Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2626

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
C/13/643874 / FA RK 18-1158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

internationale verhuizing , geen noodzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers / rekestnummers: C/13/643874 / FA RK 18-1158 en C/13/644802 / FA RK 18/1609

Beschikking van 25 april 2018

in de zaken van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in C/13/643874 / FA RK 18-1158

verwerende partij in C/13/644802 / FA RK 18/1609

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in C/13/643874 / FA RK 18-1158

verzoekende partij in C/13/644802 / FA RK 18/1609

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam,
gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen: de Raad.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

in de zaak C/13/643874 / FA RK 18-1158:

het verzoek van de man, ingekomen op 22 februari 2018.

In de zaak C/13/644802 / FA RK 18/1609:

het verzoek van de vrouw, ingekomen op 12 maart 2018;

het verweer van de man, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 21 maart 2018.

1.2.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting met gesloten deuren van 23 maart 2018.

Verschenen zijn:

- de man bijgestaan door mr. Van Herk en mr. Van Manen,

- de vrouw bijgestaan door mr. Van Beekhof,

- de heer [medewerker Raad] namens de Raad.

1.3.

De rechtbank heeft de minderjarige kinderen van partijen niet gehoord, omdat beide partijen ter zitting hebben aangegeven de kinderen hiermee niet te willen belasten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 10 juni 2000 in [plaats] , [land] . Hun huwelijk is op 21 december 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 november 2011 van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding in onderling overleg geregeld en vastgelegd in een door hen beiden ondertekend echtscheidingsconvenant, waarvan een ouderschapsplan deel uitmaakt.

2.2.

Uit het huwelijk zijn geboren:

  • -

    [kind 1], geboren te [plaats] op [geboortedatum] 2004 en

  • -

    [kind 2], geboren te [plaats] op [geboortedatum] 2007.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over deze kinderen.

Met ingang van juni 2014 is, conform het ouderschapsplan, een co-ouderschapsregeling vastgesteld, waarbij de kinderen even vaak bij de vrouw als bij de man verblijven.

2.3.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Amerikaanse nationaliteit. De kinderen hebben de Nederlandse en de Amerikaanse nationaliteit.

2.4.

Partijen zijn in Nederland woonachtig en hebben gedurende het huwelijk ook altijd in Nederland gewoond. De man heeft inmiddels een nieuwe partner met wie hij ook een zoontje heeft.

3 Het verzoek en het verweer in de zaak C/13/643874 / FA RK 18-1158

3.1.

De man verzoekt de rechtbank na wijziging van zijn aanvankelijk verzoek:

A. een bijzondere curator te benoemen om de kinderen bij te staan, vooruitlopend op de door de vrouw aan te spannen procedure om vervangende toestemming voor verhuizing;

B. voorwaardelijk, voor het geval partijen daar niet tijdig en/of volledig overeenstemming over bereiken, de verdeling van de zomervakantie 2018 vast te stellen, aan de hand van een nader door man in het geding te brengen voorstel;

C. de vrouw te verbieden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van man:

(i) met de kinderen te communiceren over de door haar gewenste verhuizing naar de VS, en

(ii) de kinderen te (laten) onderwerpen aan (voorbereidingen voor) testen, interviews, audities en/of examens met het oog op hun inschrijving aan een school of scholen in [plaats] (VS), alsmede haar te verbieden om de kinderen rondleidingen te laten geven en/of proef te laten draaien op door haar uitgekozen scholen in [plaats] (VS);

althans ten aanzien van het verzochte sub C (i) en (ii) een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel dat vrouw het gevorderde verbod overtreedt.

3.2.

De man legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat de vrouw handelt in strijd met het ouderschapsplan en met de wet door de kinderen zonder overleg en zonder toestemming van de man op te geven voor scholen in de VS. De vrouw heeft de man op 30 november 2017 bericht dat van haar niet kan worden verlangd dat zij verder inteert op haar vermogen en dat zij zich daarom genoodzaakt ziet om haar verhuizing naar de VS voor te bereiden. De beweegredenen van de vrouw om naar de VS te verhuizen zijn derhalve gelegen in de stopzetting van de partneralimentatie en verlaging van de kinderalimentatie. De vrouw belast de kinderen door hen te betrekken bij haar verhuisplannen en hen te onderwerpen aan tests en audities voor scholen en ook door het conflict met de man met hen te bespreken.

