Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2571

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
13/741300-17 en 13/684140-18 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel 1 jaar, ongewenst vreemdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/741300-17 en 13/684140-18 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 18 april 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] ,
thans verblijvende in het Justitieel Complex [locatie te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 april 2018, waarbij verdachte aanwezig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.K. Cheng, naar voren hebben gebracht.

Tevens is als deskundige gehoord de heer R. Mandjes, reclasseringswerker van Inforsa.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij:

  1. op 21 december 2017 in Amsterdam bij de Hema (vestiging [adres 2] ) twee beugelsloten heeft gestolen;

  2. op 23 november 2017 in Amsterdam bij de Albert Heijn (vestiging [vestiging] ) kaas heeft gestolen;

  3. (betreft het gevoegde parketnummer 13/684140-18) op 26 maart 2018 in Amsterdam bij de Hema (vestiging [straat 1] ) 21 fietsloten heeft gestolen waarbij verdachte geweld heeft gebruikt tegen [persoon] door deze [persoon] te duwen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Zij baseert zich daarbij op het volgende.

Verdachte heeft de winkeldiefstal bij de Hema op 21 december 2017 bekend en deze is ook gezien door een verbalisant (feit 1). De diefstal bij de Albert Heijn op 23 november 2017 (feit 2) wordt gezien door een winkelmedewerker; deze ziet immers dat verdachte stukken kaas in zijn jas stopt en enkel een blikje bier afrekent. Aangever verklaart later dat er na de aanhouding van verdachte in de mouw van zijn jas stukken kaas zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er camerabeelden waarop te zien is dat verdachte een geel product uit zijn winkelmand pakt en in zijn linkermouw stopt. Ten aanzien van de andere winkeldiefstal bij de Hema op 26 maart 2018 (feit 3) bekent verdachte dat hij één slot heeft gestolen. De officier van justitie meent dat dit er meer moeten zijn geweest gelet op het feit dat de politie op de camerabeelden ziet dat verdachte vier keer eenzelfde handeling uitvoert. Ook is de officier van mening dat verdachte geweld heeft toegepast nu slachtoffer [persoon] aan aangever heeft verklaard dat verdachte een duw heeft uitgedeeld en dat er op camerabeelden fysiek contact te zien is.

3.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de winkeldiefstal bij de Albert Heijn (feit 2) bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij de kaas wel heeft gepakt, maar dat hij deze in de winkel bij de koeling heeft achtergelaten, omdat hij niet genoeg geld had. Verdachte is niet aangehouden met kaas.

Ten aanzien van de eerste diefstal bij de Hema (feit 1) heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft bekend de twee sloten te hebben gestolen, omdat hij deze wilde verkopen om zijn treinreis naar Leeuwarden waar hij bij zijn zus woont, te kunnen betalen. De tweede diefstal bij de Hema (feit 3) is een eenvoudige diefstal en geen diefstal met geweld. Verdachte heeft verklaard één slot te hebben gestolen en dit te hebben teruggegeven. Daarnaast is het vermeende slachtoffer [persoon] niet gehoord en neemt de politie waar op de camerabeelden dat te zien is dat er fysiek contact is, maar tegelijkertijd dat niet precies te zien is wat er feitelijk gebeurt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de drie feiten wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

De diefstal bij de Hema op 21 december 2017 (feit 1)
Op 21 december 2017 heeft een politieagent gezien dat verdachte in de Hema op de [adres 2] in Amsterdam twee U-sloten van de muur waar ze aanhingen heeft gehaald. Hij hield deze in zijn rechterhand vast, hield zich vervolgens ongeveer vijftien seconden op tussen enkele stellages en had hierna de sloten niet meer in zijn hand. De politieagent zag tevens dat er een bolling in de jas van verdachte zat. Verdachte verlaat de winkel zonder iets af te rekenen en bij zijn aanhouding worden de sloten aangetroffen. Verdachte heeft de diefstal bekend.

