Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2693

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/13/622237 / HA ZA 17-68
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GIN Schade (een claimstichting die zegt op te komen voor gedupeerde investeerders in het inmiddels failliete bomenparticipatiefonds Groei Invest Nederland) is niet ontvankelijk in haar collectieve actie tegen een financier en twee notarissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/324
JOR 2018/202 met annotatie van mr. drs. D.F.H. Stein
NTHR 2018, afl. 4, p. 215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/622237 / HA ZA 17-68

Vonnis van 25 april 2018

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING GIN SCHADE,

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. H. van Schuppen te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDM FINANCIERINGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.W.A.M. Visée te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

voorheen kantoorhoudende te [plaats] , domicilie gekozen hebbende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.H. Rammeloo te Amsterdam,

3. [gedaagde sub 3],

kantoorhoudende te [plaats] , domicilie gekozen hebbende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.H. Rammeloo te Amsterdam.

Eisers zullen hierna afzonderlijk ook SGS, [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] , en gezamenlijk SGS c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk IDM, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden genoemd. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zullen hierna gezamenlijk ook de notarissen worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 januari 2017, met producties,

  • -

    de drie conclusies van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 18 oktober 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2018 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    het B-formulier van mr. Van Schuppen namens SGS c.s. van 22 maart 2018 naar aanleiding van het proces-verbaal,

  • -

    de brief van mr. Visée namens IDM van 23 maart 2018 naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    het B-formulier van mr. Rammeloo namens de notarissen van 26 maart 2018 waarin zij bezwaar maakt tegen de in het B-formulier van mr. Van Schuppen opgenomen toelichting op de eiswijziging.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Groen Invest Nederland B.V. (GIN) en GIN Bomenexploitatiemaatschappij B.V. (GIN Bomen, hierna gezamenlijk ook GIN c.s.) hebben vanaf medio 1996 tot 2006 participaties in het zogeheten Groengroeiplan aangeboden en verkocht. De participaties geven recht op 95% van de (netto) kapopbrengst van een bepaald deel van een perceel met door GIN c.s. beplante en beheerde Robiniabomen. Een perceel bedraagt ongeveer 1/8 hectare. Per perceel zouden ongeveer 875 bomen worden aangeplant. Na acht en vijftien jaar zou er een tussenkap plaatsvinden en na twintig jaar een eindkap, met uitkering van de opbrengst aan de participant.

2.2.

In de periode vanaf juni 1996 tot eind 2000 of begin 2001 heeft IDM aan participanten in het Groengroeiplan een financiering verstrekt ten behoeve van het verwerven van participaties, in de vorm van een persoonlijke lening of een doorlopend krediet.

2.3.

De overeenkomsten tussen GIN c.s. en de participanten zijn vastgelegd in notariële akten. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] waren notaris respectievelijk kandidaat-notaris bij het kantoor waar GIN c.s. in de periode 1996-2001 de notariële akten liet verlijden. [gedaagde sub 3] werkte tot 1999 als kandidaat-notaris bij dit kantoor. In het informatiepakket van GIN c.s. voor potentiële participanten zat een conceptakte en een volmacht, waarin naar de conceptakte wordt verwezen. Vanaf medio 2001 hebben [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] geen werkzaamheden meer verricht ten behoeve van de participaties.

2.4.

In totaal heeft GIN c.s. in Nederland ongeveer 800 hectare grond beplant met Robiniabomen.

2.5.

Op het merendeel van de beplante gronden is een zakelijk recht van vruchtgebruik ten behoeve van Stichting Vruchtgebruik Robinia (hierna: Stivru) gevestigd. Deze stichting heeft tot doel de bescherming van de belangen van de participanten, voor het geval GIN c.s. niet in staat zou zijn haar verplichtingen jegens de participanten na te komen. Een participant moest per participatie naast de aan GIN verschuldigde inleg ook een bedrag van ƒ 2.500 storten op een rekening van Stivru. Dit bedrag was bestemd voor het onderhoud van de bomen gedurende twintig jaar.

2.6.

[gedaagde sub 3] is van april 1996 tot medio 2005 voorzitter geweest van Stivru.

2.7.

In totaal hebben meer dan 5.000 participanten samen 6.964 participaties gekocht. Daarvan zijn 4.164 participaties gefinancierd bij IDM. Het kantoor van [gedaagde sub 2] heeft in de periode 1996-2001 5.852 akten verleden.

2.8.

[eiseres sub 2] en zijn echtgenote [eiseres sub 3] hebben op 2 juli 1998 een ‘Deelnameformulier Groengroeiplan’ getekend. Hierin staat onder meer:

“(...) Ja, ik neem deel in het GROENGROEIPLAN® van GROEN INVEST NEDERLAND (GIN) BV voor:

 een 1/8 hectare volgens prijsblad.

conform getekende bijlage, tegen een maandelijkse betaling van ƒ 98,-,
mits mijn financiering door de Bank/Financierings Mij. wordt geaccordeerd.
(...)
Getekend te Hilversum op 2-7 1998
Bij het niet nakomen van deze overeenkomst wordt 5% annuleringskosten in rekening gebracht.
(...)”.

2.9.

Vervolgens hebben [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] op 15 juli 1998 een overeenkomst gesloten met IDM, op grond waarvan IDM hun een persoonlijke lening heeft verstrekt van ƒ 22.358,00. Op grond van de leningsovereenkomst zal na het passeren van de notariële akte de kredietsom worden uitbetaald aan GIN en aan Stivru. Daarna is op 28 juli 1998 de notariële akte verleden ten overstaan van [gedaagde sub 2] , waarbij [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] zijn vertegenwoordigd krachtens een door hen aan het notariskantoor verstrekte volmacht.

2.10.

GIN c.s. gaf aan participanten in de loop van de tijd verschillende garanties af. Rond 1996/1997 gaf GIN c.s. een eindewaardegarantie af, op grond waarvan GIN c.s. garandeerde dat de opbrengst van de participatie ten minste gelijk zou zijn aan de helft van de inleg. Dit bedrag is later verhoogd. In latere akten is veelal opgenomen dat GIN c.s. garandeert dat zij een verzekering zal afsluiten die, indien de kapopbrengst van de participatie minder bedraagt dan de inleg, dit verschil aan de participant vergoedt (hierna: de inleggarantie).

2.11.

In 2001 of 2002 heeft GIN c.s. alle participanten verzocht ermee in te stemmen dat de garantie die was opgenomen in de notariële akte zou worden omgezet in een houtvolumegarantie. 95% van de participanten heeft daarmee ingestemd, onder wie [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] . De participanten die niet hebben ingestemd hebben uitkeringen ontvangen gelijk aan het in de notariële akte aan de desbetreffende participant gegarandeerde bedrag. Deze participanten zijn uit het project gestapt.

2.12.

De Autoriteit Financiële Markten heeft in 2007 de aanvraag van GIN om een vergunning als bedoeld in artikel 2:55 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) afgewezen en aangegeven dat GIN moest overgaan tot afwikkeling van het project. Het hiertegen door GIN ingestelde beroep is ongegrond verklaard.

2.13.

