Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2570

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
13/684010-18 en 15/810299-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VONNIS

Parketnummers: 13/684010-18 en 15/810299-15 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 18 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 april 2018, waarbij verdachte aanwezig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Looijestijn, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y. Karga, naar voren hebben gebracht.

Tevens is als deskundige gehoord mevrouw M. Strik, reclasseringswerker van reclassering Fivoor.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat verdachte:

  1. op 3 januari 2018 in Amsterdam politieagent [persoon 1] heeft bedreigd door onder meer tegen hem te zeggen “Ik knal je kop eraf” en/of “Ik gooi brandzuur op je gezicht” en/of andere bedreigende teksten;

  2. in de periode van 20 december 2017 tot en met 21 december 2017 in Amsterdam een snorfiets van [persoon 2] heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

  3. op 13 september 2017 in Amsterdam in het Vondelpark was terwijl hij daar vanwege een gedragsaanwijzing niet mocht zijn.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal van de snorfiets (feit 2), omdat hij een dag na de diefstal van de snorfiets wordt aangetroffen op die snorfiets en hij heeft verklaard dat hij deze heeft geleend van een kennis. Uit niets blijkt dat het verdachte is geweest die de snorfiets heeft gestolen.

De andere twee feiten acht de officier van justitie wel bewezen. Ten aanzien van de bedreiging van de politieagent [persoon 1] (hierna: aangever) (feit 1) heeft hij aangevoerd dat aan de hand van de op de zitting afgespeelde videobeelden van de bodycam van aangever duidelijk te zien is dat verdachte onder invloed is, meermalen tegen de muur spuugt en bedreigende teksten tegen aangever uit. Wat betreft het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing (feit 3) heeft de officier gewezen op het aanvullende proces-verbaal waarin de wijze van uitreiking van de gedragsaanwijzing aan verdachte wordt beschreven. Hierin wordt beschreven dat is gezegd dat verdachte een dergelijke aanwijzing mee krijgt, dat hij in een bepaald gebied niet mocht komen en dat hij die stukken goed moet lezen. Van verdachte mag verwacht worden dat hij deze stukken dan ook leest.

3.2

Het standpunt van de raadsvrouw van verdachte

De raadsvrouw van verdachte is van oordeel dat verdachte van alle drie de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de bedreiging van aangever (feit 1) was er in juridische zin geen sprake van een bedreiging. Aangever kent verdachte ambtshalve en heeft verklaard dat het op straat redelijk goed ging. In de lift is er een soort gesprek gaande en verdachte spuugt weliswaar twee keer, maar hij heeft zijn gezicht weggedraaid van aangever en spuugt tegen de muur. Verdachte uit objectief gezien wellicht bedreigende teksten, maar het ging er redelijk gemoedelijk aan toe en er was in de lift geen agressieve sfeer. Bovendien had verdachte geen opzet op het uiten van die teksten; hij was onder invloed van morfine in verband met een meervoudige kaakbreuk..

Net als de officier van justitie heeft de raadsvrouw vrijspraak van de diefstal van de snorfiets bepleit (feit 2) omdat uit niets blijkt dat het verdachte is geweest die die snorfiets heeft gestolen.

Wat betreft het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing (feit 3) ontbreekt het opzet. Verdachte kreeg een stapel papieren mee, maar er is hem nooit uitgelegd dat hij niet in het Vondelpark mag komen. In het aanvullend proces-verbaal is bovendien te lezen dat verdachte zich onrustig gedroeg en drukke bewegingen maakte. Dit kenmerkt hoe hij die dag heeft ervaren.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van de diefstal van de snorfiets (feit 2)

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte – van oordeel dat niet kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die de snorfiets van [persoon 2] heeft gestolen. Hij zal daarom van dit ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

3.3.2

Veroordeling voor de bedreiging van de politieagent (feit 1) en het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing (feit 3)

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt daartoe als volgt.

