Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2584

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
C/13/600385 / HA ZA 16-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is in de nakoming van de aanbiedingsplicht zoals opgenomen in de producersovereenkomst, uitsluitend tekortgeschoten ten aanzien van de Instrumental Mix.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/600385 / HA ZA 16-14

Vonnis van 18 april 2018 in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPINNIN RECORDS B.V.,

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. M.T.M. Koedooder te Amsterdam.

Partijen worden hierna Spinnin Records en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juli 2017 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte na tussenvonnis van Spinnin Records van 6 september 2017, met producties;

  • -

    de akte na tussenvonnis van [gedaagde] van 6 september 2017, met producties;

  • -

    de antwoordakte van Spinnin Records van 4 oktober 2017; en,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] van 4 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij vonnis van 26 juli 2017 (hierna: het tussenvonnis) is in 4.9 overwogen dat de instrumentale versie (hierna: Instrumental Mix) van het nummer “I Could Be The One (Nicktim)” (hierna: ICBTO) in beginsel als een gereed gekomen product en dus als productie in de zin van de tussen partijen gesloten ‘exclusieve producers overeenkomst’ (hierna: de producersovereenkomst) kan worden aangemerkt. Verder is bij het tussenvonnis de zaak naar de rol verwezen voor nadere akten over het in 4.9 van het tussenvonnis omschreven geschilpunt. Dit zal hierna aan de orde komen. Eerst wordt echter het door [gedaagde] ingenomen standpunt besproken dat in 4.9. van het tussenvonnis geen sprake is van een eindbeslissing.

bindende eindbeslissing?

2.2.

De beslissing in 4.9. van het tussenvonnis is, zoals Spinnin Records terecht aanvoert, aan te merken als een eindbeslissing omdat uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist. Het gebruik van de woorden ‘kan’ en ‘in beginsel’ maken dat niet anders. In 4.3. van het tussenvonnis heeft de rechtbank immers geoordeeld dat sprake is van een aanbiedingsplicht zodra een product gereed is binnen de contractperiode en dit vervolgens (al dan niet binnen de contractperiode) aangeboden wordt om op de markt te worden gebracht. Vervolgens heeft de rechtbank in 4.7. van het tussenvonnis geoordeeld dat de Instrumental Mix gereed was voor het einde van de contractperiode, terwijl ook vaststaat dat deze na afloop van de contractperiode is aangeboden om op de markt te worden gebracht. Dit leidt tot de in 4.9. van het tussenvonnis genoemde beslissing dat de Instrumental Mix als productie in de zin van de producersovereenkomst kan worden aangemerkt. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] de Instrumental Mix aan Spinnin Records had moeten aanbieden.

terugkomen van bindende eindbeslissing?

2.3.

In het geval sprake is van een eindbeslissing heeft [gedaagde] gevraagd om heroverweging van deze beslissing. De leer van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechter in beginsel in dezelfde instantie niet meer kan terugkomen van door hem gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zal doen. Daarmee is echter niet bedoeld dat een procespartij na kennisname van een haar onwelgevallig tussenoordeel van de rechter binnen dezelfde instantie de onderbouwing van de grondslagen van haar vordering of verweer onbeperkt met een beroep op nieuwe feiten, nieuwe argumenten en nieuwe producties zou mogen aanvullen en dat de rechter te allen tijde verplicht zou zijn daarop gemotiveerd te beslissen. In het onderhavige geval bepleit [gedaagde] zijn verzoek om heroverweging grotendeels met een herhaling van hetgeen hij al uiteenzette in eerdere stukken en ter comparitie. Zijn stellingen en verweren zijn dan ook al betrokken bij het nemen van de beslissing. Voor zover hij in zijn antwoordakten nieuwe stellingen poneert en nadere onderbouwingen geeft, zijn die te laat aangevoerd. Verder is de rechtbank ook niet ambtshalve gebleken van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag van de beslissing. Conclusie moet dan ook zijn, dat in dit geval geen plaats is voor een heroverweging.

vallen alle ICBTO versies onder de producersovereenkomst?

2.4.

De rechtbank heeft partijen bij het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om zich per akte uit te laten over het antwoord op de volgende in 4.9. opgeworpen vraag: “De vraag doet zich vervolgens voor of de Instrumental Mix als een op zichzelf staand product kan/moet worden beschouwd die onder de overeenkomst valt, of dat de Instrumental Mix onderdeel van het geheel van de vijf versies van ICBTO vormt en dat dit geheel als één product in de zin van de overeenkomst moet worden beschouwd.” In het eerste geval zou uitsluitend de Instrumental Mix onder de producersovereenkomst vallen en in het tweede geval zou dat voor alle vijf versies van ICBTO gelden. Partijen is daarom in 4.9. van het tussenvonnis gevraagd in te gaan op de gevolgen voor de mogelijke schadeplichtigheid in beide gevallen.

