-- netto per maand. Een hoger inkomen acht de rechtbank, gelet op de omstandigheden en de leeftijd van de vrouw, op dit moment niet reëel.

2.3.30.

De vrouw stelt dat zij per maand voor haar kinderen [kind 1] en [kind 2] een bedrag van € 280,-- per maand besteed. De rechtbank acht dit bedrag niet onredelijk, zeker nu de man aan zijn twee kinderen van vergelijkbare leeftijd stelt € 3.349,-- per maand te besteden. De vrouw houdt daardoor voor zichzelf € 1.286,--, respectievelijk € 1.470,-- en € 1.720,-- over zolang zij deze kosten voor haar kinderen draagt.

2.3.31.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanvullende behoefte van de vrouw op dit moment € 2.522,-- netto bedraagt. Gebruteerd is dit bedrag € 5.051,--.

Bij ongewijzigde gegevens en omstandigheden, waaronder ook ongewijzigde wetgeving, bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw per 1 mei 2019 € 2.338,-- netto per maand, dat wil zeggen € 4.668,-- bruto per maand, en vanaf 1 mei 2020 € 2.088,-- netto per maand, dat wil zeggen € 4.147,-- bruto per maand. De rechtbank merkt op dat hierbij ook nog geen rekening is gehouden met de wettelijke indexering per 1 januari 2019 en 1 januari 2020.

Draagkracht

2.3.32.

Bij het berekenen van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen van de man van € 239.722,75 bruto per jaar. De rechtbank baseert zich hierbij op het gemiddelde inkomen van de man over de jaren 2015 (€ 232.926,-),

2016 (€ 238.008,--) en 2017 (€ 248.234,26), inclusief de door de man ontvangen bonussen. De rechtbank is van oordeel dat van het gehele inkomen van de man dient te worden uitgegaan en niet alleen van zijn basissalaris. Gelet op het feit dat de bonussen kunnen variëren, acht de rechtbank het redelijk om van een gemiddeld inkomen over de afgelopen drie jaren uit te gaan.

2.3.33.

De rechtbank houdt voorts rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

2.3.34.

De rechtbank neemt de volgende niet – dan wel onvoldoende – betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- de hypotheekrente van € 1.078,--;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95,--;

- premie levensverzekering van € 375,42;

- premie zorgverzekering ZVW van € 123,50;

- een eigen risico van € 32,-.

2.3.35.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

a. de kosten kinderen van € 3.349,--;

b. de aflossing en rente rekening-courantschuld van € 2.447,--.

2.3.36.

De rechtbank zal in het hiernavolgende ingaan op de door de vrouw betwiste posten.

a. de kosten van de kinderen

2.3.37.

De man stelt dat uit dient te worden gegaan van de werkelijke kosten van de kinderen. De man gaat in zijn berekening uit van door hem betaalde kinderalimentatie, kosten die de man aan de kinderen terug moet betalen, schoolgeld en kosten voor de aanschaf van spullen in hun kamers.

2.3.38.

De rechtbank acht het redelijk om bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met kosten voor de kinderen, aangezien de kinderen allebei nog studerend zijn en de man onderhoudsplichtig is jegens hen beiden. Niet gebleken is dat de ex-partner van de man, die in het buitenland verblijft, meebetaalt voor de kinderen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de Expertgroep Alimentatienormen adviseert om aan te sluiten bij de normbedragen uit de Wet Studiefinanciering 2000 (de WSF-norm), nu er voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen nog geen maatstaven zijn ontwikkeld. De WSF gaat voor studenten aan het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs ongeacht of zij thuis- of uitwonend zijn, uit van een lening van € 870,46, alsmede van een collegegeldkrediet van € 167,17. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om van een basisbehoefte van € 1.037,36 per maand per kind uit te gaan. Niet gebleken is naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat van andere, hogere, bedragen dient te worden uitgegaan. De rechtbank wijst er op dat de man, wanneer hij meer geld aan de kinderen wil (uit)geven, hij dit uit zijn vrije ruimte kan bekostigen.

b. de aflossing en rente rekening-courantschuld

2.3.39.

