Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2504

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
13/997097-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Tandem II: Gevangenisstraf van 18 jaar voor poging tot moord en witwassen.

1) Berichten van/aan professioneel verschoningsgerechtigden zijn ten onrechte niet vernietigd. De berichten die in het dossier zijn gevoegd, worden uitgesloten van het bewijs. 2) De overige verweren ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting zijn verworpen. 3) De data op de servers van Ennetcom in Canada mogen voor het bewijs worden gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997097-16 (Promis)

Datum uitspraak: 19 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] .

DEEL 1: INLEIDING

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 19 januari (pro forma), 7, 9, 13, 15 en 19 maart (5 dagen inhoudelijke behandeling) en 5 april (sluiting) 2018.

Het Openbaar Ministerie is op die zittingen in wisselende samenstellingen vertegenwoordigd door mrs. A.S. Bijleveld, J. Plooij, O.F. Brouwer en T.W. d’Anjou, allen officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie.

Verdachte is aanwezig geweest op de zittingen van 19 januari en 7 maart 2018. Op alle zittingen werd verdachte in wisselende samenstellingen bijgestaan of vertegenwoordigd door zijn raadslieden, te weten mrs. I.N. Weski, S. Splinter en F.G.L. van Ardenne. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de verdediging’. De rechtbank heeft kennisgenomen van wat verdachte en zijn verdediging naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Achtergrond van de zaak

De rechtbank wijst dit vonnis in het strafrechtelijk onderzoek Tandem II. Dit onderzoek komt voort uit het onderzoek Tandem. In het onderzoek Tandem zijn vijf mannen ( [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ) in eerste aanleg bij vonnissen van 20 juli 2017 door de rechtbank veroordeeld voor (onder meer) hun betrokkenheid bij een liquidatiepoging op [doelwit] in 2015. In de periode rondom die liquidatiepoging hebben [naam 3] en [naam 4] via beveiligde telefoons contact gehad met de gebruiker van het e‑mailadres [gebruiker 1] (deze gebruiker zal hierna [gebruiker 1] worden genoemd).

Het onderzoek Tandem II richt zich op de vraag of verdachte [gebruiker 1] is geweest en of [gebruiker 1] een strafbare betrokkenheid heeft gehad bij de liquidatiepoging. Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij bij zijn aanhouding in 2016 in Ierland voorwerpen en geldbedragen voorhanden had die van misdrijf afkomstig waren. Tot slot zijn twee oudere, openstaande strafzaken tegen verdachte bij deze zaak gevoegd. In het vervolg zullen de onderzoeken Tandem en Tandem II gezamenlijk aangeduid worden als onderzoek Tandem.1

2.2.

Samenvatting van de tenlastelegging

Verdachte wordt samengevat verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. het witwassen van 10.747,90 euro (2012);

  2. het doen verstrekken van een Nederlands paspoort op basis van valse persoonsgegevens (2014);

  3. de poging tot moord op [doelwit] (2015);

  4. het witwassen van geldbedragen, horloges en telefoons in Ierland (2016).

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.

2.3.

Samenvatting van het vonnis

De officier van justitie stelt in reactie op de door de verdediging gevoerde verweren dat geen sprake is van vormverzuimen en vordert dat verdachte voor alle vier de strafbare feiten wordt veroordeeld. De officier van justitie verzoekt de rechtbank verdachte daarvoor een gevangenisstraf van twintig jaar op te leggen.

De verdediging stelt dat sprake is van een groot aantal vormverzuimen. De verdediging verbindt daaraan de consequentie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en anders dat sprake moet zijn van volledige bewijsuitsluiting. Met of zonder bewijsuitsluiting vindt de verdediging dat niet is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zodat hij in elk geval moet worden vrijgesproken.

De rechtbank komt samengevat tot de volgende oordelen:

  • -

    het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

  • -

    ten aanzien van niet vernietigde, in het dossier opgenomen, berichten van professioneel verschoningsgerechtigden is sprake van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting leidt. Verder heeft de rechtbank geen vormverzuimen vastgesteld waaraan enige consequentie moeten worden verbonden;

  • -

    de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van feit 1 leidt ertoe dat de rechtbank ten aanzien van dat feit geen (aanvullende) straf op zal leggen.

  • -

    De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte feit 2 heeft gepleegd. De rechtbank vindt wel bewezen dat verdachte de feiten 1, 3 en 4 heeft gepleegd. Voor die feiten legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van achttien jaar op.

In het vervolg van het vonnis zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot haar conclusies komt. Waar dat nodig is zal de rechtbank de standpunten van de officier van justitie en de verdediging uitgebreider bespreken.

De rechtbank zal eerst enkele, meer algemene onderwerpen bespreken. Vervolgens zal de rechtbank in deel 2 de gestelde vormverzuimen behandelen. In deel 3 bespreekt de rechtbank in hoeverre de verschillende feiten zijn bewezen. Tot slot legt de rechtbank in deel 4 uit hoe zij komt tot de strafoplegging in deze zaak.

3 Algemene overwegingen met betrekking tot deze zaak

3.1

Ennetcom-data, Tandem-dataset en Hansken

3.1.1.

Ennetcom-data

De Nederlandse autoriteiten hebben op 8 april 2016 door middel van een rechtshulpverzoek (hierna: RHV) aan Canada gevraagd te assisteren bij een strafrechtelijk onderzoek tegen het bedrijf Ennetcom, het onderzoek De Vink. Dit verzoek is daarnaast gedaan in drie andere onderzoeken, te weten Koper, Rendlia en Rooibos. Het verzoek had geen betrekking op het onderzoek Tandem.

Ennetcom is een Nederlands bedrijf dat beveiligde BlackBerry-telefoons aanbood. Met deze zogenaamde Pretty Good Privacy-telefoons (hierna: PGP-telefoons) is het mogelijk om versleutelde e-mailberichten en notities op te stellen en te verzenden. Het gebruik van deze telefoons voor andere doeleinden, zoals bijvoorbeeld bellen, is niet mogelijk. Uit de resultaten van het onderzoek naar Ennetcom bleek dat de PGP-telefoons van Ennetcom gebruik maakten van servers die in Canada werden gehuurd.

In het RHV vroeg Nederland aan Canada om op of rond 19 april 2016 de door Ennetcom gehuurde servers ten minste 24 uur ontoegankelijk te maken, de data op deze servers forensisch veilig te stellen en om gegevens op te vragen over deze servers bij de verhuurder in Canada.

Op 13 september 2016 besliste de Canadese rechter op een verzoek van Nederland om de bij Ennetcom in beslag genomen data (hierna: de Ennetcom-data) aan Nederland te verstrekken. De Canadese rechter stond dit verzoek toe in de vier genoemde onderzoeken waarin verzocht was om de data veilig te stellen. De Canadese rechter voorzag dat ook andere Nederlandse opsporingsonderzoeken interesse zouden kunnen hebben in de Ennetcom-data, maar wilde voorkomen dat de Nederlandse autoriteiten een ‘fishing expedition’ zouden gaan uitvoeren in deze grote hoeveelheid data. Om de rechten van derden te beschermen, bepaalde de Canadese rechter dat voor toegang tot de Ennetcom-data in andere dan de vier genoemde onderzoeken een Nederlandse rechter van te voren een machtiging moest afgeven.

3.1.2.

Tandem-dataset

Het onderzoeksteam in het onderzoek Tandem wilde toegang tot de Ennetcom-data. Daarom is door het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris om toestemming verzocht. Het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kent geen constructie om de door de Canadese rechter bedoelde machtiging af te geven. Daarom heeft de rechter-commissaris gezocht naar een mogelijkheid om recht te doen aan het Nederlandse systeem van strafvordering en aan de beslissing van de Canadese rechter. De rechter-commissaris is op basis van artikel 181 Sv bevoegd om zelf opsporingshandelingen te verrichten en hij kan opsporingshandelingen op basis van artikel 177 Sv delegeren aan opsporingsambtenaren. Dat is wat hij in deze zaak heeft gedaan.

De rechter-commissaris heeft voor het beantwoorden van de vraag of in het onderzoek Tandem toegang verleend mag worden tot de Ennetcom-data aansluiting gezocht bij artikel 126ng, tweede lid, Sv. Die bepaling zou moeten worden toegepast indien bij een Nederlandse telecomaanbieder gegevens vergelijkbaar met de Ennetcom-data worden opgevraagd. Op die manier heeft de rechter-commissaris, zoals ook de Canadese rechter voor ogen stond, de rechten van derden willen beschermen. Artikel 126ng, tweede lid, Sv omvat drie vereisten waaraan voldaan moet worden:

  1. het moet gaan om een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan en dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;

  2. het belang van het onderzoek moet dringend vorderen dat toegang tot de gegevens wordt verkregen;

  3. het moet gaan om gegevens die klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of met betrekking tot welke gegevens klaarblijkelijk het strafbare feit is gepleegd.

De rechter-commissaris oordeelde vervolgens dat in het onderzoek Tandem aan deze voorwaarden is voldaan en dat het onderzoeksteam onderzoek kan verrichten aan de Ennetcom‑data. Dat onderzoek is wel in omvang beperkt, omdat het moest worden verricht aan de hand van een door de rechter‑commissaris vooraf goedgekeurd specifiek plan van aanpak. Aan de hand van zoektermen in de door de rechter-commissaris goedgekeurde plannen van aanpak zijn de Ennetcom-data als het ware gefilterd. Het onderzoeksteam Tandem kon alleen verder onderzoek doen naar de gegevens die door middel van die zoektermen waren verkregen. Die gegevens (hierna ook wel: berichten) samen vormen de ‘Tandem‑dataset’.

De Tandem-dataset bevat drie categorieën berichten. In de eerste plaats zijn er berichten die door het Openbaar Ministerie als relevant voor de zaak Tandem zijn beoordeeld (categorie 1). Die berichten zijn in het dossier gevoegd. Een tweede categorie berichten heeft betrekking op berichten die volgens het Openbaar Ministerie niet relevant zijn voor het onderzoek Tandem, en ook niet voor andere opsporingsonderzoeken (categorie 2). De verdediging is de mogelijkheid geboden om deze berichten in te zien. Tot slot is er een categorie berichten die volgens het Openbaar Ministerie niet relevant zijn voor het onderzoek Tandem, maar waar zwaarwegende opsporingsbelangen in andere opsporingsonderzoeken aan inzage door de verdediging in de weg staan (categorie 3). Van die berichten is de verdediging door het Openbaar Ministerie, met toestemming van de rechter‑commissaris, de inzage onthouden.

Tot slot is in dit kader het volgende van belang. Naast de gegevens uit de Tandem-dataset spelen in het onderzoek Tandem ook gegevens verkregen uit PGP-telefoons, die fysiek in beslag zijn genomen, een rol. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is erin geslaagd de beveiliging van de telefoons van [naam 3] en [naam 4] te doorbreken, waardoor de inhoud van die telefoons bekend is geworden. Het dossier bevat dus zowel PGP-gegevens uit de Tandem-dataset als PGP-gegevens uit die gekraakte telefoons.

3.1.3.

Hansken

Het NFI heeft een zoekmachine, genaamd Hansken, ontwikkeld om grote hoeveelheden in beslag genomen data te onderzoeken. Bij het onderzoek aan de Ennetcom-data is ook gebruik gemaakt van Hansken. De Ennetcom-data zijn in november 2016 in Hansken ingevoerd. Op verschillende momenten in de periode van 9 februari 2017 tot en met 10 juli 2017 is aan de hand van zoektermen de Tandem-dataset samengesteld.

Binnen Hansken bestaat een tool om communicatie tussen een verschoningsgerechtigde, zoals een arts of een advocaat, en zijn of haar cliënt (‘geheimhouderscommunicatie’) uit te sluiten voor het onderzoek. Die tool werkt als volgt.

Data die in Hansken worden ingevoerd hebben standaard de status ‘ongemarkeerd’. Wanneer iemand die data in Hansken onderzoekt op vermoedelijke geheimhouderscommunicatie stuit, geeft die het spoor de status ‘gemarkeerd’ (suspected). Vervolgens wordt door een beoordelaar bepaald of inderdaad sprake is van geheimhouderscommunicatie. Als daarvan sprake is, krijgt het spoor de status ‘bevestigd’ (confirmed). Als geen sprake is van geheimhouderscommunicatie, krijgt het spoor de status ‘afgewezen’ (rejected). Voor gebruikers van Hansken zoals de opsporingsambtenaren in het onderzoek Tandem zijn alleen de sporen met de status ‘ongemarkeerd’ en ‘afgewezen’ opvraagbaar.

Deze tool is ook gebruikt bij het samenstellen van de Tandem-dataset vanuit de Ennetcom-data. In eerste instantie hebben daarvoor alle data de status ‘bevestigd’ gekregen, waarmee alle data niet meer zichtbaar waren voor de gewone gebruiker. Die berichten die binnen de ingevoerde zoektermen vallen zijn vrijgegeven door ze de status ‘afgewezen’ te geven. Die ‘afgewezen’ berichten vormen samen de Tandem-dataset.

3.2.

Algemene opmerkingen over het gevoerde verweer

Hierna zal de rechtbank ingaan op wat door de verdediging tot verweer is aangevoerd. Door de verdediging is, vooral in de persoon van mr. Weski, langdurig gepleit. Haar pleitaantekeningen, uitgesproken gedurende twee zittingsdagen, beslaan in totaal 197 pagina’s, exclusief bijlagen. De rechtbank hecht eraan vooraf op te merken dat het niet eenvoudig is geweest tot een begrijpelijke samenvatting van de verschillende onderdelen van het door mr. Weski gevoerde verweer te komen. Duidelijk is dat het overgrote deel van het verweer betrekking heeft op het onderzoek naar de aanslag op [doelwit] , zoals onder 3 aan verdachte ten laste is gelegd. Minder duidelijk is wat precies in al die pagina’s wordt betoogd. In 14 hoofdstukken worden vele kritiekpunten op het onderzoek benoemd, die tot de conclusie moeten leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat bewijsuitsluiting moet volgen. Voor de rechtbank is het, ondanks de indeling in hoofdstukken, die elk een op zich begrijpelijke titel hebben, lastig gebleken de structuur in het betoog te ontdekken. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zijn, ook door het zeer wijdlopige en grammaticaal niet kloppende taalgebruik, niet eenvoudig te onderscheiden. Complicerend is verder dat dezelfde argumenten vaak onder verschillende hoofdstukken terugkomen en dat vele citaten en voetnoten zijn toegevoegd, zonder dat steeds duidelijk is wat daarmee wordt beoogd. Wat hierna aan verweren wordt besproken is wat de rechtbank uit het betoog van mr. Weski heeft opgemaakt, alsmede een bespreking van het verweer zoals dat door mr. Van Ardenne naar voren is gebracht.

DEEL 2: VORMVERZUIMEN

4 Algemeen kader vormverzuimen

4.1.

Algemeen juridisch kader ten aanzien van vormverzuimen

Vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv

Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv moet gekeken worden naar verschillende aspecten. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt de rechtbank het volgende toetsingskader af.2

In de eerste plaats moet het gaan om een vormverzuim dat plaatsvond in dit voorbereidend onderzoek, het vormverzuim moet onherstelbaar zijn en het rechtsgevolg van het verzuim moet niet uit de wet blijken. Als sprake is van een dergelijk vormverzuim zijn vier mogelijke reacties mogelijk: volstaan kan worden met de constatering dat sprake is van een vormverzuim, er kan strafvermindering plaatsvinden, bewijs kan worden uitgesloten of het Openbaar Ministerie kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging. Bij het bepalen van welke reactie passend is, moet gekeken worden naar het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat verdachte door het verzuim heeft gehad.

Bewijsuitsluiting kan alleen aan de orde zijn als het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. Bewijsuitsluiting komt in aanmerking als een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarvoor is alleen plaats als met het vormverzuim een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, zijn recht op een eerlijk proces is tekortgedaan.

De Hoge Raad stelt ook eisen aan de verdediging die op basis van artikel 359a Sv een beroep doet op een schending van een vormverzuim. Verlangd mag worden dat de verdediging duidelijk en gemotiveerd aan de hand van het toetsingskader aangeeft welk rechtsgevolg aan het vormverzuim moet worden verbonden. Als de verdediging dat niet doet, is de rechter niet verplicht om gemotiveerd te beslissen op dat verweer.

Rechtstreekse schending van artikel 6 EVRM

Ten aanzien van een deel van de vormverzuimen stelt de verdediging dat sprake is van een rechtstreekse schending van het recht op een eerlijk proces, zoals dat is vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verdediging betoogt dat in die gevallen ook los van het kader van artikel 359a Sv geconcludeerd moet worden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting.

Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte buiten het bereik van artikel 359a Sv kan alleen in een uitzonderlijk geval sprake van zijn van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het moet gaan om een onherstelbare inbreuk die niet op een adequate wijze is gecompenseerd én bovendien moet die inbreuk het oordeel kunnen dragen dat ‘the proceedings as a whole were not fair’.3

Buiten het kader van artikel 359a Sv is ook slechts in uitzonderlijke gevallen plaats voor bewijsuitsluiting op grond van vormverzuimen. Aan het vormverzuim moet dan de conclusie kunnen worden verbonden dat daardoor een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanige aanzienlijke mate is geschonden dat de resultaten van het vormverzuim van het bewijs moeten worden uitgesloten.4

4.2.

Algemeen kader van de verweren van de verdediging

De verdediging voert aan dat sprake is van een groot aantal vormverzuimen. De rechtbank probeert de verschillende vormverzuimen enigszins geclusterd te bespreken.

Ten aanzien van feit 3 heeft een groot deel van de gestelde vormverzuimen betrekking op de Ennetcom-data. De verdediging verbindt aan die vormverzuimen de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat is de conclusie ten aanzien van elk van de vormverzuimen op zich, maar zeker wanneer die vormverzuimen in onderling verband worden bezien. Wanneer het Openbaar Ministerie niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, dienen de vormverzuimen in elk geval te leiden tot algehele bewijsuitsluiting, aldus nog steeds de verdediging. Deze verweren worden besproken in de hoofdstukken 5 tot en met 9.

Andere vormverzuimen met betrekking tot feit 3 staan meer op zichzelf. De verdediging verbindt aan die vormverzuimen de conclusie dat sprake moet zijn van bewijsuitsluiting. Deze verweren worden besproken in hoofdstuk 10.

Tot slot voert de verdediging ten aanzien van de feiten 1 en 2 aan dat de redelijke termijn voor berechting in de zin van artikel 6 EVRM zodanig is overschreden, dat het Openbaar Ministerie ook ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit verweer zal worden besproken in hoofdstuk 11.

5 Het rechtshulpverzoek aan Canada

5.1.

Het verweer van de verdediging

De verdediging voert aan dat het Openbaar Ministerie de Canadese rechter in het RHV heeft misleid door artikel 125i Sv aan het RHV ten grondslag te leggen, terwijl in werkelijkheid artikel 125la Sv van toepassing is. In tegenstelling tot artikel 125i Sv vereist artikel 125la voorafgaand aan een doorzoeking wél toestemming van de rechter-commissaris. Bovendien was niet voldaan aan de vereisten van artikel 125o Sv, terwijl op basis daarvan in het RHV werd verzocht om de Ennetcom-data ontoegankelijk te maken.

