Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2543

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
C/13/626673 / HA ZA 17-353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid vijf artsen voor (overlijdens)schade nabestaanden na suïcide? Geen schending zorgplicht ex art. 7:453 BW. Integrale afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0186
PS-Updates.nl 2018-0346
JERF 2018/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/626673 / HA ZA 17-353

Vonnis van 18 april 2018

in de zaak van

1 [naam eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [naam eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. F.J.H.M. Berndsen te Breda,

tegen

1. de stichting

STICHTING ARKIN,

gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting

STICHTING GGZ INGEEST,

gevestigd te Amsterdam,

3. [naam gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [naam gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [naam gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [naam gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [naam gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. N. Dekker te Arnhem.

Eiser sub 1 zal hierna [naam eiser sub 1] worden genoemd, eiseres sub 2 [naam eiser sub 2] , en eisers gezamenlijk [naam eisers gezamenlijk]

Gedaagden zullen hierna Arkin, GGZ InGeest, [naam gedaagde sub 3] , [naam gedaagde sub 4] , [naam gedaagde sub 5] , [naam gedaagde sub 6] en [naam gedaagde sub 7] worden genoemd en gezamenlijk Arkin c.s. Daarnaast zullen gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk worden aangeduid als de stichtingen en gedaagden sub 3 tot en met 7 als de artsen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 oktober 2017, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2018 en de daarin genoemde stukken, waaronder de akte inhoudende verzoek om bevel ex artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van deze zijde van Arkin c.s.;

  • -

    de brief van 7 maart 2018 van de zijde van Arkin c.s. in reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De stichtingen zijn instellingen die zich richten op de geestelijke gezondheidszorg in de regio Amsterdam. De stichtingen werken samen onder de naam Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam (hierna: SPA). SPA is een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid voor spoedeisende psychiatrische zorg. De stichtingen leveren ieder medewerkers als fysieke bemanning van het crisisteam van SPA dat buiten kantooruren in actie komt bij een melding (hierna: het crisisteam). Beide stichtingen beschikken daarnaast over een eigen Acuut Behandel Team (hierna: ABT).

2.2.

Bij een melding van mogelijke suïcide buiten kantooruren wordt door het crisisteam een suïcidebeoordeling gemaakt en wordt beoordeeld of de patiënt via SPA moet worden opgenomen. Indien de patiënt niet wordt opgenomen, wordt het beleid voor de korte termijn door het crisisteam bepaald. Vervolgens wordt de patiënt de volgende ochtend overgedragen aan het ABT van één van de stichtingen en bespreekt het betreffende ABT de eventuele verdere behandeling met de patiënt.

2.3.

[naam eiser sub 1] en wijlen mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), (destijds) beiden piloot, hebben in 2010 een affectieve relatie met elkaar gekregen. Vanaf 1 november 2011 zijn zij gaan samenwonen in een appartement in [plaats] (hierna: de woning). Op [geboortedag] 2012 is hun dochter [naam eiser sub 2] geboren.

2.4.

Op 27 december 2012 is [naam 1] naar de huisarts gegaan voor een consult, omdat zij zich niet goed voelde en zich zorgen maakte over de toekomst. De huisarts heeft [naam 1] hierop meegedeeld dat zij waarschijnlijk kampte met een postnatale depressie en heeft haar een dagelijks in te nemen dosis van 10 mg temazepam (een slaapmiddel) en 15 mg mirtazapine (een antidepressivum) voorgeschreven.

2.5.

[naam eiser sub 1] , die op dat moment een week afwezig was geweest in verband met een uit te voeren vliegreis, is op 1 januari 2013 weer thuisgekomen. Op donderdag 3 januari 2013 heeft hij [naam 1] overgehaald om opnieuw contact met de huisarts op te nemen, omdat haar situatie leek te zijn verslechterd en zij opnieuw slecht had geslapen. De huisarts heeft vervolgens telefonisch de dosis mirtazapine naar 30 mg verhoogd en zijn privételefoonnummer aan [naam 1] verstrekt. Omdat het ’s avonds nog altijd niet beter leek te gaan met [naam 1] , heeft [naam eiser sub 1] rond 18:30 uur geprobeerd om de huisarts op het verstrekte privénummer te bereiken. Omdat dit niet lukte, heeft [naam eiser sub 1] de huisartsenpost gebeld. [naam eiser sub 1] werd vervolgens meegedeeld dat hij door de dienstdoende huisarts zou worden teruggebeld.

2.6.

Toen [naam eiser sub 1] in afwachting van dat telefoontje naar beneden ging om hun dochter [naam eiser sub 2] te voeden, is [naam 1] naar boven gegaan. Rond hetzelfde tijdstip kwam op verzoek van [naam eiser sub 1] een buurvrouw/vriendin van [naam eiser sub 1] (hierna: de vriendin) langs, die ook een postnatale depressie had gehad. Omdat [naam 1] boven was, is de vriendin meteen doorgelopen naar boven. Zij trof [naam 1] daar aanvankelijk niet aan, maar omdat zij het haakje van de deur naar het dakterras zag bewegen, is zij buiten gaan kijken. Daar trof zij [naam 1] aan op de rand van het dakterras aan de buitenzijde van het hekje. De vriendin heeft hierop direct [naam eiser sub 1] geroepen en samen hebben zij [naam 1] teruggetrokken van de rand van het dakterras naar de veilige kant van het hekje.

2.7.

[naam eiser sub 1] heeft hierop 112 gebeld. De meldkamer heeft [naam eiser sub 1] doorverbonden met de huisartsenpost van het Lucas Andreas ziekenhuis. [naam eiser sub 1] en [naam 1] zijn vervolgens bij die huisartsenpost langsgegaan, waarna de aldaar dienstdoende huisarts [naam 1] heeft doorverwezen naar SPA.