De man voert aan dat er sprake is van een rekening-courantschuld aan [naam holding] B.V. van € 286.510,--. Over deze schuld moet rente worden betaald en hij moet worden afgelost, aldus de man. Ter onderbouwing heeft de man een e-mailbericht van 9 maart 2018 overgelegd van [naam adviseur] te [plaatsnaam] , waarin aan de man wordt aanbevolen om binnen een periode van vier jaar de desbetreffende schuld af te lossen, teneinde een navorderingsaanslag te voorkomen. Ter zitting heeft de man meegedeeld dat hij fictief dividend zal gaan uitkeren en dividendbelasting gaat betalen. De vrouw betwist dat rekening moet worden gehouden met deze schuld, aangezien de man de afgelopen jaren ook niet op de schuld heeft afgelost en die verplichting op dit moment ook nog niet bestaat.

2.3.40.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel er op dit moment nog geen aflossingsverplichting bestaat en in het verleden niet op de schuld is afgelost, wel rekening gehouden dient te worden met de door de man te betalen aflossing en rente. De man dient immers op enig moment wel tot aflossing over te gaan, gelet op het feit dat hij anders een hoge boete zal krijgen. De rechtbank acht een periode van vier jaar echter zeer kort en zal, nu de noodzaak om in vier jaar af te lossen, niet, althans onvoldoende, is gebleken, in redelijkheid uitgaan van een periode van zes jaar. De rechtbank gaat dan ook uit van de volgende bedragen:

In het eerste jaar:

- gelet op de schuld die € 286.510,--bedraagt, bedraagt de jaarrente 4% over

€ 286.510,- : 12 = € 955,-- per maand;

- de dividenduitkering bedraagt € 286.510,- : 6 jaar = € 47.751,66 per jaar;

- de dividendbelasting bedraagt 25% van € 47.751,66 = € 11.937,92 :12 = € 994,83 per maand.

De rechtbank overweegt dat deze bedragen in de komende jaren zullen wijzigen, gelet op de aflossingen die de man doet. Gelet echter op hetgeen de rechtbank hierna zal overwegen ten aanzien van de draagkracht van de man, zal zij het berekenen van deze bedragen voor de komende jaren achterwege laten.

2.3.41.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande – te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen wooncomponent van € 222,- per maand en het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van de premie zorgverzekering van € 35,- per maand – en een draagkrachtpercentage van 60%.

2.3.42.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man over voldoende draagkracht beschikt om de hiervoor genoemde aanvullende behoefte van de vrouw te voldoen.

2.3.43.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de draagkracht van de man tevens naar de berekening, die aan deze beschikking is gehecht.

Jusvergelijking

2.3.44.

De man heeft verzocht de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken door middel van een zogenaamde jusvergelijking. Daarvoor is nodig dat de rechtbank de draagkracht van de vrouw beoordeelt, hetgeen de rechtbank in het navolgende zal doen.

2.3.45.

De rechtbank gaat – net als bij berekening van de resterende behoefte van de

vrouw – bij berekening van de financiële draagkracht van de vrouw uit van een netto besteedbaar inkomen van € 1.566,-- per maand.

2.3.46.

De rechtbank zal het in het kader van deze jusvergelijking, mede gelet op hetgeen is overwogen ten aanzien van de behoefte van de vrouw, rekening houden met een kale huur van € 1.115,-- per maand, kosten zorgverzekering van € 125,47 per maand en een verplicht eigen risico van € 32,-- per maand, alsmede met de door haar gestelde kosten van haar kinderen (ouderbijdrage) van € 280,-- per maand, nu deze de rechtbank noch bovenmatig noch onredelijk voorkomen.

2.3.47.

De rechtbank corrigeert het opgevoerde bedrag van de nominale premie ZVW met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van € 35,- per maand en de opgevoerde woonlast met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 222,- per maand.

Conclusie partneralimentatie

2.3.48.

Gelet op de uitkomst van de jusvergelijking en de aanvullende behoefte van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat een door de man te betalen partneralimentatie van

€ 5.051,-- bruto per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. De rechtbank verwijst daarbij tevens naar de aan deze beschikking gehechte jusvergelijking.

2.4.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.4.1.