3.3.

De vrouw heeft zich ter zitting verweerd tegen het verzoek van de man.

Het verzoek en het verweer in de zaak C/13/644802 / FA RK 18/1609

3.4.

De vrouw heeft verzocht om vervangende toestemming om met de kinderen naar de VS te verhuizen. Zij is van mening dat zij heeft voldaan aan de door de Hoge Raad daartoe vastgestelde criteria.

3.5.

De man heeft zich verweerd tegen het verzoek van de vrouw.

4 Het standpunt van de Raad

De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat de zaak ook dient te worden bezien vanuit het perspectief van de twee jonge kinderen. Het zou goed zijn als zij hun mening kunnen geven. De Raad vindt het zorgelijk hoe de situatie zich ontwikkelt. Er komen geen kindsignalen naar voren uit de stukken, maar de kinderen ervaren ongetwijfeld onrust en onzekerheid en worden onder druk gezet en belast. De ouders hebben hun intenties welke blijken uit het ouderschapsplan, om samen te overleggen en samen mogelijkheden te creëren voor de kinderen, uit het oog verloren. De Raad adviseert hen die intenties van het ouderschapsplan weer op te pakken en de kinderen veiligheid te geven door de situatie samen te bespreken. Verder acht de Raad het standpunt van de moeder dat het voor beide kinderen nu de beste timing is om naar de VS te verhuizen niet voor de hand liggend, gelet op het feit dat het een meisje en een jongen van verschillende leeftijd betreft. De indruk bestaat dat [kind 1] al op haar tenen moet lopen. Een vertrouwde omgeving en continuïteit is in het belang van ieder kind. Voor ieder kind is een dergelijke verhuizing zeer ingrijpend. Het beeld dat vader schetst over hoe het met de kinderen gaat verschilt van het beeld dat de moeder schetst. Kinderen geven soms verschillende signalen af aan beide ouders. In dit geval zijn de kinderen, net als de ouders, internationaal georiënteerd en gaan ze in de toekomst wellicht naar het buitenland. De Raad betwijfelt of het een geschikte timing is om [kind 1] nu haar school te laten onderbreken. De Raad geeft de voorkeur aan benoeming van een bijzondere curator teneinde de belastbaarheid van de kinderen te onderzoeken en te onderzoeken of een dergelijke ingrijpende beslissing goed is voor de kinderen.

5 De beoordeling

5.1.

De zaken dragen een internationaal karakter, omdat de vrouw de Amerikaanse en de man de Nederlandse nationaliteit heeft. De kinderen hebben de Nederlandse en de Amerikaanse nationaliteit. Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen thans in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II bis) bevoegd om te beslissen op de verzoeken van de vrouw. Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb 1997, 229) past de Nederlandse rechter Nederlands recht toe als zijn interne recht.

Het verzoek van de vrouw om toestemming voor verhuizing

5.2.

De vrouw stelt dat het noodzakelijk is dat zij verhuist naar de VS. Zij wil daar in het bedrijf van haar familie gaan werken, zodat zij op die manier een, bij haar behoefte van € 18.875 per maand passend, inkomen kan verwerven. In Nederland kan zij een dergelijk inkomen niet verdienen. De man betaalt sinds eind 2015 dit bedrag aan partneralimentatie niet meer. Van de vrouw kan niet nog langer gevergd worden dat zij inteert op haar vermogen. Daarnaast is het zo dat zij het familiebedrijf op korte termijn moet overnemen, omdat haar moeder 72 jaar is en het bedrijf nu aan haar en haar zus wil overdragen. Als de vrouw dit jaar niet naar de VS emigreert, zal haar zuster het bedrijf alleen voortzetten. De vrouw zou dan haar enige mogelijkheid om substantiële inkomsten te verwerven verliezen.