Stivru heeft in een brief van 3 maart 2008 aan de participanten bericht dat er een vertrouwenscrisis is ontstaan tussen Stivru en GIN en dat Stivru bezorgd is over het door GIN gevoerde beleid en de weigering om informatie te geven over haar financiële positie. In de brief wordt gerefereerd aan een brief van mr. Van Schuppen (de advocaat van SGS) die is bijgevoegd. In deze brief van mr. Van Schuppen worden participanten uitgenodigd deel te nemen aan een collectieve actie, waarbij zij een inleg van € 75 dienen te betalen en 20% van een eventueel te ontvangen bedrag.

2.14.

Op 3 juli 2008 heeft mr. Van Schuppen SGS opgericht. SGS heeft volgens de in de akte van oprichting opgenomen statuten het volgende doel:

Artikel 2
1. De stichting heeft ten doel:
a. het op eigen naam en zonder winstoogmerk ter behartiging van de belangen van de
participanten van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. – welke deelnemen aan de collectief juridische actie GIN – gezamenlijk (doen) uitoefenen van de rechten van participanten die een participatieovereenkomst sloten met Groen Invest Nederland

(GIN) B.V. (....)”.

2.15.

Bij de oprichting vormden [naam 1] , [naam 2] en [eiseres sub 2] het bestuur van SGS.

2.16.

De advocaat van SGS (mr. Van Schuppen) heeft namens SGS bij brief van 11 september 2008 IDM bericht dat de tussen IDM en participanten gesloten leningsovereenkomsten op meerdere gronden nietig of vernietigbaar zijn en dat IDM toerekenbaar is tekortgeschoten en onrechtmatig heeft gehandeld. In de brief is onder meer opgenomen:

“(...)
Namens Stichting GIN Schade (‘SGS’) informeer en verzoek ik u.
(...)

1. SGS heeft als doel – kort gezegd – de behartiging van de belangen van participanten van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. (‘GIN’) die zich aanmeldden voor de collectief juridische actie GIN. Thans zijn meer dan 1.000 participanten aangemeld voor de collectief juridische actie GIN. (...)

(…)

3. SGS beoogt een collectief juridische vordering aanhangig te maken, op basis van artikel 3:305a BW, ten behoeve van degenen wiens belangen zij statutair behartigt. (...)

4. SGS vordert volledige compensatie van de schade van; c.q. het nadeel dat wordt geleden door degenen ten behoeve waarvan SGS statutair de belangen behartigt en verzoekt om overleg ter zake.
(...)”.

2.17.

Bij brieven van 11 september 2008 heeft de advocaat van SGS namens SGS aan de notarissen bericht dat de notarissen de op hen rustende verplichtingen naast zich neer hebben gelegd. Deze brieven van 11 september 2008 bevatten dezelfde introductie als hiervoor (onder 2.16) opgenomen.

2.18.

Begin 2009 heeft IDM, in overleg met SGS, een steekproef gedaan naar de door IDM in het verleden uitgevoerde kredietwaardigheidstoets bij twintig participanten, onder wie [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] .

2.19.

Op 11 mei 2009 is GIN c.s. in staat van faillissement verklaard.

2.20.

Op 2 december 2010 is [naam 2] afgetreden als bestuurder van SGS.

2.21.

Per e-mail van 22 augustus 2013 heeft de advocaat van SGS aan de advocaten van IDM en de notarissen onder meer bericht:


“Hierbij informeer ik u namens SGS alsmede de 1.541 participanten opgenomen op bijgevoegd overzicht dat zij zich ondubbelzinnig rechten op nakoming van de ongedaanmakings- en schadevergoedingsverplichting voorbehouden, een en ander conform opgenomen onder artikel 3:317, lid 1 BW en – voor zover (nog) nodig – informeer ik u ook (wederom) een beroep te doen namens voormelde partijen op de nietigheid, vernietigbaarheid van de leningsovereenkomsten alsmede de buitengerechtelijke ontbinding daarvan.”

2.22.

Op 8 februari 2018 heeft SGS haar statuten gewijzigd. Het gewijzigde artikel 2 luidt sindsdien:

Artikel 2
1. De stichting heeft ten doel:

a. het op eigen naam en zonder winstoogmerk ter behartiging van de belangen van de participanten van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. gezamenlijk (doen) uitoefenen van de rechten van participanten die een participatieovereenkomst sloten met Groen Invest Nederland (GIN) B.V. (...)”.

3 Het geschil

3.1.

SGS c.s. vordert – na wijziging van eis – dat het de rechtbank Amsterdam moge behagen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

op de vordering van Stichting GIN Schade ten behoeve van degenen waarvan Stichting GIN Schade statutair, zoals luidend sinds 8 februari 2018, de belangen behartigt; althans,

  • -

    subsidiair, voor zover degenen zijn aangesloten of zich aansluiten bij de collectief juridische actie GIN/Stichting GIN Schade; althans,

  • -

    meer subsidiair, voor zover degenen op 22 augustus 2013 waren aangesloten bij de collectief juridische actie GIN/Stichting GIN Schade; althans,

  • -

    nog meer subsidiair, voor zover degenen op 11 september 2008 waren aangesloten bij de collectief juridische actie GIN/Stichting GIN Schade;

jegens IDM Financieringen B.V.

Primair

( i) voor recht te verklaren dat de leningsovereenkomsten tussen de participanten ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd en IDM Financieringen B.V. van rechtswege nietig zijn, indien en voor zover deze tot stand zijn gekomen; althans zijn voorafgegaan door ontvangst van het ingevulde Deelnameformulier Groengroeiplan, indien en voor zover op het Deelnameformulier Groengroeiplan niet werd opgenomen de bedenktermijn zoals genoemd onder artikel 25 lid 1 Colportagewet of het Deelnameformulier Groengroeiplan niet werd ondertekend door of namens Groenin Invest Nederland (GIN) B.V. en als plaats van ondertekening werd opgenomen de - ten tijde van de ondertekening van het Deelnameformulier Groengroeiplan - woonplaats van de betreffende (beoogd) participant; althans onder voornoemde omstandigheden, wordt vermoed dat de betreffende leningsovereenkomst nietig is;

( ii) althans voor recht te verklaren dat de leningsovereenkomsten tussen de participanten ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd en IDM Financieringen B.V. rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd; althans de leningsovereenkomsten tussen de participanten ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd en IDM Financieringen B.V. te vernietigen; en

( iii) althans voor recht te verklaren dat de leningsovereenkomsten tussen de participanten ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd en IDM Financieringen B.V. rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn ontbonden; althans de leningsovereenkomsten tussen de participanten ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd en IDM Financieringen B.V. te ontbinden; en

( iv) IDM Financieringen B.V. hoofdelijk – des voor zover voldaan dit in mindering strekt op verplichtingen van overig gedaagden in dezen – te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis uitvoering te geven aan de ongedaanmakingsverbintenissen jegens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd door overboeking op de derdengeldenrekening van de raadsman van Stichting GIN Schade; althans een namens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd aan te wijzen bankrekening, van een bedrag gelijk aan hetgeen door de betreffende kredietnemer aan IDM Financieringen B.V. werd voldaan aan rente en aflossingen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van betaling van rente en/of aflossing door IDM Financieringen B.V.; althans vanaf 11 september 2008, althans vanaf de datum van dagvaarding; althans vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, tot de dag van volledige betaling, onder aftrek van de faillissementsuitkering die door de betreffende kredietnemer werd ontvangen uit het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en onder aftrek van hetgeen werd ontvangen door de betreffende kredietnemer van de stichting vruchtgebruik Robinia, onder de bepaling dat IDM Financieringen B.V. na volledige betaling als voornoemd, zal treden in de rechten van de betreffende kredietnemer jegens de curator in het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en jegens de stichting vruchtgebruik Robinia.