De bedreiging van de politieagent (feit 1)
Op 3 januari 2018 was aangever aan het werk als motorsurveillant op het Damrak in Amsterdam. Hij zag daar dat verdachte met zijn gebalde vuisten over straat rende, agressief uit zijn ogen keek, diverse voorbijgangers aansprak en kennelijk uit was op een confrontatie. Aangever werd aangesproken door een passant die hem meedeelde dat verdachte voor hem had gestaan en had geroepen dat hij met hem wilde vechten. Kort daarop rende verdachte met gebalde vuisten op een taxi af en schreeuwde tegen de chauffeur. Aangever besloot een extra eenheid op te roepen en verdachte aan te houden. In de lift van het politiebureau heeft verdachte bedreigende teksten naar aangever geuit.

Verdachte heeft verklaard dat hij op het Damrak een sprintje naar de trein trok. Bij zijn aanhouding werd hij hardhandig aangepakt, omdat hij een bepaalde ongunstige reputatie bij de politie heeft. Dit vond hij vervelend, omdat hij op dat moment last had van een kaakfractuur. Om deze reden heeft hij in de lift wat dreigementen geuit, maar niet de in de tenlastelegging genoemde. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij die dag morfine had gekregen in verband met zijn kaakfractuur en dat hij die dag ook alcohol had gedronken en wat heeft gescholden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aangever heeft bedreigd. Tijdens de aanhouding van verdachte heeft aangever zijn bodycam aangezet, omdat verdachte agressief op hem reageerde. Een collega van aangever heeft de camerabeelden hiervan uitgekeken en uitgewerkt in een proces-verbaal. Hij schrijft dat op de camerabeelden onder andere te horen is dat verdachte zegt: “Ik knal je knop eraf”, “Ik gooi brandzuur op je gezicht” en “Jij bent dood man gek, je wordt doodgeschoten gek, net als [overleden persoon] man gek” en aangever aanduidt als “meneer de motorrijder”. Deze woorden kunnen naar algemeen spraakgebruik als bedreigend worden bestempeld. Bovendien kent aangever verdachte ambtshalve en weet hij dat verdachte zeer agressief en onberekenbaar kan zijn, zeker onder invloed van drank en drugs. Aangever weet ook dat het niet ondenkbaar is dat verdachte daad bij het woord voegt, indien hij daarvoor de kans krijgt. Gelet op deze context kon naar het oordeel van de rechtbank bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen zou waarmaken.

Het verweer van de raadsvrouw van verdachte dat ziet op het opzet op de bedreiging wordt verworpen. Verdachte heeft verklaard dat hij onder invloed van morfine was vanwege zijn opgelopen kaakfractuur. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij alcohol had gedronken. Naar het oordeel van de rechtbank kon verdachte weten dat het gebruik van alcohol in combinatie met morfine zijn functioneren zodanig kon beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan. Desondanks heeft verdachte er toch voor gekozen om alcohol te drinken, dat leidt er echter niet toe dat het opzet ontbreekt.

Het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing (feit 3)
Verdachte heeft op 11 september 2017 een gedragsaanwijzing uitgereikt gekregen die hij zelf heeft ondertekend. Bovendien heeft een politieagent hem uitgelegd dat verdachte die gedragsaanwijzing heeft gekregen om de overlast te beëindigen. De politieagent heeft hem ook verteld dat verdachte de gedragsaanwijzing goed moest lezen omdat hij niet meer in een bepaald gebied mocht komen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij veel papieren meekreeg toen hij het politiebureau verliet en dat de politieagenten hem niet hadden uitgelegd dat hij niet in het Vondelpark mocht komen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de politieagent voldoende is ingelicht over de betreffende gedragsaanwijzing en de strekking daarvan. Door de gedragsaanwijzing vervolgens kennelijk niet te lezen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zich op enig moment zou bevinden in een gebied waar hij volgens de gedragsaanwijzing niet mocht komen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 3 januari 2018 te Amsterdam [persoon 1] , werkzaam als brigadier van Politie Eenheid Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik knal je kop eraf." en "Ik gooi brandzuur op je gezicht." en "Jij bent dood man gek. Je wordt doodgeschoten gek, net als [overleden persoon] man gek." en "Jij bent de zoveelste die wordt doodgeschoten, net als.. In de park wordt je doodgeschoten.. ja.. en dan krijg je een beetje bloed over je heen." en "Ik schiet je kop eraf meneer de motorrijder.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 3