2.8.

De dienstdoende huisarts van het Lucas Andreas ziekenhuis heeft vervolgens telefonisch bij SPA gemeld dat er een beoordeling van de suïcidaliteit van [naam 1] moest plaatsvinden. De telefonische melding, zoals die bij SPA binnenkwam en door SPA is genoteerd, vermeldt, onder meer, het volgende:

“(..)

Reden van verwijzing gevaar voor zichzelf

(..)

IBS-verzoek nee

Aanmeldingsinformatie Patiënt is in augustus bevallen van een kindje. Het gaat sinds die tijd niet goed. Maar met de kerstdagen is het helemaal bergafwaarts gegaan. Heeft slaapproblemen, is aan een stuk door aan het tobben en zit apathisch op de bank. Zou vandaag naar het dak zijn gegaan met het idee eraf te springen. Partner heeft haar op andere gedachten weten te brengen. Is onder behandeling van de huisarts en krijgt Temazepam en Mirtazepine. Niet bekend welke dosering en hoe lang ze dit al gebruikt,. Maar in ieder geval heeft het geen effect.

Verwijzer wil een beoordeling suïcidaliteit. Partner vindt dat patiënt moet worden opgenomen.”

2.9.

Na ontvangst van deze melding heeft SPA direct contact opgenomen met [naam 1] . Er is haar toen eerst gevraagd of zij naar de onderzoekslocatie wilde komen, zodat zij meteen kon worden gezien door [naam gedaagde sub 4] , psychiater in dienst van GGZ InGeest, die tot 22:00 uur bij SPA aanwezig zou zijn en daarna als achterwacht (van het crisisteam) zou fungeren. Omdat [naam 1] aangaf dit niet te willen, is in overleg met [naam 1] en [naam eiser sub 1] besloten dat twee leden van het crisisteam van SPA, te weten [naam gedaagde sub 5] , destijds arts-assistent in dienst bij Arkin, [naam gedaagde sub 7] , destijds arts-assistent in dienst bij GGZ InGeest, en een coassistent, een huisbezoek bij [naam 1] zouden afleggen en hun bevindingen zouden terugkoppelen aan [naam gedaagde sub 4] .

2.10.

[naam gedaagde sub 5] , [naam gedaagde sub 7] en de coassistent zijn naar de woning gegaan en troffen daar [naam 1] , [naam eiser sub 1] en de vriendin met [naam eiser sub 2] aan. Zij hebben vervolgens geruime tijd met [naam 1] gesproken, grotendeels in het bijzijn van [naam eiser sub 1] . Vervolgens hebben [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] (buiten de woning) hun bevindingen telefonisch met achterwacht [naam gedaagde sub 4] gedeeld en overleg met haar gevoerd. [naam gedaagde sub 5] , [naam gedaagde sub 7] en [naam gedaagde sub 4] kwamen vervolgens gezamenlijk tot de conclusie dat er geen grond was voor een (gedwongen) opname van [naam 1] .

2.11.

Nadat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] deze conclusie aan [naam 1] en [naam eiser sub 1] hadden meegedeeld, is in overleg met hen afgesproken dat [naam 1] de nacht van 3 op 4 januari 2013 thuis zou doorbrengen en dat er de volgende dag door het ABT telefonisch contact met [naam 1] zou worden opgenomen om te bespreken hoe de nacht was verlopen en of, en zo ja, wanneer nadere actie zou zijn vereist. Om ervoor te zorgen dat [naam 1] die nacht goed zou slapen, hebben [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] in overleg met [naam gedaagde sub 4] de dosering temazepam verhoogd van 10 mg naar 20 mg. Voor het geval het na het vertrek van [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] niet goed zou gaan met [naam 1] , hebben zij een spoedtelefoonnummer achtergelaten. [naam eiser sub 1] en [naam 1] hebben het spoedtelefoonnummer niet gebeld.

2.12.

Op vrijdagochtend 4 januari 2013 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen onder meer de artsen uit de nachtdienst, waaronder [naam gedaagde sub 4] , [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] , en de arts(en) van het ABT die die dag dienst had(den), (waaronder) [naam gedaagde sub 6] , die destijds als arts-assistent gedetacheerd was bij Arkin. Tijdens dit gesprek is ook [naam 1] besproken en overgedragen aan het ABT van Arkin. Daarbij is [naam gedaagde sub 6] op de hoogte gesteld van de met [naam 1] gemaakte afspraak dat zij die dag door het ABT zou worden gebeld om te bespreken hoe de nacht was verlopen en wat het eventuele vervolgtraject zou moeten zijn.

2.13.

[naam gedaagde sub 6] heeft op 4 januari 2013 verschillende keren geprobeerd om [naam 1] telefonisch te bereiken, maar zonder succes. Rond 16.00 uur heeft [naam gedaagde sub 6] [naam eiser sub 1] gebeld en bij hem naar [naam 1] geïnformeerd. [naam eiser sub 1] heeft [naam gedaagde sub 6] in dit gesprek meegedeeld dat [naam 1] op dat moment lag te slapen, dat zij ook die nacht goed leek te hebben geslapen, dat zij weer honger had (na een tijd niet te hebben gegeten), dat zij voornemens was om te gaan hardlopen en dat [naam eiser sub 1] inmiddels met de werkgever van [naam 1] had gesproken. Hierop is met [naam eiser sub 1] afgesproken dat [naam 1] op dinsdag 8 januari 2013 bij het ABT zou langskomen om te worden gezien door een psychiater van het ABT.

