Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2488

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
13/702842-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak diefstal in vereniging garagebox, vrijspraak voorhanden hebben 2 kg MDMA wegens gebrek in chain of evidence, een bewezenverklaring medeplegen diefstal uit garagebox en voorhanden hebben 1,55 gram cocaine

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/702842-17

Datum uitspraak: 9 april 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1971,

verblijfadres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 februari 2018 en 26 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.P. Staal en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.M. Beuwer, waarnemend voor mr. Helmers, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 5 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een of meerdere opslagruimtes

- twee kussens (merk: Hästens), en (een deel van) een vier seizoenen dekbed geheel of ten dele toebehorend aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- een rolkoffer, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- vier zakken, althans een of meerdere zakken, met daarin in totaal (ongeveer) 2 kilogram van een materiaal bevattende MDMA, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat garagebox(en) heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen beddengoed en/of rolkoffer en/of MDMA onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

en/of

hij op of omstreeks 5 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit opslagruimtes weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde opslagruimtes te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, zich naar voornoemd adres heeft begeven waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens)

- met een breekijzer, of met een daarop gelijkend voorwerp, de deur van opslagruimte [nummers 1] heeft/hebben opengebroken en/of

- met een breekijzer, of met een daarop gelijkend voorwerp, heeft/hebben getracht de deur van opslagruimte [nummers 2] open te breken;

2.

hij op of omstreeks 28 oktober 2017 te Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een of meer opslagruimtes (gelegen aan de [adres 2] ), een of meer onbekend gebleven goederen

geheel of ten dele toebehorend aan een of meerdere onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die opslagruimtes heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

en/of

hij op of omstreeks 28 oktober 2017 te Ede, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit opslagruimtes weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde opslagruimtes te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreken en/of inklimming, zich naar voornoemd adres heeft begeven waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) vervolgens

- tientallen opslagruimtes heeft/hebben opengebroken, dan wel gepoogd open te breken en/of

- ( ongeveer) drie, in elk geval een of meerdere, opslagruimtes heeft/hebben doorzocht;

3.

hij op of omstreeks 5 november 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( ongeveer) 3997 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- ( ongeveer) 1,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 5 november 2017 te Nieuwegein en/of Purmerend en/of een of meerdere plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere goederen, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat goed(eren) heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de diefstallen in vereniging door middel van braak en de pogingen daartoe, zoals ten laste gelegd onder 1. en 2., integraal bewezen kunnen worden verklaard. Hij komt hiertoe op grond van de aangiftes van onder meer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), de aangetroffen braakschade aan de boxen en de constatering dat de weggenomen goederen in de directe nabijheid van verdachte en zijn medeverdachte werden gezien. Verder is verdachte volgens de officier van justitie schuldig aan het medeplegen van het voorhanden hebben van 1,55 gram cocaïne en 3.997 gram MDMA. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de tas gevuld was met MDMA en dat de tas van ‘ [naam] ’ zou zijn geweest, acht de officier van justitie onaannemelijk en ongeloofwaardig. Het bezit van cocaïne heeft verdachte bovendien bekend. De officier van justitie is tot slot van mening dat verdachte van het onder 4. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Uit de schriftelijke pleitnotities en hetgeen zij in aanvulling daarop ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, volgt dat de raadsvrouw zich op het standpunt stelt dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1., 2. en 4. ten laste gelegde, en partieel van het onder 3. ten laste gelegde.

Uit het procesdossier volgt op geen enkele wijze dat verdachte en/of zijn medeverdachten de box van aangever [persoon 1] hebben opengebroken en daaruit spullen hebben gestolen. Ook van de diefstal van MDMA blijkt niets uit het procesdossier. Ten aanzien van de onder 1. tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde pogingen tot diefstal is er geen bewijs dat verdachte en zijn medeverdachten verantwoordelijk zijn voor de aan de boxen aangerichte schade. Bovendien staat niet vast dat de schade aan die boxen op 5 november 2017 is aangericht.