Daarnaast is het in beslag laten nemen van de Ennetcom-data in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waardoor de rechten (artikelen 6, 7 en 8 EVRM) van Ennetcom‑gebruikers zijn geschonden.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt in de eerste plaats dat het verweer moet worden verworpen, omdat de handelingen niet in het onderzoek Tandem zijn verricht, maar onder meer in het onderzoek De Vink. In de tweede plaats stelt de officier van justitie dat het handelen van het Openbaar Ministerie in het onderzoek De Vink rechtmatig is geweest en betwist hij dat de Canadese rechter is misleid, zodat ook op inhoudelijke gronden geen sprake is van vormverzuimen.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot de conclusie dat rondom het RHV aan Canada geen sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het verzoek aan Canada niet is gedaan in het onderzoek Tandem en dat het verzoek bovendien niet is gedaan in een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. Er is ook geen enkele grond voor de stelling van de verdediging dat de Ennetcom-data in het onderzoek De Vink in beslag zijn genomen met (ook) de bedoeling om tegen verdachte bewijs te verzamelen. Dit betekent dat in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte geen sprake kan zijn van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv, in elk geval wat betreft de gestelde schendingen van de artikelen 125i, 125la en 125o Sv. Het antwoord op de vraag of de Canadese rechter door het Openbaar Ministerie is misleid, behoeft in deze zaak dan ook geen beantwoording.

Uit het verweer van de verdediging valt ook op te maken dat zij stelt dat met het overbrengen van de Ennetcom-data naar Nederland het recht van de Ennetcom-gebruikers, onder wie verdachte, op de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) is geschonden. Door die schending zou ook het recht van verdachte op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) zijn geschonden.

De rechtbank deelt die conclusie van de verdediging niet. Daarvoor is allereerst van belang dat politie en justitie in het kader van hun werkzaamheden privacygevoelige informatie mogen verzamelen. Artikel 8 EVRM biedt daarvoor ook ruimte. Verder is van belang dat de Canadese rechter in zijn beslissing uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de rechten van andere Ennetcom-gebruikers. Daarbij heeft de Canadese rechter expliciet overwogen dat het niet mogelijk was om slechts een deel van de Ennetcom-data aan Nederland te verstrekken. Daarom moesten alle data aan Nederland worden verstrekt, met inachtneming van de daaraan door de Canadese rechter verbonden restricties wat betreft de toegankelijkheid van die data. Het verstrekken van alle Ennetcom-data aan Nederland in het algemeen levert daarmee geen schending op de van grondrechten van verdachte in het kader van de artikelen 6 en 8 EVRM.

Door het onderzoeksteam worden ook specifieke berichten uit de Ennetcom-data met verdachte in verband gebracht. Het enkele feit dat díe berichten aan Nederland zijn verstrekt, maakt niet dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op de rechten van verdachte. Daarvoor is ook van belang dat die berichten in Tandem pas toegankelijk werden nadat de rechter-commissaris daarvoor toestemming had gegeven. De vormverzuimen die in dat kader door de verdediging zijn gesteld worden hierna in hoofdstuk 6 besproken.

Tot slot merkt de rechtbank op dat de verwijzing naar artikel 7 EVRM in dit verband zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Die toelichting ontbreekt echter in het betoog van de verdediging, zodat daarop niet verder wordt ingegaan.

Conclusie

Met betrekking tot het RHV aan Canada is geen sprake van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv en met het verstrekken van de Ennetcom-data aan Nederland is geen sprake van een schending van grondrechten van verdachte.

6 Het onderzoek door de rechter-commissaris en het plan van aanpak

6.1.

Toepassing van EU-regelgeving en het EU-grondrechtenhandvest

Door de verdediging is met name in dit kader ten aanzien van feit 3, aan de hand van een overgelegd rapport van mr. dr. H. Hijmans gewezen op regelgeving van de Europese Unie (hierna: EU). De EU-regelgeving waarnaar de verdediging verwijst, heeft betrekking op de bescherming van gegevens en meer algemeen op de bescherming van privacy. De verdediging doet een beroep op dit zogenaamde Unierecht in het bijzonder ten aanzien van de verkregen Ennetcom-data. Het beroep op deze regelgeving mondt uiteindelijk ook uit in een (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Die vragen hebben betrekking op de vraag of de wijze waarop door het Openbaar Ministerie en de rechter-commissaris met de Ennetcom-data is omgegaan, in overeenstemming is met de artikelen 7 (eerbiediging van het privéleven) en 8 (bescherming van persoonsgegevens) van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: Handvest).5

Vooropgesteld wordt dat de bepalingen van het Handvest uitsluitend van toepassing zijn op lidstaten wanneer zij Unierecht ten uitvoer brengen (artikel 51 Handvest). De door het Handvest gewaarborgde grondrechten moeten dus worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, zodat er geen gevallen kunnen zijn waarin het Unierecht geldt zonder dat die grondrechten toepassing vinden. Wanneer het Unierecht toepasselijk is, impliceert dit dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing vinden. Wanneer daarentegen een juridische situatie niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, is het Hof van Justitie niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor die bevoegdheid. ‘Ten uitvoer leggen’ wordt ruim uitgelegd door het Hof van Justitie.

Voor de vraag of in deze zaak het Handvest van toepassing is, kijkt de rechtbank eerst naar het Unierecht waar de verdediging naar heeft verwezen.

In de eerste plaats is dat de Privacyrichtlijn.6 Deze richtlijn is echter niet van toepassing. Artikel 3, tweede lid, van de richtlijn bepaalt namelijk dat de richtlijn niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens die geschiedt met het oog op de uitoefening van activiteiten van de Staat op strafrechtelijk gebied. De privacyrichtlijn wordt per 25 mei 2018 vervangen door de Algemene verordening gegevensbescherming .7 Op dit moment is die verordening nog niet van kracht, en ook deze verordening is – kort gezegd – niet van toepassing op strafrechtelijke activiteiten van de Staat.

Door de verdediging is verder gewezen op het Kaderbesluit 2008/977/JBZ.8 Het toepassingsgebied van dit Kaderbesluit is beperkt tot de verwerking van persoonsgegevens die worden doorgegeven of beschikbaar gesteld tussen lidstaten van de EU. Daarvan is in deze zaak geen sprake, zodat ook dit Kaderbesluit niet van toepassing is in deze zaak.

Verder is het Dataprotectieverdrag door de verdediging genoemd.9 Dit verdrag is afkomstig van de Raad van Europa, een ander samenwerkingsverband dan de EU. Dat betekent dat dit verdrag geen Unierecht is.

De verdediging heeft tot slot gewezen op de Richtlijn gegevensbescherming en opsporing.10 De uiterste omzettingsdatum van deze richtlijn is 6 mei 2018. Tot die tijd kan in elk geval geen rechtstreeks beroep gedaan worden op deze richtlijn. Wel rust op de rechtbank de verplichting om het nationale recht zo uit te leggen die de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling, niet ernstig in gevaar wordt gebracht.

Nadat de rechtbank vragen had gesteld over de werkingssfeer van het Handvest, heeft de verdediging aangevoerd dat het Handvest van toepassing is op basis van artikel 16, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de EU (hierna: VwEU). Daarin is opgenomen dat eenieder recht heeft op bescherming van zijn persoonsgegevens.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Op een verdragsbepaling kan alleen een rechtstreeks beroep gedaan worden wanneer die bepaling ‘rechtstreekse werking’ heeft. Daarvoor is vereist dat die bepaling nauwkeurig, duidelijk en onvoorwaardelijk is en geen aanvullende maatregelen vereist op nationaal of Europees niveau. De rechtbank is van oordeel dat artikel 16, eerste lid, VwEU niet aan deze vereisten voldoet nu deze bepaling niet nauwkeurig is en aanvullende maatregelen vereist (vergelijk: Advies van het Hof van Justitie van 26 juli 2017, r.o. 120 (ECLI:EU:C:2017:592)).

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van feit 3 en de verwerking van de Ennetcom-data geen sprake is van ten uitvoer brengen van Unierecht. Het Unierecht waarop de verdediging een beroep heeft gedaan is niet van toepassing of heeft geen rechtstreekse werking. De rechtbank ziet zelf ook geen aanknopingspunten op basis waarvan ten aanzien van feit 3 het Unierecht ten uitvoer gebracht wordt. Dit betekent dat het Handvest in dit kader niet van toepassing is.

Gelet op deze conclusie zal de rechtbank bij het bespreken van de verweren niet verder ingaan op de verwijzingen naar bovengenoemd Unierecht en het Handvest.

6.2.

Het verweer van de verdediging

De gekozen constructie van artikel 181 en 177 Sv is onrechtmatig. Bovendien heeft de rechter-commissaris het toetsingskader uit artikel 126ng, tweede lid, Sv verkeerd toegepast. Bij de uitvoering van het onderzoek dat was toegestaan, is het goedgekeurde plan van aanpak niet gevolgd en daarbij is bovendien onzorgvuldig gehandeld. De rechter-commissaris heeft onvoldoende controle en toezicht gehouden op dit onderzoek en de opsporingsambtenaren hebben onjuist verslag gelegd van het uitgevoerde onderzoek. Hierdoor is gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook zijn de artikelen 6 en 8 EVRM geschonden.

6.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De rechter-commissaris heeft weloverwogen gekozen voor de constructie van artikel 181 en 177 Sv en die keuze is goed verdedigbaar. Het Openbaar Ministerie heeft in deze zaak op grond van artikel 181 Sv gemotiveerd verzocht om toegang te krijgen tot een deel van de Ennetcom-data en daarbij is rekening gehouden met de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek. De rechter-commissaris heeft gekozen voor een constructie van artikel 181 in combinatie met 177 Sv. Het is daarbij logisch dat de rechter-commissaris aansluiting heeft gezocht bij artikel 126ng, omdat daarmee getoetst wordt of toegang tot de gevraagde gegevens echt nodig is. Er zijn weliswaar fouten gemaakt bij het samenstellen van de Tandem-dataset, maar niet opzettelijk. Verdachte heeft door die fouten ook geen enkel nadeel ondervonden. De gevolgde methode heeft vermoedelijk juist minder data (zoekresultaten) opgeleverd dan er zouden zijn geweest als het plan van aanpak wel zou zijn gevolgd. Tot slot heeft de rechter-commissaris voldoende toezicht gehouden op het onder zijn verantwoordelijkheid uitgevoerde onderzoek.

6.4.

Het oordeel van de rechtbank

De verweren van de verdediging op dit punt zijn onder te verdelen in twee categorieën. Enerzijds betwist de verdediging de rechtmatigheid van de door de rechter-commissaris gekozen juridische methode en anderzijds stelt de verdediging dat de gekozen methode onvoldoende is gevolgd.

6.4.1.

De juridische constructie van artikel 181/177 Sv

De rechtbank komt tot de conclusie dat de gekozen juridische constructie rechtmatig is. Bij het beoordelen van de gekozen juridische constructie is het van belang om te zien wat de gebruikelijke gang van zaken is in strafzaken en op welke punten de gang van zaken met betrekking tot de Ennetcom-data hiervan verschilt.

Als de Ennetcom-data in Nederland in beslag waren genomen dan had de officier van justitie in het onderzoek De Vink zonder meer toestemming kunnen geven om de onderzoeksbevindingen, die relevant zijn voor het onderzoek Tandem, in dit onderzoek te gebruiken. Daarvoor zou geen toestemming van een rechter vereist zijn geweest. Hetzelfde was het geval geweest wanneer de Canadese rechter geen voorwaarden had verbonden aan het verstrekken van de Ennetcom-data aan Nederland. Hierin ligt dan ook het verschil met de normale situatie: de Ennetcom-data mogen pas in Tandem gebruikt worden, na toestemming van een Nederlandse rechter. Die eis van toestemming ziet alleen op de vraag of andere onderzoeksteams dan de teams in de 4 in de beschikking van de Canadese rechter genoemde onderzoeken toegang mogen hebben tot de Ennetcom-data.

De rechtbank heeft in paragraaf 3.1.2 al uiteengezet dat de rechter-commissaris heeft gekozen voor een bepaalde juridische constructie om aan de hand van de criteria van artikel 126ng, tweede lid, Sv te beoordelen of en in hoeverre toegang tot de Ennetcom-data kan worden toegestaan. Voor zover die toegang is toegestaan, heeft de rechter-commissaris bepaald dat het onderzoek onder zijn verantwoordelijkheid moet worden uitgevoerd door het onderzoeksteam.

De door de rechter-commissaris gekozen werkwijze brengt mee dat in het onderzoek Tandem geen onbeperkte toegang tot de Ennetcom-data is verkregen. De Ennetcom-data zijn in de zaak Tandem alleen toegankelijk voor zover die data, kort gezegd, betrekking hebben op de verdachten of de ten laste gelegde feiten in de zaak Tandem. Met het toepassen van de criteria van artikel 126ng, tweede lid, Sv heeft de rechter-commissaris een extra controle ingebouwd om te waarborgen dat de toegang noodzakelijk en proportioneel is. Uit de beschikking van de rechter-commissaris blijkt dat die controle is ingebouwd om de belangen van derden te beschermen.

De gekozen constructie biedt voldoende waarborgen om voor zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de privacy-belangen van de overige Ennetcom-gebruikers. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een rechtmatige constructie om te beoordelen of binnen het onderzoek Tandem toegang verleend kan worden tot de Ennetcom‑data.

6.4.2.

De uitvoering in de praktijk

De rechtbank komt tot de conclusie dat bij de uitvoering van de juridische constructie niet volledig volgens de plannen van aanpak is gewerkt, maar dat niet blijkt dat verdachte daardoor nadeel heeft ondervonden.

Verweer: toetsingskader artikel 126ng, tweede lid, Sv is onjuist toegepast

De rechter-commissaris heeft aan de hand van de criteria van artikel 126ng, tweede lid, Sv bepaald dat in het onderzoek Tandem toegang verkregen wordt tot de Ennetcom-data aan de hand van een door de rechter-commissaris goedgekeurd plan van aanpak. In het eerste plan van aanpak zijn specifieke e‑mailadressen, telefoons en zoektermen genoemd. Het tweede en derde plan van aanpak bevatten alleen aanvullende zoektermen die in het oorspronkelijke plan van aanpak moeten worden ingelezen. In het vervolg worden de drie goedgekeurde plannen van aanpak gezamenlijk aangeduid als het ‘plan van aanpak’.

De gekozen constructie om gebruik te maken van een plan van aanpak betekent in de praktijk dat niet onbeperkt toegang verkregen kan worden tot de Ennetcom-data, maar dat het onderzoeksteam eerst moet aantonen dat een bepaalde zoekterm relevant is. Op die manier wordt voorkomen dat data worden verkregen die in een te ver verband verwijderd staan van de verdachten en de strafbare feiten in het onderzoek Tandem.

Voor de vraag of het nodig is dat het onderzoeksteam toegang krijgt tot een deel van de Ennetcom-data is niet van belang dat ten tijde van het eerste verzoek maar één relevant Ennetcom-e-mailadres bekend was. Op dat moment was namelijk wel bekend dat de verdachten gebruik maakten van PGP-telefoons en dat dit gebruik ook op het ten laste gelegde zag. Daarbij is het mogelijk om met een PGP-telefoon van de ene aanbieder, contact te hebben met een PGP‑telefoon van een andere aanbieder.

De rechtbank stelt vast dat de door de rechter-commissaris goedgekeurde zoektermen in een direct verband staan met de verdachten en/of deze zaak. Dat de Ennetcom-data aan de hand van deze zoektermen worden gefilterd ten behoeve van het onderzoek Tandem is dan ook begrijpelijk. Dat neemt niet weg dat daarmee onvermijdelijk ook toegang wordt verkregen tot berichten die niet relevant zullen zijn voor het onderzoek Tandem. Afgezet tegen de belangen van het onderzoek enerzijds en de belangen van Ennetcom-gebruikers anderzijds, is echter geen sprake van een onrechtmatige bijvangst.

Met betrekking tot de toepassing van het toetsingskader van artikel 126ng, tweede lid, Sv is dan ook geen sprake van een vormverzuim.

Verweer: het plan van aanpak is onjuist toegepast

Uitleg van het plan van aanpak

Het plan van aanpak houdt in dat de Ennetcom-data wordt geïnventariseerd en onderzocht aan de hand van:

  1. de e-mailadressen, IMEI-nummers en PIN-nummers die aan de verdachten in het onderzoek Tandem zijn gerelateerd;

  2. e-mailaccounts die voorkomen in de berichten van de onder 1. genoemde e‑mailadressen en de contactpersonen van de onder 1. genoemde telefoontoestellen;

en

3. ( (bij)namen van de verdachten in het onderzoek Tandem, zoals weergegeven in een bijlage bij het plan van aanpak.

Uit de toelichting op het plan van aanpak valt op te maken dat met de onder 2. vermelde stap een soort netwerkanalyse wordt bedoeld om te kunnen bepalen welke sets van e-mailaccounts in dit onderzoek bij elkaar horen.

Na het eerste plan van aanpak zijn nog twee andere plannen goedgekeurd, waarmee nieuwe e‑mailadressen, (bij)namen van betrokkenen en zoektermen in het oorspronkelijke plan van aanpak zijn ingelezen.

De verdediging heeft bij herhaling aangevoerd dat uit het plan van aanpak een getrapte werkwijze volgt. Die werkwijze zou inhouden dat de (bij)namen/zoektermen alleen ingevoerd zouden mogen worden in dat deel van de Ennetcom-data dat als zoekresultaat is verkregen na invoering van de e‑mailadressen en IMEI- en PIN-nummers van stap 1.

De rechter-commissaris heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 26 november 2017 expliciet aangegeven dat hij deze beperking niet in het plan van aanpak heeft gelezen en dat hij zijn toestemming ook niet in die zin heeft willen beperken. Net als de rechter-commissaris leest de rechtbank in het plan van aanpak geen beperkende getrapte werkwijze. Op basis van het plan van aanpak is het dus toegestaan om alle Ennetcom-data te doorzoeken aan de hand van de onder 3. van het plan goedgekeurde zoektermen.

Toepassing van het plan van aanpak

De rechter-commissaris geeft in zijn proces-verbaal van bevindingen van 26 november 2017 aan dat hij dacht dat de Tandem-dataset direct op basis van het plan van aanpak zou worden samengesteld. Dat bleek niet het geval te zijn geweest. In plaats daarvan kreeg het NFI een lijst met zoektermen aangeleverd.

De lijst met zoektermen die naar het NFI is gestuurd, kan vergeleken worden met de goedgekeurde zoektermen in het plan van aanpak. Dan blijkt dat twee goedgekeurde zoektermen ( [bijnaam 1] en [bijnaam 2] ; beiden een bijnaam van [naam 1] ) niet naar het NFI zijn gestuurd. Ook zijn twee zoektermen (‘ [zoekterm 1] ’ en ‘ [zoekterm 2] ’) naar het NFI gestuurd, die niet voorkomen in een goedgekeurd plan van aanpak. Daarbij moet opgemerkt worden dat de zoektermen ‘ [zoekterm 1] ’ en ‘ [zoekterm 2] ’ wel zijn goedgekeurd. Verder beschikt de zoekmachine Hansken nog niet over de mogelijkheid om een netwerkanalyse uit te voeren, zoals onder 2. is vermeld.

De verdediging lijkt te menen dat de (bij)namen, waaronder ‘ [zoekterm 2] ’, die in de vordering van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2017 zijn vermeld, niet door de rechter-commissaris zijn goedgekeurd. Dat is onjuist. Hoewel die (bij)namen niet onder het kopje vordering zijn opgenomen in de vordering, heeft de rechter-commissaris (terecht) de toegewezen vordering zo begrepen dat die betrekking heeft op zowel de genoemde e-mailadressen als de genoemde (bij)namen.

De conclusie is dat het plan van aanpak onjuist, namelijk anders dan bedoeld, is toegepast. In zoverre is sprake van een vormverzuim. Dit vormverzuim vond plaats in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte. Ook is dit vormverzuim onherstelbaar omdat de Tandem-dataset is samengesteld en resultaten daarvan in het dossier zijn gevoegd.