op 13 september 2017 te Amsterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 11 september 2017 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich met ingang van 11 september 2017 gedurende 30 dagen niet zal ophouden in het Vondelpark te Amsterdam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Het bewezen verklaarde zijn strafbare feiten en verdachte is daarvoor ook strafbaar.

6 Motivering van de maatregel

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de raadsvrouw van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van alle te laste gelegde feiten waardoor geen straf of maatregel zal moeten volgen. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, omdat verdachte niet aan de zachte criteria voldoet. Een strafrechtelijk kader met bijzondere voorwaarden is een effectievere en daarom betere mogelijkheid, net als een voorwaardelijke ISD-maatregel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten
Verdachte heeft een politieagent bedreigd terwijl hij werd aangehouden. Dit is een naar en ingrijpend feit waardoor aangever zich angstig heeft gevoeld in de uitoefening van zijn werk. Daarnaast is verdachte in het Vondelpark geweest terwijl hij daar niet mocht komen.

Persoonlijke omstandigheden
In het verleden is een groot aantal rapporten over verdachte opgemaakt. Niet alle rapporten die in het dossier zitten zien op de parketnummers die in dit vonnis worden besproken.

Rapport reclassering Fivoor – 9 maart 2018
Het meest recente rapport van reclassering Fivoor van 9 maart 2018, opgemaakt door N. Bakker, houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in.

Vanaf mei 2014 tot heden is er onder diverse parketnummers contact met verdachte in het kader van reclasseringstoezicht. Een verplicht gestelde behandeling bij de ambulante psychiatrie van De Waag is lastig gebleken. Er werd geprobeerd om verdachte een verslavingsbehandeling te laten volgen, maar dit mislukte door detentieperiodes en het niet nakomen van afspraken bij GGZ forensische polikliniek [naam polikliniek] . In november 2015 wordt verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden onder meer reclasseringstoezicht en een verplichte opname in een forensische kliniek. Hiertoe wordt hij in september 2016 opgenomen op de Forensisch Psychiatrische Afdeling [afdeling] (hierna: [afdeling] ). Aan het begin van de opname laat verdachte een beeld zien dat hij meewerkt, alle therapieën volgt en abstinent is van alcohol en drugs. Na een aantal maanden worden zijn vrijheden uitgebreid waarop het mis gaat. Verdachte komt in januari 2017 terug van verlof terwijl hij alcohol heeft gedronken, hij scoort in februari 2017 positief op cocaïne en wordt diezelfde maand voor een time-out teruggeplaatst naar de penitentiaire inrichting. Wanneer hij in maart 2017 terugkeert naar [afdeling] laat hij een ander beeld zien, wat ertoe leidt dat [afdeling] geen opening meer ziet voor verdere behandeling van verdachte. In april 2016 (de rechtbank begrijpt 2017) is er een indicatiestelling afgegeven voor Forensisch Psychiatrische Kliniek [psychiatrische kliniek] (hierna: [psychiatrische kliniek] ) waar verdachte wordt opgenomen. In augustus 2017 komt verdachte zwaar onder invloed van alcohol terug van verlof en is hij dreigend naar het personeel. Hij wordt opgehaald door de politie en enkele dagen later volgt een ontslag bij [psychiatrische kliniek] . De kliniek ziet geen meerwaarde in het voortzetten van de behandeling, gelet op de ernst van de incidenten, de ontbrekende behandelmotivatie en de groepsontwrichtende houding van verdachte. In november 2017 is verdacht door zijn toezichthouder aangemeld bij Stichting [stichting] (hierna: [stichting] ) in Zeeland, een instelling voor forensische woonbegeleiding. [stichting] heeft inmiddels aangegeven dat zij verdachte vanwege de ernst van zijn problematiek niet als cliënt accepteert.