2.14.

In de avond van 4 januari 2013 is [naam 1] gaan hardlopen, waarna zij van het dakterras is gesprongen en als gevolg daarvan is overleden.

2.15.

Op 26 juni 2013 en 8 oktober 2013 hebben er nabesprekingen plaatsgevonden tussen [naam gedaagde sub 3] , psychiater en manager behandelzaken van SPA in dienst van Arkin, een aantal van de artsen, [naam eiser sub 1] en familieleden van zowel [naam eiser sub 1] als [naam 1] . Daarbij zijn de gebeurtenissen van 3 en 4 januari 2013 rondom het overlijden van [naam 1] besproken.

2.16.

Arkin c.s. heeft de gang van zaken rond de suïcide van [naam 1] voorgelegd aan haar interne suïcidecommissie. Deze commissie, onder leiding van de geneesheer-directeur, concludeert dat geen sprake is van een meldingsplichtige calamiteit en gaat uit van een impulsieve suïcidepoging op 3 januari 2013, waarna zich op 4 januari 2013 een impulsieve suïcideactie van [naam 1] heeft voorgedaan.

2.17.

Bij brief van 26 februari 2014 heeft (een kantoorgenoot van) de advocaat van [naam eisers gezamenlijk] , Arkin en de artsen, met uitzondering van [naam gedaagde sub 7] , namens [naam eiser sub 1] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die [naam eiser sub 1] heeft geleden als gevolg van het overlijden van [naam 1] .

2.18.

Arkin c.s. heeft de aansprakelijkheid niet erkend.

3 Het geschil

3.1.

[naam eisers gezamenlijk] vordert samengevat - voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat de stichtingen toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomsten met [naam 1] en daardoor ex artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schadeplichtig zijn geworden jegens [naam eisers gezamenlijk] ;

  2. een verklaring voor recht dat de artsen onrechtmatig hebben gehandeld jegens [naam 1] dan wel - voor zover er geneeskundige behandelingsovereenkomsten tot stand zijn gekomen tussen [naam 1] en de artsen – dat de artsen toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomsten, en daardoor in beide gevallen ex artikel 6:108 BW schadeplichtig zijn geworden jegens [naam eisers gezamenlijk] ;

  3. een verklaring voor recht dat (in het geval geoordeeld wordt dat de artsen onrechtmatig jegens [naam 1] hebben gehandeld) de stichtingen hiervoor aansprakelijk zijn en daardoor ex artikel 6:108 BW schadeplichtig zijn geworden jegens [naam eisers gezamenlijk] ;

  4. een hoofdelijke veroordeling van Arkin c.s. tot het vergoeden van de door [naam eisers gezamenlijk] geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  5. en hoofdelijke veroordeling van Arkin c.s. tot betaling aan [naam eisers gezamenlijk] van de kosten voor de vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid en de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  6. een veroordeling van Arkin c.s. in de proceskosten.

3.2.

[naam eisers gezamenlijk] legt aan zijn vorderingen in de kern ten grondslag dat de artsen op 3 en 4 januari 2013, bij de uitvoering van de medische hulpverlening aan [naam 1] , in strijd hebben gehandeld met hun zorgplicht als weergegeven in artikel 7:453 BW. De artsen hebben onvoldoende onderzoek verricht, onvoldoende gecommuniceerd en ten onrechte het medicijngebruik van [naam 1] onvoldoende in hun beoordeling en monitoring betrokken. Hierdoor is een onjuiste inschatting van het suïciderisico gemaakt, als gevolg waarvan [naam 1] is komen te overlijden. De stichtingen zijn aansprakelijk voor de daardoor voor [naam eisers gezamenlijk] ontstane (overlijdens)schade, aldus [naam eisers gezamenlijk]

3.3.

Zoals ter comparitie nader toegelicht, maakt [naam eisers gezamenlijk] de artsen concreet de volgende verwijten.

3.3.1.

[naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] waren als arts-assistenten onvoldoende gekwalificeerd om de suïcidaliteit van [naam 1] te beoordelen. Zij hebben, al dan niet als gevolg daarvan, onvoldoende onderzoek verricht. Zo hebben zij nagelaten om hetgeen [naam 1] hen over de poging vertelde en waarbij [naam 1] de poging bagatelliseerde, te toetsen bij de vriendin die [naam 1] op het dakterras had aangetroffen alsook bij [naam eiser sub 1] . Ook hebben zij onvoldoende doorgevraagd bij [naam 1] naar wat er precies op het dakterras was gebeurd. Zij hebben hiermee niet gehandeld overeenkomstig de Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag (hierna: de Richtlijn).

[naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben voorts onvoldoende met hun collega’s, in het bijzonder met hun achterwacht [naam gedaagde sub 4] , gecommuniceerd. Toen [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] op 3 januari 2013, na afloop van hun gesprek met [naam 1] , hun bevindingen met [naam gedaagde sub 4] deelden, hebben zij nagelaten om [naam gedaagde sub 4] te vertellen dat [naam 1] door de vriendin aan de buitenkant van het hekje op het dakterras was aangetroffen, terwijl zij daarvan wel op de hoogte waren. Deze informatie was echter voor [naam gedaagde sub 4] (en later [naam gedaagde sub 6] ) relevant om te kunnen bepalen hoe vergevorderd de poging was en aldus om een juiste risico-inschatting te kunnen maken.