De vrouw heeft zelfstandig verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen, waarin slechts een eenvoudige gemeenschap van inboedel is opgenomen. Zij verzoekt de afwikkeling van de gemeenschap van inboedel te bepalen zoals opgenomen in de door haar overgelegde verdelingslijst, inclusief de Mini One Jet Black met kenteken [kenteken auto] en te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van

€ 20.085,- dient te betalen op grond van zijn overbedeling en verder te bepalen dat de man een bedrag van € 1.019,- aan de vrouw dient te betalen als vergoeding van de door toedoen van de man geleden schade aan inkomensderving.

2.4.2.

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en verzoekt zelfstandig te bepalen dat de inboedelgoederen die zich thans nog in de woning bevinden aan hem worden toegedeeld en de inboedelgoederen die de vrouw heeft meegenomen aan haar worden toebedeeld, zonder nadere verrekening over en weer, waarbij aan de vrouw nog toekomen de inboedelgoederen die de man in een opslagruimte heeft opgeslagen, althans een zodanige verdeling te bepalen als de rechtbank juist acht. Verder verzoekt hij de Mini One Jet Black aan de man toe te delen zonder nadere verrekening, althans die beslissing te nemen die de rechtbank juist acht.

Inboedel

2.4.3.

Er is tussen partijen sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), namelijk de inboedel.

2.4.4.

Conform de hoofdregel van art. 3:166 lid 2 BW hebben partijen een gelijk aandeel in deze eenvoudige gemeenschap. Bij de verdeling kunnen zij daarom aanspraak maken op de helft van de (over)waarde van deze goederen.

2.4.5.

De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is welke inboedelgoederen die partijen op hun lijsten hebben gezet nog aanwezig zijn. Ook heeft geen van beide partijen duidelijk aangegeven welke inboedelgoederen hij/zij wil hebben. Daarnaast is de waarde van de inboedel door geen van beide partijen voldoende onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om in dit kader een taxatie te laten verrichten. De rechtbank zal – bij gebreke van andere gegevens – als wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van inboedel gelasten dat partijen, nadat de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking op de inboedellijsten van beide partijen heeft aangegeven welke inboedelgoederen er nog zijn, om de beurt een goed mogen kiezen, waarbij de vrouw mag beginnen. De rechtbank merkt hierbij op dat de goederen in de voormalige praktijkruimte van de vrouw niet behoren tot de inboedel. De man heeft in deze goederen geïnvesteerd en verstrekt aan de vrouw zodat zij haar eigen praktijk kon beginnen. Dit moet worden aangemerkt als een schenking op grond van artikel 7:175 van het Burgerlijk Wetboek, zodat deze goederen aan de vrouw toebehoren.

2.4.6.

Gelet op het voorgaande dient het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 20.085,- dient te betalen op grond van zijn overbedeling, te worden afgewezen.

Mini One Jet Black kenteken [kenteken auto]

2.4.7.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de auto, op grond van artikel 1, tweede lid onder b van de huwelijksvoorwaarde van partijen, geen onderdeel uitmaakt van de inboedel.

2.4.8.

Voorts stelt de rechtbank vast dat niet is komen vast te staan dat de Mini, die op naam van de man staat, geheel of gedeeltelijk door de vrouw is gefinancierd. De rechtbank moet het er dan ook voor houden dat de Mini tot het privé-vermogen van de man behoort.

2.4.9.

De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

Schadevergoeding

2.4.10.

Ten slotte verzoekt de vrouw te bepalen dat de man een bedrag van € 1.019,- aan de vrouw dient te betalen als vergoeding van de door toedoen van de man geleden schade aan inkomensderving.

2.4.11.

Gesteld noch gebleken is op welke rechtsgrond de vrouw dit verzoek baseert. De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

2.5.

Proceskosten

2.5.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaatsnaam] op 26 juni 2009;

3.2.

bepaalt dat de man €5.051,- bruto per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.3.

bepaalt dat de man met ingang van 1 mei 2019 een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw dient te voldoen van € 4.668,-- bruto per maand;

3.4.

bepaalt dat de man met ingang van 1 mei 2020 een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw dient te voldoen van € 4.147,-- bruto per maand;

3.5.

gelast als wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van inboedel dat partijen, nadat de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking op de door partijen overgelegde inboedellijsten heeft aangegeven welke inboedelgoederen er nog zijn, om de beurt een goed mogen kiezen, waarbij de vrouw mag beginnen;

3.6.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

3.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.E. de Koning, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T.M.M.P. Westbroek op 25 april 2018.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..