Consequenties voor de onjuiste toepassing van het plan van aanpak

Voor de vraag of aan dit vormverzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden, moet de rechtbank kijken naar het belang van de geschonden norm, de ernst van het verzuim en het nadeel voor verdachte.

Het juist toepassen van het plan van aanpak en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de rechter-commissaris had ervoor moeten zorgen dat geen onnodige inbreuk op de privacy van de Ennetcom-gebruikers zou plaatsvinden. In die zin is door dit vormverzuim ook het belang van verdachte geschaad.

De ernst van het verzuim is in dit geval beperkt. Met betrekking tot de niet uitgevoerde netwerkanalyse en de niet gebruikte zoektermen is sprake van toegestaan onderzoek dat niet is uitgevoerd. Ten aanzien van de twee niet goedgekeurde zoektermen is zonder meer duidelijk dat deze wel zouden zijn goedgekeurd als deze aan de rechter-commissaris waren voorgelegd, gelet op de zoektermen die wél door de rechter-commissaris zijn goedgekeurd. Bovendien blijkt uit het al genoemde proces-verbaal van de rechter-commissaris dat maatregelen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat in de toekomst wel overeenkomstig een goedgekeurd plan van aanpak wordt gewerkt.

Het nadeel dat verdachte heeft ondervonden door het gebruiken van niet-toegestane zoektermen is niet duidelijk geworden. Uit het pleidooi van de verdediging is ook niet op begrijpelijke wijze af te leiden wat volgens haar het nadeel is dat verdachte door dit verzuim heeft geleden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat door het verzuim een strafbaar feit wordt ontdekt of bewijsmateriaal wordt verkregen, geen nadeel is dat door artikel 359a Sv wordt beschermd.

De conclusie is dan ook dat geen sprake is van een vormverzuim waaraan consequenties in de zin van artikel 359a Sv moeten worden verbonden, omdat niet is gebleken dat verdachte nadeel heeft geleden door het verzuim.

Verweer: er was onvoldoende controle en toezicht door de rechter-commissaris

Het gebrek aan controle door de rechter-commissaris zou volgens de verdediging met name aan de orde zijn bij het toezicht op de uitvoering van het plan van aanpak en bij de beslissing om de verdediging inzage te onthouden in een deel van Tandem-dataset.

Het onderzoek in de Tandem-dataset is door de rechter-commissaris gedelegeerd aan het onderzoeksteam van de zaak Tandem. Dat kan in redelijkheid niet betekenen dat van de rechter-commissaris wordt verwacht dat hij het onderzoek van het onderzoeksteam volledig naloopt en controleert. De rechter-commissaris heeft kennis kunnen nemen van de inhoud van de Tandem-dataset en is geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek. In beginsel moet de rechter-commissaris kunnen vertrouwen op de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal waarin door het onderzoeksteam verslag wordt gedaan van het uitgevoerde onderzoek. Uit het al genoemde proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris blijkt ook dat als daar aanleiding voor was, de rechter-commissaris de gang van zaken nader controleerde en zo nodig maatregelen nam om de kwaliteit en de rechtmatigheid van het onderzoek te bewaken.

Ook ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris om de verdediging inzage in de categorie 3-berichten (zie onder 3.1.2) uit de Tandem-dataset te onthouden, geldt dat niet is gebleken dat sprake is van onvoldoende controle door de rechter-commissaris. Daarbij is ook van belang dat ervan uit mag worden gegaan dat een rechter-commissaris over de capaciteiten beschikt om snel op een adequate wijze tot zijn beslissingen te komen. In de onthoudingsbeslissing ziet de rechtbank geen aanwijzingen voor het tegendeel, ook niet in de omstandigheid dat door middel van een dwarsdoorsnede kennis is genomen van de onthouden stukken. Dat de rechter-commissaris niet van alle gegevens tot in detail kennis heeft genomen, neemt niet weg dat hij wel tot een afgewogen beslissing heeft kunnen komen.

Tot slot heeft de verdediging tijdens verschillende zittingen bij herhaling het optreden (lees: de beslissingen) van de rechter-commissaris bekritiseerd en zijn onafhankelijkheid in twijfel getrokken. De rechtbank wil daarvan in dit vonnis uitdrukkelijk afstand nemen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de rechter-commissaris in deze zaak niet integer of niet onafhankelijk te werk is gegaan.

De conclusie is dan ook dat sprake was van voldoende controle en toezicht door de rechter-commissaris en dat in dit kader geen sprake is geweest van vormverzuimen.

Verweer: er is sprake van een structurele onjuiste verslaglegging

Uit het verweer van de verdediging valt op te maken dat zij stelt dat sprake is van een structurele onjuiste verslaglegging. Het pleidooi van de verdediging bevat echter geen concrete begrijpelijke onderbouwing dat daarvan sprake zou zijn, zodat daarop niet nader wordt ingegaan. Daarbij is van belang dat uit het pleidooi naar voren lijkt te komen dat het verweer onder meer is gebaseerd op een onjuiste lezing van processtukken.

De rechtbank heeft zelf niet kunnen vaststellen dat sprake is van een structurele onjuiste verslaglegging. De conclusie is dan ook dat geen sprake is van een vormverzuim.

7 Het gebruik van Hansken en de controlemogelijkheden voor de verdediging

7.1.

Het verweer van de verdediging

Hansken is een technisch hulpmiddel, maar voldoet niet aan de eisen die daaraan in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (hierna: Besluit) worden gesteld. Hansken is in elk geval een buitenwettelijk technisch hulpmiddel waarmee inbreuk wordt gemaakt op artikel 8 EVRM. De verdediging heeft daarnaast onvoldoende mogelijkheden gekregen om de integriteit en de betrouwbaarheid van de met behulp van Hansken verkregen resultaten te controleren. Het gaat daarbij zowel om de Ennetcom-data zelf als het gebruik van Hansken. Daardoor is artikel 6 EVRM geschonden.

7.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Hansken is geen technisch hulpmiddel in de zin van artikel 126ee Sv; in zoverre mist het verweer feitelijke grondslag. De verdediging heeft voldoende mogelijkheden gehad om onderzoek te doen in deze zaak. Bovendien moet geen gewicht worden toegekend aan de door de verdediging overgelegde rapporten van Graus en Ten Hove, te meer omdat zij niet door de rechter-commissaris als deskundige zijn benoemd en zij niet staan ingeschreven in het deskundigenregister.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot de conclusie dat het gebruik van Hansken is toegestaan en dat de verdediging voldoende mogelijkheden heeft gehad om de samenstelling van de Tandem-dataset en de betrouwbaarheid van de verkregen zoekresultaten te kunnen controleren.

Verweer: Hansken is een buitenwettelijk technisch hulpmiddel

Voor de beoordeling van dit verweer is van belang dat de voorwaarden van het Besluit niet van toepassing zijn op Hansken. Het Besluit is alleen van toepassing op technische hulpmiddelen in de zin van artikel 126ee Sv. Het gaat dan om hulpmiddelen die worden ingezet bij een stelselmatige observatie met een technisch hulpmiddel, het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het opnemen van telecommunicatie zonder medewerking van de betrokken aanbieder. Hansken is daarvoor niet gebruikt.

Hansken wordt wel gebruikt voor het doorzoeken van, vooral grote hoeveelheden, in beslag genomen data. In het onderzoek De Vink is dat gebeurd met de Ennetcom-data. Ten behoeve van het onderzoek Tandem is met behulp van Hansken de Tandem-dataset samengesteld, doordat de Ennetcom-data aan de hand van zoektermen zijn gefilterd. Het onderzoeksteam Tandem kon vervolgens met behulp van Hansken ook inhoudelijk zoeken binnen de Tandem-dataset. Met Hansken wordt dus geen bewijs verzameld, maar verzameld bewijs kan met Hansken worden bekeken. Voor het gebruik van dergelijke hulpmiddelen is geen specifieke wettelijke grondslag vereist.

Verweer: de verdediging heeft onvoldoende mogelijkheden gehad voor ‘contra-expertise’

De rechtbank stelt voorop dat met betrekking tot het gebruik van Hansken geen sprake is van een deskundigenonderzoek en dat in die zin dus ook geen sprake kan zijn van een recht op tegenonderzoek/contra-expertise. De rechtbank begrijpt het verweer zo dat de verdediging de samenstelling en de betrouwbaarheid van het procesdossier, en in het bijzonder de met behulp van Hansken onderzochte Ennetcom-data, wil controleren en dat de verdediging stelt dat zij daarvoor onvoldoende mogelijkheden heeft gekregen.

Toetsingskader

Voor het beantwoorden van de vraag of de verdediging voldoende controlemogelijkheden heeft gehad, is in de eerste plaats van belang welke mogelijkheden de verdediging moet kunnen hebben. Daarvoor is het volgende kader relevant.

Het Openbaar Ministerie is op grond van artikel 149a Sv verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken, en op grond van het relevantiecriterium moet worden beoordeeld wat tot de processtukken dient te worden gerekend. Het moet gaan om stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door de rechtbank in de zaak tegen verdachte te nemen beslissing, zowel in ontlastende als in belastende zin.

Het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM, veronderstelt onder meer dat een verdachte kennis kan nemen van het volledige procesdossier en reële en effectieve mogelijkheden dient te hebben om tegen het hem gemaakte verwijt in te brengen wat hij in het belang van zijn verdediging acht. Ook waar het gaat om de toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek dient de verdachte in de gelegenheid te zijn om deze te betwisten, zowel in materieel als in processueel opzicht. Dit betekent echter niet dat een verdachte een ongeclausuleerd recht heeft om de gebruikte opsporingsmethoden en verkregen onderzoeksresultaten te controleren.

Controlemogelijkheden van de verdediging

Daarmee komt de rechtbank aan bij de vraag welke controlemogelijkheden de verdediging tot nu toe heeft gehad.

De verdediging heeft in de aanloop naar de inhoudelijke behandeling bij herhaling verzoeken gedaan met betrekking tot Hansken en de manier waarop de onderzoeksresultaten zijn verkregen. De beslissingen van de rechtbank op die verzoeken hebben ertoe geleid dat de verdediging twee bezoeken heeft gebracht aan het NFI. Tijdens die bezoeken liet de verdediging zich bijstaan door een eigen, niet-geregistreerde11, deskundige (D. Graus).

Tijdens het eerste bezoek aan het NFI is aan de verdediging dezelfde presentatie gegeven die aan de rechercheurs die met Hansken werken wordt gegeven. Daarbij is de verdediging in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen. De verdediging kon die dag – zeer kort – vrij en met behulp van Hansken in de Tandem-dataset zoeken. Daarbij had de verdediging toegang tot de berichten uit categorie 1 (gevoegd in het dossier) en categorie 2 (volgens het Openbaar Ministerie niet-relevante berichten). De berichten waarvan de inzage aan de verdediging is onthouden (categorie 3) waren niet toegankelijk voor de verdediging.

Tijdens het tweede bezoek aan het NFI heeft de verdediging op beperkte wijze, zoals toegestaan door de rechter-commissaris, de samenstelling van de Tandem-dataset vanuit de Ennetcom-data kunnen controleren. Deze controle hield in dat de rechter-commissaris met behulp van een NFI‑medewerker twaalf zoektermen in de Ennetcom-data heeft ingevoerd. In het bijzijn van de verdediging zijn die resultaten vergeleken met de resultaten in de dataset. De rechter‑commissaris heeft hierop vastgesteld dat het aantal resultaten ‘rejected’ (lees: beschikbaar in de dataset) overeen blijkt te komen. Op grond van deze vaststelling gaat de rechtbank ervan uit dat deze beperkte controle tot een bevestiging van de verkregen zoekresultaten heeft geleid.

Verder is aan de verdediging een cd-rom verstrekt met daarop de inhoud van de berichten van categorie 1 en 2. Deze cd-rom bevatte niet alle zogenaamde metadata, maar de verdediging kon van concrete berichten desgewenst verzoeken om de onderliggende metadata. De verdediging heeft bij herhaling aangevoerd dat de cd-rom wat haar betreft niet goed toegankelijk is. De rechtbank gaat echter uit van de vaststelling van de rechter-commissaris dat de berichten op de cd-rom goed toegankelijk en doorzoekbaar zijn. Een uitgebreidere controle op dit punt is dan ook niet nodig.

Tot slot is door de rechter-commissaris een deskundige (van het NFI) benoemd aan wie in totaal 110 schriftelijke vragen van de verdediging zijn gesteld. Nadat die vragen zijn beantwoord, heeft de rechter-commissaris de deskundige nog gehoord, waarbij de verdediging in de gelegenheid is gesteld om vragen te stellen.

Beperkingen in de controlemogelijkheden

De verdediging heeft niet onbeperkt uitvoering kunnen geven aan de wensen die zij had ten aanzien van het controleren van de samenstelling en de betrouwbaarheid van het procesdossier.

De meest in het oog springende wensen van de verdediging hebben betrekking op het aan de verdediging verstrekken van alle Ennetcom-data en het willen beschikken over een eigen exemplaar van Hansken/een eigen inlog op de werkplek, zodat zij voor het kennis nemen van de data en het gebruik van Hansken niet afhankelijk zou zijn van het NFI. Ook wilde de verdediging meer tijd om kennis te kunnen nemen van de inhoud van de verstrekte cd-rom, die zij enkele weken voor het begin van de inhoudelijke behandeling op 7 maart 2018 ontving.

Het onderzoeksteam Tandem heeft, net als de verdediging, geen toegang tot alle Ennetcom-data. De verdediging heeft nooit de noodzaak kunnen aantonen waarom zij, anders dan het onderzoekteam, wel toegang zou moeten kunnen hebben tot alle Ennetcom-data. Wel heeft de verdediging vanaf het begin de mogelijkheid gehad om de Tandem-dataset uit te laten breiden vanuit de Ennetcom-data, door daarvoor zoektermen door de rechter-commissaris te laten goedkeuren. Van deze mogelijkheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt.

De verdediging heeft de noodzaak om over een eigen exemplaar van Hansken te beschikken om deze technisch te kunnen onderzoeken ook niet kunnen aantonen. Verder heeft de verdediging voor kennisname van de Tandem-dataset, ook zonder een eigen exemplaar van Hansken, voldoende controlemogelijkheden gehad.

Die conclusie wordt niet anders doordat de rechter-commissaris een verzoek van de verdediging heeft afgewezen om bij het NFI met behulp van Hansken kennis te kunnen nemen van de Tandem-dataset. De rechter-commissaris heeft bij die beslissing laten meewegen dat de verdediging inmiddels over de cd‑rom met de inhoud van de Tandem-dataset beschikte. Ook leek het erop dat de verdediging de onderzoeksresultaten slechts in algemene termen wilde aanvechten.

Onder die omstandigheden volstaat de mogelijkheid voor de verdediging om door middel van de cd-rom kennis te kunnen nemen van de Tandem-dataset, omdat na kennisname concrete en onderbouwde verzoeken gedaan konden worden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de rechter-commissaris heeft vastgesteld dat de cd-rom goed toegankelijk en doorzoekbaar is.

De verdediging heeft ook voldoende tijd gehad om, voor zover van belang, kennis te nemen van de inhoud van de cd‑rom. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat voor zover de inhoud niet ook in het procesdossier zit, naar het oordeel van het Openbaar Ministerie die inhoud niet relevant is voor deze strafzaak. Die stelling lijkt de verdediging te onderschrijven, omdat zij bij herhaling aangeeft dat veel van wat zij op de cd-rom leest, niet relevant is. Van de kant van de verdediging is ook geen verzoek gekomen om concrete berichten aangetroffen op de cd-rom alsnog in het dossier te laten voegen, omdat die ten onrechte als niet-relevant zouden zijn beoordeeld. Van de verdediging mag verder worden verwacht dat zij een zekere gerichtheid hanteert bij het doorzoeken van de verkregen data die niet tot de processtukken behoren.

Tot slot merkt de rechtbank op dat de verdediging al vanaf de aanhouding van verdachte in Ierland bij het onderzoek betrokken is en geen gelegenheid onbenut heeft gelaten om onderzoekswensen in te dienen. In zijn algemeenheid kan dan worden gesteld dat met het verstrijken van de tijd verwacht mag worden dat nieuwe onderzoekswensen concreter en nader onderbouwd worden.

Conclusie met betrekking tot de controlemogelijkheden

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdediging voldoende controlemogelijkheden heeft gehad om een reële en effectieve verdediging te kunnen voeren. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdediging geen ongeclausuleerd recht heeft om te blijven controleren en de verdediging ruime controlemogelijkheden heeft gehad. Dat is voldoende, omdat de verdediging tegenover de onderzoeksresultaten die zij wil controleren, onvoldoende concrete betwistingen stelt.

Verweer: de door middel van Hansken verkregen resultaten zijn onbetrouwbaar

Dit verweer van de verdediging lijkt te steunen op twee onderdelen. Enerzijds berust dit op de vaststelling dat de inhoud van de uiteindelijke Tandem-dataset verkregen is doordat de Ennetcom-data op verschillende momenten met verschillende versies van Hansken, en mogelijk verschillende instellingen daarvan, zijn gefilterd aan de hand van de zoektermen. Anderzijds wordt verwezen naar de door de verdediging overgelegde rapporten van Graus en (in mindere mate) van Ten Hove.

Door de verdediging zijn op dit punt veel (technische) vragen en kritiekpunten opgeworpen, maar zij heeft geen concreet onderbouwd standpunt met betrekking tot bepaalde zoekresultaten ingenomen of concrete onderzoeksresultaten betwist. De overgelegde rapporten wijzen op algemene beperkingen van met forensisch onderzoek verkregen resultaten en algemene, mogelijke onbetrouwbaarheden. Dat betrouwbaarheid van de data of resultaten uit de Tandem-dataset die zich in het dossier bevinden, wordt echter nergens concreet betwist.

Daar komt bij dat het dossier niet alleen resultaten uit de Tandem-dataset bevat, maar dat ook onderzoeksbevindingen die daar volledig los van staan in het dossier zijn gevoegd. Voor het antwoord op de vraag of concrete onderzoeksresultaten betrouwbaar zijn of niet, kunnen die andere onderzoeksbevindingen ook een rol spelen. Dat is echter meer een vraag die aan de orde komt bij de weging en waardering van de verschillende bewijsmiddelen tegen de achtergrond van de beschuldiging. Dat komt later, in deel 3, aan de orde.

In elk geval leidt dat wat de verdediging op dit punt heeft aangevoerd, niet tot de conclusie dat sprake is van een vormverzuim.

8 Berichten van professioneel verschoningsgerechtigden

8.1.

Het verweer van de verdediging

In de eerste plaats stelt de verdediging dat in het algemeen de communicatie van professioneel verschoningsgerechtigden die is aangetroffen in de Ennetcom-data niet is vernietigd. In plaats daarvan zijn die berichten in de Ennetcom-data ontoegankelijk gemaakt. Daardoor zijn artikel 126aa, tweede lid, Sv en artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken niet nageleefd. Ook stelt de verdediging dat door het Openbaar Ministerie onvoldoende is gedaan om het verschoningsrecht van geheimhouders adequaat te waarborgen.

In de tweede plaats stelt de verdediging dat concreet in het strafdossier tegen verdachte berichten van professioneel verschoningsgerechtigden zijn gevoegd en dat de officier van justitie een deel van die berichten ook in zijn bewijsconstructie ten nadele van verdachte heeft opgenomen. Het gaat om meerdere doorgestuurde e-mailberichten van een PGP-gebruiker die is opgeslagen onder de naam ‘adv' en die, gelet op de inhoud daarvan, afkomstig zijn van een advocaat. Daarnaast bevat het dossier een notitie uit een in beslag genomen telefoon van de getuige [getuige 1] die begint met de tekst ‘Geachte Mr Inez Weski’. In het dossier wordt ook door de verbalisanten geconstateerd dat deze berichten afkomstig zijn van de advocaat van verdachte.