Ook hebben [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] de voorgeschreven medicatie van [naam 1] onvoldoende in de beoordeling van het suïciderisico betrokken. In de bijsluiter van mirtazapine staat vermeld dat gedachten over zelfbeschadiging en zelfmoord kunnen toenemen als voor het eerst een antidepressivum wordt ingenomen, aangezien een dergelijk middel in het algemeen ongeveer twee weken of soms langer nodig heeft om te gaan werken. In de bijsluiter van temazepam staat dat als reactie onder meer psychoses kunnen optreden en dat versterking van het centrale depressieve effect kan voorkomen in gevallen met gelijktijdig gebruik van, onder meer, antidepressiva. Mirtazapine is een antidepressivum. Daarnaast geldt dat wetenschappelijk is aangetoond dat er een toegenomen risico op zelfmoordgedrag is bij jongvolwassenen met psychiatrische aandoeningen die behandeld worden met een antidepressivum. Niet is gebleken dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] deze risico’s bij hun beoordeling van het suïciderisico van [naam 1] hebben meegewogen. Gezien de genoemde risico’s hadden zij moeten besluiten (om [naam gedaagde sub 4] te adviseren) [naam 1] te laten monitoren en een behandelplan hierop af te stellen. Dit hebben zij nagelaten.

Als gevolg van de hiervoor genoemde fouten is de ernst van de situatie - een bijna dodelijke suïcidepoging op 3 januari 2013 - zowel op 3 als 4 januari 2013 gebagatelliseerd en is het suïciderisico onjuist ingeschat. Hierdoor is op beide dagen onvoldoende onderzoek gedaan naar de psychische gesteldheid van [naam 1] , is er geen behandelplan opgesteld en zijn er continu - door [naam gedaagde sub 4] en [naam gedaagde sub 6] - beslissingen genomen op basis van verkeerde informatie.

3.3.2.

[naam gedaagde sub 4] heeft volgens [naam eisers gezamenlijk] onvoldoende gewaarborgd dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] , van wie zij wist dat het arts-assistenten waren, voldoende zouden doorvragen. Nu zij dit heeft nagelaten en [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] onvoldoende hebben doorgevraagd naar de (ernst van de) suïcidepoging, heeft [naam gedaagde sub 4] , die zich op het onderzoek van [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] heeft gebaseerd, op basis van onvolledige informatie een onjuiste risico-inschatting gemaakt en op basis daarvan beslist dat [naam 1] thuis kon slapen en dat er pas de volgende dag contact met haar zou worden opgenomen. Ook [naam gedaagde sub 4] wordt verweten dat zij de medicatie van [naam 1] onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken en heeft nagelaten [naam 1] te laten monitoren.

3.3.3.

[naam eisers gezamenlijk] verwijt [naam gedaagde sub 6] , die de behandeling van [naam 1] op vrijdag 4 januari 2013 overgedragen heeft gekregen, dat hij die dag een verkeerde beoordeling heeft gemaakt en niet heeft gehandeld in overeenstemming met de Richtlijn. Gezien de positieve berichten die hij telefonisch van [naam eiser sub 1] had doorgekregen ( [naam 1] had bijvoorbeeld goed geslapen, had het voornemen geuit te gaan hardlopen en at weer) had hij moeten vaststellen dat bij [naam 1] sprake was van een onverwachte sterke verbetering van het klinische beeld. De Richtlijn schrijft voor dat in dergelijke situaties extra alert gehandeld moet worden. [naam gedaagde sub 6] had dan ook niet mogen volstaan met een telefoongesprek (met uitsluitend [naam eiser sub 1] ) en had de fysieke afspraak niet over het weekend heen mogen tillen en pas op dinsdag 8 januari 2013 mogen inplannen. [naam gedaagde sub 6] heeft onvoldoende adequate maatregelen genomen om [naam 1] tegen zichzelf in bescherming te nemen. [naam gedaagde sub 6] wordt tot slot verweten dat hij genoemde beslissing als arts-assistent heeft genomen, zonder hierover eerst in overleg met een psychiater te treden.

3.3.4.

[naam gedaagde sub 3] wordt verweten dat hij, als manager behandelzaken van SPA, op grond van de Richtlijn had moeten waarborgen dat diegenen die op huisbezoek gingen bij [naam 1] voldoende toegerust waren om in dit geval de juiste vragen te stellen en door te vragen, maar heeft nagelaten dit te doen. [naam gedaagde sub 3] had [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] specifiek moeten instrueren dat het niet ongebruikelijk is voor suïcidale patiënten om hun suïcidepoging te bagatelliseren, zodat zij hadden geweten dat zij bij [naam 1] hadden moeten doorvragen toen zij dit deed. Nu [naam gedaagde sub 3] dit heeft nagelaten, hebben [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] dit onvoldoende gedaan, aldus [naam eisers gezamenlijk]

3.4.

Arkin c.s. voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Geneeskundige behandelingsovereenkomst/hulppersonen

4.1.

Zoals toegelicht ter comparitie, staat het volgende tussen partijen vast. Tussen [naam 1] en de stichtingen, als de achterliggende rechtspersonen van SPA, was sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 lid 1 BW. De artsen waren allen in dienst van of gedetacheerd bij één van de stichtingen en werden door SPA ingezet om de geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen [naam 1] en de stichtingen uit te voeren. De artsen hebben in hun verhouding tot de stichtingen slechts als hulppersonen gehandeld. Tussen de artsen en [naam 1] golden geen geneeskundige behandelingsovereenkomsten. Hieruit volgt dat de onder b. gevorderde verklaring voor recht dat de artsen toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van geneeskundige behandelingsovereenkomsten zal worden afgewezen.

4.2.

Nu de resterende vorderingen alle zijn gegrond op de stelling van [naam eisers gezamenlijk] dat de artsen op 3 en/of 4 januari 2013 in strijd met het bepaalde in artikel 7:453 BW hebben gehandeld, zal in het navolgende per arts worden beoordeeld of dit het geval is.

