Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2600

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/13/628802 / HA ZA 17-502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering verdeling niet voor verjaring vatbaar. Rechtsverwerking tav vordering tot verdeling pensioenrechten. Boon/Van Loon-arrest van toepassing. Vorderingen opheffing beslagen afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/628802 / HA ZA 17-502

Vonnis van 28 maart 2018

in de zaak van

[naam vrouw ] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie te Leiden,

tegen

[naam man] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. C.M. Schouten te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna vrouw en man worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 maart 2017 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de eis in (voorwaardelijke) reconventie met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 18 oktober 2017 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2018 met de daarin vermelde (proces)stukken,

  • -

    de brief van 20 februari 2018 van de zijde van de man met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De vrouw is geboren op [geboortedatum] 1943 en de man op [geboortedatum] 1946. Op 1 april 1971 zijn zij in algehele gemeenschap van goederen getrouwd.

2.2.

De man was werkzaam als apotheker en is vanaf 1989 begonnen met de opbouw van zijn pensioen bij Stichting Pensioenfonds Openbare Apothekers (hierna: SPOA).

2.3.

Tussen partijen is bij vonnis van 10 februari 1993 de scheiding van tafel en bed uitgesproken. In dat vonnis is de man tevens veroordeeld tot betaling van partneralimentatie van ƒ 3.000,- per maand. Deze beschikking is door hof Amsterdam op 18 oktober 1993 bekrachtigd. Op 18 januari 1994 is de scheiding van tafel en bed ingeschreven.

2.4.

Bij beschikking van 6 augustus 1997 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 6 november 1997 ingeschreven.

2.5.

De man is in 2005 gestopt met werken en met vervroegd pensioen gegaan.

2.6.

In een brief van 25 september 2007 van de vrouw gericht aan de man – waarvan overigens niet vaststaat dat de man deze brief heeft ontvangen – staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) Met deze brief willen wij u informeren over het ouderdomspensioen van mevrouw [naam vrouw ] die volgend jaar februari de gerechte pensioen leeftijd behaald.

Doordat mevrouw [naam vrouw ] jarenlang met u getrouwd is geweest heeft zij recht op de Ouderdomspensioen. (…)

Graag wil ik u verzoeken de Ouderdomspensioen uitkering graag aan het begin van iedere kalendermaand over te maken (…) met ingang van februari 2018 voor onbepaalde tijd. (…)”.

2.7.

De vrouw heeft in 2009 uit hoofde van achterstallige partneralimentatie beslag laten leggen op de pensioenuitkering van de man bij SPOA en op zijn koopwoning aan de [adres woning] te [plaatsnaam] (hierna: de woning).

2.8.

In 2008 is de man een procedure gestart tot limitering van de partneralimentatie. Dat verzoek is door de rechtbank Den Haag bij beschikking van 27 januari 2009 afgewezen. Tevens is in die beschikking bepaald dat de man is gehouden met ingang van 1 februari 2009 per maand aan de vrouw een bedrag van € 950,- aan alimentatie te betalen. Hof Den Haag heeft deze beschikking van de rechtbank bij beschikking van 11 november 2009 vernietigd en bepaald dat de alimentatieverplichting met ingang van 1 februari 2009 nihil is. Deze beschikking van hof Den Haag is vervolgens door de Hoge Raad op 28 januari 2011 vernietigd, waarna de zaak is verwezen naar hof Amsterdam. Hof Amsterdam heeft bij beschikking van 17 juli 2012 de beschikking van rechtbank Den Haag van 27 januari 2009 vernietigd voor wat de partneralimentatie betreft en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw per 1 februari 2009 op € 1.130,- per maand bepaald.

2.9.

Bij exploot van 13 april 2012 heeft de vrouw op grond van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2009 executoriaal beslag laten leggen op het pensioen van de man bij SPOA.

2.10.

De man is in 2014 naar [naam land] geremigreerd.

2.11.