8.2.

Het standpunt van de officier van justitie

In het onderzoek De Vink zijn de in beslag genomen Ennetcom-data gecontroleerd op mogelijke evidente informatie van verschoningsgerechtigden. Binnen het onderzoek Tandem bestaat vervolgens de verplichting om als er desondanks mogelijke berichten van verschoningsgerechtigden worden aangetroffen, te handelen overeenkomstig de geldende regels. Daarbij moet worden bedacht dat uit de aard en verschijningsvorm van de Ennetcom-data voortvloeit dat niet onmiddellijk kenbaar is dat een bericht van een geheimhouder afkomstig is. De PGP-gebruikers communiceerden immers niet op naam.

De officier van justitie stelt dat er geen correspondentie in het dossier zit die rechtstreeks afkomstig is van of gericht is aan een verschoningsgerechtigde. Het dossier bevat wel doorgestuurde berichten van ‘adv’. De identiteit van deze ‘adv’ is onbekend en het staat niet vast dat dit een advocaat is, zo zou ‘advocaat’ ook voor adviseur kunnen staan.

Ook als aangenomen wordt dat deze ‘adv’ een advocaat is, betekent dat niet dat deze berichten niet in het dossier mochten worden gevoegd. Onder omstandigheden, bijvoorbeeld als moedwillig slordig met de inhoud van de berichten wordt omgesprongen door deze zonder restricties uit handen te geven, bestaat daartegen geen bezwaar. Met betrekking tot de berichten van ‘adv’ die in het dossier zitten, geldt dat die tussen twee onbekende PGP-gebruikers zijn doorgezonden, zonder dat daarbij een beperking is aangebracht. Ten aanzien van deze berichten is geen sprake van een vormverzuim.

Voor zover sprake is van een vormverzuim, stelt de officier van justitie dat niet is voldaan aan het criterium voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, zodat hooguit sprake kan zijn bewijsuitsluiting.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De in het algemeen gehanteerde werkwijze

Met het veiligstellen van de Ennetcom-data is door het Openbaar Ministerie ook onderkend dat daarin mogelijk informatie van professioneel verschoningsgerechtigden is opgenomen. Door het Openbaar Ministerie in het onderzoek De Vink zijn verschillende acties ondernomen om te bewerkstelligen dat de informatie van professioneel verschoningsgerechtigden niet toegankelijk werd voor onbevoegden.

Op de dag van het veiligstellen van de Ennetcom-data is vanuit de politie een bericht uitgegaan naar alle PGP-gebruikers van Ennetcom waarin staat dat de serverinhoud in beslag is genomen en dat professioneel verschoningsgerechtigden zich bij de Nederlandse politie kunnen melden. Op een later tijdstip zijn door het Openbaar Ministerie (via de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten) specifiek strafrechtadvocaten verzocht kenbaar te maken als zij een Ennetcom-gebruiker zijn, zodat de geldende regels ten behoeve van professioneel verschoningsgerechtigden toegepast kunnen worden.

Naar aanleiding van deze berichten zijn er geen professioneel verschoningsgerechtigden geweest die zich kenbaar hebben gemaakt als Ennetcom-gebruiker. Dat is begrijpelijk, want van een verschoningsgerechtigde mag niet verwacht worden dat hij in een dergelijk geval zijn identiteit, en daarmee de inhoud van zijn berichten, prijsgeeft.

Naast oproepen aan professioneel verschoningsgerechtigden om zichzelf kenbaar te maken, heeft het Openbaar Ministerie in het onderzoek De Vink ook zelf geprobeerd om professioneel verschoningsgerechtigden op voorhand te identificeren. Dit is gedaan door de Ennetcom-data te doorzoeken aan de hand van achttien zoektermen die in verband gebracht kunnen worden met professioneel verschoningsgerechtigden. De term ‘adv’ was niet een van de gebruikte zoektermen. Dit heeft geleid tot de identificatie van vijf e‑mailadressen die mogelijk door een professioneel verschoningsgerechtigde zijn gebruikt. De informatie die bij die gebruikers hoort is ontoegankelijk gemaakt binnen onderzoek De Vink en andere onderzoeken.

Tot slot is er een procedure voor de situatie waarbij tijdens het doorzoeken van de Ennetcom-data op mogelijke informatie van professioneel verschoningsgerechtigden wordt gestuit. Die informatie zal ontoegankelijk gemaakt worden, waarna een niet-betrokken officier van justitie zal beoordelen of de berichten ontoegankelijk moet blijven. Daarvoor wordt de hiervoor in paragraaf 3.1.3 beschreven ‘geheimhouderstool’ gebruikt.

De gekozen benadering door het Openbaar Ministerie als geheel is voldoende zorgvuldig. Met name de lijst van zoektermen had, zoals de verdediging stelt, uitgebreider kunnen zijn, maar niet verwacht kan worden dat van te voren alle informatie van potentiële professioneel verschoningsgerechtigden gefilterd wordt. Het sluitstuk van de procedure, waarbij potentiële berichten gemeld en beoordeeld worden, biedt daartegen voldoende tegenwicht. Van een structurele schending van het professioneel verschoningsrecht is dan ook geen sprake.

Wanneer informatie van professioneel verschoningsgerechtigden is aangetroffen, kiest het Openbaar Ministerie ervoor om die informatie ontoegankelijk te maken. De geldende regelgeving schrijft echter voor dat die informatie terstond wordt vernietigd. Daarmee zijn de geldende regels op dit punt niet nageleefd. Daarmee is sprake van een vormverzuim en dat vormverzuim is onherstelbaar, omdat de termijn voor vernietiging (terstond) is verstreken.

De rechtbank constateert dat sprake is van een vormverzuim, maar zal hier verder geen rechtsgevolgen aan verbinden. Niet is gebleken dat verdachte van dit algemene vormverzuim nadeel heeft ondervonden.

Specifieke berichten

Artikel 126aa Sv bepaalt dat mededelingen gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde vernietigd moeten worden. Het gaat daarbij om hetgeen waarvan de wetenschap aan de professioneel verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd. Dit zijn in elk geval berichten die gezien het objectief kenbare karakter daarvan, onmiskenbaar deel uitmaken van vertrouwelijke communicatie.

Doorgestuurde berichten van ‘adv’

Gelet op de inhoud van de berichten van ‘adv’ die zijn doorgestuurd, is duidelijk dat de oorspronkelijke berichten van een advocaat afkomstig zijn en deel uitmaken van vertrouwelijke communicatie. Ook de politie legde in het dossier de berichten zo uit dat die afkomstig waren van een advocaat en niet van een adviseur, zoals de officier van justitie suggereerde. Daarmee vallen de oorspronkelijke berichten onder het verschoningsrecht van de bewuste advocaat.

De enkele omstandigheid dat de ontvanger van het bericht, het bericht vervolgens doorstuurt naar een derde, maakt niet dat de inhoud van het bericht niet meer onmiskenbaar deel uitmaakt van de vertrouwelijke communicatie van een advocaat. Daarvoor maakt het niet uit dat degene die het bericht doorstuurde en degene die het bericht vervolgens ontving, geen beroep kunnen doen op een professioneel verschoningsrecht.

De conclusie is dan ook dat de doorgestuurde berichten van ‘adv’ onder het verschoningsrecht van deze advocaat vallen en dat deze berichten dus terstond vernietigd hadden moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Verderop bespreekt de rechtbank welke consequenties aan dit vormverzuim moet worden verbonden.

Notitie van [getuige 1]

Op 19 juli 2016 werd onder [getuige 1] een iPhone in beslag genomen, waarin onder meer een notitie is aangetroffen die begint met de tekst ‘Geachte Mr Inez Weski’. Uit het dossier blijkt niet dat de inhoud van deze notitie aan een professioneel verschoningsgerechtigde (in het bijzonder mr. Weski) was medegedeeld.

In uitzonderingsgevallen kunnen geschriften waarvan de inhoud nog niet aan de professioneel verschoningsgerechtigde is medegedeeld ook onder zijn verschoningsrecht vallen. Voor het antwoord op de vraag of dat zo is, is van belang of het aannemelijk is dat de inhoud daadwerkelijk bestemd is om aan de professioneel verschoningsgerechtigde in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd.12

Gelet op de aanhef in de notitie is in dit geval duidelijk dat de inhoud van de notitie bestemd was om aan de desbetreffende advocaat in de uitoefening van haar beroep toe te vertrouwen. Uit de overige inhoud van de notitie volgt dat die onmiskenbaar deel uitmaakt van vertrouwelijke communicatie met betrekking tot verdachte.

De conclusie is dan ook dat de bewuste notitie onder het verschoningsrecht van de geadresseerde advocaat valt en dat deze notitie dus terstond vernietigd hadden moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Consequenties

Door het opnemen in het dossier van deze berichten en notitie is het algemeen belang, en het belang van verdachte in het bijzonder, geschonden. Dit belang is erin gelegen dat een ieder vrij en zonder vrees voor openbaarmaking zich voor bijstand en advies tot een professioneel verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Dit is ook een ernstig verzuim, omdat hierdoor de vertrouwensrelatie tussen een advocaat en cliënt wordt geraakt. Verdachte heeft hier ook nadeel van ondervonden, doordat vertrouwelijke berichten over hem in een strafdossier openbaar zijn geworden.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de ernst van het vormverzuim en het verwijt dat het Openbaar Ministerie op dit punt gemaakt kan worden, zo ernstig is dat bestraft moet worden met de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is vereist dat het recht van verdachte op een eerlijk proces tekort is gedaan, waarbij het Openbaar Ministerie welbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte heeft gehandeld. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit niet het geval is.

Daarvoor is van belang dat uit de algemene werkwijze die is gevolgd met betrekking tot potentiële informatie van professioneel verschoningsgerechtigden in de Ennetcom-data, valt af te leiden dat het Openbaar Ministerie in het algemeen oog heeft gehad voor het belang van de vertrouwelijke relatie tussen PGP-gebruikers en verschoningsgerechtigden.

Uit het dossier volgt ook dat ten aanzien van concrete berichten sprake is geweest van meldingen van een mogelijk vertrouwelijk bericht. Bij de beoordeling door de rechercheofficier is uiteindelijk de keuze gemaakt dat die berichten wel in het dossier gevoegd mochten worden. Daarbij speelde voor het Openbaar Ministerie kennelijk een rol dat de doorgestuurde berichten zelf niet zijn verstuurd tussen verschoningsgerechtigden. Het Openbaar Ministerie verkeerde in de veronderstelling dat de inhoud van deze berichten daarmee niet langer onder het verschoningsrecht viel. Dat is een verkeerde inschatting geweest, maar daaruit valt niet af te leiden dat de belangen van verdachte bewust zijn geschonden of op grove wijze zijn veronachtzaamd. Hetzelfde geldt voor het voegen in het dossier van de in de telefoon van [getuige 1] aangetroffen notitie, waarvan niet duidelijk is of deze de advocaat heeft bereikt. Gelet daarop leidt dit vormverzuim niet tot de consequentie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het vormverzuim bestraft moet worden met de sanctie van bewijsuitsluiting. Nu sprake is van berichten die vernietigd hadden moeten worden, en dus niet in het dossier hadden mogen zitten, kan de rechtbank niet anders dan die berichten uitsluiten voor het bewijs.

De verdediging verzoekt om de processen-verbaal waarin bovengenoemde berichten worden beschreven, in zijn geheel van het bewijs uit te sluiten. Die processen-verbaal bevatten ook resultaten van onderzoek die geheel losstaan van de aangetroffen informatie van professioneel verschoningsgerechtigden. Omdat alleen bewijs dat afkomstig is van een vormverzuim van het bewijs kan worden uitgesloten, bestaat er geen aanleiding om de overige inhoud van die processen-verbaal ook van het bewijs uit te sluiten.

Concreet betekent dit dat de volgende berichten worden uitgesloten van het bewijs:

  • -

    Het bericht van ‘adv’ van 16 april 2016, 14.19 uur, dat [gebruiker 2] (hierna: [gebruiker 2] ) op 16 april 2016 om 12.22 uur doorstuurt naar [gebruiker 3] (hierna: [gebruiker 3] ) (bijvoorbeeld weergegeven op pag. 742 (Tandem II));

  • -

    Het bericht van [gebruiker 2] aan [gebruiker 3] van 18 april 2016 om 16.33 uur, waarin na ‘onder advo’ kennelijk een bericht van een advocaat wordt doorgestuurd (bijvoorbeeld weergegeven op pag. 745 (Tandem II));

  • -

    Het bericht van [gebruiker 2] aan kennelijk ‘adv’ van 18 april 2016 om 13.39 uur, dat op 18 april 2016 om 17.48 uur kennelijk door ‘adv’ wordt beantwoord aan [gebruiker 2] . Hetzelfde geldt voor het antwoord van 17.48 uur. Beide berichten worden gezamenlijk doorgestuurd door [gebruiker 2] aan [gebruiker 4] (bijvoorbeeld weergegeven op pag. 746/747 (Tandem II));

Opmerking van de rechtbank: Uit het dossier blijkt niet altijd in welke tijdszone de verzendtijdstippen van de e-mailberichten zijn weergegeven.

Verder wordt ook de notitie in de telefoon van [getuige 1] (bijvoorbeeld weergegeven op pag. C01-1218) uitgesloten van het bewijs.

Voor zover de inhoud van het uitgesloten berichten ook op een andere plek in het dossier is opgenomen, wordt dat bericht daar eveneens uitgesloten van het bewijs.

9 Artikel 2 EVRM (recht op leven)

9.1.

Het verweer van de verdediging

De verdediging stelt dat uit berichten in de Tandem-dataset blijkt dat PGP-gebruikers voorbereidingen treffen om verdachte en/of zijn familieleden/naasten van het leven te beroven. Het Openbaar Ministerie beschikt ook over deze kennis maar wil niet optreden door daar voortvarend onafhankelijk onderzoek naar te doen. Ook hebben verdachte en zijn naasten niets gemerkt van enige vorm van zorg door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van deze berichten uit de Tandem-dataset. Daarmee hebben de Nederlandse autoriteiten niet voldaan aan de op hen rustende verplichting om het leven van verdachte en zijn naasten te beschermen, wat een schending van artikel 2 EVRM inhoudt.

9.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat het verweer onvoldoende is uitgewerkt, omdat er geen duidelijk gevolg aan verbonden is. Daarnaast zou een schending van artikel 2 EVRM niet kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De vraag of de Nederlandse autoriteiten voldoende zorg hebben besteed aan één van hun burgers en naasten raakt niet het recht op vervolging van diezelfde burger voor een ernstig misdrijf. Tot slot geeft de officier van justitie aan dat de verdediging is uitgenodigd om aan te geven waarop gebaseerd is dat de dreiging actueel is, zodat het Openbaar Ministerie gepaste actie kan (laten) ondernemen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

In de Tandem-dataset zitten kennelijk berichten waarin op een dreigende wijze over verdachte en zijn naasten wordt gesproken. Uit het pleidooi van de verdediging is niet af te leiden hoe een eventuele schending van artikel 2 EVRM in deze strafzaak tegen verdachte een vormverzuim kan opleveren, laat staan dat uit het pleidooi valt af te leiden hoe dat vormverzuim moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging tegen verdachte.

Meer inhoudelijk merkt de rechtbank het volgende op. Het Openbaar Ministerie heeft in een brief van 5 maart 2018 aangegeven dat zij waar mogelijk gepaste actie onderneemt, wanneer berichten in voldoende mate concreet geïnterpreteerd kunnen worden en aannemelijk is dat de dreiging actueel is. Het Openbaar Ministerie wijst ook op het feit dat niet alle PGP-gebruikers in de Tandem-dataset zijn geïdentificeerd, zodat het moeilijk is te achterhalen van wie de dreiging concreet uitgaat. Wanneer de verdediging behulpzaam kan zijn bij het achterhalen van de identiteit van de desbetreffende PGP-gebruikers, is zij door het Openbaar Ministerie uitgenodigd haar medewerking daaraan te verlenen.

Verder is in het begin van 2016, geheel los van informatie uit de Tandem-dataset, de verdediging van verdachte door een TCI-officier (Team Criminele Inlichtingen) geïnformeerd over een dreiging in de richting van verdachte.

De conclusie moet zijn dat in dit verband geen sprake is van enig vormverzuim of handelen in strijd met art 2 EVRM door de Nederlandse autoriteiten.

10 Overige vormverzuimen feit 3

10.1.

De verweren van de verdediging

De verdediging stelt verder dat nog sprake is van verschillende, meer zelfstandige vormverzuimen. Die vormverzuimen raken niet het volledige dossier, maar hebben betrekking op meer specifieke onderwerpen.

Onderzoek Waitaki

In het onderzoek Waitaki is een telefoon bij verdachte in beslag genomen en vervolgens onderzocht. Resultaten uit dat onderzoek zijn in het dossier Tandem gevoegd. De verdediging stelt dat dit onderzoek onrechtmatig is en verwijst in dat kader naar het Smartphone-arrest van de Hoge Raad.13 Volgens de politie is de inhoud van die telefoon aan verdachte toe te schrijven en daarmee is volgens de verdediging een volledig sociaal beeld van het leven van verdachte verkregen.

Onderzoek Ingooien

In het onderzoek Ingooien zijn telefoons bij [naam 6] in beslag genomen en vervolgens onderzocht. Resultaten uit dat onderzoek zijn in het dossier Tandem gevoegd. De verdediging stelt dat deze resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat geen sprake is van origineel beslag. Het dossier bevat geen chain of custody en de rechtmatigheid van het beslag is niet te controleren.

Zoekterm ‘ [zoekterm 2] ’

De verdediging stelt dat de resultaten van de zoekterm ‘ [zoekterm 2] ’ van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat die resultaten niet meer los gezien kunnen worden van de informatie over ‘ [zoekterm 2] ’ die afkomstig was uit berichten van een professioneel verschoningsgerechtigde (zie hiervoor in hoofdstuk 8).

Misleiding van de rechter-commissaris (historische verkeersgegevens [gebruiker 1] )

De verdediging stelt dat het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris heeft misleid bij de vordering om historische verkeersgegevens te krijgen van het IMEI-nummer [IMEI-nummer] . In die vordering stelt het Openbaar Ministerie ten onrechte dat verdachte over dit IMEI-nummer zou hebben ge-e-maild.

Misleiding van de rechter-commissaris (opnemen telecommunicatie [getuige 1] )

De verdediging stelt dat het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris ook heeft misleid bij de vordering om de telefoon van [getuige 1] af te luisteren. In de vordering staat beschreven dat [getuige 1] geld zou hebben overhandigd aan [naam 3] , terwijl ten tijde van de vordering al duidelijk moet zijn geweest dat daarvan geen sprake is geweest.

10.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Onderzoek Waitaki

In het dossier Tandem is een bescheiden aantal berichtjes uit deze telefoon gevoegd. Niet gesteld kan worden dat die berichten een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van verdachte geven. Het verweer moet daarom worden verworpen.

Onderzoek Ingooien

De verdediging heeft de resultaten uit het onderzoek Ingooien nooit betwist. Er is ook geen reden om te twijfelen aan de geverbaliseerde bevindingen die in het dossier zijn gevoegd. Het verweer moet daarom worden verworpen.

Zoekterm ‘ [zoekterm 2] ’

Het verschoningsrecht is niet geschonden door de bewuste doorgestuurde e-mails in het dossier te voegen. Ook de overige bevindingen met betrekking tot ‘ [zoekterm 2] ’ zijn dan ook niet besmet, en kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt.