In de ontslagbrief van [psychiatrische kliniek] wordt vermeld dat er bij verdachte sprake is van alcoholafhankelijkheid. Bij zijn criminele gedrag is de persoonlijkheidsproblematiek de belangrijkste probleemfactor. Er is sprake van weinig impulscontrole en het beeld van verdachte is passend bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis met een narcistische coping. Verdachte functioneert daarnaast op zwakbegaafd niveau.

Er is sprake van een lage responsiviteit. Verdachte komt tot op heden afspraken met de reclassering wisselend na. (Klinische) behandelingen hebben tot op heden niet het gewenste effect gehad. De kans op recidive wordt ingeschat als hoog, mede vanwege het middelengebruik en de onberekenbare houding van verdachte. Ook de kans op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Verdachte pleegt vanaf jeugdige leeftijd delicten; alleen periodes van een (langdurige) PIJ-maatregel en detenties weten hem uit het contact met politie te houden. De reclassering adviseert daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Toelichting deskundige op de zitting
M. Strik van Fivoor heeft op de zitting als deskundige het rapport toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard bij het advies van de reclassering te blijven. Een ambulant kader is voor verdachte niet zwaar genoeg. Er is ook geprobeerd verdachte aan te melden voor begeleid wonen, maar [stichting] wees hem af vanwege zijn problematiek. De verwachting van de reclassering is dat verdachte ook bij andere begeleid wonen-instellingen wordt afgewezen. De deskundige gelooft ook niet in een effectieve klinische behandeling van de alcoholproblematiek van verdachte, omdat het verleden heeft laten zien dat verdachte niet met vrijheden zoals verlofmomenten kan omgaan. Hij is agressief naar anderen en drinkt alcohol. Een ISD-maatregel is een strakker kader en biedt een vangnet aan verdachte, mocht hij een terugval krijgen.

E-mail van reclassering Inforsa – 5 januari 2018
De rechtbank heeft kennis genomen van de e-mail van 5 januari 2018, die in het kader van de voorgeleiding van verdachte is opgesteld door M. Wegbrans van reclassering Inforsa. In de e-mail wordt gerefereerd aan een verklaring van [toezichthouder] , toezichthouder van verdachte van reclassering [naam polikliniek] . [toezichthouder] heeft onder meer verklaard dat het contact bij de reclassering zeer moeizaam gaat en dat verdachte zich moeizaam aan afspraken kan houden. Verdachte voldoet inmiddels aan de ISD-criteria en [toezichthouder] merkt op dat naar die mogelijkheid onderzoek moet worden gedaan.

Verklaring verdachte op de zitting
Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij vindt dat hij zich redelijk goed heeft gedragen in [afdeling] . Hij heeft wel een paar keer een terugval gehad. Daarnaast vindt hij dat er veel tegenstrijdigheden en onjuistheden in de rapporten staan en dat alleen zijn negatieve kant wordt belicht. In een ISD-maatregel heeft verdachte geen enkel vertrouwen. Hij heeft al eerder lange tijd in detentie verbleven en hij kan ook bepaalde zaken op eigen kracht realiseren, zoals een inschrijfadres en het aanvragen van een paspoort. Met de genoemde [toezichthouder] van reclassering [naam polikliniek] heeft verdachte een goede werkrelatie en verdachte heeft ook verklaard dat hij het met [toezichthouder] eens is.

De ISD-maatregel
Om een ISD-maatregel op te kunnen leggen, moet verdachte aan bepaalde voorwaarden voldoen die staan in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) en in de ISD-richtlijn van het Openbaar Ministerie. Zo moet verdachte een misdrijf hebben begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis onder meer bewezen verklaart dat verdachte een politieagent heeft bedreigd, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte in de afgelopen vijf jaren meer dan drie keer voor een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Uit het strafblad van verdachte van 6 maart 2018 blijkt dat verdachte ook aan deze voorwaarde voldoet. Bovendien moet één van de in dit vonnis bewezen feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van die eerder opgelegde vrijheidsbenemende straffen. Ook dit is het geval. Aan de voorwaarden van art. 38m Sr. is dus voldaan.