Toetsingskader

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:453 BW dient een medisch hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Dit betekent volgens vaste jurisprudentie dat de hulpverlener (minimaal) de zorg moet betrachten die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht (hierna: de zorgplicht). Ter zake van het handelen van de individuele beroepsbeoefenaar kunnen de gedragsregels die worden gehanteerd door de desbetreffende beroepsorganisatie van belang zijn, zoals in het onderhavige geval de Richtlijn.

3 januari 2013 - [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7]

Het onderzoek

4.4.

Arkin c.s. heeft de aan [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] gemaakte verwijten betwist en in dit kader het volgende naar voren gebracht.

4.4.1.

[naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben tijdens het huisbezoek een psychiatrische beoordeling met onderzoek naar suïcidaal gedrag verricht door - conform de Richtlijn - een gesprek met [naam 1] (autoanamnese) en met [naam eiser sub 1] (heteroanamnese) te voeren en door te observeren. In het gesprek met [naam 1] bemerkten [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] dat het in eerste instantie moeilijk was om contact te maken met [naam 1] , maar dat dit in de loop van het gesprek verbeterde. Op een bepaald moment kon [naam 1] zelfs weer een grapje maken. Aan [naam 1] is door [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] meermaals gevraagd waarom zij het dak was opgegaan en of zij daadwerkelijk de intentie had gehad om er vanaf te springen. [naam 1] heeft verklaard dat zij het dak was opgegaan, omdat haar partner en/of haar huisarts had gezegd dat het misschien beter was als zij opgenomen zou worden, maar dat zij dit absoluut niet wilde. [naam 1] heeft vervolgens ontkend dat zij een werkelijke suïcidewens had en heeft in dat kader vermeld dat zij een man en een kind had en nog vele andere dingen om voor te leven. Zij heeft hierbij niet vermeld dat zij op het dakterras reeds aan de andere kant van het hekje had gestaan en ook [naam eiser sub 1] heeft [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hier niet op gewezen. De arts-assistenten waren met dat gegeven dan ook niet bekend, zodat zij dat ook niet aan [naam gedaagde sub 4] hebben kunnen doorgeven. [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben de door [naam 1] gegeven verklaring weliswaar niet getoetst bij de aanwezige vriendin, maar daar bestond op dat moment ook geen aanleiding voor. Immers, de vriendin besteedde aandacht aan dochtertje [naam eiser sub 2] , [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] waren er niet mee bekend dat het de vriendin was geweest die [naam 1] op het dakterras had aangetroffen (zij gingen er vanuit dat de vriendin was gekomen om voor [naam eiser sub 2] te zorgen) en de partner van [naam 1] was zelf bij het gesprek aanwezig, zodat het verhaal van [naam 1] bij hem kon worden getoetst.

4.4.2.

[naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben ten tijde van het onderzoek geconstateerd dat [naam 1] adequaat reageerde. Tijdens het huisbezoek bekommerde de vriendin zich over dochter [naam eiser sub 2] , maar [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben gezien dat [naam 1] de zorg voor [naam eiser sub 2] op enig moment van de vriendin overnam, hetgeen zij als een positief teken zagen. Zij hebben voorts geconstateerd dat, nu [naam eiser sub 1] kort voor 3 januari 2013 een week afwezig was geweest, [naam 1] in die periode alleen voor [naam eiser sub 2] had gezorgd. Nu zou [naam eiser sub 1] weer enige tijd aanwezig zijn, aangezien hij (in elk geval de volgende dag) verlof zou opnemen. Op basis van de hiervoor beschreven bevindingen hebben de arts-assistenten geconcludeerd dat [naam 1] mentaal bereikbaar was en niet psychotisch en dat sprake was van een veilige huiselijke setting met een partner die adequate ondersteuning kon bieden. [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben hun bevindingen vervolgens met [naam gedaagde sub 4] afgestemd en kwamen gezamenlijk tot de conclusie dat er bij het geconstateerde beeld geen reden was voor een (gedwongen) opname en dat het eerste doel moest zijn om [naam 1] met een goede nachtrust goed de nacht door te krijgen. Dit is vervolgens zo met [naam 1] en [naam eiser sub 1] besproken. Daarop werd met hun instemming besloten dat [naam 1] die nacht thuis zou slapen en dat zij de reeds door haar huisarts voorgeschreven medicijnen, het antidepressivum mirtazapine en het slaapmiddel temazepam, zou innemen, waarbij de voorschreven hoeveelheid temazepam van 10 mg door [naam gedaagde sub 5] en Van de Bijl naar 20 mg is verhoogd. In overleg met [naam gedaagde sub 4] werd voorts afgesproken dat [naam 1] de volgende dag door het ABT zou worden gebeld om te vragen hoe de nacht was gegaan en om te bespreken hoe verder gehandeld zou moeten worden, aldus Arkin c.s.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] in het kader van hun onderzoek hebben bekeken wat het toestandsbeeld was, hoe [naam 1] in het contact was, of er sprake was van een psychiatrische stoornis, wat de visie van de partner was en hoe het steunsysteem rondom [naam 1] was, hetgeen de Richtlijn in een dergelijke situatie ook voorschrijft.

Als onvoldoende betwist staat vast dat deze bevindingen op zichzelf bezien de door [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] getrokken conclusie rechtvaardigden dat [naam 1] bereikbaar was en niet psychotisch en dat sprake was van een veilige huiselijke setting met een partner die adequate ondersteuning kon bieden, zodat een (gedwongen) opname niet aan de orde was.