De diefstal bij de Albert Heijn op 23 november 2017 (feit 2)
De Albert Heijn, vestiging [vestiging] , heeft aangifte gedaan van een winkeldiefstal op 23 november 2017. Aangever heeft verklaard dat hij via de beveiligingscamera’s ziet dat verdachte twee stukken kaas in zijn jas stopt. Hij rekent vervolgens alleen een blikje bier af en loopt richting de uitgang. In een aanvullende verklaring heeft aangever verklaard dat hij bij de aanhouding van verdachte in de linkermouw van diens jas twee stukken kaas heeft aangetroffen. Een politieagent bekijkt ook de camerabeelden en herkent daarop verdachte. Hij ziet dat verdachte een geel product in de linkermouw van zijn jas stopt en schichtig om zich heen kijkt. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij kaas heeft gepakt, maar dat hij deze heeft teruggelegd bij de koeling, omdat hij geen geld had om deze af te rekenen. Hij heeft alleen een blikje bier gekocht.

De rechtbank vindt de verklaring van verdachte dat hij de kaas heeft teruggelegd ongeloofwaardig. Aangever heeft bij de aanhouding twee stukken kaas in de mouw van de jas van verdachte aangetroffen terwijl op de camerabeelden te zien is dat verdachte in de winkel een geel product in zijn mouw stopt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte de stukken kaas heeft gestolen.

De diefstal bij de Hema op 26 maart 2018 (feit 3)
De Hema heeft aangifte gedaan van winkeldiefstal op 28 maart 2018 bij het filiaal aan de [straat 1] in Amsterdam. Er zouden 21 fietssloten zijn weggenomen. Aangever baseert dit deels op de door haar uitgevoerde voorraadtelling. Verdachte heeft bekend één fietsslot te hebben gestolen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte meer dan één fietsslot heeft gestolen, omdat een politieagent op de beelden van de beveiligingscamera’s van de Hema ziet dat verdachte tot vier keer toe iets uit de schappen pakt en dit onder zijn jas wegstopt. Dit komt overeen met hetgeen aangever heeft verklaard in zijn aangifte, namelijk dat op de monitor te zien was dat de man meermalen fietssloten uit het rek pakte en onder zijn jas stopte.

Tevens zou verdachte winkelmedewerkster [persoon] hebben geduwd. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij een fietsslot heeft teruggegeven nadat hij was geconfronteerd met het wegstoppen van de sloten en dat hij toen is weggegaan. Hij heeft [persoon] niet geduwd.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde geweld. [persoon] is niet gehoord en de politieagent die de camerabeelden heeft bekeken, beschrijft dat hij ziet dat verdachte en de medewerkster fysiek contact maken. Hij beschrijft ook dat hij niet duidelijk ziet wat er gebeurt. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat op de camerabeelden te zien is dat er fysiek contact is tussen verdachte en de winkelmedewerkster onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van geweld als tenlastegelegd. De beschrijving van het fysiek contact sluit niet uit dat dit zich beperkt tot het teruggeven van een fietsslot door verdachte, zoals hij heeft verklaard.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 21 december 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee beugelsloten, toebehorende aan Hema vestiging [adres 2] ;

Feit 2

op 23 november 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verpakkingen kaas, toebehorende aan Albert Heijn vestiging [vestiging] ;

Feit 3

op 26 maart 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand gelegen aan de [straat 1] heeft weggenomen fietssloten, toebehorende aan Hema.

4 De bewijsmiddelen

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Het bewezen verklaarde zijn strafbare feiten en verdachte is daarvoor ook strafbaar.

6 Motivering van de maatregel

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft verzocht verdachte af te straffen door middel van een gevangenisstraf en hem geen ISD-maatregel op te leggen, omdat dit voor verdachte een kale detentie van twee jaren zou betekenen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen. Dit zijn vervelende feiten waarmee hij de Albert Heijn en de Hema overlast heeft bezorgd.

Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank beschikt over het rapport van reclassering Inforsa van 21 februari 2018 dat is opgemaakt door R. Kaatman. Het rapport houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in. Verdachte staat al jaren bekend als zeer actieve veelpleger en dat leidde er in 2009 en 2015 toe dat hij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd kreeg. Voor zover bekend, heeft verdachte geen onderdak, geen dagbesteding en geen inkomen. Daarnaast wordt verondersteld dat zijn verslavingsproblematiek weer sterk op de voorgrond staat. Bovendien is verdachte inmiddels ongewenst verklaard en heeft hij geen recht meer op een uitkering, zorg en behandeling. Ook mag hij geen arbeid verrichten. Verdachte stelt zich zeer zorg mijdend op en weigert al lange tijd om met reclasseringswerkers in gesprek te gaan. De reclassering ziet op basis van haar onderzoek geen aangrijpingspunten om het risico op recidive terug te dringen buiten het dwangkader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Zij adviseert daarom om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen.

R. Mandjes van reclassering Inforsa is op de zitting gehoord als deskundige. Hij heeft onder meer verklaard dat de reclassering voor verdachte niets kan betekenen, omdat zij vanwege de status van verdachte niets kan opstarten. De kans op recidive is in de situatie van verdachte erg groot, omdat hij op straat leeft, geen inkomen heeft en verslaafd is. Binnen de ISD-maatregel is er wel een aantal mogelijkheden, bijvoorbeeld het leren van een taal of vak en het behandelen van de verslaving van verdachte. Verdachte heeft dit echter tijdens eerdere maatregelen steeds geweigerd. De Penitentiaire Inrichting Veenhuizen, waar de ISD-maatregel ten uitvoer zal worden gelegd, is specifiek gericht op vreemdelingen en is de laatste jaren erg ontwikkeld, waardoor hier juist voor vreemdelingen zoals verdachte daadwerkelijk mogelijkheden zijn en geen sprake is van een kale detentie, aldus de deskundige.

De ISD-maatregel
Om een ISD-maatregel op te kunnen leggen, moet verdachte aan voorwaarden voldoen zoals die zijn opgenomen in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht en de ISD-richtlijn van het Openbaar Ministerie. Zo moet verdachte een misdrijf hebben begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis bewezen verklaart dat verdachte drie winkeldiefstallen heeft gepleegd, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte in de afgelopen vijf jaren meer dan drie keer voor een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Uit het strafblad van verdachte van 6 maart 2018 blijkt dat verdachte ook aan deze voorwaarde voldoet. Bovendien moet één van de in dit vonnis bewezen winkeldiefstallen zijn begaan na tenuitvoerlegging van die eerder opgelegde vrijheidsbenemende straffen. Ook dit is het geval. Aan die voorwaarden is daarom voldaan.

Uit het hiervoor genoemde rapport moet blijken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Het rapport vermeldt onder meer dat de algehele kans op recidive hoog is, mede vanwege de persoonlijke omstandigheden en de ernstige verslaving van verdachte. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Dat betekent dat de rechtbank verwacht dat de kans groot is dat verdachte opnieuw de fout in gaat, als hij niet wordt opgenomen in een ISD-instelling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte aan alle criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel voldoet en zal daarom deze maatregel opleggen. De rechtbank zal dat echter niet doen voor de maximaal termijn van twee jaren. Het doel van de ISD-maatregel is tweeledig: aan de ene kant de criminaliteit gepleegd door veelplegers te verminderen door middel van insluiting en aan de andere kant gedragsbeïnvloeding wat moet leiden tot het minder plegen van delicten na de vrijheidsbeneming. Een onderdeel van de gedragsbeïnvloeding is het opstarten van een re-integratietraject. Nu verdachte ongewenst is verklaard in Nederland en daardoor geen recht heeft op de in Nederland bestaande sociale voorzieningen is geen sprake van een noodzaak tot en mogelijkheden van re-integratie in de Nederlandse samenleving. De ISD-maatregel zal daarom geen extramurale fase kennen, zoals bij legaal in Nederland verblijvende personen wel het geval is. Om die reden zal de rechtbank de ISD-maatregel beperken tot één jaar, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. In dit jaar kan onder meer een start worden gemaakt met de behandeling van de verslavingsproblematiek van verdachte en kan een terugkeer naar het land van herkomst worden bevorderd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 1 (één) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Leijten, voorzitter,
mrs. C. Klomp en L. Voetelink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 april 2018.

[...]