De vrouw heeft een woning ter beschikking in [plaats] en heeft daar een uitgebreid sociaal netwerk. De kinderen zijn aangenomen op scholen in de VS. Met betrekking tot de vereiste compensatie voor de man merkt de vrouw op dat, hoewel de man formeel de helft van de tijd de zorg voor de kinderen heeft, die zorg voor een (belangrijk) deel voor rekening van de partner van de man komt, omdat hij als hoofd van een groot bedrijf veel in het buitenland verblijft voor zijn werk. De vrouw biedt aan dat de man de kinderen altijd kan bezoeken in de VS. Daartoe stelt de vrouw hem permanent en gratis een appartement ter beschikking. Tevens kan de man contact hebben via Skype en Facetime e.d. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een grote vermindering van het contact van de kinderen met de man. De vrouw biedt verder aan dat de man de kinderen 100% in plaats van de huidige 50% van de vakanties bij zich kan hebben, uitgezonderd de Kerstvakantie. De verhuizing is volgens de vrouw in het belang van de kinderen. Zij hebben de wens om naar Amerika te verhuizen en zijn daar door hun schoolopleiding op Engelstalige internationale scholen ook altijd op voorbereid. Partijen waren altijd al van plan om de kinderen na de middelbare school in het buitenland/Amerika te laten studeren. Daartoe is ook het studiefonds opgericht. De datum van hun vertrek naar het buitenland is door de geplande verhuizing alleen iets naar voren gehaald. Van belang is in dit verband dat de communicatie tussen partijen de laatste tijd is verbeterd door mediation. Tenslotte biedt de vrouw aan af te zien van haar aanspraak op de in het convenant overeengekomen partneralimentatie, als zij naar de VS kan verhuizen.

5.3.

De man stelt dat de noodzaak voor de vrouw om te verhuizen naar de VS ontbreekt. Hij betwist in dit verband de door de vrouw gestelde behoefte. Deze behoefte was gebaseerd op een (kortstondig) leven op te grote voet. De partneralimentatie is met grove miskenning van de wettelijke maatstaven vastgesteld, onder andere omdat de vrouw geen openheid van zaken gaf over haar (inkomen uit) vermogen in de VS. Het is niet realistisch om te blijven vasthouden aan deze torenhoge behoefte en dito alimentatie. Dat haar behoefte minder is blijkt al uit het feit dat zij € 111.872 heeft kunnen sparen van de tot 2015 betaalde alimentatie. De vrouw heeft verder in het kader van de echtscheiding € 933.500 netto ontvangen, alsmede twee onroerende zaken, waarvan er één bestaat uit meerdere appartementen die permanent worden verhuurd en waarvan zij de huurinkomsten ontvangt. De vrouw kan met haar (inkomen uit) vermogen in haar eigen onderhoud voorzien. Volgens vaste rechtspraak mag dat ook van haar worden verwacht, evenals dat van haar mag worden verwacht in te teren op haar vermogen. De vrouw woont al 18 jaar in Nederland en kan hier gewoon beschikken over haar vermogen.

De man stelt voorts dat hij co-ouderschap heeft en dat hij de kinderen dagelijks ziet als zij bij hem verblijven. Het is, gelet op het frequente contact tussen hen, niet in het belang van de kinderen en de man dat de kinderen met de vrouw naar de VS verhuizen. De man vindt het idee hen te moeten missen ondraaglijk. De man erkent dat partijen altijd de wens hebben gehad om hun kinderen een internationale opvoeding te geven en hen de mogelijkheid te bieden in het buitenland te studeren, maar het is nooit de bedoeling geweest dat zij tijdens de middelbare schoolperiode in verschillende landen zouden opgroeien. De man stelt verder dat de kinderen nog niet zijn aangenomen op scholen. Hij stelt onder verwijzing naar publicaties dat [plaats] een zeer gevaarlijke omgeving is om te wonen.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.4.

Uitgangspunt bij beoordeling van verzoeken tot vervangende toestemming voor verhuizing met een kind naar het buitenland is dat de ouder bij wie het kind verblijft in beginsel het recht heeft zijn of haar leven (opnieuw) in te richten. Nu sprake is van gezamenlijk gezag van partijen heeft – in dit geval - de vrouw voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarigen toestemming van de man nodig. Als de ouders hierover geen overeenstemming bereiken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.5.

Bij de beoordeling door de rechtbank dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen en alle betrokken belangen te worden afgewogen. Hoewel het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn, kunnen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder wegen. Overeenkomstig vaste rechtspraak kunnen onder andere de volgende omstandigheden en belangen worden meegewogen:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.6.