In 2016 is de woning verkocht voor een bedrag van € 468.500,-. Van dat bedrag is een bedrag van € 200.000,- in depot bij notaris [naam notaris] , handelende onder de namen [naam notaris] (hierna: de notaris) gehouden. Ook is een bedrag van € 42.022,36 aan de vrouw uitbetaald voor achterstallige alimentatie. Na aftrek van de kosten is het restantbedrag van € 219.753,- overgemaakt naar de rekening van de gevolmachtigde van de man.

2.12.

Op 7 maart 2017 heeft rechtbank Den Haag de vrouw verlof verleend om ten behoeve van achterstallige pensioenaanspraken conservatoir beslag te leggen op het depot van € 190.000,- dat onder de notaris ligt. Bij exploot van 20 maart 2017 heeft de vrouw dit beslag gelegd.

2.13.

De vrouw ontvangt een pensioen van PGGM van € 87,83 per maand.

2.14.

In de brief van 21 december 2017 van SPOA gericht aan de man staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) Naar aanleiding van uw betaling van de nota voor de Boon van Loon berekening treft u onderstaand de berekening aan.

(…)

Om dat contante waarde van het ouderdomspensioen ten gunste van mevrouw [naam vrouw ] te bepalen is de totale contante waarde van het ouderdomspensioen en het partnerpensioen gehalveerd. Vervolgens is de contante waarde van het bijzonder partnerpensioen in mindering gebracht op de contante waarde van het ouderdomspensioen van uw ex-partner.

(…)

Concreet houdt dit in dat de contante waarde ter hoogte van € 5.739,04 ten gunste komt van uw ex-partner mevrouw [naam vrouw ] . Dit betreft een éénmalige afkoopsom.(…)”.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt tot betaling van € 148.076,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2015 tot 27 maart 2017 van € 3.292,81 en de proceskosten waaronder de beslagkosten.

3.2.

De vrouw stelt – kort weergegeven – dat een tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenvoorziening voor beide echtgenoten is bestemd. De man heeft echter het volledige pensioen zelf ontvangen en daarvan niets aan de vrouw afgedragen. Nu de man reeds in 2005 met vervroegd pensioen is gegaan, heeft de vrouw al vanaf 1 december 2005 recht op haar deel van het pensioen. Het totale bedrag waarop de vrouw in de periode van 1 december 2005 tot 1 maart 2017 aanspraak maakt, is € 148.076,85, aldus steeds de vrouw.

3.3.

De man voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De man vordert, na wijziging van eis, – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: het beslag onder het pensioen van de man onder SPOA opheft

subdisiair: de vrouw veroordeelt tot opheffing van het beslag op het pensioen van de man onder SPOA, op straffe van een dwangsom,

II. primair: het beslag op het depotbedrag van € 190.000,- onder de notaris opheft,

subsidiair: de vrouw veroordeelt tot opheffing van het beslag op het depotbedrag van € 190.000,- onder de notaris, op straffe van een dwangsom,

III. de vrouw veroordeelt tot betaling van al hetgeen zij van SPOA heeft ontvangen, primair vanaf 11 november 2009, subsidiair vanaf augustus 2016, en nog zal ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten, op te maken bij staat,

IV. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 42.022,36, te vermeerderen met de wettelijke rente en alle kosten, nader op te maken bij staat,

V. de vrouw veroordeelt in de proceskosten, waaronder kosten voor opheffing van de beslagen,

voorwaardelijk

VI. de vrouw veroordeelt tot betaling van het aandeel van de man in het PGGM pensioen, te vermeerderen met de wettelijke rente,

VII. de vrouw veroordeelt tot betaling van het aandeel van de man in het PGGM pensioen vanaf de dag van dit vonnis tot aan de dag van het overlijden van de vrouw.

3.6.

De man stelt – kort weergegeven – dat de door de vrouw gelegde beslagen vexatoir zijn. Aan de vrouw komt immers geen pensioen toe. Bovendien is de executie van de beschikking van 27 januari 2009 vernietigd, waardoor de beschikking geen executoriale kracht meer heeft en het beslag onder SPOA dient te worden opgeheven. Verder is de man van mening dat indien de vrouw in conventie aanspraak zou kunnen maken op het pensioen van de man bij SPOA, hij aanspraak maakt op het pensioen van de vrouw bij PGGM.

3.7.