4.6.

Niet is komen vast te staan dat de informatie dat [naam 1] op 3 januari 2013 aan de andere kant van het hekje van het dakterras heeft gestaan, uitdrukkelijk bij de beoordeling van het suïciderisico is betrokken. [naam eisers gezamenlijk] stelt dat, indien deze informatie wél daarbij zou zijn betrokken, [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] (in samenspraak met [naam gedaagde sub 4] ) tot een andere conclusie waren gekomen en [naam 1] hadden doen opnemen.

De rechtbank is van oordeel dat [naam eiser sub 1] deze stelling onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van de betwisting van Arkin c.s. In dit kader is relevant dat Arkin c.s. er op heeft gewezen dat reeds uit de melding van de waarnemend huisarts (zie 2.8.) de ernst van de situatie en de acuutheid van het gevaar voor [naam 1] bleken. In die melding staat immers expliciet dat [naam 1] die dag naar het dak was gegaan met het idee er af te springen en dat de verwijzer een beoordeling van de suïcidaliteit verzoekt. Op grond van deze melding is direct een huisbezoek ingezet. Arkin c.s. heeft voorts aangevoerd dat, ook in het geval de precieze locatie van [naam 1] op het dakterras op de voorgrond had gestaan, niet tot een andere conclusie zou zijn gekomen, gezien de voornoemde bevindingen uit het door [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] verrichte onderzoek. Er was immers (ook dan) geen grond voor een (gedwongen) opname; een opname zou zelfs averechts kunnen werken. Het belangrijkste was dat [naam 1] een goede nacht zou maken, hetgeen, mede gezien het aanwezige steunsysteem, (juist) ook thuis kon worden gerealiseerd, met behulp van adequate medicatie. [naam eisers gezamenlijk] heeft deze conclusie van Arkin c.s. niet voldoende bestreden. De rechtbank is van oordeel dat de exacte locatie van [naam 1] op het dakterras, afgezet tegen de overige bevindingen uit het onderzoek, dan ook - anders dan [naam eisers gezamenlijk] meent - niet van belang kan worden geacht voor de beoordeling van het suïciderisico.

4.7.

Bij deze stand van zaken kan de vraag of [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] daadwerkelijk bekend waren met de omstandigheid dat [naam 1] op 3 januari 2013 aan de buitenkant van het hekje op het dakterras is aangetroffen, verder in het midden blijven.

Tevens volgt hieruit dat het verwijt van [naam eisers gezamenlijk] dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] niet met achterwacht [naam gedaagde sub 4] hebben gedeeld dat [naam 1] tijdens haar suïcidepoging op het dakterras aan de andere kant van het hekje heeft gestaan, niet op gaat.

4.8.

Het voorgaande brengt voorts mee dat de stelling van [naam eisers gezamenlijk] dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] de door [naam 1] gegeven verklaring ten aanzien van haar suïcidepoging (ook) bij de vriendin hadden moeten toetsen, om zodoende bekend te worden met de exacte locatie van [naam 1] op het dakterras, niet kan slagen.

Dit geldt ook voor de stelling van [naam eisers gezamenlijk] dat het toetsen van die verklaring van [naam 1] bij de vriendin aan het licht had kunnen brengen dat [naam 1] haar poging (mogelijk) bagatelliseerde. Zoals is aangevoerd door Arkin c.s., was [naam eiser sub 1] reeds als naaste in het gesprek betrokken en mochten [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] overeenkomstig de Richtlijn, mede gegeven hun overige bevindingen uit het onderzoek, hiermee volstaan.

4.9.

[naam eisers gezamenlijk] stelt dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] als arts-assistenten onvoldoende waren toegerust om een dergelijk onderzoek te verrichten. Arkin c.s. heeft ten verwere een toelichting gegeven op de ervaring die [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] reeds hadden opgedaan en benadrukt dat zij in de onderhavige situatie telkens onder supervisie van achterwacht [naam gedaagde sub 4] hebben gefungeerd. [naam eisers gezamenlijk] heeft zijn stelling daarop niet nader onderbouwd, zodat deze faalt.

4.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de stelling van [naam eisers gezamenlijk] dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] bij de wijze van uitvoering van hun onderzoek, hun bevindingen, de daaruit getrokken conclusies en de communicatie daaromtrent met betrokkenen, hebben gehandeld in strijd met de Richtlijn dan wel anderszins niet aan hun zorgplicht jegens [naam 1] hebben voldaan, niet kan slagen.

De medicatie

4.11.

[naam eisers gezamenlijk] stelt voorts dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] de medicatie van [naam 1] , gezien hetgeen de bijsluiter en klinische onderzoeken terzake vermelden, onvoldoende bij de beoordeling van het suïciderisico hebben betrokken.

4.12.

Arkin c.s. heeft ten verwere het volgende aangevoerd.

4.12.1.

[naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben bij de beoordeling betrokken dat de huisarts reeds temazepam en mirtazapine had voorgeschreven en de dosis mirtazapine al had verhoogd op 3 januari 2013. [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben vervolgens onder supervisie van [naam gedaagde sub 4] tot verhoging van de dosis temazepam, het slaapmiddel, besloten. Het voorschrijven van dergelijke medicijnen in een situatie als die van [naam 1] is zeer gebruikelijk. De voorgeschreven (lage) doses betroffen bovendien gemiddelde doses, waarbij lange ervaring leert dat – ook in onderlinge combinatie – de kans op nawerking (zeer) klein is. Er bestond in dit geval geen aanleiding om het op 27 december 2012 door de huisarts ingezette beleid ten aanzien van de medicatie te doorkruisen. Om die reden hebben zij de reeds door de huisarts voorgeschreven dosis mirtazapine (van toen 30 mg) niet aangepast. Gezien de noodzaak dat [naam 1] een goede nacht zou maken, hebben zij de dosis temazepam verhoogd naar 20 mg, een gemiddelde (begin)dosis.