Partijen zijn in artikel 2 van het ouderschapsplan overeengekomen dat voor verhuizing naar een plaats meer dan 20 kilometer van [woonplaats] schriftelijke toestemming van de andere ouder nodig is, alsmede dat het een ouder niet is toegestaan de kinderen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere ouder, mee te nemen naar een bestemming buiten Nederland voor een periode langer dan vier weken.

Voorts dienen de ouders volgens artikel 3.5 van het ouderschapsplan de aanmelding van de kinderen bij andere scholen gezamenlijk te regelen en dienen zij schriftelijk in te stemmen met overgang naar een andere dan een internationale school.

Met ingang van juni 2014 is vervolgens, conform het Ouderschapsplan, een co-ouderschapsregeling vastgesteld, waarbij de kinderen even vaak bij de vrouw als bij de man verblijven.

5.7.

De geplande verhuizing zou de situatie van co-ouderschap zoals die er nu is, veranderen in een situatie waarbij de man op grote afstand staat. Het betreft kinderen van 11 en 13 jaar oud, die hier geworteld zijn en die op deze leeftijd nog behoefte hebben aan geregeld en frequent contact met beide ouders. Beide ouders hebben op de zitting benadrukt dat zij een frequent contact tussen de kinderen en hun vader ook heel belangrijk vinden, juist omdat beide ouders hun eigen vader op jonge leeftijd hebben moeten missen. Zij hebben eerder afgesproken dit hun kinderen niet te laten overkomen. Gelet op de afstand tussen [plaats] en [woonplaats] zal de geplande verhuizing een regelmatig contact tussen de man en de kinderen ernstig bemoeilijken. De door de vrouw voorgestelde bezoek- en vakantieregeling kan dat onvoldoende ondervangen. Daarbij speelt ook een rol dat de man een gezin hier te lande heeft, zodat het niet realistisch is te veronderstellen dat hij (met hen) voortaan alle vakanties naar de VS kan reizen om daar zijn twee oudste kinderen te zien. De door partijen zelf gemaakte afspraak, hun kinderen niet zonder een vader te willen laten opgroeien, zal de rechtbank bij haar beoordeling van het criterium ten aanzien van de noodzaak te verhuizen zwaar meewegen.

5.8.

De rechtbank zal het aanbod van de advocaat van de vrouw om nader bewijs te leveren van de vermogenspositie van de vrouw passeren. De rechtbank zal uitgaan van de verklaringen en de stukken van de vrouw op dat punt en heeft geen behoefte aan nader bewijs.

5.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de noodzaak om te verhuizen niet aangetoond. Wat het financiële argument betreft is allereerst van belang dat in deze procedure niet aan de orde is de vraag of de vrouw recht heeft op een inkomen conform haar huwelijkse behoefte (al dan niet via alimentatie), maar de vraag of sprake is van een noodzaak, financieel of anderszins, voor de vrouw om te verhuizen die maakt dat aan de belangen van de man en de kinderen kan worden voorbijgegaan.

Vast staat dat partijen in november 2015 zijn overeengekomen dat de man twee jaar lang de afgesproken partner- en kinderalimentatie niet zou behoeven te betalen, wegens zijn verslechterde financiële situatie. In november 2017 heeft de man meegedeeld dat hij deze regeling nog eens met twee jaar wil verlengen. De vrouw is het hier niet mee eens en stelt dat zij hierdoor wordt gedwongen te verhuizen naar de VS. De rechtbank ziet dit echter anders. Ook als de rechtbank uitgaat van de veronderstelling van de vrouw dat de man de partneralimentatie niet meer zal gaan betalen en uitgaat van haar standpunt ten aanzien van haar inkomen en vermogen, ziet de rechtbank niet de financiële noodzaak voor de vrouw om naar de VS te verhuizen. De vrouw geeft zelf aan dat zij een vermogen van € 3 miljoen heeft in de VS en in Nederland. Uit dit vermogen moet de vrouw inkomen kunnen verwerven. Uitgaande van een rendement 4% per jaar zou dat € 120.000 per jaar (€ 10.000 per maand) kunnen zijn. Daarnaast kan zij per maand € 2.300 opnemen uit het de door de man opgebouwde studiefonds voor de kinderen. De vrouw ontvangt verder jaarlijks bijna € 30.000 aan huurinkomsten uit het onroerend goed dat haar in de echtscheiding is toebedeeld. Volgens de vrouw leveren deze huurinkomsten haar netto € 1.217 per maand op. De rechtbank is - gelet op vorenstaande - van oordeel dat haar financiële situatie toereikend is om een periode van twee jaar zonder noemenswaardige problemen te overbruggen. Nog daargelaten dat in zijn algemeenheid van de vrouw mag worden verwacht dat zij, zeven jaar na het uiteengaan van partijen, pogingen in het werk stelt om op andere wijze in Nederland in haar inkomen te voorzien, is een absolute financiële noodzaak om naar de VS te verhuizen gelet op bovenstaande omstandigheden niet aangetoond.