2.5.

Naast de producersovereenkomst hebben partijen ook een productieovereenkomst gesloten (zie 2.4. van het tussenvonnis). De rechtbank overweegt dat op grond van randnummer 6 van de producersovereenkomst de voorwaarden van de productieovereenkomst van toepassing waren geweest op de Instrumental Mix in het geval [gedaagde] deze productie conform zijn aanbiedingsplicht aan Spinnin Records had aangeboden. Kern van de hiervoor genoemde vraag betreft dan ook de uitleg van enkele bepalingen van de productieovereenkomst die omwille van de verdere leesbaarheid van dit vonnis hierna worden herhaald:

Artikel 2 – Rechten

De Producer draagt bij ondertekening van deze Overeenkomst aan SR over het volledige eigendomsrecht en het exclusieve recht om van de geluidsband en de opname(n) daarop reprodukties te vervaardigen en de aldus vervaardigde reprodukties in het gebied te verkopen of de geluidsband anderszins te exploiteren (inclusief transmissie/download, ringtone, streaming, kopieren, beeldrecht, en internet) in de ruimste zin des woords, met dien verstande echter dat genoemd recht beperkt zal zijn tot het gebruik van de geluidsband als vermeld in de Bijlage inclusief alle (re)mixen vocals en afgeleiden daarvan. De Producer verklaart tevens geen her-opnames, remakes of covers voor derden te vervaardigen van de geluidsband(en) als vermeld in de Bijlage.

(…)”

Artikel 14

SR is gerechtigd om in overleg met de Producer van de geluidsband(en) een remix(en) door derden te laten maken. (…)”

standpunt Spinnin Records

2.6.

Spinnin Records neemt het standpunt in dat alle vijf versies van ICBTO onder de productieovereenkomst vallen. Zij voert hiervoor het volgende aan. De vier latere versies van ICBTO zijn auteursrechtelijke bewerkingen van de Instrumental Mix in de zin van artikelen 10, tweede lid en 13 van de Auteurswet (hierna: Aw). De versies zijn namelijk bewerkt in duur of er zijn vocalen dan wel andere elementen toegevoegd (remix), telkens met behoud van de auteursrechtelijk beschermde elementen. Voor het vervaardigen van dergelijke bewerkingen is de toestemming van de rechthebbende op het oorspronkelijk werk vereist. Als [gedaagde] zich aan de producersovereenkomst had gehouden en de Instrumental Mix had aangeboden, dan zou Spinnin Records op grond van artikel 2 van de productieovereenkomst de (auteurs)rechthebbende zijn geworden van de Instrumental Mix. Ook zou [gedaagde] hebben verklaard geen heropnames, remakes of covers van de Instrumental Mix voor derden te vervaardigen. De toestemming van Spinnin Records zou dan vereist zijn voor het maken van de vier latere nummers. In artikel 14 van de productieovereenkomst is verder bepaald dat Spinnin Records degene is die (in overleg met [gedaagde] ) remixen kan laten maken met derden. Het zou dan ook niet mogelijk zijn om buiten Spinnin Records om de latere vier versies van ICBTO te vervaardigen en deze door een derde te laten uitbrengen. Het zou ook niet voor de hand liggen dat Spinnin Records enkel zou investeren in de Instrumental Mix en de exploitatie van de andere versies aan haar concurrenten zou hebben willen overlaten. Dit zou niet te rijmen zijn met de exclusiviteit zoals opgenomen in de producersovereenkomst.

2.7.