4.12.2.

Arkin c.s. erkent dat de bijsluiters van mirtazapine de door [naam eisers gezamenlijk] opgeworpen informatie vermelden. Arkin c.s. voert evenwel aan dat de genoemde bijwerkingen ‘suïcidale gedachten’ en ‘impulsiviteit’ slechts aan de orde (kunnen) zijn bij patiënten die beginnen met het gebruik van antidepressiva, terwijl [naam 1] op 3 januari 2013 niet voor het eerst is gestart met het antidepressivum: zij gebruikte dit medicijn immers al sinds 27 december 2012. De kans dat deze bijwerkingen zich voordoen is bovendien heel klein, terwijl alleen ‘gedachten’ beschreven staan en niet het daadwerkelijk doen van een suïcidepoging. Arkin c.s. heeft voorts ten aanzien van het medicijn temazepam naar voren gebracht dat de kans op de genoemde bijwerking bij dit medicijn zeer klein is en verdwijnt als het gedurende langere tijd wordt gebruikt. [naam eiser sub 1] heeft ter comparitie erkend dat [naam 1] al sinds 2011 temazepam door de huisarts voorgeschreven kreeg (en dus reeds twee jaar af en aan gebruikte). Voor zover [naam eisers gezamenlijk] uit de bijsluiters heeft afgeleid dat bij jongvolwassenen die behandeld worden met een antidepressivum een toegenomen risico op zelfmoordgedrag bestaat en daaruit heeft afgeleid dat er sprake was van een toegenomen risico hierop voor [naam 1] , heeft [naam eisers gezamenlijk] miskend dat [naam 1] , gezien haar leeftijd destijds van 35 jaar, niet tot de categorie ‘jongvolwassenen’ behoorde. Daarbij komt dat de door [naam eisers gezamenlijk] aangehaalde informatie met betrekking tot de genoemde bijwerking van ‘suïcidale gedachten’ en ‘impulsiviteit’, uiterst onzeker en verre van een vaststaand gevolg in een concreet geval betreft, alsmede dat daarover in de wetenschap veel discussie bestaat, aldus Arkin c.s.

4.12.3.

Arkin c.s. heeft verder aangevoerd dat er, gegeven de dosering, alleen aanleiding zou hebben bestaan om het medicatiegebruik bij de suïcidebeoordeling een meer doorslaggevende rol toe te kennen als was gebleken dat [naam 1] door het starten met de medicijnen onrustig was geworden en/of geagiteerder en angstiger. In een dergelijk geval kan een verklaring daarvoor liggen in het gebruik van de medicatie en kan besloten worden met het gebruik daarvan te stoppen. Van onrust, angst of agitatie was bij [naam 1] volgens Arkin c.s. echter geen sprake.

4.13.

In het licht van dit verweer is de rechtbank van oordeel dat de enkele door [naam eisers gezamenlijk] aangehaalde verwijzing naar bijwerkingen omschreven in de bijsluiters van de voorgeschreven medicatie en ‘wetenschappelijke studies’ onvoldoende is om daaruit af te kunnen leiden dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] de (mogelijke) invloed van deze medicatie vervolgens niet of niet op juiste wijze hebben meegenomen in hun beoordeling van het suïciderisico, waarbij in aanmerking wordt genomen dat [naam eisers gezamenlijk] niet heeft weersproken dat bij [naam 1] geen sprake was van onrust, angst of agitatie. Deze stelling van [naam eisers gezamenlijk] kan dan ook niet slagen.

4.14.

[naam eisers gezamenlijk] kan evenmin in zijn stelling worden gevolgd dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] hebben nagelaten het medicijngebruik te (laten) monitoren. Zoals aangevoerd door Arkin c.s. hebben zij immers met [naam 1] (en [naam gedaagde sub 6] ) afgesproken dat [naam gedaagde sub 6] de volgende dag zou informeren bij [naam 1] hoe zij de nacht was doorgekomen, waarin besloten ligt de vraag of de slaapmedicatie had gewerkt. Nu het plan om [naam 1] met behulp van medicijnen een goede nacht te laten maken en haar de volgende dag te laten bellen door het ABT als een behandelplan kan worden aangemerkt, faalt ook de stelling van [naam eisers gezamenlijk] dat een dergelijk plan is uitgebleven.

4.15.

De stelling van [naam eisers gezamenlijk] dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] ten aanzien van het medicatiebeleid hun zorgplicht jegens [naam 1] hebben geschonden, faalt dan ook eveneens.

3 januari 2013 - [naam gedaagde sub 4]

4.16.

Nu uit het voorgaande volgt dat [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] ter zake hun optreden van 3 januari 2013, daaronder begrepen hun communicatie met [naam gedaagde sub 4] als hun achterwacht, geen verwijt kan worden gemaakt, ontvalt hiermee ook de feitelijke grondslag aan de door [naam eisers gezamenlijk] aan [naam gedaagde sub 4] gemaakte (en door Arkin c.s. betwiste) verwijten, nu deze verwijten alle zijn gebaseerd op het optreden van [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] . Gelet op het vooroverwogene faalt ook het verwijt van [naam eisers gezamenlijk] dat [naam gedaagde sub 4] zelf onvoldoende heeft doorgevraagd bij [naam gedaagde sub 5] en [naam gedaagde sub 7] naar de details van het gebeuren op het dakterras op 3 januari 2013 en hun bevindingen daaromtrent. Dit betekent dat het beroep van [naam eisers gezamenlijk] op schending door [naam gedaagde sub 4] van haar zorgplicht jegens [naam 1] faalt.