De vrouw voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Bij onherroepelijke beschikking van 18 oktober 1993 heeft hof Amsterdam bekrachtigd dat partijen van tafel en bed zijn gescheiden. Op grond van artikel 1:99 aanhef onder b van het oude Burgerlijk Wetboek (BW) is daarmee van rechtswege de huwelijksgemeenschap ontbonden. Tot de wetswijziging van 1 januari 2012 gold als tijdstip van ontbinding het moment dat de beschikking waarbij de echtgenoten van tafel en bed waren gescheiden in kracht van gewijsde was gegaan. Dit was het geval op 18 januari 1994, de datum waarop de scheiding van tafel en bed is ingeschreven. De omstandigheid dat partijen op een later moment alsnog zijn gescheiden, heeft voor het tijdstip van ontbinding geen gevolgen meer.

4.2.

Dit betekent dat het huwelijk van partijen is ontbonden nadat het arrest Boon/Van Loon (HR 27 november 1981, NJ 1982/503) is gewezen en voordat de Wet verevening pensioenrechten na scheiding op 1 mei 1995 in werking is getreden. Anders dan de vrouw heeft betoogd zijn derhalve op de opgebouwde pensioenrechten de regels van het arrest Boon/Van Loon van toepassing. Dit houdt in dat pensioenrechten die voorafgaand en tijdens het huwelijk door echtgenoten zijn opgebouwd, in het algemeen bij de verdeling van de gemeenschap dienen te worden betrokken door middel van waardeverrekening. Op welke wijze en tot welke bedragen deze verrekening moet plaatsvinden, dient te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid die op de verdeling van een gemeenschap van toepassing zijn.

Verjaring

4.3.

De man heeft zich beroepen op verjaring van de vordering, aangezien die meer dan twintig jaar na de inschrijving van de scheiding van tafel en bed is ingesteld. De man wordt hierin niet gevolgd. Bij beschikking van 18 oktober 1993, die door het hof Amsterdam is bekrachtigd, is naast de scheiding van tafel en bed tevens de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat bij die verdeling niet ook de door de man opgebouwde pensioenrechten zijn meegenomen. Dit leidt ertoe dat de opgebouwde pensioenrechten worden aangemerkt als een overgeslagen goed als bedoeld in artikel 3:179 lid 2 BW. Op grond van artikel 3:178 BW kan de vrouw te allen tijde alsnog hiervan nadere verdeling van vorderen, zodat deze vordering niet voor verjaring vatbaar is.

Rechtsverwerking

4.4.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw haar recht om aanspraak te maken op de pensioenrechten heeft verwerkt. Volgens de man heeft de vrouw bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij zou afzien van haar aanspraak op de pensioenrechten en zal hij onredelijk worden benadeeld indien zij alsnog aanspraak zou kunnen maken op zijn pensioen. De vrouw heeft dit betwist.

4.5.

Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of stilzitten niet voldoende. Daartoe zijn bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarbij hetzij bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij dat de man in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval dat de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken.

4.6.

In de onderhavige zaak is sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. In 2005 is de man met vervroegd pensioen gegaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de vrouw daarover niet heeft geïnformeerd. Uit de hiervoor onder 2.6 opgenomen brief kan echter worden afgeleid dat de vrouw al op 25 september 2007 wist dat de man met pensioen was gegaan en dat zij per februari 2008, toen zij zelf met pensioen ging, aanspraak wilde maken op het ouderdomspensioen. Uit niks blijkt dat zij aan het uitblijven van een reactie van de man op deze brief een vervolg heeft gegeven. Zij heeft vervolgens pas in 2017 de man gedagvaard. Vanaf 2008 speelde de rechtszaak over de partneralimentatie waarin het pensioen van de man steeds ter sprake is gekomen. De hoogte van de partneralimentatie is zelfs berekend op grond van het pensioen dat de man ontving. Bovendien werd de vrouw in die procedure bijgestaan door een advocaat. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft de vrouw door in de periode van 2008 tot 2017 geen aanspraak te maken op haar deel van de door de man opgebouwde pensioenrechten bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij haar aanspraak niet meer te gelde zou te maken.

4.7.