Bij de schadebegroting zou volgens Spinnin Records uit moeten worden gegaan van de opbrengst van alle vijf versies van ICBTO. Er kan worden aangeknoopt bij de daadwerkelijk gerealiseerde inkomsten. Spinnin Records was akkoord geweest met het uitbrengen van alle versies door Universal, waarvoor laatstgenoemde aan Spinnin Records het aandeel van [gedaagde] zou hebben betaald en over dat aandeel zou de royalty van [gedaagde] zijn berekend. Hier bestaat de schade dan ook uit. Er is geen juridische grondslag om de inkomsten die Spinnin Records heeft genoten uit de in 2013 met [gedaagde] gesloten labeldeal in mindering te brengen op voornoemde schade.

standpunt [gedaagde]

2.8.

neemt het standpunt in dat de vier latere versies van ICBTO niet onder de producersovereenkomst vallen. Hij voert hiervoor het volgende aan. De productieovereenkomst ziet niet op het maken van een bewerking, maar op het maken van een reproductie van een fonogram. Op grond van artikel 2 van de productieovereenkomst is Spinnin Records immers niet de auteursrechthebbende geworden van de Instrumental Mix. Deze bepaling betreft uitsluitend het naburig recht van de fonogrammenproducent. De Wet op de naburige rechten (hierna: WNR) voorziet niet in een bewerkingsrecht in de zin van artikel 13 van de Aw. Hierdoor vallen de latere versies van ICBTO niet onder de productieovereenkomst.

2.9.

Ten aanzien van de schade voert [gedaagde] aan dat Spinnin Records geen schade heeft geleden omdat alle versies pas na afloop van de producersovereenkomst gereed werden geacht door alle betrokkenen. Daarnaast waren de versies van ICBTO nooit uitgekomen als Spinnin Records deze producties alsnog naar haar toe had willen trekken, omdat [naam] ICBTO aan een andere partij had beloofd. Ook geldt dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de kant van [gedaagde] . In het geval daar wel sprake van mocht zijn, dan kan de tekortkoming niet aan [gedaagde] worden toegerekend. Hij is immers niet de partij die op enig moment een proefopname heeft uitgevoerd tijdens een liveoptreden, waardoor een illegale opname van die proefopname op het internet terecht is gekomen. Er is dus geen sprake van strijd met de exclusiviteitsverplichting in de producersovereenkomst. In het geval [gedaagde] toch schadeplichtig is, moet het uitsluitend gaan over de inkomsten die [gedaagde] zelf voor de exploitatie van de Instrumental Mix heeft ontvangen van Universal, minus de daarvoor aan [gedaagde] toekomende royalty. Daarnaast geldt dat [gedaagde] nooit een nieuwe labeldeal met Spinnin Records had gesloten als zij haar gestelde aanspraak in 2012 had doorgezet. Dit houdt in dat de door Spinnin Records met deze labeldeal genoten inkomsten in mindering gebracht moeten worden op de gestelde schade. Nu alle versies van ICBTO zijn uitgebracht door een ander, moeten ook de exploitatiekosten die Spinnin Records zich hiermee heeft bespaard in mindering worden gebracht.

geen overdracht auteursrecht

2.10.

De rechtbank is van oordeel dat de latere vier versies van ICBTO niet onder de productieovereenkomst vallen en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 2, derde lid van de Aw is voor een geldige overdracht van het auteursrecht levering door middel van een daartoe bestemde akte vereist. In het geval [gedaagde] conform zijn aanbiedingsplicht – zoals genoemd in 4.3. van het tussenvonnis – de Instrumental Mix aan Spinnin Records had aangeboden, dan had laatstgenoemde op grond van artikel 2 van de productieovereenkomst “het volledige eigendomsrecht en het exclusieve recht om van de geluidsband en de opname(n) daarop reprodukties te vervaardigen” verkregen. Anders dan Spinnin Records stelt, zou zij op grond van deze bepaling niet de auteursrechten op de Instrumental Mix verkrijgen. In deze bepaling en elders in deze overeenkomst wordt immers niets opgemerkt over de overdracht van auteursrechten. Deze productieovereenkomst zou dan niet aangemerkt kunnen worden als een akte bestemd voor een geldige overdracht van de auteursrechten. Ook uit andere stukken kan niet worden afgeleid dat partijen een overdracht van het auteursrecht hebben beoogd dan wel dat één van de partijen dat zo had mogen begrijpen.

uitsluitend Instrumental Mix valt onder de producersovereenkomst

2.11.