Subsidiair

( v) voor recht te verklaren dat IDM Financieringen B.V. onrechtmatig handelde jegens al degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd; althans jegens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd die een leningsovereenkomst aangingen met IDM Financieringen B.V. in verband met de verwerving van een participatie van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en het condicio sine qua non-verband tussen de schade van degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd en het onrechtmatig handelen door IDM Financieringen B.V. in beginsel kan worden aangenomen;

( vi) dan wel iedere andere beslissing te nemen die de rechtbank Amsterdam in goede justitie vermeent te behoren;

( vii) kosten rechtens;

en jegens [gedaagde sub 2]

Primair

( viii) voor recht te verklaren dat de notariële akten verleden door een (kandidaat-)notaris, verbonden aan het kantoor waaraan [gedaagde sub 2] was verbonden ten tijde van het passeren van de betreffende notariële akte ten behoeve van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en een (beoogd) participant daarin, ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt als voornoemd, van rechtswege nietig zijn; althans bij gebreke van een geldige titel de met de voornoemde akte beoogde rechtsgevolgen niet tot stand kwamen, indien en voor zover de betreffende notariële akte tot stand kwam; althans werd voorafgegaan door ontvangst van het ingevulde Deelnameformulier Groengroeiplan, indien en voor zover op het Deelnameformulier Groengroeiplan niet werd opgenomen de bedenktermijn zoals genoemd onder artikel 25 lid 1 Colportagewet dan wel het Deelnameformulier Groengroeiplan niet werd ondertekend door of namens Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en als plaats van ondertekening is opgenomen de - ten tijde van de ondertekening van het Deelnameformulier Groengroeiplan - woonplaats van de betreffende (beoogde) participant; althans voor recht te verklaren dat alsdan wordt vermoed dat de betreffende notariële akten nietig zijn; althans voor recht te verklaren dat met de betreffende notariële akte niet de beoogde rechtsgevolgen tot stand kwamen vanwege een titelgebrek; althans dat onder voornoemde omstandigheden wordt vermoed dat met de betreffende notariële akte niet de beoogde rechtsgevolgen tot stand kwamen vanwege een titelgebrek;

( ix) [gedaagde sub 2] hoofdelijk – des voor zover voldaan dit in mindering strekt op verplichtingen van overig gedaagden in dezen – te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis uitvoering te geven aan de verplichting jegens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt als voornoemd, door overboeking op de derdenrekening van de raadsman van Stichting GIN Schade; althans een namens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd aan te wijzen bankrekening, tot betaling van een bedrag gelijk aan hetgeen door of namens de betreffende participant werd voldaan aan het kantoor waaraan [gedaagde sub 2] was verbonden ten tijde van het passeren van de betreffende notariële akte ten behoeve van de (beoogde) verkrijging van een participatie in Groen Invest Nederland (GIN) B.V., subsidiair; althans indien en voor zover de notariële akte werd gepasseerd door [gedaagde sub 2] , vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van het bedrag als voornoemd; althans vanaf 11 september 2008; althans vanaf de datum van dagvaarding; althans vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, tot de dag van volledige betaling, onder aftrek van de faillissementsuitkering die door de betreffende kredietnemer werd ontvangen uit het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en onder aftrek van hetgeen werd ontvangen door de betreffende kredietnemer van de stichting vruchtgebruik Robinia, onder de bepaling dat [gedaagde sub 2] na volledige betaling als voornoemd, voor zover (mede) zal treden in de rechten van de betreffende participant van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. jegens de curator in het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en jegens de stichting vruchtgebruik Robinia.

Subsidiair

( x) voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig handelde jegens al degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd; althans jegens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd waarvoor het kantoor van [gedaagde sub 2] een notariële akte passeerde; althans waarvoor [gedaagde sub 2] een notariële akte passeerde tussen enerzijds degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd en anderzijds Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en GIN Bomenexploitatiemaatschappij B.V., strekkende tot verkrijging van een recht op de opbrengst van Robiniahout, afkomstig van een in de betreffende akte genoemd perceel

( xi) het condicio sine qua non-verband tussen de schade van degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd en het onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 2] in beginsel kan worden aangenomen;

( xii) dan wel iedere andere beslissing te nemen die de rechtbank Amsterdam in goede justitie vermeent te behoren;

( xiii) kosten rechtens;

en jegens [gedaagde sub 3]

Primair

( xiv) voor recht te verklaren dat de notariële akten verleden door een (kandidaat-)notaris verbonden aan het kantoor waaraan [gedaagde sub 3] was verbonden ten tijde van het passeren van de betreffende notariële akte ten behoeve van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en een (beoogd) participant daarin, ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt als voornoemd, van rechtswege nietig zijn, althans bij gebreke van een geldige titel de met de voornoemde akte beoogde rechtsgevolgen niet tot stand kwamen, indien en voor zover de betreffende notariële akte tot stand kwam; althans werd voorafgegaan door ontvangst van het ingevulde Deelnameformulier Groengroeiplan, indien en voor zover op het Deelnameformulier Groengroeiplan niet werd opgenomen de bedenktermijn zoals genoemd onder artikel 25 lid 1 Colportagewet dan wel het Deelnameformulier Groengroeiplan niet werd ondertekend door of namens Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en als plaats van ondertekening is opgenomen de - ten tijde van de ondertekening van het Deelnameformulier Groengroeiplan - woonplaats van de betreffende (beoogde) participant; althans voor recht te verklaren dat alsdan wordt vermoed dat de betreffende notariële akten nietig zijn; althans voor recht te verklaren dat met de betreffende notariële akte niet de beoogde rechtsgevolgen tot stand kwamen vanwege een titelgebrek; althans dat onder voornoemde omstandigheden wordt vermoed dat met de betreffende notariële akte niet de beoogde rechtsgevolgen tot stand kwamen vanwege een titelgebrek;

( xv) [gedaagde sub 3] hoofdelijk – des voor zover voldaan dit in mindering strekt op verplichtingen van overig gedaagden in dezen – te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis uitvoering te geven aan de verplichting jegens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt als voornoemd, door overboeking op de derdenrekening van de raadsman van Stichting GIN Schade; althans een namens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt als voornoemd, aan te wijzen bankrekening, tot betaling van een bedrag gelijk aan hetgeen door of namens de betreffende participant werd voldaan aan het kantoor waaraan [gedaagde sub 3] was verbonden ten tijde van het passeren van de betreffende notariële akte ten behoeve van de (beoogde) verkrijging van een participatie in Groen Invest Nederland (GIN) B.V., subsidiair; althans indien en voor zover de notariële akte werd gepasseerd door [gedaagde sub 3] , vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van het bedrag als voornoemd; althans vanaf 11 september 2008; althans vanaf de datum van dagvaarding; althans vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, tot de dag van volledige betaling, onder aftrek van de faillissementsuitkering die door de betreffende participant werd ontvangen uit het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en onder aftrek van hetgeen werd ontvangen door de betreffende participant van de stichting vruchtgebruik Robinia, onder de bepaling dat [gedaagde sub 3] na volledige betaling als voornoemd, voor zover (mede) zal treden in de rechten van de betreffende participant van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. jegens de curator in het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en jegens de stichting vruchtgebruik Robinia.