Misleiding van de rechter-commissaris (historische verkeersgegevens [gebruiker 1] )

In de eerste plaats is geen sprake van misleiding van een rechter-commissaris, omdat de vordering niet is gericht aan een rechter-commissaris, maar rechtstreeks aan de providers. In de tweede plaats is geen sprake van misleiding. Het bewuste IMEI-nummer is slechts door een verbalisant toegevoegd om de leesbaarheid van de aanvraag te vergroten.

Misleiding van de rechter-commissaris (opnemen telecommunicatie [getuige 1] )

De officier van justitie stelt voorop dat de vordering is gedaan in de zaak tegen [naam 3] . In de aanvraag staat dat op grond van waarnemingen en OVC “het vermoeden [bestaat] dat [naam 3] () een groot geldbedrag () heeft ontvangen ()”. Dat was op dat moment niet misleidend. Pas later, nadat de getuige [getuige 2] was gehoord, is het beeld ontstaan dat [naam 3] een geldbedrag aan [getuige 1] heeft gebracht.

10.3.

Het oordeel van de rechtbank

Onderzoek Waitaki

Uit het door de verdediging aangehaalde Smartphone-arrest14 volgt dat voor het doen van onderzoek aan een in beslag genomen elektronische gegevensdrager geen voorafgaande rechtelijke toetsing of tussenkomst van officier van justitie vereist is. Als sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, zoals die volgt uit artikel 94 in samenhang met de artikelen 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende rechtvaardiging. Als het onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager kan dat onderzoek onrechtmatig zijn.

De rechtbank stelt vast dat het dossier een beperkt aantal berichten en foto’s bevat die afkomstig zijn uit het onderzoek Waitaki. Op basis van die berichten en foto’s is geen min of meer compleet beeld verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte. Dit betekent dat het onderzoek aan deze telefoon rechtmatig is en er geen sprake is van een vormverzuim.

Onderzoek Ingooien

De bevindingen uit het onderzoek Ingooien zijn weergegeven in processen-verbaal die op ambtseed zijn opgemaakt. De rechtbank heeft geen aanwijzingen om te twijfelen aan de juistheid van de mededelingen in die processen-verbaal. Op 28 juni 2017 is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt waarin de inbeslagname van de telefoons is geverbaliseerd. Nadien heeft de verdediging geen verzoeken gedaan om de onderliggende beslagstukken of de rechtmatigheid van de inbeslagname in twijfel getrokken. De in het dossier gevoegde resultaten uit het onderzoek Ingooien zijn daarom bruikbaar voor het bewijs.

Zoekterm ‘ [zoekterm 2] ’

De rechtbank concludeerde hiervoor in hoofdstuk 8 dat enkele berichten van het bewijs moesten worden uitgesloten. In een aantal van die berichten wordt gesproken over ‘ [zoekterm 2] ’. Uit het dossier blijkt niet dat de overige onderzoeksbevindingen met betrekking tot ‘ [zoekterm 2] ’ het resultaat waren van de berichten die ten onrechte in het dossier zaten. Bij het onderzoek tot dan toe was [gebruiker 1] ook al in verband gebracht met ‘ [zoekterm 2] ’. Er kleven dus geen juridische bezwaren aan het gebruik van de overige bevindingen ten aanzien van de zoekterm ‘ [zoekterm 2] ’. De vraag of de overige bevindingen voldoende zijn voor een betrouwbare identificatie van verdachte als ‘ [zoekterm 2] ’ is er één die aan de orde moet komen bij de waardering van het bewijs, en niet bij de beoordeling van vormverzuimen.

Misleiding van de rechter-commissaris (historische verkeersgegevens [gebruiker 1] )

Allereerst heeft de officier van justitie terecht opgemerkt dat geen sprake is van een vordering aan een rechter-commissaris. Er kan dus geen sprake zijn van een misleiding van de rechter-commissaris.

Verder is het zo dat de tekst van het proces-verbaal van de aanvraag op verschillende manieren valt uit te leggen. Zowel de lezing van de officier van justitie als van de verdediging is verdedigbaar. Dat maakt dat niet geconcludeerd kan worden dat sprake is geweest van misleiding. Er is dus ook geen sprake van een vormverzuim.

Misleiding van de rechter-commissaris (opnemen telecommunicatie [getuige 1] )

Uit het proces-verbaal van de aanvraag blijkt niet dat sprake is geweest van misleiding. In het proces-verbaal wordt slechts gesproken over een vermoeden dat [getuige 1] een geldbedrag heeft overgedragen aan [naam 3] . Bovendien was dat vermoeden bij de stand van zaken op dat moment gerechtvaardigd. Pas nadat [getuige 2] op 16 februari 2017 bij de rechter-commissaris was gehoord, ontstond het vermoeden dat [getuige 1] geld van [naam 3] had ontvangen. Van misleiding of een vormverzuim is daarom geen sprake. Er bestaat daarom ook geen aanleiding om de resultaten van de telefoontap van het bewijs uit te sluiten.

11 Feiten 1 en 2: redelijke termijn (6 EVRM)

11.1.

Het verweer van de verdediging

De verdediging stelt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2, omdat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij wijst de verdediging op het tijdsverloop sinds de pleegdata (5 oktober 2012 en 16 december 2014), de omstandigheid dat deze openstaande verdenkingen het proces tegen verdachte in Ierland hebben verzwaard en de omstandigheid dat de verdediging door het tijdsverloop beperkt is in haar ondervragingsrecht.

11.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat ten aanzien van beide feiten geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daarvoor is van belang dat verdachte pas in Ierland, nog geen twee jaar geleden, bekend is geworden met deze verdenkingen. Vervolgens is de vervolging tegen verdachte voldoende voortvarend en zorgvuldig ter hand genomen.

11.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het beantwoorden van de vragen of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en welk gevolg daaraan moet worden gegeven, stelt de rechtbank de uitgangspunten van de Hoge Raad voorop, zoals die naar voren komen uit zijn standaardarrest op dit punt.15

Feit 1

Met betrekking tot feit 1 stelt de rechtbank voorop dat de redelijke termijn op 5 oktober 2012 is aangevangen. De politie wilde verdachte die dag horen over het geld dat hij bij zich had en heeft hem daarover confronterende vragen gesteld. Een inhoudelijk verhoor vond toen niet plaats, omdat verdachte eerst zijn advocaat wilde spreken.16 Vanaf dat moment kon verdachte in redelijkheid verwachten dat het Openbaar Ministerie hem ter zake van witwassen zou gaan vervolgen.

Er is geen sprake van omstandigheden die maken dat de zaak niet binnen twee jaar na 5 oktober 2012 afgedaan had kunnen worden. De omstandigheid dat verdachte naar het buitenland is geëmigreerd is dat in elk geval niet. Uit het strafblad van verdachte blijkt immers dat hij tijdens zijn verblijf in het buitenland wel voor andere feiten is vervolgd. Dit betekent dat vanaf 5 oktober 2014 de redelijke termijn is verstreken.

Met betrekking tot het gevolg van deze overschrijding is van belang dat de Hoge Raad heeft bepaald dat een overschrijding niet leidt tot de niet‑ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De regel is dat een overschrijding wordt gecompenseerd in de strafoplegging.

In de omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn van de Hoge Raad. De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van feit 1 zo compenseren dat voor dit feit geen straf zal worden opgelegd.

Feit 2

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte op de hoogte was van deze verdenking voordat het Europees Arrestatiebevel op 21 april 2016 werd uitgevaardigd. De rechtbank neemt die datum als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Sinds die datum zijn bijna twee jaren verstreken.

Omdat verdachte vanaf dat moment onder meer voor dit feit gedetineerd zit, is het uitgangspunt voor berechting binnen een redelijke termijn een periode van zestien maanden. Wat een redelijke termijn is, is onder meer afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak. Daaronder valt ook de gelijktijdige berechting met andere feiten tegen verdachte. In dit geval is dan met name de gelijktijdige berechting met feit 3 (de poging tot moord) en de ingewikkeldheid van dat onderzoek, in het bijzonder met betrekking tot de Ennetcom-data, van belang. Ook speelt een rol dat verdachte eerst vanuit Ierland moest worden overgeleverd, waardoor hij pas vanaf 22 februari 2017 in Nederland is. Deze omstandigheden maken dat de redelijke termijn niet is geschonden.

12 Conclusie ten aanzien van de vormverzuimen/redelijke termijn

De rechtbank heeft hiervoor de verweren van de verdediging besproken, waarin werd gesteld dat sprake was van vormverzuimen en schending van de redelijke termijn.

De conclusie van de rechtbank is dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van alle vier de feiten. Wel dienen enkele e-mailberichten en een notitie uitgesloten te worden van het bewijs en zal de rechtbank in het kader van de straftoemeting geen rekening meer houden met feit 1.

Met uitsluiting van de hiervoor genoemde berichten, kan het gehele dossier, inclusief de bevindingen uit de Tandem-dataset die in het dossier zijn gevoegd, voor het bewijs worden gebruikt.

DEEL 3: WAARDERING VAN HET BEWIJS

13 Feit 3 (poging tot moord)

13.1.

Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij de liquidatiepoging op [doelwit] op 5 november 2015 in Diemen. Dit feit is in drie varianten ten laste gelegd. In de eerste plaats wordt verdachte verdacht van het medeplegen van deze poging tot moord. Wanneer dat niet bewezen kan worden, wordt verdachte ervan verdacht dat hij deze moordpoging heeft uitgelokt en anders dat hij als medeplichtige hierbij betrokken is geweest.

Voor het beantwoorden van de vraag of verdachte betrokken is geweest bij de liquidatiepoging zijn in het bijzonder drie deelvragen van belang.

In de eerste plaats moet komen vast te staan dat [naam 3] en/of [naam 4] betrokken zijn geweest bij de liquidatiepoging. Vervolgens moet vastgesteld worden of verdachte degene is geweest die voorafgaand aan en na de schietpartij als [gebruiker 1] met [naam 3] en [naam 4] berichten heeft uitgewisseld. Tot slot is de vraag aan de orde hoe de betrokkenheid van [gebruiker 1] juridisch moet worden geduid.

13.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging om [doelwit] te vermoorden.

Uit het dossier volgt allereerst dat [naam 3] samen met anderen, onder wie [naam 4] , [doelwit] vanuit een vooropgezet plan om het leven heeft willen brengen. Daarbij hebben [naam 3] en [naam 4] via PGP-telefoons contact gehad met [gebruiker 1] .

Het merendeel van de bewijsmiddelen waaruit volgt dat verdachte degene is die op en rond 5 november 2015 schuil ging achter het [gebruiker 1] -e-mailadres staat los van de Ennetcom-data. Al op basis van deze bevindingen kan worden geconcludeerd dat verdachte [gebruiker 1] was. De bevindingen uit de Ennetcom-data bevestigen deze conclusie en nemen iedere twijfel over identificatie van verdachte als [gebruiker 1] weg. De ongemotiveerde ontkenning van verdachte dat hij [gebruiker 1] was en de ongemotiveerde ontkenning van [naam 3] dat verdachte ‘ [bijnaam 3] ’ was (zoals [gebruiker 1] in de PGP-telefoon van [naam 3] stond opgeslagen) kunnen al deze aanwijzingen niet wegnemen.

Verdachte heeft als [gebruiker 1] een intellectuele en materiële bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. [gebruiker 1] was, zoals uit de berichten uit de door het NFI gekraakte telefoons van [naam 3] en [naam 4] blijkt, in detail op de hoogte van belangrijke aspecten van de uitvoering van de moordaanslag en de uitvoerders waren te allen tijde verantwoording verschuldigd aan [gebruiker 1] en legden die ook daadwerkelijk af over de precieze gang van zaken.

13.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de verkregen zoekresultaten uit de Ennetcom-data zodanig zijn vermengd met de andere onderzoeksbevindingen, dat die niet meer los van elkaar te zien zijn. Omdat volgens de verdediging sprake is geweest van onrechtmatige bewijsgaring met betrekking tot de Ennetcom-data, heeft dit volgens haar ook consequenties voor alle overige onderzoeksbevindingen, in die zin dat die niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Uit het dossier blijkt ook niet objectief dat verdachte [gebruiker 1] is. Bovendien volgt uit de berichten van [gebruiker 1] niet zonder meer dat de persoon daarachter strafbaar betrokken is bij de poging tot moord op [doelwit] . In elk geval blijkt uit die berichten niet dat sprake is van medeplegen door [gebruiker 1] . Daarbij heeft de verdediging ook gewezen op gevaren en risico’s bij het interpreteren van berichten.

13.4.

Het oordeel van de rechtbank

Het standpunt van de verdediging dat ten aanzien van de onderzoeksbevindingen verkregen uit de Ennetcom-data sprake is geweest van onrechtmatige bewijsgaring is in deel 2 grotendeels verworpen. Dat de wel geconstateerde vormverzuimen in verband met de door de verdediging gestelde ‘vermenging’ gevolgen zouden moeten hebben voor de overige, niet aan de Ennetcom-data gerelateerde onderzoeksbevindingen, valt niet in te zien.

De rechtbank gaat ten aanzien van feit 3 op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.17

13.4.1.

De uitvoerders van de poging tot moord

Uit het dossier leidt de rechtbank – samengevat – het volgende af ten aanzien van de betrokkenheid van de uitvoerders bij de poging tot moord op [doelwit] .

Op 5 november 2015 omstreeks 12.37 uur vindt op het Fregat in Diemen een schietpartij plaats. Met twee (semi)automatische vuurwapens zijn in totaal 34 kogels afgeschoten, waarvan zes kogels het slachtoffer [doelwit] raken. [doelwit] raakt hierdoor ernstig gewond, maar hij overleeft de schietpartij wel.

Uit het onderzoek blijkt dat [naam 1] en [naam 3] de schutters zijn geweest en dat [naam 5] de auto heeft bestuurd die bij de schietpartij betrokken was. [naam 2] en [naam 4] hebben in de periode voorafgaand aan de schietpartij het latere slachtoffer veelvuldig geobserveerd en gevolgd. De rol van [naam 2] en [naam 4] was die van “spotters” en hun taak bestond eruit [naam 3] , [naam 1] en [naam 5] op de hoogte te houden van locatie waar [doelwit] zich bevond en hen op die manier naar de plaats te loodsen waar de liquidatie kon plaatsvinden.

De rechtbank leidt uit deze rolverdeling en de gang van zaken tijdens en rondom de schietpartij af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Voor het vervolg van het vonnis is het volgende van belang. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat [naam 3] gebruik maakte van de PGP-telefoon met het e-mailadres [gebruiker 5] . [naam 3] had in deze telefoon het [gebruiker 1] -e-mailadres opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 3] ’. Ook kan worden vastgesteld dat [naam 4] gebruik maakte van de PGP‑telefoon met het e-mailadres [gebruiker 6] . [gebruiker 1] stond in deze telefoon opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 4] ’.

De volledige bewijsconstructie en de verwijzing naar de bewijsmiddelen ten aanzien van de betrokkenheid van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] bij de poging tot moord op [doelwit] is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

13.4.2.

De identificatie van verdachte als [gebruiker 1]

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte aangemerkt kan worden als [gebruiker 1] .

Geldoverdracht 4 november 2015

Een eerste aanwijzing voor de identificatie van [gebruiker 1] ziet de rechtbank in een geldoverdracht op 4 november 2015. Ten aanzien van die geldoverdracht stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

De politie neemt de gesprekken in de Fiat 500 met kenteken [kenteken] (hierna: de Fiat 500), in gebruik bij [naam 3] , op. Op 4 november 2015 tussen 15.04 uur en 15.09 uur zegt [naam 3] tegen [naam 5] “we moeten half zeven op het station Eindhoven zijn”.18 Om 18.25 uur wordt gezien dat [naam 5] in de Fiat 500 zit. De Fiat staat op dat moment geparkeerd op de Neckerspoel in Eindhoven. Om 18.30 uur wordt gezien dat [naam 3] naast de Fiat staat en zoekend rondkijkt.19 In de gekraakte PGP-telefoon van [naam 3] is een niet-verzonden concept aangetroffen van 4 november 2015, 18.33 uur. Hierin schrijft [naam 3] aan ‘ [bijnaam 3] ’ “Ze is er nog niet, ik sta bij die bussen, sta…20 Tussen 18.34 uur en 18.38 uur bespreken [naam 5] (S) en [naam 3] (M):

[naam 5] : “Misschien kan ze niet rekenen, weet jij veel. Met een Polo is die.

[naam 3] : “een grijze”.

[naam 5] : “hier loopt een wijf, is dat haar niet?21

Op camerabeelden van station Eindhoven wordt gezien dat om 19.01 uur een grijze Volkswagen Polo wegreed en dat de Fiat 500 om 19.02 uur wegreed.22

In de PGP-telefoon van [naam 3] is een notitie aangetroffen met de titel ‘eindje’ en met als inhoud ‘ [kenteken] ’.23 [getuige 1] is de tenaamgestelde van een grijze Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken] .24

Op 19 juli 2016 is de telefoon van [getuige 1] in beslag genomen.25 Deze telefoon is uitgelezen en daarbij zijn WhatsApp-gesprekken tussen [getuige 1] (schermnaam: [schermnaam] ♥) en [getuige 2] (schermnaam: [schermnaam] ) aangetroffen. Op 31 oktober 2015, vanaf 21.09 uur appt [getuige 1] “5000 mee nemen vvoor [naam 7]”, “Wordt deze week gebracht” en “Hij zegt je moet die mee nemen”. Op 2 november appt [getuige 1] “5 novermber tot 7” en “eindhoven- dublin”. Op 4 november 2015 om 13.10 uur appt [getuige 1] “OMG IK MOET 18.30 NA DIE BOY”. Om 19.03 uur appt [getuige 1] “Merrr kk veel doekoe”, “Contant”. [getuige 2] vraagt vervolgens “2?”, “ Of 5”, waarop [getuige 1] antwoordt met “3”. Vanaf 19.15 uur appen [getuige 1] ( [getuige 1] ) en [getuige 2] ( [getuige 2] ) met elkaar:

[getuige 1] : “Merr ik wil niet meer gaan

K ben ergens ahter gekomen

Hij heet geen [naam 7]

Hb zn legerimatie ezien

Belgie rijbewijs”.

[getuige 2] : “En hoe heet hij

[getuige 1] : “[naam 7]

Geboordtedtm klopt niet

Op 5 november 2011 om 13.13 uur krijgt [getuige 1] een bericht van tele2, dat begint met “Welkom in Ierland!26

Uit gegevens die bij Ryanair zijn opgevraagd blijkt dat op 2 november 2015 online een vlucht is geboekt voor [getuige 1] op 5 november 2015 van Eindhoven naar Dublin, en een terugvlucht op 7 november 2015. Uit de passagierslijst blijkt dat [getuige 1] daadwerkelijk aan boord heeft gezeten van deze vlucht met vertrektijd 11.25 uur.27

[getuige 2] is bij de rechter-commissaris als getuige gehoord en bevraagd over deze WhatsApp-berichten. Zij verklaart dat zij met ‘2? of 5’ 2.000 of 5.000 euro bedoelde.28

In de in beslag genomen telefoon van [getuige 1] is ook een gesprek aangetroffen met [getuige 2] van 16 april 2016. [getuige 1] appt [getuige 2] onder meer “Hij is opgepakt”, “kijk zijn neppe legitimatie”, “zijn echte naam is [naam 7]”, “Op zijn legetimatie staat [naam 7]” en “Hij heet [naam 7] en geen [naam 7]” In de telefoon zijn ook foto’s aangetroffen van een bericht waarin staat vermeld dat [verdachte] op 7 april is aangehouden.29

Verdachte is op 7 april 2016 in Ierland aangehouden. Daarbij legitimeerde hij zich met een Nederlands paspoort op naam van [naam 7] . In het appartement waar verdachte verbleef werd daarnaast een Belgisch identiteitsbewijs aangetroffen op naam van [naam 7] .30

De rechtbank leidt uit deze bevindingen het volgende af. [getuige 1] gaat op 5 november 2015 naar verdachte, die op dat moment in Ierland is, en die zij kent als [naam 7] . Hij heeft haar gevraagd of zij geld voor hem wil meenemen. Op 4 november 2015 spreken [naam 3] en [naam 5] om 18.30 uur bij het station in Eindhoven af met [getuige 1] en daar ontvangt [getuige 1] 3.000 euro om mee te nemen voor verdachte. Vlak voordat [naam 3] en [naam 5] [getuige 1] zien, schrijft [naam 3] een onafgemaakt conceptbericht aan ‘ [bijnaam 3] ’, de naam waaronder [gebruiker 1] in de telefoon van [naam 3] staat opgeslagen, waaruit blijkt dat [gebruiker 1] op de hoogte is van het feit dat ze een afspraak met [getuige 1] hebben. Omdat het geld dat aan [getuige 1] wordt gegeven, voor verdachte bestemd is, ziet de rechtbank in deze omstandigheden een aanwijzing dat [naam 3] het conceptbericht wilde versturen aan verdachte. Daarmee is deze geldtransactie een eerste aanwijzing dat verdachte de gebruiker is van het [gebruiker 1] ‑e-mailadres.