Dit betekent dat Spinnin Records dan ook enkel het reproductierecht zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de WNR op de Instrumental Mix zou verkrijgen en dat zij met dit recht geen bewerkingen daarvan had kunnen (laten) maken. De uitleg van Spinnin Records dat haar toestemming vereist zou zijn voor het maken van de vier latere versies van ICBTO is dan ook onjuist. Dat artikel 14 van de productieovereenkomst bepaalt dat Spinnin Records in overleg met [gedaagde] remixen door derden kan laten maken, maakt het voorgaande niet anders omdat daarin niet is bepaald dat [gedaagde] geen remixen mag maken. Verder geldt de exclusiviteitsverplichting uitsluitend gedurende de looptijd van de producersovereenkomst. Dit betekent dat het [gedaagde] vrij staat om na afloop daarvan de vier latere versies van ICBTO te vervaardigen en bij een andere platenmaatschappij uit te laten brengen. Verder volgt uit het standpunt van Spinnin Records dat de vier latere versies remixen zijn van de Instrumental Mix en niet dat sprake is van her-opnames, remakes dan wel covers. Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat uitsluitend de Instrumental Mix onder de producersovereenkomst valt.

schade

2.12.

De rechtbank komt gelet op het bovenstaande tot het oordeel dat de schade van Spinnin Records uitsluitend betrekking kan hebben op de Instrumental Mix. Nu deze versie onder de producersovereenkomst valt, is het niet relevant dat alle versies van ICBTO pas na afloop van de producersovereenkomst gereed werden geacht. Deze omstandigheid ontslaat [gedaagde] namelijk niet van zijn contractuele verplichting om de Instrumental Mix, ook na afloop van de contractperiode, aan Spinnin Records aan te bieden. Hierdoor is sprake van een tekortkoming in de nakoming van voornoemde verbintenis. Deze tekortkoming heeft niets te maken met het op enig moment uitvoeren van een proefopname, zodat niet valt in te zien waarom de tekortkoming hem niet is toe te rekenen. Verder heeft Spinnin Records aangegeven dat zij akkoord was gegaan met het laten uitbrengen van de Instrumental Mix bij Universal. De rechtbank begrijpt dan ook niet waarom de andere versies van ICBTO niet waren uitgekomen als Spinnin Records betrokken was geweest bij de Instrumental Mix. In het geval de Instrumental Mix door Universal zou worden uitgebracht, zou Spinnin Records ook geen kosten hebben gemaakt voor de exploitatie daarvan. Hierdoor hoeven deze kosten niet in mindering gebracht te worden op de schade.

2.13.

Verder volgt uit de toelichting van Spinnin Records dat Universal in bovengenoemd geval het aandeel van [gedaagde] aan Spinnin Records zou hebben betaald en dat over dat aandeel de royalty van [gedaagde] zou zijn berekend. De schade van Spinnin Records bestaat hierdoor uit de daadwerkelijk door [gedaagde] van Universal ontvangen gelden voor de Instrumental Mix voor de exploitatievormen genoemd in de productieovereenkomst en de daarbij behorende bijlage, minus de overeengekomen royalty vergoeding. Verder volgt de rechtbank het standpunt van [gedaagde] niet dat de in 2013 gesloten labeldeal niet zou zijn gesloten in het geval Spinnin Records haar aanspraak op de Instrumental Mix had doorgezet. Uit de stukken volgt namelijk dat [gedaagde] op de hoogte was van de mogelijke aanspraak van Spinnin Records en alsnog een nieuwe labeldeal heeft gesloten, terwijl niet is gebleken dat partijen een afspraak over de aanspraak hebben gemaakt (zie 4.10. van het tussenvonnis). Hierdoor ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de door Spinnin Records met deze labeldeal genoten inkomsten in mindering te brengen op de schade, nog los van de vraag wat de juridische grondslag daarvan zou moeten zijn.

conclusie

2.14.

De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagde] uitsluitend ten aanzien van de Instrumental Mix tekort is geschoten in de nakoming van de aanbiedingsplicht opgenomen in de producersovereenkomst. [gedaagde] is aansprakelijk voor de hierdoor door Spinnin Records geleden schade. Deze schade bestaat uit de daadwerkelijk door [gedaagde] van Universal ontvangen gelden voor de Instrumental Mix voor de exploitatievormen genoemd in de productieovereenkomst en de daarbij behorende bijlage, minus de overeengekomen royalty vergoeding die [gedaagde] zou hebben ontvangen. De slotsom van het bovenstaande is dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is zoals in het dictum is vermeld, evenals de verwijzing naar de schadestaatprocedure.

proceskosten

2.15.

Nu partijen over en weer in het gelijk worden gesteld ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] uitsluitend ten aanzien van de Instrumental Mix tekort is geschoten in de nakoming van de aanbiedingsplicht zoals volgt uit de producersovereenkomst;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de als gevolg daarvan door Spinnin Records geleden schade, zoals omschreven in 2.14., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

3.4.

verklaart onderdeel 3.2 uitvoerbaar bij voorraad; en,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.