4 januari 2013 - [naam gedaagde sub 6]

4.17.

Afgezet tegen de gemotiveerde betwisting van Arkin c.s., heeft [naam eisers gezamenlijk] zijn stelling dat [naam gedaagde sub 6] op 4 januari 2013 een verkeerde beoordeling heeft gemaakt van de ernst van de situatie waarin [naam 1] verkeerde, en niet heeft gehandeld in overeenstemming met de Richtlijn, onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.18.

[naam eisers gezamenlijk] heeft ter onderbouwing van zijn stelling betoogd dat [naam gedaagde sub 6] de door [naam eiser sub 1] aan hem meegedeelde verbetering in de situatie van [naam 1] - zij had een goede nachtrust gehad, had weer eetlust en had het voornemen geuit te gaan hardlopen - ten onrechte niet als onverwachte verbetering van het klinische beeld heeft geduid en zodoende ten onrechte niet bedacht was op een dreigende suïcide. Arkin c.s. heeft erkend dat uit de Richtlijn volgt dat de hulpverlener extra alert dient te zijn als er sprake is van een plotselinge omslag van een sombere stemming in vrolijkheid of euforie bij een patiënt en dat een onverwachte verbetering van het klinische beeld van de patiënt een teken kan zijn van dreigende suïcide. Arkin c.s. heeft evenwel ten verwere aangevoerd dat de verbetering in het onderhavige geval, zoals meegedeeld door [naam eiser sub 1] aan [naam gedaagde sub 6] , juist beoogd en verwacht was, in plaats van onverwacht als bedoeld in de Richtlijn. Het primaire doel van het reeds ingezette behandelplan (thuis een goede nacht maken met behulp van medicatie) was immers juist om de stressoren, met name het slaapgebrek, zo snel mogelijk te verminderen, aldus Arkin c.s.

4.19.

In dit licht bezien heeft [naam eisers gezamenlijk] te weinig gesteld op grond waarvan de beoordeling van [naam gedaagde sub 6] dat er geen noodzaak was om [naam 1] die dag in persoon te bezoeken of te spreken, en het maken van een afspraak met Van de Heuvel op de eerst volgende beschikbare plek in de agenda (die dinsdag na het weekend) in te plannen, in strijd met de voorschriften van de Richtlijn of anderszins in strijd met zijn zorgplicht jegens [naam 1] moet worden geacht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, zoals aangevoerd door Arkin c.s., [naam gedaagde sub 6] overeenkomstig de hem verstrekte overdrachtsinstructies heeft gehandeld en heeft mogen vertrouwen op de informatie die [naam eiser sub 1] , als de meest nabije en specifiek op de hoogte zijnde naaste van [naam 1] , hem heeft verstrekt.

4.20.

Tot slot wordt, gezien de gegeven toelichting door Arkin c.s. op dit punt, aan het verwijt van [naam eisers gezamenlijk] dat [naam gedaagde sub 6] deze beslissing als arts-assistent niet had mogen nemen zonder voorafgaand overleg met de psychiater te voeren, voorbij gegaan. Arkin c.s. heeft immers ter betwisting van deze stelling - onweersproken - naar voren gebracht dat [naam gedaagde sub 6] in de onderhavige periode in de eindfase van zijn opleiding zat, in welke fase niet alle handelingen meer met de supervisor worden besproken, daaronder begrepen zijn onderhavige handelingen, en hij zelf ook reeds als achterwacht werkzaam was.

[naam gedaagde sub 3]

4.21.

Nu uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een zorgplichtschending van de op 3 en 4 januari 2013 bij de behandeling van [naam 1] betrokken artsen mist ook het verwijt dat [naam eisers gezamenlijk] [naam gedaagde sub 3] maakt, feitelijke grondslag. [naam eisers gezamenlijk] stelt immers dat [naam gedaagde sub 3] heeft nagelaten deze artsen adequaat te instrueren ter zake van de medische hulpverlening aan [naam 1] , terwijl deze stelling slechts op de gestelde en door de rechtbank verworpen zorgplichtschendingen van die artsen is gegrond. Deze stelling kan dus niet slagen, nog daargelaten de vaststaande omstandigheid dat [naam gedaagde sub 3] zelf niet betrokken is geweest bij de behandeling van [naam 1] .

Eindconclusie

4.22.

Gezien het voorgaande zullen de vorderingen van [naam eisers gezamenlijk] integraal worden afgewezen. Hetgeen voor het overige over en weer is aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel en behoeft dus geen bespreking. Dit geldt ook voor het verzoek van Arkin c.s. ex artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de rechtbank om haar te bevelen haar schriftelijke vastleggingen van de artsen van de verschillende contactmomenten met [naam 1] te overleggen, indien de rechtbank dit noodzakelijk acht. In voornoemd oordeel ligt immers besloten dat de rechtbank dit niet noodzakelijk heeft geacht en bovendien heeft Arkin c.s., gegeven dit oordeel, hierbij geen belang meer.

4.23.

[naam eisers gezamenlijk] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Arkin c.s. worden begroot op € 1.522, waarvan € 618 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (2 x € 452, tarief II).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam eisers gezamenlijk] in de proceskosten, aan de zijde van Arkin c.s. tot op heden begroot op € 1.522, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [naam eisers gezamenlijk] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eisers gezamenlijk] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, mr. A.J. Bongers-Scheijde en mr. M. van der Kaay en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.