Subsidiair

  • -

    xvi) voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 3] onrechtmatig handelde jegens al degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd; althans jegens degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd waarvoor het kantoor van [gedaagde sub 3] een notariële akte passeerde; althans waarvoor [gedaagde sub 3] een notariële akte passeerde tussen enerzijds degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade statutair de belangen behartigt, als voornoemd en anderzijds Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en GIN Bomenexploitatiemaatschappij B.V., strekkende tot verkrijging van een recht op de opbrengst van Robiniahout, afkomstig van een in de betreffende akte genoemd perceel;

  • -

    xvii) het condicio sine qua non-verband tussen de schade van degenen ten behoeve waarvan Stichting GIN Schade de belangen behartigt, als voornoemd en het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 3] in beginsel kan worden aangenomen;

( xviii) dan wel iedere andere beslissing te nemen die de rechtbank Amsterdam in goede justitie vermeent te behoren;

( xix) kosten rechtens;

Op de vordering van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens IDM Financieringen B.V.

( i) voor recht te verklaren dat de leningsovereenkomst tussen de [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] en IDM Financieringen B.V. van rechtswege nietig is; althans rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd; althans de leningsovereenkomst te vernietigen; althans voor recht te verklaren dat de leningsovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk werd ontbonden; althans deze te ontbinden; en

( ii) IDM Financieringen B.V. hoofdelijk – des voor zover voldaan dit in mindering strekt op verplichtingen van overig gedaagde in dezen – te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis uitvoering te geven aan de ongedaanmakingsverbintenis jegens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] door overboeking op de derdenrekening van hun raadsman van een bedrag gelijk aan hetgeen door [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] werd voldaan aan rente en aflossingen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van betaling van rente en/of aflossing door IDM Financieringen B.V.; althans vanaf 11 september 2008, althans vanaf de datum van dagvaarding; althans vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, tot de dag van volledige betaling, onder aftrek van de faillissementsuitkering die door [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] werd ontvangen uit het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en onder aftrek van hetgeen werd ontvangen door [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] van de stichting vruchtgebruik Robinia, onder de bepaling dat IDM Financieringen B.V. na volledige betaling als voornoemd, zal treden in de rechten van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens de curator in het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en jegens de stichting vruchtgebruik Robinia.

Subsidiair

( iii) voor recht te verklaren dat IDM Financieringen B.V. onrechtmatig handelde jegens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] in verband met het aangaan van de leningsovereenkomst strekkende tot verwerving van een participatie van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en IDM Financieringen B.V. aansprakelijk is voor de schade van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] met verwijzing naar de schadestaatprocedure dan wel de schade door uw rechtbank in goede justitie te begroten;

Meer subsidiair

( iv) voor recht te verklaren dat IDM Financieringen B.V. onrechtmatig handelde jegens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] in verband met het aangaan van de leningsovereenkomst strekkende tot verwerving van een participatie van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. door een persoonlijke lening te verstrekken ondanks dat bleek van onvoldoende bestedingsruimte om de verplichtingen uit hoofde van de betreffende leningsovereenkomst te kunnen voldoen en IDM Financieringen B.V. aansprakelijk is voor de schade van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] met verwijzing naar de schadestaatprocedure dan wel deze door uw rechtbank in goede justitie te begroten;

( v) dan wel iedere andere beslissing te nemen die de rechtbank Amsterdam in goede justitie vermeent te behoren;

( vi) kosten rechtens;

Op de vordering van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens [gedaagde sub 2]

Primair

( vii) voor recht te verklaren dat de notariële akte verleden door [gedaagde sub 2] ten behoeven van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] strekkende tot (beoogde) verkrijging van een participatie in Groen Invest Nederalnd (GIN) B.V. nietig is, althans bij gebreke van een geldige titel de met de voornoemde akte beoogde rechtsgevolgen niet tot stand kwamen aangezien de betreffende notariële akte tot stand kwam; althans werd voorafgegaan door ontvangst van het door [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] ingevulde Deelnameformulier Groengroeiplan waarin niet werd opgenomen de bedenktermijn zoals genoemd onder artikel 25 lid 1 Colportagewet en het Deelnameformulier Groengroeiplan niet werd ondertekend door of namens Groen Invest Nederland (GIN) B.V.

( viii) [gedaagde sub 2] hoofdelijk – des voor zover voldaan dit in mindering strekt op verplichtingen van IDM Financieringen B.V. – te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis uitvoering te geven aan de verplichting jegens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] , door overboeking op de derdenrekening van de raadsman van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] , tot betaling van een bedrag gelijk aan hetgeen door of namens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] werd voldaan aan het kantoor van [gedaagde sub 2] , vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van het bedrag als voornoemd; althans vanaf 11 september 2008; althans vanaf de datum van dagvaarding; althans vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, tot de dag van volledige betaling, onder aftrek van de faillissementsuitkering die door [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] werd ontvangen uit het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en onder aftrek van hetgeen werd ontvangen door [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] van de stichting vruchtgebruik Robinia, onder de bepaling dat [gedaagde sub 2] na volledige betaling als voornoemd, voor zover (mede) zal treden in de rechten van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens de curator in het faillissement van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en jegens de stichting vruchtgebruik Robinia.

Subsidiair

( ix) voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig handelde jegens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] en [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de schade van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] met verwijzing naar de schadestaatprocedure dan wel deze schade door uw rechtbank in goede justitie te begroten;

( x) dan wel iedere andere beslissing te nemen die de rechtbank Amsterdam in goede justitie vermeent te behoren;

( xi) kosten rechtens.

3.2.

IDM en de notarissen voeren verweer. Zij maken daarnaast bezwaar tegen de

wijziging van eis.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

ten aanzien van SGS jegens IDM en de notarissen

4.1.

Zowel IDM als de notarissen hebben aangevoerd dat SGS niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Volgens hen wordt om verschillende redenen niet voldaan aan de vereisten van artikel 3:305a lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast beroepen IDM en de notarissen zich op verjaring.

4.2.

Artikel 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Met de regeling van artikel 3:305a BW is beoogd een effectieve en efficiënte rechtsbescherming te bieden aan personen voor wier belangen een rechtspersoon als bedoeld in die bepaling opkomt. Een collectieve actie is in beginsel mogelijk als de bij de vordering betrokken belangen zich voor bundeling lenen.

4.3.

Tot de recente wijziging van haar statuten in 2018 was het doel van SGS het behartigen van de belangen van participanten “welke deelnemen aan de collectieve juridische actie GIN”, derhalve participanten die zich bij SGS hebben aangesloten voor een collectief juridische actie. Ook uit de brieven van 11 september 2008 aan IDM en de notarissen (zoals hiervoor onder 2.16 en 2.17 vermeld) en uit de dagvaarding volgt dat SGS tot doel heeft gehad de behartiging van de belangen van participanten die zich reeds hadden aangemeld voor de collectief juridische actie tegen GIN c.s. In de dagvaarding wordt herhaald wat in de brieven aan IDM en de notarissen staat, namelijk dat SGS tot doel heeft “de behartiging van de belangen van participanten (…) die zich aanmeldden [verleden tijd, rb] voor de collectief juridische actie GIN”.