Bijnaam [bijnaam 3]

Het [gebruiker 1] -e-mailadres stond in de telefoon van [naam 3] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 3] ’.31 Naar deze bijnaam is verder onderzoek gedaan en dat heeft geleid tot de volgende bevindingen.

Op 5 oktober 2016 is de woning van de moeder van verdachte doorzocht. Daarbij werd een doos met persoonlijke documenten op naam van verdachte aangetroffen. De documenten hebben onder meer betrekking op een eerdere detentieperiode van verdachte in 2001-2003. Bij de documenten zaten enveloppen die geadresseerd waren aan verdachte, met daarin brieven van [naam 3] . De aanhef van de brieven is ‘ [bijnaam 3] ’ en de schrijver spreekt de geadresseerde herhaaldelijk aan met ‘ [bijnaam 3] ’. Ook werd een brief aangetroffen van de afzender [afzender] en gericht aan ‘ [verdachte] ’. In die brief lijkt de schrijver ook meerdere keren de term ‘ [bijnaam 3] ’ te gebruiken om ‘ [verdachte] ’ aan te duiden. Ook is een brief aangetroffen van [afzender] aan ‘ [bijnaam 3] ’. In die brief wordt de geadresseerde meerdere keren aangesproken als ‘ [bijnaam 3] ’ of ‘ [verdachte] ’.32

In de telefoon van [naam 3] is een notitie aangetroffen met de titel ‘boek’. Deze notitie bevat persoonsgegevens van [naam 7] en zijn familieleden.33 Zoals gezegd maakte verdachte in Ierland gebruik van een vals paspoort op naam van [naam 7] .

De rechtbank leidt uit deze bevindingen af dat verdachte door verschillende mensen, onder wie [naam 3] , [bijnaam 3] werd genoemd. Hieruit volgt ook dat verdachte en [naam 3] elkaar al lang kennen. De omstandigheid dat [naam 3] informatie heeft over de valse naam waaronder verdachte in Ierland leefde, wijst erop dat verdachte en [naam 3] ook ten tijde van het gebruik van [gebruiker 1] nog contact met elkaar hadden.

De omstandigheid dat het [gebruiker 1] -e-mailadres door [naam 3] onder de naam ‘ [bijnaam 3] ’ is opgeslagen is daarmee een volgende aanwijzing dat verdachte de gebruiker is van [gebruiker 1] .

Bijnamen [bijnaam 5] en [bijnaam 6]

[naam 6] is op 30 november 2015 in het kader van het onderzoek Ingooien aangehouden. Onder hem werd een BlackBerry-telefoon in beslag genomen. In die telefoon stond [gebruiker 1] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 6] ( [bijnaam 6] )’. Op 6 december 2015 werd in het kader van het onderzoek Ingooien een woning van [naam 6] doorzocht. Tijdens die doorzoeking werd een andere BlackBerry-telefoon in beslag genomen. In deze telefoon stond [gebruiker 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam 6] ( [bijnaam 5] )’.34 Naar de bijnamen [bijnaam 5] en [bijnaam 6] is verder onderzoek gedaan en dat heeft geleid tot de volgende bevindingen.

Verdachte verklaart over ‘ [bijnaam 5] ’ dat dit een zeer veel gebruikte afkorting in de straattaal is. Die term kan voor allerlei verschillende woorden gebruikt worden zoals ex-gedetineerden, exit, ex-verslaafden, exen etc.35

Tijdens de eerder genoemde doorzoeking in de woning van de moeder van verdachte is ook een usb-stick aangetroffen. Op deze usb-stick staan 24 afbeeldingen waarbij ‘ [bijnaam 5] ’ of ‘ [bijnaam 5] ’ deel uitmaakt van de titel van de afbeeldingen. Verdachte is op bijna al deze foto’s te herkennen, aldus de politie. Op de usb-stick staan ook screenshots van tekstberichten via BlackBerry Messenger. Degene die de screenshots heeft genomen heeft een tekstbericht met een persoon die opgeslagen staat onder de naam ‘ [bijnaam 5] ’. De profielfoto van ‘ [bijnaam 5] ’ vertoont sterke gelijkenissen met één van de 24 afbeeldingen die ook op de usb-stick staat en waarop verdachte is te zien.36

Op 9 maart 2013 werd verdachte aangehouden en daarbij is een BlackBerry-telefoon bij hem in beslag genomen. Deze telefoon is in het kader van het onderzoek Waitaki onderzocht en daarbij is het volgende gebleken. In de telefoon is een op 6 februari 2013 binnengekomen sms-bericht aangetroffen dat begint met ‘[bijnaam 6] .. ga je vandaag na ally?’ Verder blijkt uit deze telefoon dat verdachte zichzelf in ping-berichten ‘ [bijnaam 5] ’ noemt. Op 5 maart 2013 voert ‘ [bijnaam 5] ’ een gesprek met ‘ [gebruiker 7] ’. [gebruiker 7] heeft het in dat tekstbericht onder meer over ‘ [naam 7] ’ en ‘toba wielklem’, direct gevolgd door ‘ [bijnaam 6] *’. [gebruiker 7] is geïdentificeerd als [naam 8] .37

[naam 8] is in 2016 als getuige gehoord. Zij geeft aan dat zij het gesprek met een oude bekende heeft gevoerd die zij kent als [bijnaam 5] . Een klein [naam 7] zou een kindje van hen worden en [naam 7] is zijn naam. Zij noemden elkaar als koosnaampje [bijnaam 6] .38

In het kader van het onderzoek Ebetsu is een telefoongesprek van 6 april 2013 opgenomen tussen verdachte en [naam 9] . Verdachte vraagt in dat gesprek onder meer “Maar je hebt toch niks met die [bijnaam 6] meer of wel’ en ‘Wanneer is (…) je TBS zitting”. Verder zegt verdachte onder meer “Je moet hem duidelijk maken dat het niet om die zaak gaat nu (…) dat het nu (…) gewoon om die TBS zelf gaat (…) Die man is af [naam 9] , helemaal met [bijnaam 6] .”39

In de in het onderzoek Waitaki onder verdachte in beslag genomen BlackBerry zijn verder tekstberichten aangetroffen met iemand met de chat-naam ‘ [chatnaam] ’. Op 26 februari 2013 geeft [chatnaam] aan dat de eis 7 jaar is. Een dag later vraagt ‘ [bijnaam 5] ’ “maar ze hebben geen [bijnaam 6] gezegd toch?”. ‘Nee’ zegt [chatnaam] . Uit onderzoek is gebleken dat het hier een zitting betreft aangaande het onderzoek Kiem. De verdachte tegen wie 7 jaar werd geëist betreft [naam 9] . [chatnaam] betreft vermoedelijk [naam 10] , een halfbroer van [naam 9] .40

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie op naam van verdachte blijkt dat verdachte in het verleden de maatregel van TBS heeft gehad.41

De rechtbank leidt uit deze bevindingen het volgende af. Verdachte wordt door zichzelf en/of door anderen ook wel ‘ [bijnaam 5] ’/‘ [bijnaam 5] ’ en ‘ [bijnaam 6] ’/’ [bijnaam 6] ’ genoemd. [bijnaam 6] kan staan voor de maatregel TBS en in combinatie met [bijnaam 5] kan dit wijzen op “ex-tbs’er”. Die betekenis past bij verdachte als oud‑TBS’er.

De omstandigheid dat [gebruiker 1] in telefoons van een ander onder de namen ‘ [bijnaam 6] ( [bijnaam 6] )’ en ‘ [bijnaam 5] ( [bijnaam 5] [bijnaam 6] )’ is opgeslagen, is daarom weer een volgende aanwijzing dat verdachte de gebruiker is van [gebruiker 1] .

Identificerende gegevens uit de berichten van [gebruiker 1]

De berichten met [gebruiker 1] bevatten weinig identificerende gegevens over wie [gebruiker 1] is. Met betrekking tot de informatie die wel uit die berichten blijkt, geldt het volgende.

Op 5 november 2015 zegt [bijnaam 3] ( [gebruiker 1] ) om 19.58 uur tegen [naam 3] “wollah op mijn dochter als je iets achter houd en kom er later achter om mijn lieve moeder me zusje en me dochter brooo jij bent verantwordlijk”42 Voor zover bekend heeft de moeder van verdachte ( [naam moeder ] ) twee kinderen, verdachte en [naam zus] , de halfzus van verdachte met wie hij samen is opgegroeid. Verdachte heeft van vaders zijde ook twee halfzussen en een halfbroer, maar met hen heeft hij minder contact. Verdachte heeft met [naam 11] een dochter.43

Vervolgens zegt [bijnaam 3] om 20.24 uur tegen [naam 3] “Lafen kk hoertje dat je bent iik vraag je wat je kon toch fiken in garas voor dat skoetoe daar was waren jullie al lang loezoe maar komt goed [bijnaam 3] is zeg je44

De rechtbank leest dit tweede bericht zo dat [bijnaam 3] hier zichzelf [bijnaam 3] noemt. Kennelijk begrijpt [bijnaam 3] de berichten van [naam 3] zo dat die geïnterpreteerd moeten worden als ‘komt goed [bijnaam 3] ’.

Voor de rechtbank ondersteunen deze twee berichten de stelling dat verdachte de gebruiker is van het [gebruiker 1] -e-mailadres. De familiesamenstelling waarop [bijnaam 3] zweert (‘wollah’) past bij de familiesamenstelling van verdachte. Ook valt hieruit op te maken dat [gebruiker 1] zichzelf ‘ [bijnaam 3] ’ noemt.

Conclusie ten aanzien van de identificatie van [gebruiker 1]

De rechtbank heeft hiervoor verschillende onderzoeksbevindingen besproken die erop wijzen dat verdachte [gebruiker 1] is. Wanneer die verschillende bevindingen gezamenlijk worden gewogen, wordt het beeld versterkt dat verdachte [gebruiker 1] is. Daarbij is van belang dat de identificatie via de geldoverdracht maar op één persoon kan slaan, de beoogde ontvanger van het geld en dat is verdachte. Deze identificatiemethode is volledig onafhankelijk van de identificatie via de aan [gebruiker 1] door anderen toegekende bijnaam ‘ [bijnaam 5] ’ en ‘ [bijnaam 6] ’.

Daar tegenover staat dat het dossier nauwelijks aanwijzingen bevat dat verdachte niet de gebruiker van het [gebruiker 1] -e-mailadres is. Dat volgt alleen uit de ontkennende verklaring van verdachte zelf en uit de getuigenverklaring van [naam 3] die stelt dat verdachte niet ‘ [bijnaam 3] ’ is. Verdachte en [naam 3] hebben verder niet of nauwelijks antwoord willen geven op vragen. Daardoor omvatten de verklaringen niet meer dan een kale ontkenning van een identificatie die op bewijsmiddelen is gestoeld. Tegen de achtergrond van de hiervoor uiteengezette identificatiemethodes zijn de ontkenningen van verdachte en [naam 3] niet geloofwaardig. De rechtbank komt dan ook al op basis van de hiervoor besproken bevindingen, die overigens alle niet uit de Ennetcom-data voortkomen, tot de conclusie dat verdachte de gebruiker is geweest van het [gebruiker 1] -e-mailadres.

Naar het oordeel van de rechtbank staat ook vast dat verdachte de gebruiker van het [gebruiker 1] -e-mailadres was in de relevante periode op en rond 5 november 2015. Daarbij is met name van belang dat het e-mailadres in die periode werd opgeslagen onder namen die aan verdachte werden gekoppeld en dat de rechtbank ervan uitgaat dat het conceptbericht rondom de geldoverdracht op 4 november 2015, midden in de relevante periode, aan verdachte was gericht. Bovendien heeft verdachte geen (aannemelijke) verklaring gegeven waaruit zou volgen dat hij de [gebruiker 1] wel op enig moment in gebruik zou hebben gehad, maar dat hij die nog niet of niet meer in gebruik had ten tijde van de liquidatiepoging.

Omdat op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen al de conclusie kan worden getrokken dat verdachte de gebruiker van het [gebruiker 1] -e-mailadres was en als zodanig voor en na de liquidatiepoging met [naam 3] en [naam 4] heeft gecommuniceerd, zal de rechtbank niet ingaan op de overige (volgens het Openbaar Ministerie) uit de Ennetcom-data voortvloeiende aanwijzingen dat verdachte [gebruiker 1] is.

13.4.3

Medeplegen van poging tot moord door verdachte

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte [gebruiker 1] is en dat de uitvoerders van de liquidatiepoging op [doelwit] over deze poging contact hadden met [gebruiker 1] , en dus met verdachte. Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de rol die verdachte heeft gehad, leidt tot een strafbare vorm van betrokkenheid van verdachte. De eerste variant die de rechtbank in dit kader moet bespreken is of verdachte als medepleger van de poging tot moord kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Uit onderzoek aan de telefoons die bij [naam 3] en [naam 4] in beslag zijn genomen, volgt dat zij in de periode van 2 tot en met 5 november 2015 berichten hebben uitgewisseld met verdachte, als gebruiker van het [gebruiker 1] -e-mailadres. Die berichten houden, voor zover van belang, het volgende in.

Op 2 november 2015, om 13.32 uur, vraagt verdachte aan [naam 4] wat er gaande is. In reactie daarop schrijft [naam 4] ‘[hij] reed naar die ikea in bijlmer was hij in die garage (…) [naam 12] en ik liepen ff rond” Om 18.29 uur wil verdachte een update (“Ewa brooo?”) en als blijkt dat ‘hij’ helemaal niet meer heeft bewogen, vraagt verdachte “Maar van ikea warom troen niet warrom 99999” en “Waar w8en jullie op dat is een x een wijland in rijd dan pas actie ???” [naam 4] legt uit dat Diemen beter is, want “bij die ikea had je veel blauw”.45

Op 3 november 2015, om 11.59 uur, vraagt verdachte aan [naam 4] of “ie al een wijland in gereden [is]?” Als om 15.42 uur blijkt dat ‘hij’ van de Amstelkade naar een adres in Noord is gegaan vraagt verdachte “maar broo, dan is ie toch bewogen, waarom kon het nu weer niet dan?” Om 18.13 uur vraagt verdachte aan [naam 4] “nog steets geen wijland broo?” Vervolgens legt [naam 4] uit dat hij en [naam 12] op tijd aangaven dat hij kwam, dat de andere hem ook hadden gezien, maar dat voordat het stopbord omhoog kwam die man naar links rijdt. De anderen rijden achter hem, maar hij rijdt weg. Verdachte vindt het ‘ongelofelijk’ en zegt dat die man toch geen ‘feri’ rijdt en of ie ze door had. Verdachte zegt dat zij een gti rijden en wil weten hoe hij dan ‘loesoe’ kan zijn gereden.46

Op 3 november 2015, om 19.02 uur, geeft [naam 3] aan verdachte aan dat ze hem een stopteken wilden geven, maar dat ze daar de kans niet voor kregen. Aan [naam 3] vraagt verdachte of “ie jullie door [heeft] gehad?” en “maar als ie naast jullie stond dan konden jullie toch ook meteen voor hem rijden of niet?”47

Op 5 november 2015, om 9.50 uur, vraagt verdachte aan [naam 4] of ze “al redy voor die osso [staan]”. [naam 4] geeft aan dat ze met elkaar zijn, maar dat [naam 12] en hij zo weg gaan. Verdachte reageert daarop met “Oow maar jullie blijven wel bij die boys in de buurt toch?” [naam 4] geeft vervolgens aan “wij gaan gewoon ergens parkeren gooien we die tellie aan.” Om 12.56 uur vraagt verdachte aan [naam 4] of die ‘kk hond’ al beweegt en om 13.52 uur hoe het is. Om 13.57 geeft [naam 4] vervolgens aan “Moe ik ga die andere zo zien ze zijn in die osso in bijlmer maar [naam 12] had me afgezet. Is kk heet op straat ze hebben hem wel gepopt maar ik weet nie of hij slaapt of niet ik hoorde kk veel ambulance en blauw.48

Op 5 november 2015, om 19.10 uur zegt [naam 3] tegen verdachte “ze hebben rambo geveegd en ons ook gooi alle telies uit”. Korte tijd later zegt [naam 3] “Bro [naam 9] en ik zijn safe gooi rambo en [naam 12] ze teli uit nu aub” en weer later “Bro [naam 9] en ik zijn samen we zijn veilig gooi onze teli’s ff niet uit bro”.49

Vanaf 19.37 uur wil verdachte weten hoe ze zijn geveegd, wat er precies is gebeurd en of ‘die wagie’ ook is geveegd. [naam 3] legt uit dat ze “rambo die garage [gingen] laten zien hij zou kijken opeens hoorden we politie [naam 9] , [naam 12] en ik zijn weg gerend we zijn alle 3 weg gekomen van rambo weten we niet”. Verdachte wil dat [naam 3] het goed uitlegt en vraagt “hoe vaak zeg ik tegen jullie kk hoertjes niet met ze allen gaan hoee vaal zeg ik dat a kk hoerrrr???? Of heb ik dat niet gezeg a kk hoertje ?????” [naam 3] zegt vervolgens dat ‘rambo’ niet wist waar die ‘waki’ was en dat ze hem moesten laten zien “anders waren we niet samen gegaan”. Verdachte zegt dat ze hem toch gewoon die straat kunnen zeggen en welke garage.