Uit de hiervoor genoemde rapporten moet blijken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Uit het rapport van Fivoor van 9 maart 2018 volgt onder meer dat de kans op recidive hoog is, mede vanwege het middelengebruik en de onberekenbare houding van verdachte. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Dat betekent dat de rechtbank denkt dat de kans groot is dat verdachte opnieuw de fout in gaat, als hij niet wordt opgenomen in een ISD-instelling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte aan alle criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel voldoet en zal daarom deze maatregel opleggen. Zij overweegt daartoe als volgt. Een voorwaardelijk strafdeel of een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden zou verdachte een bepaalde mate van vrijheid bieden. Hoewel verdachte bij tijden heeft meegewerkt met de reclassering heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat verdachte met deze mate van vrijheid kan omgaan. Uit het rapport van Fivoor, de toelichting van de deskundige op de zitting en het strafblad van verdachte blijkt immers dat de kans op recidive onverminderd hoog is gebleven. Eerdere klinische trajecten waren bovendien geen succes; verdachte heeft een aantal terugvallen in het alcoholgebruik gehad en er vonden vervolgens (gewelds)incidenten plaats. De toezichthouder van verdachte heeft hem aangemeld bij [stichting] , een begeleid wonen-instelling, maar [stichting] heeft verdachte vanwege de ernst van zijn problematiek afgewezen. De verwachting van in elk geval de reclassering is dat verdachte bij andere begeleid wonen-instellingen ook (juist vanwege zijn problematiek) wordt afgewezen. Dat er sprake is van psychische problematiek, zoals beschreven door de reclassering, staat voor de rechtbank voldoende vast. Het gedrag van verdachte ter zitting, dwingend, nadrukkelijk aanwezig en geagiteerd, illustreerde deze bevindingen.

Verdachte heeft verklaard dat hij het eens is met [toezichthouder] , zijn toezichthouder. Klaarblijkelijk ziet verdachte daarbij over het hoofd dat ook [toezichthouder] geen heil meer ziet in een vorm van toezicht door de reclassering zoals verdachte die wenst. Waar deze eerder in een rapport van 1 december 2017 (opgemaakt in het kader van een andere zaak) nog adviseerde verdachte een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, komt hij daar in de e-mail van 5 januari 2018 op terug en stelt [toezichthouder] dat onderzoek naar de mogelijkheid van een ISD-maatregel moet worden gedaan.

Een ISD-maatregel is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment het enige dat past en het is bovendien noodzakelijk.

Vanwege de ernst van de problematiek van verdachte is het van groot belang dat er voldoende tijd wordt genomen voor het ISD-traject. Op die manier wordt de maatschappij optimaal beschermd en zijn er voldoende kansen om ervoor te zorgen dat verdachte als hij vrij komt niet opnieuw strafbare feiten gaat plegen. De rechtbank zal daarom de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten wordt daar niet van afgetrokken.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 15/810299-15 afwijzen omdat verdachte de ISD-maatregel opgelegd krijgt. Het ISD-traject moet vanwege de problematiek van verdachte zo snel mogelijk van start gaan. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling zou een snelle start in de weg staan en dat vindt de rechtbank niet wenselijk.

8 De vordering van de benadeelde partij [persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] heeft € 200 (tweehonderd euro) aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit 1 rechtstreeks schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en is voldoende onderbouwd. Deze zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 3 januari 2018.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [persoon 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 63, 184 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

en

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Haarlem van 13 november 2015 opgelegd voorwaardelijk strafdeel van zes maanden gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 15/810299-15.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 200 (tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 1] , te betalen de som van € 200 (tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een vervangende hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Leijten, voorzitter,
mrs. C. Klomp en L. Voetelink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 april 2018.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]