4.4.

Een 305a-organisatie dient op grond van de wettekst het belang van “andere personen” te behartigen. Volgens de memorie van toelichting bij artikel 3:305a BW wordt met de zinssnede “belangen van andere personen” in de wetsbepaling tot uitdrukking gebracht dat de mogelijkheid tot het instellen van een collectieve actie niet in het leven is geroepen voor zuiver individuele belangenbehartiging. Daarvoor bestaan andere mogelijkheden, zoals de procesvolmacht (zie: TK 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 22).

Als een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven het procederen op naam van een belanghebbende, dan dient volgens de wetgever de voorkeur te worden gegeven aan dat laatste. In beginsel heeft een tegenpartij er immers recht op te worden aangesproken door degenen om wiens belangen het in de procedure in feite gaat (zie: TK 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 23).

4.5.

Ook tijdens de parlementaire behandeling van de aanpassing van artikel 3:305a BW per 1 juli 2013 is hierop nader ingegaan. De minister heeft toen onder meer opgemerkt (zie: TK 2012-2013, 33 126, nr. 7, p. 8 en 10):

(...) De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat in de praktijk grote twijfels bestaan over de wettelijke invulling van het representativiteitsvereiste. Zo zijn het bedrijfsleven en een aantal vertegenwoordigers van de advocatuur van oordeel dat de eisen scherper zouden moeten zijn (...). Ter vermijding van misverstanden merk ik allereerst op dat er in het huidige wetsvoorstel vanaf is gezien om voor de ontvankelijkheid in een collectieve actie te verlangen dat de eisende organisatie voldoende representatief is ter zake van de belangen dan degenen ten behoeve van wie deze actie is ingesteld. (...) Tevens wil ik het misverstand wegnemen dat voor de ontvankelijkheid thans niet vereist is dat belangenbehartiging in de statuten moet zijn opgenomen. Een belangenorganisatie kan ingevolge artikel 3:305a lid 1 BW alleen ter bescherming van een bepaald belang een rechtsvordering instellen indien dit in overeenstemming is met de doelstelling van deze organisatie. Uit de statuten dient derhalve te blijken welke belangen een organisatie beoogt te behartigen, en alleen voor die belangen kan zij in rechte opkomen. Men kan dit zien als een voortvloeisel van de zogenaamde ultra vires-leer; een rechtspersoon kan slechts handelingen verrichten die binnen het doel liggen waarvoor hij in het leven is geroepen.

(...)
Een eis inhoudende dat een belangenorganisatie voor de meerderheid van de benadeelden opkomt is een overbodige eis. In een collectieve actie wordt immers per definitie opgekomen voor de belangen van alle door een gebeurtenis gedupeerde benadeelden. Artikel 3:305a BW biedt niet de mogelijkheid om in rechte op te komen voor bijvoorbeeld alleen de eigen leden of aangeslotenen. Indien een belangenorganisatie dat zou wensen, kan c.q. dient geprocedeerd te worden krachtens volmacht of lastgeving.
(...)
[onderstrepingen rb]

4.6.

Gelet op de tekst van artikel 3:305a BW en de strekking van de bepaling – zoals in de memorie van toelichting en nadien bij de wetswijziging door de minister nader toegelicht – voldoet SGS niet aan de vereisten voor een 305a-organisatie. Een organisatie die volgens haar statuten slechts de belangen van de bij haar aangesloten personen wenst te behartigen, kan namelijk niet optreden als collectieve belangenorganisatie. Dat is bij SGS gelet op haar tot 8 februari 2018 luidende statutaire doel aan de orde. Dat zij thans stelt altijd al namens alle participanten te hebben opgetreden, kan haar niet baten, aangezien uit de statuten anders blijkt.

4.7.

SGS heeft op 8 februari 2018 haar statuten gewijzigd. Voor zover SGS stelt dat zij hiermee thans, althans sinds 8 februari 2018, mede namens een ruimere groep participanten – te weten ook de participanten die niet al waren en/of zijn aangesloten – optreedt, kan haar dat niet baten. Nu de participanten die niet zijn aangesloten bij SGS niet behoorden tot de groep ten behoeve van wie de vordering bij dagvaarding – die is uitgebracht op 10 januari 2017 – is ingesteld, kan SGS deze groep niet hangende de procedure alsnog erbij betrekken. Op die wijze zou zij in een andere kwaliteit gaan optreden dan die waarin zij de procedure aanhangig heeft gemaakt hetgeen niet mogelijk is. Een eisende partij heeft immers op de voet van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet de bevoegdheid zijn hoedanigheid gedurende het geding te wijzigen (vergelijk: Hoge Raad 2 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0919). IDM heeft terecht hierop gewezen.

4.8.

SGS heeft zich ter zitting in algemene zin nog beroepen op zaakwaarneming. Voorts heeft SGS ter zitting gewezen op de volmacht die participanten hebben ondertekend, waarmee de participanten volgens SGS een volmacht hebben verstrekt aan mr. Van Schuppen om namens hen in rechte op te treden. Kennelijk stelt SGS thans dat zij optreedt als gevolmachtigde van mr. Van Schuppen die op zijn beurt als gevolmachtigde optreedt van de participanten die zich bij mr. Van Schuppen hebben aangemeld. Ook deze draai die SGS aan haar hoedanigheid probeert te geven stuit af op artikel 130 Rv. Een eisende partij die – zoals hier het geval – niet reeds bij dagvaarding heeft gesteld (mede) op te treden als gevolmachtigde van een met name genoemde volmachtgever of als zaakwaarnemer, kan niet hangende de procedure die hoedanigheid alsnog aannemen door haar eis op die wijze te veranderen.

4.9.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat SGS niet kan worden ontvangen in haar vorderingen.

4.10.

Het oordeel dat SGS geen 305a-organisatie is, heeft ook gevolgen voor de verjaring.

4.11.

Volgens SGS heeft zij met haar brieven van 11 september 2008 als 305a-organisatie de verjaring namens haar gehele achterban gestuit. Zij heeft daarbij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:766, VEB NCVB/ Deloitte). In dit arrest is inderdaad overwogen dat een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW de verjaring van vorderingen van personen voor wier belangen hij opkomt kan stuiten, waaronder de vordering tot vergoeding van schade. Aangezien SGS echter – zoals hiervoor overwogen – niet als 305a-organisatie kan worden aangemerkt, heeft SGS met deze brieven de verjaring niet namens de gehele achterban gestuit. Nu SGS de brieven van 11 september 2008 alleen heeft gestuurd in haar vermeende hoedanigheid van 305a-organisatie en niet als gevolmachtigde van de participanten, is met de brieven van 11 september 2008 geen verjaring gestuit (en overigens evenmin de vernietiging van een leningsovereenkomst tot stand gekomen). Dit betekent dat het hiertoe strekkende verweer van IDM, waarbij de notarissen zich hebben aangesloten, slaagt.

