Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2577

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4383
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw. Feiten en omstandigheden maken niet dat eiseres haar woonplaats niet langer in Amsterdam had. Bijstandsuitkering ten onrechte ingetrokken. Navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 17/4383 en AMS 17/5451

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2018 in de zaken tussen

[de persoon] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. R. Siemeling),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: I. van Kesteren).

Procesverloop

Bij besluiten van 20 april 2017 (de primaire besluiten 1 en 2) heeft verweerder de (bijstands)uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) respectievelijk beëindigd en ingetrokken. Bij besluit van 19 mei 2017 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de teveel betaalde bijstand van eiseres teruggevorderd.

Bij besluiten van 10 juli 2017 en 12 september 2017 (de bestreden besluiten I en II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 2 december 2016 bij verweerder een bijstandsuitkering aangevraagd. Daarbij heeft eiseres als verblijfadres opgegeven [adres] in Amsterdam. Bij besluit van 28 december 2016 heeft verweerder eiseres een bijstandsuitkering toegekend vanaf 1 november 2016. Bij besluit van 16 februari 2017 is de ingangsdatum van de uitkering gewijzigd naar 13 september 2016.

2. Naar aanleiding van informatie dat eiseres niet op haar uitkeringsadres zou verblijven, heeft op 5 april 2017 een huisbezoek plaatsgevonden. Eiseres is toen ook gehoord.

3. Bij het primair besluit 1 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de bijstandsuitkering vanaf 5 april 2017 is beëindigd omdat eiseres heeft verklaard geen uitkering meer te willen ontvangen. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de uitkering vanaf 1 oktober 2016 ingetrokken omdat het hoofdverblijf van eiseres niet op het opgegeven adres is. Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder € 2.976,65 aan teveel betaalde bijstand over de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 maart 2017 van eiseres teruggevorderd.

4. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en bij het bestreden besluit II de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit 3. Verweerder heeft toegelicht dat eiseres van 1 oktober 2016 tot en met maart 2017 haar hoofdverblijf niet op het opgegeven uitkeringsadres in Amsterdam maar in [plaats 3] had. Eiseres heeft dat niet tijdig doorgegeven en heeft daarmee de inlichtingenplicht uit artikel 17 van de Pw geschonden. Omdat eiseres gedurende haar verblijf buiten Amsterdam geen recht had op een bijstandsuitkering, is deze terecht ingetrokken. De uitkering is ook terecht beëindigd, omdat eiseres heeft verklaard de uitkering niet meer nodig te hebben, aldus verweerder. Verweerder heeft verder toegelicht dat de terugvordering het directe gevolg is van de intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 1 oktober 2016, dat de terugvordering op juiste gronden plaatsvindt en dat er geen reden is om het terugvorderingsbedrag te matigen of van terugvordering af te zien.

5. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij haar hoofverblijf steeds in Amsterdam had, dat zij bij de aanvraag heeft vermeld in de winter een deel van de week in [plaats 3] te verblijven en dat zij uit de toekenning van bijstand gerechtvaardigd mocht veronderstellen dat zij daar ook recht op had. Volgens eiseres heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door bij de besluitvorming geen of onvoldoende rekening te houden met de omstandigheden van het geval en door onvoldoende te motiveren waarom de beslissing op bezwaar geen onevenredig nadeel voor eiseres oplevert.

Het wettelijk kader

6.1

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

6.2

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, voor zover van belang, trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, als het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

6.3

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, vordert het college de kosten van bijstand terug, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Ten aanzien van de intrekking en beëindiging

7.1

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat het klopt dat er geen beroepsgronden zijn aangevoerd tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering. Het beroep tegen het bestreden besluit I ziet uitsluitend op de intrekking van de uitkering.

7.2

In geschil is of verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over de te beoordelen periode -van 1 oktober 2016 tot en met 31 maart 2017- terecht heeft ingetrokken omdat zij haar hoofdverblijf toen niet op het opgegeven adres had.

7.3

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor eiseres belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.

7.4

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Pw bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont is bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt, kortom de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel om, als dat doel is bereikt, weer naar terug te keren.1 De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Pw dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

7.5

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan.2

7.6

De rechtbank overweegt dat uit het dossier de volgende feiten en omstandigheden naar voren komen. Eiseres huurt een woning aan [adres] in Amsterdam. Tot de in geding zijnde periode woonde zij daar met haar twee zoons. Deze gingen destijds naar school in [plaats 1] en [plaats 2] . In de in geding zijnde periode mocht zij gebruik maken van een vakantiehuisje in [plaats 3] . Eiseres heeft hiervan gebruik gemaakt omdat zij het vanwege het donkere seizoen veiliger vond dat haar zoons niet zo’n grote afstand naar school hoefden af te leggen met de brommer. Eén van haar zoons had namelijk recent een ongeluk gehad. Eiseres ging op maandag naar [plaats 3] toe en vertrok vrijdag weer met haar zoons naar Amsterdam. Eiseres ging ook doordeweeks wel naar Amsterdam. Zij heeft verklaard dat zij haar post op het adres in Amsterdam ontving. Tijdens het huisbezoek op 5 april 2017 heeft de controleur met betrekking tot de administratie geen bijzonderheden opgemerkt. Zo stond op haar bankafschriften het adres in Amsterdam vermeld. Ook had zij in Amsterdam een parkeervergunning. Wel had zij haar autoverzekering laten overschrijven naar het adres in [plaats 3] . Uit haar rekeningafschriften blijkt verder dat zij vaak boodschappen deed in de omgeving van [plaats 3] . Eiseres heeft verklaard dat zij dit ook deed omdat in die regio familie van haar woont. In de in geding zijnde periode heeft eiseres de huur voor de woning in Amsterdam betaald. Zij heeft verklaard dat zij de woning niet aan anderen ter beschikking heeft gesteld. Hiervan blijkt ook niet uit het dossier. Eiseres heeft verklaard dat zij sinds de in geding zijnde periode weer de gehele week met haar zoons op het adres in Amsterdam verblijft. Uit het dossier blijkt niet dat dit niet het geval is. Ten tijde van het huisbezoek beschikte eiseres nog over de sleutel van de vakantiewoning in [plaats 3] . Zij heeft verklaard dat dit was omdat de eigenaren nog op Curaçao verbleven.

7.7

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van verweerder dat eiseres in de te beoordelen periode niet haar woonplaats in de gemeente Amsterdam had. Hieruit volgt dat verweerder zijn standpunt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden niet zorgvuldig heeft voorbereid en het besluit in zoverre niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust.3 De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit I wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaren en het bestreden besluit I vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond is verklaard.

7.8

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan het bespreken van het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.

Ten aanzien van de terugvordering

7.9

Nu verweerder de bijstandsuitkering op onjuiste gronden heeft ingetrokken kan ook het bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering niet in stand blijven. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit II wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb gegrond verklaren en het bestreden besluit II vernietigen.

Conclusie

8. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het bestreden besluit I, voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond is verklaard, en het bestreden besluit II. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om finaal te beslissen, omdat verweerder mogelijk nieuw onderzoek zal willen doen en de tijd die daarvoor nodig is ongewis is.

9. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (2 x € 46,-) vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1, waarbij de zaken zijn beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I, voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond is verklaard, en het bestreden besluit II;

  • -

    gelast verweerder nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren gericht tegen de primaire besluiten 2 en 3 met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 92,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1002,-
    .

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr.N.L. Adam, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937

2 Zie de uitspraak van de CRvB van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560.

3 Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105.