Verdachte wil ook weten hoe ze konden weten dat ze naar ‘daar’ zijn gereden en wat voor moeite het was om “in garas te fixen of kon heli door garas kijken????” [naam 3] legt uit dat ze de ‘waki’ uit de garage zouden weghalen en dat het de planning was om die ‘waki’ later te ‘flammen’. Verdachte zegt vervolgens tegen [naam 3] dat hij verantwoordelijk is en vraagt “waarom met ze 3 vraag ik weer voor wat zijn pgps a kk hoertje ???” En weer later zegt verdachte “Hoe vaak heb ik tegen jou en [naam 9] gezegd niet alles samen doen hoe vaak a hoerenkind ???? Hoe vaak ???? Voor wat hebben we pgps voor wat ???? vooor wat moest je je hem laten zien vieze hoerenkind ????” [naam 3] legt uit dat ze niet meteen konden ‘flammen’, “we hadden geen overstap we moesten wachten tot [naam 12] ons zou oppikken”. Verdachte reageert daarop met “je bent toch in de buuurt kan je toch meteen fike en ergens anders ophaaalen. Maar ik ga alles hooren je bent een schade” en “lafen kk hoertje dat je bent iik vraag je wat je kon toch fiken in garas voor dat skotoe daar was waren jullie al lang loezoe maar komt goed [bijnaam 3] is zeg je”. Verdachte vervolgt met “Luiste die stop politie was duidlijk tegen jou gezegd toch om goed schoon te maken of was dat ook met ze 3ien beslist om schoon te maken of niet???50

Uit deze berichten komt het volgende beeld naar voren. Verdachte is goed geïnformeerd over de plannen en heeft blijkbaar meermalen adviezen gegeven (‘hoe vaak zeg ik tegen jullie’). Verdachte wil ook voortdurend op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen. [naam 3] en [naam 4] moeten daarbij verantwoording afleggen aan verdachte. Die verantwoording heeft zowel betrekking op het uitblijven van ‘actie’ en op fouten die bij de uitvoering worden gemaakt. Daarbij is de toon van verdachte op 5 november 2015 (veelvuldig gebruik van de termen ‘hoer’ en ‘kk’, wat de rechtbank in navolging van de politie begrijpt als ‘kanker’) duidelijk één die past bij iemand in een hiërarchisch hogere positie dan [naam 3] , de ontvanger van die berichten. Tot slot heeft verdachte de taak om in geval van nood de telefoons uit te doen, waarmee vermoedelijk bedoeld wordt dat de inhoud van de PGP‑telefoons ontoegankelijk gemaakt moet worden.

Daarmee is voor de rechtbank de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee vindt de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord bewezen.

Tot slot merkt de rechtbank nog het volgende op. De verdediging heeft aangevoerd dat aan de berichten ook een andere uitleg gegeven kan worden. De suggestie van de verdediging gaat ervan uit dat [gebruiker 1] achteraf probeerde te redden wat er te redden viel, als machteloze toeschouwer. Die lezing gaat echter vrijwel geheel voorbij aan de berichten die [gebruiker 1] , dus verdachte, in de periode van 2 tot en met 5 november 2015, voorafgaand aan de schietpartij, heeft verstuurd. Bovendien volgt de door de verdediging voorgestelde lezing niet uit de verklaring van verdachte. Dat had wel voor de hand gelegen, omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de berichten heeft verstuurd en dus in het bijzonder kan verklaren wat hij met die berichten heeft bedoeld. Een uitleg heeft verdachte echter niet gegeven.

14 Feit 1 en feit 4 (witwassen)

14.1.

Inleiding

Verdachte wordt verdacht van twee witwasfeiten. Feit 1 heeft betrekking op een contant geldbedrag dat bij verdachte is aangetroffen tijdens een insluitingsfouillering in 2012. Feit 4 heeft betrekking op geldbedragen en (luxe)goederen die zijn aangetroffen in de woning in Dublin waar verdachte in 2016 is aangehouden.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is in hoeverre de aangetroffen geldbedragen en goederen aan verdachte kunnen worden toegerekend. Een tweede vraag is of de geldbedragen direct of indirect van een misdrijf afkomstig zijn en of verdachte dat wist of had moeten vermoeden.

De rechtbank stelt vast dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voor een bewezenverklaring van witwassen is dat echter niet vereist. Wel is vereist dat vaststaat dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daarvoor is het volgende toetsingskader van belang.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

14.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de feiten 1 en 4 heeft gepleegd, omdat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen en goederen die verdachte voorhanden had, van misdrijf afkomstig zijn.

Ten aanzien van feit 1 vindt de officier van justitie het volgende van belang. Bij verdachte is ruim 10.000 euro onder verdachte omstandigheden aangetroffen, terwijl verdachte over zeer beperkte legale inkomsten beschikte. Dat rechtvaardigt een vermoeden van witwassen. Verdachte heeft vervolgens geen concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag afgelegd.

Ten aanzien van feit 4 vindt de officier van justitie het volgende van belang. Een belangrijk deel van de voorwerpen lag in de slaapkamer van verdachte. De andere voorwerpen die in de woning aanwezig waren, waren niet verborgen maar eenvoudig ‘voorhanden’. Verdachte had daarmee feitelijk de beschikking over die voorwerpen. Van verdachte is geen enkel legaal inkomen of vermogen bekend. Verdachte heeft ook geen min of meer concrete, laat staan verifieerbare verklaring afgelegd over deze voorwerpen.

14.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat niet is bewezen dat verdachte de feiten 1 en 4 heeft gepleegd en verzoekt verdachte van deze feiten vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 1 stelt verdachte dat het geld dat hij bij zich had van een ander was, wiens naam hij niet wil noemen. Bij degene van wie verdachte het geld had gekregen, had hij geen verdenkingen met betrekking tot illegaliteit. Die ander wilde niet bij verdachte betrokken raken in verband met levensbedreigende geruchten met betrekking tot verdachte.

Ten aanzien van feit 4 stelt de verdachte dat in de woning voorwerpen van anderen zijn aangetroffen. Alleen het geld in zijn broekzak zal van hem zijn geweest. Dat geld heeft hij van anderen gehad om te voorzien in zijn levensonderhoud. De verdediging stelt daarbij dat niet van verdachte verlangd kan worden dat hij verder ingaat op de personen die eveneens van de woning gebruik maakten en die mogelijk over de aangetroffen voorwerpen kunnen verklaren. Daarvoor is van belang dat de woning wordt toegeschreven aan een misdadige clan die volgens de media betrokken zou zijn bij een clan-oorlog met veel doden.

14.4.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank gaat ten aanzien van feit 1 op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.51

Op 5 oktober 2012 is verdachte onderworpen aan een insluitingsfouillering. De verbalisant trof een bepaald geldbedrag in de kleding van verdachte aan. De verbalisant controleerde ook een schoudertasje dat verdachte bij zich droeg. De verbalisant zag dat er een grote hoeveelheid briefgeld in het tasje zat. De coupures waren zo gebundeld dat de bundels een rond bedrag vormden. De bundels hadden allemaal dezelfde waarde, namelijk 1.000 euro.52 Het aangetroffen geld is op 6 oktober 2012 in beslag genomen en bestond uit 1 biljet van 500 euro, 202 biljetten van 50 euro, 4 biljetten van 10 euro, 1 biljet van 5 euro en 2,90 euro aan muntgeld. Daarnaast was er 1 half biljet van 100 euro. Het totale bedrag was s 10.747,90 euro.53

Bij de Belastingdienst zijn gegevens gevorderd over de financiële situatie van verdachte. In de jaren 2011 tot en met 2015 had verdachte in totaal aan vermogen uit bankspaargelden, effecten en verzekering tussen de 132 euro en 1.248 euro. In de jaren 2009 tot en met 2013 ontving verdachte in totaal aan nettoloon tussen de 108 euro en 13.029 euro, afkomstig van het UWV. Daarnaast ontving verdachte in 2012 (838 euro) en 2013 (265 euro) zorgtoeslag.54

De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de bij verdachte aangetroffen 10.747,90 euro uit enig misdrijf afkomstig is. Daarvoor zijn in het bijzonder van belang de omstandigheid dat verdachte nauwelijks over een legaal inkomen of vermogen beschikte en de wijze waarop het grote geldbedrag is aangetroffen (in contanten en in afgemeten stapeltjes van 1.000 euro). Gelet op dit vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.

Verdachte heeft alleen verklaard – zakelijk weergegeven – dat het geld van een ander was en dat er bij hem geen verdenkingen bestonden dat het geld een illegale herkomst had. Verdachte heeft ervoor gekozen om niet de naam van die ander te noemen of andere aanknopingspunten te geven om zijn verklaring te kunnen verifiëren. De verdediging heeft redenen aangevoerd waarom verdachte geen openheid van zaken geeft. Het gevolg daarvan is echter dat de verklaring niet concreet of min of meer verifieerbaar is. Dat is het gevolg van de keuze van verdachte en komt daarom voor zijn risico.

Nu de verklaring van verdachte niet concreet of verifieerbaar is, wordt de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Er is vervolgens geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Feit 4

De rechtbank gaat ten aanzien van feit 4 op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.55

Op 7 april 2016 doorzocht [politieagent] van de Guarda en werkzaam voor de eenheid Verdovende Middelen met anderen, [adres] in Ierland. Bij binnenkomst was er één man aanwezig. De man kwam in zijn ondergoed naar [politieagent] toelopen. De man zei dat hij [naam 7] heette en overhandigde een Nederlands paspoort op die naam. In een slaapkamer van de woning was in een spijkerbroek een Belgisch identiteitsbewijs (HMc1) op naam van [naam 7] aangetroffen. Op beide identiteitsbewijzen stond de foto van de man, die beweerde dat hij [naam 7] was. [politieagent] heeft later vernomen dat de identiteit van [naam 7] was vastgesteld en dat het gaat om [verdachte] , geboren op [geboortegegevens] 1980.56

In het appartement zijn verschillende geldbedragen en goederen aangetroffen. Op basis van de aangetroffen goederen stelt de rechtbank vast dat verdachte niet de enige gebruiker is geweest van de woning. Dat betekent dat niet zonder meer alle voorwerpen die in de woning zijn aangetroffen, aan verdachte kunnen worden toegeschreven. Voor de vraag of verdachte de aangetroffen geldbedragen en goederen heeft witgewassen, gaat de rechtbank alleen uit van de voorwerpen die in de slaapkamer van verdachte zijn aangetroffen. Van de overige voorwerpen, die in gemeenschappelijke ruimten zijn aangetroffen, kan niet, althans in onvoldoende mate, vastgesteld worden dat verdachte die voorhanden heeft gehad.

Tijdens de doorzoeking werd in de slaapkamer van het appartement onder meer het volgende aangetroffen. In de spijkerbroek waar ook de Belgische ID was aangetroffen, is 2.020 euro (HMc2) aangetroffen. Een Nokia-telefoon (GR2) en twee BlackBerry-telefoons (GR3 en GR4) werden in een nachtkastje aangetroffen. Eén van de BlackBerry-telefoons betrof het type Porsche. Bovenop een ander nachtkastje werden een zilveren en een gouden Rolex-horloge (GR5 en GR6) en een Audemars Piquet-horloge (GR7) aangetroffen. Op dit nachtkastje werd ook 300 Britse pond aangetroffen (HMc3). Op dit nachtkastje werden verder nog twee Samsung-telefoons aangetroffen (HMc4 en HMc5). De Samsung-telefoons waren van het type S4. Op de vloer in de slaapkamer werd een bedrag van 400 euro aangetroffen (HMc6).57

Verdachte heeft verklaard dat wat in de broekzak zat van hem zal zijn geweest.58 Van het Audemars Piquet-horloge zijn biologische sporen veiliggesteld. Aan de randjes van de kast van het horloge is een dna-mengprofiel aangetroffen waarvan een afgeleid hoofdprofiel van verdachte kan zijn (matchkans van het dna-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard).59

De horloges die tijdens de doorzoeking in beslag zijn genomen, zijn getaxeerd. Uit de taxatie komt naar voren dat het om de volgende horloges gaat. Het eerste horloge betreft een stalen horloge van het merk Rolex en type GMT, met kastnummer [kastnummer] , en met een geschatte nieuwwaarde van 8.000 euro. Het tweede horloge is roségoud van het merk Rolex, type Day‑Date, met kastnummer [kastnummer] , en met een geschatte nieuwwaarde van 30.000 euro. Het laatste horloge is van titanium en van het merk Audemars Piquet, type Michael Schumacher, met kastnummers [kastnummer] en [kastnummer] , en met een geschatte nieuwwaarde van 50.000 euro.60

Hiervoor, ten aanzien van feit 1, is al door de rechtbank besproken dat verdachte in de jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde nauwelijks beschikte over legaal inkomen of vermogen.61 Verdachte heeft zelf ook geen verklaring afgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte sinds 2013 wel beschikte over voldoende legale inkomsten om de aangetroffen goederen te kunnen verwerven.

De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de bij verdachte aangetroffen voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarvoor is in het bijzonder van belang dat verdachte, die bij aanhouding een valse naam opgaf en in het bezit was van valse/vervalste identiteitsdocumenten, nauwelijks over een legaal inkomen of vermogen beschikte en dat sprake is van veel contant geld en luxe horloges. De waarde van de horloges en het aangetroffen geld is tezamen meer dan 90.000 euro. Gelet op dit vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de voorwerpen.

Het enige dat verdachte heeft verklaard is dat hij van anderen geld krijgt voor zijn levensonderhoud. Verdachte kiest ervoor om niet te verklaren over degenen van wie hij dat geld krijgt. Over de herkomst van de horloges en de telefoons heeft verdachte in het geheel niet verklaard. Ook ten aanzien van dit feit heeft de verdediging redenen aangegeven waarom verdachte geen openheid van zaken geeft. Het gevolg daarvan is ook wat deze voorwerpen betreft, dat de verklaring van verdachte, voor zover hij wel heeft verklaard, niet concreet of min of meer verifieerbaar is. Dat is het gevolg van de keuze van verdachte en komt daarom voor zijn risico.

Die verklaring van verdachte wordt daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Er is vervolgens geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

15 Feit 2 (vals paspoort)

15.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte feit 2 heeft gepleegd, maar dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte dat samen met een ander heeft gedaan. Uit administratie van de gemeente Utrecht blijkt dat er in 2014 een vals paspoort op naam van [naam 13] , voorzien van een pasfoto van verdachte, is afgegeven. Omdat verdachte daarover zwijgt kan het redelijkerwijs niet anders dan dat verdachte die foto, al dan niet rechtstreeks, heeft overgelegd om het bewuste valse paspoort te doen verstrekken. Het is daarbij niet vereist dat verdachte het paspoort zelf heeft afgehaald. Voor de overtuiging dat verdachte dit feit heeft begaan, speelt voor de officier van justitie mee dat verdachte in Ierland over twee andere valse identiteitsdocumenten beschikte.

15.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat niet is bewezen dat verdachte feit 2 heeft gepleegd en dat verdachte daarom van dit feit moet worden vrijgesproken. Verdachte stelt niet te weten hoe een foto van hem op het paspoort terecht kan zijn gekomen. Verder is het paspoort nooit gevonden en er is geen getuigenverklaring of ander bewijs waaruit de betrokkenheid van verdachte blijkt.

15.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat niet bewezen is dat verdachte feit 2 heeft gepleegd. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken. Daarvoor is het volgende van belang.

De rechtbank stelt vast dat het dossier een aanvraagformulier voor een nieuw paspoort op naam van [naam 13] bevat, voorzien van een foto van verdachte. Volgens dat aanvraagformulier is het nieuwe paspoort ook uitgegeven. Omdat het een pasfoto van verdachte is, kan de rechtbank nog wel vaststellen dat verdachte betrokken is geweest bij het laten maken van het de pasfoto.

Ten aanzien van het vervolg, van pasfoto naar aanvraagformulier, bevat het dossier geen gegevens. Ook blijkt uit het dossier niet dat het uitgegeven paspoort ooit is aangetroffen, laat staan onder bereik van verdachte is geweest of gebracht.

De behandeling van de aanvraag van het paspoort en het verstrekken van het paspoort is gedaan door [naam 14] . [naam 14] is op 25 oktober 2016 (niet-onherroepelijk) veroordeeld door de rechtbank Midden‑Nederland voor het afleveren van verschillende valse paspoorten, waaronder dat op naam van [naam 13] .

Binnen deze frauduleuze context blijven er teveel mogelijkheden over, waarbij verdachte geen bewuste betrokkenheid heeft gehad bij het doen verstrekken van het valse paspoort. Het enkele feit dat verdachte de belanghebbende lijkt te zijn bij het doen uitgeven van een vals paspoort, leidt nog niet tot de conclusie dat verdachte deze afgifte daadwerkelijk heeft bewerkstelligd. Alles bij elkaar bevat het dossier onvoldoende bewijs om verdachte voor dit feit te veroordelen.

16 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte

Feit 1

op 5 oktober 2012, te Amsterdam een geldbedrag van in totaal 10.747,90 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 3 (primair)

op 5 november 2015 te Diemen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [doelwit] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, van korte afstand en gericht met vuurwapens een aantal kogels op het lichaam van die [doelwit] heeft afgevuurd, waardoor die [doelwit] meermalen in zijn lichaam is geraakt;

Feit 4

op 7 april 2016 te Dublin zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, immers heeft hij meerdere voorwerpen, te weten:

  • -

    een geldbedrag van ongeveer 2.420 Euro, en

  • -

    een geldbedrag van ongeveer 300 GBP, en

  • -

    een roségouden horloge (merk Rolex, type Day-Date, kastnummer [kastnummer] ), en

  • -

    een stalen horloge (merk Rolex, type GMT, kastnummers [kastnummer] ), en

  • -

    een titanium horloge van het merk Audemars Piquet, type Michael Schumacher, kastnummers [kastnummer] , en

  • -

    vijf mobiele telefoons, te weten: twee telefoons van het merk BlackBerry, waarvan één van het type Porsche Design, één telefoon van het merk Nokia en twee telefoons van het merk Samsung, type Galaxy S4,

voorhanden gehad terwijl hij wist dat die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

17 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte de bewezen feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Die bewijsmiddelen zijn vervat in paragraaf 13.4 en bijlage 2 (feit 3) en paragraaf 14.4 (feiten 1 en 4).

18 Voorwaardelijke verzoeken

Door de verdediging zijn verschillende voorwaardelijke verzoeken om nader onderzoek gedaan. De verdediging heeft daaraan de voorwaarde verbonden dat de rechtbank het voorhanden materiaal als bewijsmateriaal wenst te gebruiken ten aanzien van feit 3.

De verzoeken hebben betrekking op het horen van getuigen, het voegen van stukken en het verstrekken van technische middelen, de verdediging de mogelijkheid bieden voor nader onderzoek en het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

De rechtbank stelt vast dat vrijwel alle verzoeken betrekking hebben op de Ennetcom-data. Uit de hiervoor weergegeven bewijsconstructie ten aanzien van feit 3 volgt dat de rechtbank de Ennetcom-data niet voor het bewijs heeft gebruikt en dat deze data ook niet aan wel gebruikt bewijs ten grondslag liggen. Voor zover de voorwaardelijke verzoeken betrekking hebben op de Ennetcom-data is niet voldaan aan de voorwaarde die daaraan door de verdediging is verbonden. Die verzoeken hoeven daarom niet verder besproken te worden.

Het resterende verzoek in dit verband heeft betrekking op de getuigenverklaring van [naam 8] . Deze getuigenverklaring heeft de rechtbank mede aan de bewezenverklaring van feit 3 ten grondslag gelegd. Daarmee is aan de door de verdediging gestelde voorwaarde voldaan, zodat een beslissing moet worden genomen op dit verzoek.

Bij het beoordelen van dit verzoek is het volgende van belang. De verdediging heeft op 22 februari 2018 verzocht om [naam 8] als getuige te kunnen horen. Dit verzoek is op 23 februari 2018 door de rechter-commissaris toegewezen. Vervolgens heeft de verdediging op 26 februari 2018 de rechter-commissaris per e-mail laten weten dat zij afstand doet van getuige [naam 8] . De verdediging heeft niet onderbouwd waarom het noodzakelijk is om, nadat van deze getuige afstand is gedaan, [naam 8] alsnog als getuige te horen. De rechtbank ziet die noodzaak ook niet. Gelet daarop wijst de rechtbank het verzoek om [naam 8] als getuige te horen af.

DEEL 4: AFDOENING VAN DE ZAAK

19 Motivering van de straffen en maatregelen

19.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Ter onderbouwing van die strafeis wijst de officier van justitie op de volgende omstandigheden.

Voor het bepalen van het uitgangspunt voor de straf voor de liquidatiepoging zoekt de officier van justitie aansluiting bij de straffen die aan de uitvoerders van deze poging zijn opgelegd. Omdat verdachte degene was die de uitvoerders aanstuurde, moet dat uitgangspunt hoger zijn dan de 16 jaar die de rechtbank als uitgangspunt heeft genomen voor de schutters.