4.12.

IDM en de notarissen stellen zich ook op het standpunt dat SGS niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de belangen van degenen voor wie SGS stelt op te treden, onvoldoende zijn gewaarborgd. Zij hebben hiertoe een beroep gedaan op het in de laatste volzin van artikel 3:305a lid 2 BW opgenomen vereiste voor ontvankelijkheid waaruit volgt dat met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de vordering wordt ingesteld voldoende moeten zijn gewaarborgd. Ten overvloede wordt hierover nog het volgende overwogen.

4.13.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis (TK 2011-2012, 33 126, nr. 3, p. 4-6 en 12 e.v.) dit vereiste per 1 juli 2013 aan artikel 3:305a lid 2 BW heeft toegevoegd om te voorkomen dat organisaties het collectief actierecht gebruiken voor eigen commerciële doelstellingen. De wetgever wil de rechter een handvat bieden om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien een organisatie zich opwerpt als behartiger van de belangen van benadeelden, maar eigen commerciële belangen de overhand lijken te hebben. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij de beoordeling of aan dit waarborgvereiste is voldaan, de volgende twee vragen centraal staan:

  • -

    i) In hoeverre hebben de betrokkenen uiteindelijk baat bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen?

  • -

    ii) In hoeverre mag erop worden vertrouwd dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren?

4.14.

Bij de beantwoording van de vraag of de belangen van de betrokkenen voldoende zijn gewaarborgd dient, zo volgt ook uit de wetsgeschiedenis, mede acht te worden geslagen op de volgende factoren:

  • -

    welke overige werkzaamheden heeft de organisatie verricht om zich voor de belangen van betrokkenen in te zetten en heeft de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk doelstellingen kunnen realiseren en, indien sprake is van een ad hoc-organisatie, is deze opgericht door een reeds bestaande organisatie die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen heeft behartigd,

  • -

    hoeveel benadeelden zijn aangesloten bij de organisatie en in hoeverre ondersteunen zij de collectieve actie, en

  • -

    voldoet de organisatie aan de principes uit de Claimcode.

4.15.

Zowel IDM als de notarissen zijn zeer uitgebreid op deze punten ingegaan. Wat betreft de Claimcode hebben zij alle gemotiveerd betoogd dat SGS niet aan de Claimcode voldoet. IDM en de notarissen hebben samengevat onder meer de volgende argumenten naar voren gebracht:

  • -

    Het is onduidelijk hoeveel personen zich bij SGS hebben aangesloten.

  • -

    SGS is een ad hoc-stichting, die niet is ingebed in het maatschappelijk veld.

- In de negen jaar na oprichting heeft SGS geen concreet resultaat bereikt en is er sprake van langdurige perioden waarin SGS heeft stilgezeten.

- Het bestuur bestaat uit slechts twee leden en is niet zodanig samengesteld dat het beschikt over de specifieke deskundigheid die nodig is voor een adequate behartiging van de in de statutaire doelstelling omschreven belangen en bevat evenmin een lid dat jurist is dat beschikt over specifieke ervaring en juridische expertise.

- SGS heeft geen raad van toezicht.

  • -

    De financiële organisatie van SGS is niet transparant, het is onduidelijk hoe SGS de huidige procedure financiert en het is onduidelijk wat er met het geld is gebeurd dat deelnemende participanten aan SGS hebben betaald.

  • -

    Het is onduidelijk wie de daadwerkelijke controle over SGS heeft, aangezien de advocaat van SGS de stichting destijds heeft opgericht en sindsdien bijstaat en volgens de website de primaire contactpersoon is, en aangezien SGS op hetzelfde adres is gevestigd en hetzelfde telefoonnummer heeft als de advocaat van SGS. Er bestaat mede gelet op de resultaatsafhankelijke bijdrage van participanten sterk de indruk dat de oprichter een eigen financieel belang heeft bij de activiteiten van SGS.

  • -

    Er bestaat geen document met de governance structuur van SGS en er staat evenmin een toelichting op de naleving van de Claimcode op de website van SGS.

  • -

    De website van SGS bevat alleen verouderde informatie (van vóór 2011).

4.16.

In reactie op deze uitgebreide en met feiten gestaafde stellingen van IDM en de notarissen heeft SGS slechts naar voren gebracht dat zij wel degelijk verschillende werkzaamheden heeft verricht en dat haar activiteiten worden ondersteund door ruim 1.500 participanten. Van SGS had mogen worden verwacht dat zij uitvoeriger op deze door IDM en de notarissen naar voren gebrachte punten zou zijn ingegaan, maar dat heeft zij nagelaten. Daarmee heeft SGS tegenover de gemotiveerde betwisting van IDM en de notarissen onvoldoende onderbouwd dat zij aan de in artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, BW gestelde eis voldoet. Het is onvoldoende gebleken dat de belangen van de participanten zijn gewaarborgd gelet op de achtergrond en inrichting van SGS, waarbij een maatschappelijke inbedding ontbreekt en commerciële motieven leidend lijken te zijn. SGS kan dus ook op deze grond niet worden ontvangen in haar vorderingen.

4.17.

De eveneens tussen partijen in geschil zijnde vraag of sprake is van gelijksoortige belangen hoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

ten aanzien van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens IDM

4.18.

[eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] hebben een participatie in het Groengroeiplan gefinancierd met een persoonlijke lening van IDM. Zij hebben over de totstandkoming van de participatieovereenkomst en leningsovereenkomst kort gezegd het volgende naar voren gebracht. [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] hebben een antwoordcoupon van GIN aangetroffen in hun brievenbus en hebben deze ingevuld en opgestuurd. Naar aanleiding daarvan zijn zij telefonisch door GIN benaderd en is een afspraak gemaakt voor een bezoek aan huis. Dat bezoek had plaats op 2 juli 1998 door twee verkoopadviseurs van GIN. Er is toen niet gesproken over een lening of te betalen rente. Ter plekke is een kopie gemaakt van de laatste salarisstrook van [eiseres sub 2] en geïnformeerd naar de hoogte van de hypotheek- of huurlast. Er heeft een BKR-toets en een krediettoets plaatsgevonden. Op grond hiervan kwamen [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] niet in aanmerking voor een lening omdat hun leencapaciteit ontoereikend was. Desalniettemin hebben zij een persoonlijke lening verkregen, aldus [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] .

4.19.

Volgens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] is met deze handelwijze sprake van colportage. Op het deelnameformulier van het Groengroeiplan is opgenomen dat de participant zich verplicht tot het aangaan van een leningsovereenkomst en een overeenkomst tot verwerving van een participatie van GIN. Gelet hierop is in de visie van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] sprake van verboden koppelverkoop in de zin van artikel 33, onder b, onder 1 van de Wet op het consumentenkrediet (oud) (hierna: Wck). De leningsovereenkomst is daarom nietig. Daarnaast is in het deelnameformulier een boetebepaling opgenomen bij annulering. Op grond van artikel 24 lid 2, onder a, van de Colportagewet is echter op straffe van nietigheid vereist dat in de op te maken akte de mogelijkheid van ontbinding wordt vermeld, waarbij gebruik dient te worden gemaakt van de ingevolge artikel 24 lid 2 onder b voorgeschreven modeltekst. Ook hierom is de leningsovereenkomst nietig, aldus steeds [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] . Ten slotte is volgens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] in strijd gehandeld met het in artikel 6 van de Colportagewet opgenomen verbod op kredietcolportage, hetgeen de leningsovereenkomst ingevolge artikel 23 van de Colportagewet vernietigbaar maakt.