Het voorgaande betekent voorts dat het standpunt van de vrouw dat de man onbereikbaar was en zij daardoor “in een noodtoestand” verkeerde niet opgaat. In de alimentatieprocedure was er immers, al dan niet via advocaten, contact met de man. De vrouw heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat de man de plicht had de vrouw over de pensioenrechten te informeren. Ook aan dit standpunt wordt voorbij gegaan. Niet valt immers in te zien op welke grond op de man een dergelijke mededelingsplicht rust. Bovendien weegt daarbij mee dat de vrouw tijdens de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap steeds rechtskundige bijstand heeft gehad.

4.8.

Het voorgaande brengt met zich dat de vrouw haar recht heeft verwerkt alsnog aanspraak te maken op de pensioenrechten van de man. Dit betekent dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen.

in reconventie

Beslagen

Het beslag op het depot bij de notaris

4.9.

Op het bedrag van € 190.000,- dat onder depot bij de notaris ligt, heeft de vrouw ten behoeve van achterstallige pensioenaanspraken conservatoir beslag laten leggen. De omstandigheid dat in conventie de pensioenaanspraken van de vrouw worden afgewezen, brengt – anders dan de man heeft betoogd – niet zonder meer met zich dat het beslag vexatoir is en dient te worden opgeheven. Er staat immers voor de vrouw nog een rechtsmiddel open, waardoor zij er belang bij heeft dat het beslag voortduurt. Bovendien zal indien zij geen rechtsmiddel instelt en dit vonnis in kracht van gewijsde gaat, op grond van artikel 704 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dit beslag van rechtswege komen te vervallen. De vordering tot opheffing van het beslag zal dan ook worden afgewezen.

Het beslag op het pensioen bij SPOA

4.10.

De vrouw heeft naar aanleiding van de beschikking van 27 januari 2009 ter veiligstelling van alimentatie executoriaal beslag laten leggen op het pensioen van de man bij SPOA. Volgens de man is dit beslag vexatoir, aangezien deze beschikking door hof Den Haag bij beschikking van 11 november 2009 is vernietigd en daardoor geen executoriale kracht meer heeft. De man wordt hierin niet gevolgd. De beschikking van het hof is immers door de Hoge Raad vernietigd, waardoor de executoriale kracht van de beschikking van de rechtbank van 27 januari 2009 herleeft. Vervolgens heeft hof Amsterdam deze beschikking enkel vernietigd voor wat de hoogte van de partneralimentatie betreft. Door het hof is de te betalen uitkering door de man zelfs verhoogd naar een bedrag van € 1.130,- per maand (zie hiervoor onder 2.8). Tussen partijen is niet in geschil dat de man aan de vrouw geen alimentatie heeft betaald, terwijl hij daar op grond van deze beschikkingen wel toe was gehouden. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen grond het beslag op te heffen. De vordering daartoe zal dan ook worden afgewezen.

De door de vrouw ontvangen alimentatiegelden

4.11.

De man heeft in reconventie gevorderd dat de vrouw al hetgeen zij van SPOA heeft ontvangen (III) en het bedrag dat zij van de notaris van € 42.022,36 heeft ontvangen (IV) aan de man terugbetaalt. Hoewel de man niet heeft toegelicht op welke grond hij daarvan terugbetaling vordert, begrijpt de rechtbank dat hij zich beroept op onverschuldigde betaling. Van onverschuldigde betaling is echter geen sprake. De bedragen die de vrouw van het SPOA en de notaris heeft ontvangen, betreffen betalingen aan achterstallige alimentatie. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de man niet aan zijn alimentatieverplichting heeft voldaan, zijn deze betalingen aan de vrouw niet onverschuldigd gedaan. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

Pensioen van de vrouw

4.12.

In conventie is geoordeeld dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de pensioenrechten van de man. Dit betekent dat aan de voorwaarde waaronder de vorderingen onder VI en VII in reconventie zijn ingesteld, niet is voldaan. Deze vorderingen behoeven derhalve geen bespreking meer en zullen worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

Proceskosten

4.13.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

in reconventie

5.2.

wijst de vorderingen af,

in conventie en in reconventie

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel, rechter, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.