Voor de feiten 1 en 4 gezamenlijk neemt de officier van justitie, onder verwijzing naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden als uitgangspunt. Voor feit 2 neemt de officier van justitie, wederom onder verwijzing naar de oriëntatiepunten van het LOVS, een gevangenisstraf van twee maanden als uitgangspunt.

De officier van justitie ziet in deze zaak geen strafverminderende omstandigheden.

Strafverzwarende omstandigheden ziet de officier van justitie in het forse strafblad van verdachte, het gevaar voor herhaling en de omstandigheid dat de feiten zijn gepleegd tegen de achtergrond van een crimineel milieu waarin verdachte een leidende rol speelde. Tot slot wordt een langdurige gevangenisstraf passend gevonden als signaal en waarschuwing naar de buitenwereld, dat niemand onaantastbaar is.

19.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging verzoekt primair om nader onderzoek ten behoeve van de straftoemeting. Dit onderzoek zou betrekking moeten hebben op de detentieomstandigheden van verdachte in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught. Ook zou dit onderzoek betrekking moeten hebben op de psychische en maatschappelijk/sociale situatie van verdachte, waarbij dat onderzoek zou moeten plaatsvinden vanuit het Pieter Baan Centrum (PBC).

Wanneer de rechtbank dit nadere onderzoek niet laat plaatsvinden, verzoekt de verdediging in elk geval om rekening te houden met de in het verleden bij verdachte geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid en de zeer zware detentieomstandigheden in de EBI.

Verder verzoekt de verdediging om geen aansluiting te zoeken bij de straffen die aan de uitvoerders zijn opgelegd, zoals de officier van justitie wel heeft gedaan. Die straffen zijn onredelijk hoog ten opzichte van de straffen die in andere zaken zijn opgelegd. In dat kader wijst de verdediging op een groot aantal uitspraken in zaken waarbij sprake was van (voltooide) moord of doodslag, en waarbij lagere straffen zijn opgelegd dan nu door de officier van justitie is geëist.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 verzoekt de verdediging geen extra straf op te leggen, gelet op het tijdsverloop nadien. Ten aanzien van feit 4 verzoekt de verdediging eveneens geen extra straf op te leggen, omdat de eventuele strafoplegging in die zaak al is verwerkt in de zwaarte van de tot op heden ondergane detentie.

Alles bij elkaar verzoekt de verdediging om – bij bewezenverklaring van alle vier de feiten – hooguit een gevangenisstraf van zes jaren op te leggen. Daarbij gaat de verdediging uit van een vermindering van de straf met ten minste vijf jaren als compensatie voor het detentieregime van volledige eenzaamheid.

19.3.

Het oordeel van de rechtbank

Nader onderzoek

De rechtbank wijst het verzoek af om nader onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden van verdachte en zijn psychische en maatschappelijk/sociale situatie.

Met betrekking tot de detentieomstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte inmiddels ruim één jaar in het zeer zware detentieregime in de EBI verblijft. Door de verdediging is hier al meermalen op gewezen en deze stelling is ook onderbouwd met rapporten. Dat sprake is van een zeer zwaar detentieregime staat dan ook niet ter discussie.

Van belang is echter dat naar het oordeel van de rechtbank de penitentiaire regelgeving in beginsel voldoende mogelijkheden biedt om te klagen over de detentieomstandigheden. Uit het dossier blijkt dat de verdediging ook bekend is met die procedures. Dit betekent dat de strafrechter in beginsel niet de aangewezen rechter is om onderzoek te laten doen naar de omstandigheden waarin een verdachte in detentie verblijft.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de huidige detentieomstandigheden zodanig zwaar zijn dat daarmee sprake is van een schending van de artikelen 2 (recht op leven) en 3 (verbod van foltering) EVRM. Dat neemt niet weg dat het verblijf in de EBI zwaar is. Dat is ook een van de omstandigheden waar de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat naar gekeken heeft.

Met betrekking tot de psychosociale omstandigheden van verdachte stelt de rechtbank vast dat het dossier geen recente rapporten en verslagen bevat. Daarentegen bevat het dossier wel een groot aantal oudere rapporten en verslagen, de laatste uit 2011.

De wenselijkheid van een nieuwe rapportage is in een vroeg stadium door het Openbaar Ministerie en de rechtbank aan de orde gesteld. De rechtbank heeft vervolgens op de pro‑formazitting van 27 oktober 2017 vastgesteld dat op dit punt sprake is van een impasse. Verdachte wil meewerken aan een onderzoek, maar alleen als dat plaatsvindt vanuit het PBC. Aan een onderzoek vanuit de EBI wil verdachte niet meewerken, ook niet aan een milieurapportage. Het Openbaar Ministerie stelt dat het PBC pas aan de orde is, als dat op basis van een regulier onderzoek, in het geval van verdachte in de EBI, is aangewezen. Daarnaast is het PBC wat het Openbaar Ministerie betreft niet aan de orde, gelet op het voor verdachte vereiste beveiligingsniveau. Na het vaststellen van deze impasse is geen nieuw verzoek gericht aan de rechtbank om een persoonlijkheidsonderzoek, in welke vorm dan ook, te laten plaatsvinden.

Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank niet de noodzaak om alsnog opdracht te geven een onderzoek naar de persoon van verdachte te laten plaatsvinden en zal de rechtbank oordelen op basis van de informatie over de persoon van verdachte zoals die uit het dossier naar voren komt.

Strafmotivering

Bij het beantwoorden van de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd, kijkt de rechtbank naar de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van verdachte. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Na een lange en intensieve voorbereiding wordt op 5 november 2015 geprobeerd om [doelwit] te vermoorden. Met (semi-)automatische vuurwapens is een groot aantal kogels op [doelwit] afgevuurd, waardoor [doelwit] meerdere keren is geraakt. Het is daarbij een wonder dat [doelwit] de aanslag heeft overleefd. [doelwit] is zwaargewond overgebracht naar het ziekenhuis. Daar is hij geopereerd en daar zijn meerdere kogels uit zijn lichaam verwijderd. Vanzelfsprekend heeft deze aanslag een grote impact gehad op [doelwit] en zijn naasten.

De schietpartij is daarnaast ook voor de omwonenden een heftige gebeurtenis geweest. Midden op de dag is in hun woonwijk in het wilde weg geschoten. De kans dat daarbij meer slachtoffers hadden kunnen vallen is door de schutters kennelijk voor lief genomen. Dit meedogenloze en levensgevaarlijke handelen heeft gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen bij buurtbewoners en vele anderen in de samenleving.

Verdachte heeft de aanslag niet zelf uitgevoerd. In plaats daarvan heeft hij, veilig vanuit Ierland, het vijf personen tellende moordcommando aangestuurd. Uit de aansporende berichten die verdachte naar [naam 4] stuurde blijkt dat verdachte erop was gebrand zijn doel om [doelwit] om het leven te brengen te bereiken, waarbij het niet uitmaakte als dat op de openbare weg, mogelijk met gevaar voor anderen, zou gebeuren.

Verdachte heeft daarmee een zeer ernstig strafbaar feit gepleegd. Aan de ernst van het feit wordt alleen voldoende recht gedaan door het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Als uitgangspunt voor de rol die verdachte heeft gehad bij deze liquidatiepoging vindt de rechtbank een gevangenisstraf van zestien jaar passend en noodzakelijk.

Daarmee neemt de rechtbank een hoge straf als uitgangspunt. Dit uitgangspunt is niet ingegeven, zoals de verdediging stelt, door discriminatie of een groepsoorlog. Dit uitgangspunt is ingegeven door het feit dat verdachte in sturende zin betrokken is geweest bij een zeer weloverwogen keuze om iemand te proberen te vermoorden, waarbij in het geheel geen rekening is gehouden met mogelijke andere slachtoffers. De omstandigheid dat [doelwit] ondanks alles de aanslag heeft overleefd, maakt het meedogenloze handelen van verdachte ook niet minder ernstig.

De rechtbank ziet in het dossier nauwelijks aanwijzingen voor strafverlagende omstandigheden. De rechtbank ziet in het bijzonder geen aanleiding om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Weliswaar is in een ver verleden (in 2000) door deskundigen geadviseerd om verdachte voor de hem toen ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren, maar sindsdien is verdachte behandeld in het kader van een TBS-maatregel. Ten tijde van het beëindigen van die maatregel constateerde de rapporterend psychiater dat de jarenlange behandeling en structurering van verdachte vruchten had afgeworpen, in die zin dat de eerder bij hem vastgestelde persoonlijkheidsstoornis zich in een zeer milde versie presenteerde. Voor het standpunt van de verdediging dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd zijn verder geen aanknopingspunten aangedragen. Verdachte wordt dan ook volledig verantwoordelijk gehouden voor zijn handelen.

Wel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte al lang in een zeer zwaar detentieregime in de EBI verblijft.

Daar tegenover staan strafverzwarende omstandigheden. In de eerste plaats blijkt uit het strafblad van verdachte van 5 februari 2018 dat verdachte al meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Daarbij zijn verdachte in 2002 en 2004 lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en een TBS-maatregel opgelegd, die in 2012 is beëindigd. Die straffen en maatregel hebben verdachte er blijkbaar niet van weerhouden om opnieuw een ernstig strafbaar feit te plegen. Verdachte heeft verder op geen enkel moment verantwoording willen afleggen over zijn daden of inzicht willen geven in zijn persoonlijkheid.

Tot slot vindt de rechtbank het strafverzwarend dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding voor ongeveer 90.000 euro aan contant geld en luxe goederen voorhanden had die van misdrijf afkomstig zijn. Dat is in combinatie met de betrokkenheid bij een liquidatiepoging een sterke aanwijzing dat verdachte bewust kiest voor een leven in de (zware) georganiseerde criminaliteit. Alleen voor dit witwasfeit zou op basis van het oriëntatiepunt van het LOVS voor fraudezaken een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden het uitgangspunt zijn.

Alle hiervoor genoemde omstandigheden gezamenlijk maken dat de rechtbank de kans zeer groot acht dat verdachte, na het beëindigen van zijn detentie, zich opnieuw zal inlaten met (zware) criminaliteit. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk de samenleving langdurig tegen verdachte te beschermen.

Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van achttien jaren.

20 Beslag

20.1.

Het beslag

Onder verdachte zijn meerdere voorwerpen in beslag genomen, te weten:

  • -

    volgnummer 1: € 10.747,90 (feit 1)

  • -

    volgnummers 2-12: meerdere geldbedragen (feit 4)

  • -

    volgnummers 13-17: telefoons (feit 4)

  • -

    volgnummers 18-20: horloges (feit 4)

  • -

    volgnummer 27: iPad

20.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de volgnummers 1-20 verbeurd worden verklaard. De iPad is van verdachte en mag wat de officier van justitie betreft aan verdachte worden teruggegeven.

20.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot het beslag geen standpunt ingenomen.

20.4.

Het oordeel van de rechtbank

De voorwerpen 1, 2, 4, 10, 13, 14 en 17 tot en met 20 behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot die voorwerpen de feiten 1 en 4 zijn begaan, worden deze voorwerpen verbeurd verklaard.

Uit de inhoud van de iPad blijkt dat die ook aan verdachte toebehoort. Omdat dit voorwerp niet in relatie staat met een van de bewezen verklaarde feiten, wordt dit voorwerp aan verdachte teruggegeven.

Van de overige voorwerpen, die allemaal in het appartement in Ierland zijn aangetroffen, kan de rechtbank niet vaststellen dat die aan verdachte toebehoren. Die voorwerpen zullen bewaard moeten blijven om aan de rechthebbende terug te kunnen geven.

21 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 47, 57, 289 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

22 Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft onder verwijzing naar haar volledige pleidooi verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

Ten aanzien van feit 2 zijn geen ernstige bezwaren meer aanwezig. Verdachte wordt immers van dit feit vrijgesproken. De voorlopige hechtenis ten aanzien van dit feit wordt daarom opgeheven.

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 zijn nog wel ernstige bezwaren aanwezig. Verdachte wordt voor die feiten immers veroordeeld. Ook zijn de eerder aangenomen gronden nog aanwezig. Tot slot is de straf die aan verdachte wordt opgelegd, aanzienlijk hoger dan de tijd die verdachte tot nu toe in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Er is daarom geen reden om de voorlopige hechtenis van verdachte te beëindigen. Dit betekent dat het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.

23 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de feiten 1, 3 (primair) en 4 heeft begaan zoals hiervoor in hoofdstuk 16 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feiten 1 en 4

- witwassen, meermalen gepleegd;

Feit 3 (primair)

- medeplegen van poging tot moord.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

1. Geld Euro

202x50, 4x10, 1x5, 1x500, 2,90 euro half brief 100

2 Geld buitenlands

LO002.001 geld 300 GBP

4 Geld Euro

LO002.003 geld 2020,- euro

10 Geld Euro

LO002.009 geld 400,- euro

13 1.00 STK Zaktelefoon

SAMSUNG ZWART

FASSN80.IR.01 Samsung GSM zwart

14 1.00 STK Zaktelefoon

SAMSUNG RIJS

FASN80.IR.02 Samsung gsm grijs

17 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA GSM

FASSN80.IR.05 Nokia met wit/paars frontje

18 1.00 STK Horloge Kl: blauw/zwrt

ROLEX

LO002.029 Rolex horloge blauw/zwarte cijferplaat

19 1.00 STK Horloge Kl: goudkleur

ROLEX

LO031 Rolex horloge met goudkleurige cijferplaat

20 1.00 STK Horloge Kl: grijs

AUDEMARS PIQUET

LO002.031 Audemars horl. met grijze cijferplaat

Gelast de teruggave aan verdachte van:

27 1.00 STK Computer

IPAD LO002.022

LO002.022 (FASSN80.IR.06) in zwarte hoes

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

3 Geld Euro

LO002.002 geld 5840,- euro

5 Geld Euro

LO002.004 geld 4100,- euro

6 Geld Euro

LO002.005 geld 35,- euro

7 Geld Euro

LO002.006 geld 5,- euro

8 Geld Euro

LO002.007 geld 250,- euro

9 Geld Euro

LO002.008 geld 100,- euro

11 Geld Euro

LO002.010 geld 65,- euro

12 Geld Euro

LO002.011 geld 15,- euro

15 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA GSM

FASSN80.IR.03 Nokia gsm groen frontje

16 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA GSM

FASSN80.IR.04 Nokia gsm met zilverkl. frontje

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.P. Pompe, voorzitter,

mrs. J. Knol en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 april 2018.

1 De dossiers die horen bij de onderzoeken Tandem en Tandem II kennen een eigen paginanummering. Naar pagina’s in het onderzoek Tandem wordt verwezen zonder vermelding van de onderzoeksnaam. Naar pagina’s in het onderzoek Tandem II wordt verwezen met vermelding van Tandem II.

2 Hoge Raad 30 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

3 Hoge Raad 13 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2059).

4 Hoge Raad 29 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY0816).

5 Handvest van de grondrechtrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01).

6 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Privacyrichtlijn).

7 Verordening (EU) 2016/679 Van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming).

8 Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

9 Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Dataprotectieverdrag). Dit verdrag wordt ook wel het Verdrag van Straatsburg genoemd.

10 Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (Richtlijn gegevensbescherming en opsporing).

11 In het Landelijk Register van Gerechtelijk Deskundigen (www.lrgd.nl).

12 Hoge Raad 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2686).

13 Hoge Raad 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:592).

14 Hoge Raad 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:592), rechtsoverweging 3.4.

15 Hoge Raad 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. C01-130 (Tandem II).

17 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

18 Een geschrift, zijnde een ongedateerd proces-verbaal uitwerking OVC gesprek, p. 84 (Tandem II).

19 Proces-verbaal van observatie 4 november 2015, p. 78 (Tandem II).

20 Proces-verbaal, p. 706 (Tandem II).

21 Een geschrift, zijnde een ongedateerd proces-verbaal uitwerking OVC gesprek, p. 107 (Tandem II).

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 716-717 (Tandem II).

23 Proces-verbaal BlackBerry [naam 3] , p. 125 (Tandem II).

24 Proces-verbaal van voorgeleiding ten behoeve van de vordering inbewaringstelling, p. 9 (Tandem II).

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 128 (Tandem II).

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 130-139 (Tandem II).

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 166 (Tandem II).

28 Proces-verbaal van verhoor van getuigen door de rechter-commissaris, p. 71 (Tandem II).

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 143-145 (Tandem II).

30 Een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een door [politieagent] in de Engelse taal opgestelde verklaring (losbladig, gedateerd 14 april 2016).

31 Proces-verbaal van bevindingen Blackberries, zaaksdossier C01, p. 1013.

32 Proces-verbaal van bevindingen brieven, p. 354-356 (Tandem II).

33 Proces-verbaal BlackBerry [naam 3] , p. 124-125 (Tandem II).

34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 848-849 (Tandem II).

35 Een geschrift, zijnde een schriftelijke, door verdachte ondertekende verklaring (losbladig, gedateerd 7 maart 2018).

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 453-464 (Tandem II).

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 209-212 (Tandem II).

38 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 213-215 (Tandem II).

39 Proces-verbaal van bevindingen, p. 219-222 (Tandem II).

40 Proces-verbaal van bevindingen, p. 209-210 (Tandem II).

41 Een geschrift, zijnde een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 februari 2018 (losbladig).

42 Proces-verbaal BlackBerry [naam 3] , p. 188-189 (Tandem II).

43 Proces-verbaal van voorgeleiding ten behoeve van de vordering inbewaringstelling, p. 18 (Tandem II) en een Pro Justitia-rapportage van 31 januari 2011, opgemaakt door psychiater J.M.J.F. Offermans, Justitieel PD verdachte, volgnummer 29, p. 5 van 25.

44 Proces-verbaal BlackBerry [naam 3] , p. 190 (Tandem II).

45 Proces-verbaal BlackBerry [naam 4] , p. 198-199 (Tandem II).

46 Proces-verbaal BlackBerry [naam 4] , p. 201-203 (Tandem II).

47 Proces-verbaal, p. 704-705 (Tandem II) en een proces-verbaal van bevindingen, p. 734 (Tandem II).

48 Proces-verbaal BlackBerry [naam 4] , p. 204-206 (Tandem II).

49 Proces-verbaal BlackBerry [naam 3] , p. 187 (Tandem II).

50 Proces-verbaal BlackBerry [naam 3] , p. 188-190 (Tandem II).

51 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

52 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 50 (Tandem II) en een proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 51 (Tandem II).

53 Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming, zaaksdossier C01, p. 81 (Tandem II).

54 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, zaaksdossier C01, p. 104-105 (Tandem II).

55 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

56 Een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een door [politieagent] in de Engelse taal opgestelde verklaring (losbladig, gedateerd 14 april 2016).

57 Een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een door [verbalisant] in de Engelse taal opgestelde verklaring (losbladig, gedateerd 20 april 2016) en een proces-verbaal van voorgeleiding ten behoeve van de vordering inbewaringstelling, p. 32 (Tandem II).

58 Een geschrift, zijnde een schriftelijke, door verdachte ondertekende verklaring (losbladig, gedateerd (zo begrijpt de rechtbank) 12 maart 2018).

59 Proces-verbaal biologisch vooronderzoek, zaaksdossier C02, p. 143 (Tandem II) en een rapport DNA-onderzoek, zaaksdossier C02, p. 145-146 (Tandem II).

60 Proces-verbaal van bevindingen, met als bijlage een taxatierapport van Ouëndag & Silberman, zaaksdossier C02, p. 58-59 (Tandem II).

61 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, zaaksdossier C01, p. 104-105 (Tandem II).