4.20.

IDM heeft hiertegen onder meer naar voren gebracht dat het beroep op de Wck en de Colportagewet [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] niet kan baten omdat deze wetten niet van toepassing zijn op de leningsovereenkomst tussen IDM en [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] . Subsidiair is volgens IDM het verbod van koppelverkoop niet overtreden en is evenmin in strijd met de Colportagewet gehandeld.

4.21.

Artikel 6, 23 en 24 van de (inmiddels vervallen) Colportagewet luidden, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 6

Het is verboden in de uitoefening van een beroep of bedrijf door persoonlijk bezoek dan wel door of in samenhang met de aanprijzing van een geldkrediet of van een goed of een dienst in een groep van ter plaatse van de aanprijzing aanwezige personen te trachten een ander te bewegen tot het als kredietnemer deelnemen aan een geldkrediet, dan wel een ander die handelingen te doen verrichten.

Artikel 23

1. Een overeenkomst, welke het onmiddellijk gevolg is van een werkzaamheid als bedoeld in artikel 6, is vernietigbaar.

(...)

Artikel 24

1. Voor een overeenkomst, welke het onmiddellijk gevolg is van de werkzaamheid van een colporteur, is op straffe van nietigheid vereist, dat door of namens de bij de overeenkomst betrokken partijen in twee gelijkluidende exemplaren een akte wordt ondertekend, en dat onmiddellijk na de ondertekening door de partij, die door de colporteur tot het aangaan van de overeenkomst is bewogen, een exemplaar van die akte is ontvangen door ieder van beide partijen.

2. Door de bij de overeenkomst partij zijnde eigenaar of eigenaren van de onderneming, waarin, onderscheidenlijk voor rekening waarvan, de colporteur werkzaam is, wordt zorggedragen, dat:

a. in de akte, bedoeld in het eerste lid, de in artikel 25, eerste lid, bedoelde mogelijkheid om de overeenkomst te ontbinden wordt vermeld alsmede zijn of hun naam en zijn of hun adres, waarnaar de in artikel 25, eerste lid, bedoelde mededeling kan worden gezonden, een en ander op straffe van nietigheid van de overeenkomst;

b. de akte is opgemaakt met inachtneming van de overigens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen betreffende de inhoud van dergelijke akten, alsmede betreffende de wijze, waarop deze moeten zijn opgemaakt.

4.22.

Ingevolge artikel 33 Wck is een kredietovereenkomst onder meer nietig voor zover daarbij de kredietnemer zich verplicht tot het aangaan van een andere overeenkomst, anders dan ingeval uitdrukkelijk aan de kredietnemer het recht wordt toegekend te bepalen met welke wederpartij die overeenkomst zal worden aangegaan.

4.23.

Uit het deelnameformulier van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] kan niet worden afgeleid dat op het moment van het ondertekenen van dat formulier reeds een financiering tot stand kwam. Integendeel, er is sprake van twee afzonderlijke overeenkomsten, die niet op hetzelfde moment zijn gesloten. Er is immers eerst een participatieovereenkomst gesloten en vervolgens werd er, na het uitvoeren van een krediettoets, een aanbod tot financiering toegezonden. De leningsovereenkomst kwam pas bij het tekenen van dat aanbod tot stand. Uit het deelnameformulier volgt ook geen verplichting tot het aangaan van een financiering bij IDM. Dat de participatieovereenkomst afhankelijk is gesteld van de opschortende voorwaarde van het (in algemene zin) verkrijgen van financiering maakt dit niet anders. Sommige participanten hebben bovendien elders een financiering afgesloten of de participatie uit eigen middelen voldaan.

4.24.

Zelfs indien veronderstellenderwijs ervan uit zou worden gegaan dat de participatieovereenkomst nietig is wegens strijd van artikel 24 lid 2 van de Colportagewet, kan dat gelet op het voorgaande in elk geval niet worden gezegd van de leningsovereenkomst. Het sluiten van de leningsovereenkomst is immers gelet op de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken niet het onmiddellijk gevolg van de werkzaamheid van de colporteur. Hierop stuit ook het beroep op artikel 23 in samenhang met artikel 6 van de Colportagewet reeds af.

4.25.

Evenmin kan nietigheid van de leningsovereenkomst worden vastgesteld op grond van artikel 33 onder b, ten eerste, van de Wck. Ten eerste is de Wck niet van toepassing aangezien [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] niet een geldsom ter vrije beschikking hebben gekregen.

De lening is immers direct en volledig aangewend voor de financiering van de participatie en de bijdrage aan Stivru. Ook heeft de verstrekte lening geen betrekking op het verschaffen van het genot van een roerende zaak (vergelijk Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815). Ten tweede is – voor zover de Wck wel van toepassing zou zijn – het uit artikel 33 voortvloeiende verbod niet overtreden. De participatieovereenkomst noch de leningsovereenkomst verplichtte tot het aangaan van een andere overeenkomst.

4.26.

Reeds hierop stranden de op deze grondslagen gebaseerde vorderingen van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] . Het gevoerde verjaringsverweer hoeft daarom wat betreft deze vorderingen geen bespreking.

4.27.

[eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] hebben ook gesteld dat sprake is geweest van overkreditering. De rechtbank begrijpt het petitum aldus, dat de meer subsidiaire vordering van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] onder (iv) strekkende tot een verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure (zie hiervoor onder 3.1) daarop is gebaseerd. IDM heeft erkend dat aan [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] , ondanks een negatieve kredietwaardigheidstoets, een persoonlijke lening is toegekend. Dit is volgens IDM gebleken tijdens een steekproef die begin 2009 heeft plaatsgevonden, waarna zij de getroffen incassomaatregelen heeft gestaakt.

4.28.

Bij de beoordeling van deze vordering dient gelet op het verweer van IDM eerst te worden beoordeeld of deze is verjaard.

4.29.

Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

4.30.

[eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] zijn gelet op de steekproef en het staken van de incassomaatregelen in ieder geval begin 2009 op de hoogte geraakt van de omstandigheid dat hun ondanks een negatieve kredietwaardigheidstoets een lening is verstrekt. IDM heeft geen of onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] hiermee reeds eerder bekend waren. Dat betekent dat de verjaringstermijn voor de vordering inzake de overkreditering begin 2009 is gaan lopen. De e-mail van 22 augustus 2013 (zie hiervoor onder 2.21) is – anders dan de brief van 11 september 2008 – niet alleen namens SGS verzonden maar ook namens de 1.541 participanten die zijn opgenomen in een bijgevoegd overzicht. IDM heeft niet gesteld dat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] niet op dit overzicht waren vermeld. Daarmee hebben [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] de verjaringstermijn dus tijdig gestuit en is deze vordering jegens IDM niet verjaard.

4.31.

Nu IDM heeft erkend dat sprake is geweest van overkreditering bij [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] , moet worden geconcludeerd dat IDM op dit punt haar zorgplicht heeft geschonden. Daarmee is gegeven dat zij onrechtmatig heeft gehandeld.