5.10.

De vrouw heeft verder gesteld dat dit het laatste moment is waarop zij het bedrijf van haar moeder kan overnemen, en dat zij dan op zeer korte termijn naar de VS moet terugkeren. De rechtbank ziet niet in waarom de vrouw per se nu naar de VS zou moeten terugkeren, na een verblijf van 18 jaar in Nederland zonder enige bemoeienis met de vastgoedbranche in [plaats] , en waarom dit niet over bijvoorbeeld vijf jaar, als de kinderen wat ouder zijn, ook nog zou kunnen. De rechtbank volgt het standpunt van de Raad ter zitting dat de timing van de verhuizing niet gelukkig lijkt, gelet op de leeftijd van de kinderen, hun gehechtheid aan hun vader en het feit dat zij midden in hun schoolopleiding zitten.

5.11.

Als het al zo is dat de vrouw enkel op dit moment in het familiebedrijf in de VS kan stappen dan nog is de rechtbank niet overtuigd van de noodzaak voor de vrouw om daartoe naar de VS te verhuizen. De stelling ter zitting dat de vrouw haar activiteiten voor het familiebedrijf niet (deels) ook vanuit Nederland zou kunnen verrichten, omdat zij daar meer dan fulltime in persoon aanwezig zou moeten zijn, wordt niet ondersteund door het contract met haar moeder, [naam moeder] , dat spreekt over een functie van 30 uur/drie dagen werken per week. Niet is onderbouwd waarom de vrouw niet met behulp van moderne communicatiemiddelen op afstand zou kunnen meewerken in het familiebedrijf. De moeder van de vrouw die thans het bedrijf (mede) runt verblijft een deel van het jaar in [plaats] en het andere deel in [plaats] . Niet is aangetoond dat het uit de aard van de functie en het takenpakket noodzakelijk is dat de vrouw zich voltijds in [plaats] vestigt om het bedrijf te runnen, anders dan dat de moeder van de vrouw het arbeidscontract pas gelding laat krijgen als de vrouw zich in de VS vestigt.

5.12.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat er een noodzaak is om te verhuizen naar de VS. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij wel een financieel belang om in de VS te gaan wonen en werken, maar is dit onvoldoende om voorbij te gaan aan de belangen van de kinderen en de man dat de kinderen in Nederland bij beide ouders kunnen blijven wonen en naar school gaan. Dat betekent dat de rechtbank de door de moeder verzochte toestemming om met [kind 1] en [kind 2] te verhuizen naar de VS, meer in het bijzonder [plaats] , zal afwijzen.

De verzoeken van de man.

5.13.

De man heeft ter zitting het verzoek om een kindbehartiger ingetrokken.

Gelet op bovengenoemde beslissing is verhuizing van de vrouw met de kinderen naar het buitenland op korte termijn niet aan de orde, zodat er geen aanleiding is op dit moment een bijzondere curator te benoemen om onderzoek te doen naar de belastbaarheid van de kinderen met het oog op die verhuizing. Voorts hebben partijen ter zitting verklaard dat zij in mediation hun verdere geschillen zullen trachten op te lossen.

5.14.

Ook voor het verzoek van de man de vrouw te verbieden om de kinderen te betrekken bij of te belasten met de voorbereiding van de verhuizing geldt dat dit verzoek geen redelijk doel meer dient. De rechtbank zal dit verzoek van de man dan ook afwijzen.

6 De beslissing

De rechtbank:

- wijst de verzoeken in beide zaken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Nijssen, voorzitter tevens kinderrechter, mr. A.J. Wesdorp en mr. E.C. Groenendaal, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier, op 25 april 2018.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat, kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.