4.32.

Het debat over de schade is onvoldoende uitgekristalliseerd. Onderzocht dient immers te worden tot welk bedrag [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] verantwoord konden lenen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om, zoals gevorderd, met toepassing van artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) IDM te veroordelen tot het vergoeden van de schade nader op te maken bij staat. Hiervoor is vereist dat de mogelijkheid dat schade is geleden voldoende aannemelijk is, hetgeen hier het geval is. In de schadestaatprocedure kunnen partijen debatteren over de omvang van de schade, de causaliteit en de eventuele eigen schuld.

4.33.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering onder (iv) jegens IDM toewijsbaar is, een en ander echter op de wijze zoals onder de beslissing wordt vermeld.

4.34.

Voor zover het bezwaar van IDM tegen de wijziging van eis mede zou zien op dit onderdeel verwerpt de rechtbank dit bezwaar. Weliswaar is het gevorderde onder (iv) in de akte wijziging van eis anders geformuleerd dan hetgeen in de dagvaarding onder (x) is opgenomen, maar hiermee is op dit onderdeel de eis (of de gronden ervan) materieel niet veranderd. Het verwijt dat sprake was van overkreditering was reeds in de dagvaarding opgenomen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de wijziging van eis op dit punt in strijd komt met de eisen van een goede procesorde als bedoeld in artikel 130 Rv. Er kan immers niet worden gezegd dat hierdoor sprake is van een onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding.

ten aanzien van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens de notarissen

4.35.

Het is de rechtbank niet duidelijk wat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] precies ten grondslag leggen aan hun vorderingen jegens de notarissen. Uit de stellingen van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] kunnen in ieder geval de volgende verwijten aan het adres van de notarissen worden ontleend. Door het passeren van de notariële akten werd een schijnzekerheid gecreëerd, waarbij de conceptakte niet werd gezonden aan [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] en zij evenmin anderszins van informatie werden voorzien door de notaris. Dit mocht volgens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] wel worden verwacht, omdat de deelnameformulieren nietig zijn gelet op de wijze van totstandkoming ervan. Wilscontrole vond niet plaats. De juridische onkunde van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] en het feitelijk overwicht van GIN c.s. hadden temeer reden moeten zijn voor een actieve rol van de notaris. Er werd door GIN c.s. een schijnzekerheid gecreëerd waaraan een notaris nooit medewerking had mogen verlenen op de wijze zoals gedaan. Hierdoor hebben de notarissen het misbruik door GIN van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] gefaciliteerd, aldus steeds [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] . Al deze verweten gedragen hebben plaatsgevonden op of rond 28 juli 1998.

4.36.

Bij de beoordeling van de vorderingen tegen de notarissen is allereerst van belang dat de notariële akte van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] is verleden ten overstaan van [gedaagde sub 2] . Dat betekent dat de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] reeds hierom niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] hebben namelijk geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan [gedaagde sub 3] desalniettemin jegens hen onrechtmatig zou hebben gehandeld.

4.37.

[gedaagde sub 2] heeft gemotiveerd betwist onzorgvuldig te hebben gehandeld. Hij heeft daarnaast het verweer gevoerd dat de vorderingen van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] zijn verjaard. [gedaagde sub 2] heeft daartoe aangevoerd dat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] al ruim voor 2008 op de hoogte waren van de beweerdelijke schade, onder meer door berichten van GIN c.s. zelf, haar beslissing de inleggarantie om te zetten in een volumegarantie en een kritische uitzending van het televisieprogramma Netwerk. [gedaagde sub 2] heeft ook betoogd dat Stivru bij brief van 3 maart 2008 alle participanten heeft gewezen op vermeende misstanden bij GIN c.s., waarbij ook is gerefereerd aan de bijgevoegde brief van mr. Van Schuppen waarin wordt opgeroepen deel te nemen aan een collectieve actie tegen onder meer [gedaagde sub 2] . Volgens [gedaagde sub 2] is de verjaringstermijn dus in elk geval uiterlijk (enkele dagen na) 3 maart 2008 aangevangen.

4.38.

In reactie hierop hebben [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat de verjaringstermijn toen is gaan lopen. Zij hebben niet toegelicht dat en waarom zij, ondanks de brief van mr. Van Schuppen van 3 maart 2008, vanaf maart 2008 niet op de hoogte waren van de vermeende schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het enkele feit dat GIN c.s. de inhoud van de brief van Stivru heeft weersproken is daarvoor onvoldoende. Dat doet er immers niet aan af dat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] met de inhoud van de brief bekend waren. Dat betekent dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen.

4.39.

Zoals hiervoor is overwogen is met de brief van de advocaat van SGS van 11 september 2008 de verjaring niet namens de participanten – en dus evenmin namens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] – gestuit. De e-mail van 22 augustus 2013 (geciteerd onder 2.21) kan [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] evenmin baten, nu deze stuitingshandeling pas is verricht na afloop van de verjaringstermijn.

4.40.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens [gedaagde sub 2] zijn verjaard. Ook deze vorderingen worden daarom afgewezen.

Eiswijziging

4.41.

Nu de rechtbank – behoudens de vordering van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens IDM inzake de overkreditering – niet toekomt aan een verdere inhoudelijke beoordeling, hoeft het bezwaar tegen de wijziging van eis voor het overige geen bespreking meer.

Proceskosten

4.42.

SGS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van IDM worden veroordeeld.

4.43.

De kosten aan de zijde van IDM worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.522,00

4.44.

Gelet op de omstandigheid dat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] enerzijds en IDM anderzijds over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld – van de vordering van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] is slechts één onderdeel toegewezen – ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren.

4.45.

SGS c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de notarissen worden veroordeeld. Gelet op de overeenstemming in de standpunten en de omstandigheid dat beiden door dezelfde advocaten worden bijgestaan wordt éénmaal salaris advocaat toegekend.

4.46.

De kosten aan de zijde van de notarissen worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.191,00

4.47.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als onder de beslissing vermeld. Daarnaast is de door IDM en de notarissen gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijsbaar, een en ander op de wijze zoals onder de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in de procedure tussen SGS en IDM

5.1.

verklaart SGS niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

5.2.

veroordeelt SGS in de proceskosten, aan de zijde van IDM tot op heden begroot op € 1.522,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt SGS in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat SGS niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze nakosten met ingang van 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de procedure tussen [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] en IDM

5.5.

verklaart voor recht dat IDM jegens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] onrechtmatig heeft gehandeld (zie hiervoor onder 4.31) en dat IDM aansprakelijk is voor de schade die [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] als gevolg daarvan hebben geleden,

5.6.

veroordeelt IDM tot vergoeding aan [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] van de schade die zij hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van IDM, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.7.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt,

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling onder 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de procedure tussen SGS c.s. en de notarissen

5.10.

verklaart SGS niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens de notarissen,

5.11.

wijst de vorderingen van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] jegens de notarissen af,

5.12.

veroordeelt SGS c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de notarissen tot op heden begroot op € 1.191,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.13.

veroordeelt SGS c.s.in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat SGS niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.14.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. C. Bakker en mr. M. Haentjens en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.