Ten aanzien van het onder 2. eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat nu aangever [persoon 2] drie maanden voorafgaand aan zijn aangifte niet bij zijn box is geweest, niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat zijn goederen op 28 oktober 2017 door verdachte en zijn medeverdachten zijn gestolen. Verder is niet duidelijk of de zwarte koffer waarmee één van de medeverdachten op de camerabeelden in de lift bij [opslagplaats] was te zien, de zwarte koffer van aangever is. Wat het onder 2. tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde betreft, staat de aard en/of ernst van de aangebrachte schade aan de boxen niet vast. Bovendien valt niet vast te stellen wanneer de boxen zijn opengebroken.

Ten aanzien van het bezit van cocaïne refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Het onder 3. ten laste gelegde voorhanden hebben van MDMA kan echter niet bewezen worden verklaard nu deze tas toebehoorde aan een ander dan aan verdachte. Subsidiair stelt de raadsvrouw dat er niet 3.997 gram cocaïne, maar 894 gram in beslag is genomen.

Tot slot is er voor de onder 4. ten laste gelegde diefstal met braak in vereniging geen bewijs dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.1. Het oordeel over het onder 1. eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Diefstal van vier zakken

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de diefstal van vier zakken (met volgens de tenlastelegging MDMA) die zijn aangetroffen in een gele tas. Op de camerabeelden is enkel te zien dat de derde onbekend gebleven persoon, volgens verdachte ‘ [naam] ’, met deze tas rondliep. Die tas is later door de medeverdachte uit de auto van verdachte gehaald. Niets duidt erop dat deze tas eerder in een box lag en dat verdachte of zijn medeverdachten deze tas hieruit hebben gestolen. De rechtbank kan niet vaststellen waar deze tas vandaan kwam, met als gevolg dat het wegnemen van de tas met de zich daarin bevindende zakken met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet kan worden bewezen.

Twee kussens en een vierseizoenen dekbed

Vast staat dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: medeverdachte) op 5 november 2017 in de opslagruimte van [opslagplaats] te Amsterdam waren. Dit is door verdachte niet betwist en bovendien zijn zij daar door de politie aangehouden. Volgens verdachte was ook ‘ [naam] ’ met hem meegereden omdat hij hem een box wilde laten zien. Verdere details over de persoon van ‘ [naam] ’ heeft verdachte niet gegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de twee kussens en een dekbed, zag liggen in de gang van de boxen. De spullen lagen volgens hem vijf meter bij hem vandaan toen hij door [persoon 1] werd aangesproken dat hij deze zou hebben gestolen. Uit de aangifte van [persoon 1] en zijn verklaring tegen verbalisanten ter plaatse, volgt in grote lijnen hetzelfde. [persoon 1] zag dat zijn kussens en dekbed niet meer in zijn box lagen, maar in een ander gangpad. Hij zag verdachte en zijn medeverdachte die op ongeveer drie meter afstand van zijn spullen stonden. [persoon 1] heeft geen andere personen gezien.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de kussens en het dekbed zijn gestolen uit de box van [persoon 1] . Nu deze spullen zijn aangetroffen vlakbij verdachte en medeverdachte en verder niemand aanwezig was, acht de rechtbank bewezen dat zij de goederen hebben gestolen. De verklaring van verdachte dat “ [naam] ” die spullen wellicht zou hebben gestolen zonder dat hij daarvan wetenschap had, acht de rechtbank zonder nadere uitleg van verdachte onaannemelijk.

Uit het procesdossier volgt bovendien dat verdachte met zijn medeverdachte en ‘ [naam] ’ vanuit Utrecht naar [opslagplaats] reed, zij samen in de directe nabijheid van de spullen van [persoon 1] zijn gezien, zijn medeverdachte (andere) spullen uit de auto van verdachte heeft gehaald en zij op het punt stonden samen te het terrein van [opslagplaats] te verlaten. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van medeplegen van de diefstal.

4.3.1.3. Braak en/of verbreking

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende vast komen te staan of er schade is ontstaan aan de deur van de box met nummer [nummer 1] die door [persoon 1] wordt gehuurd. [persoon 1] heeft tegenover de ter plaatse aanwezige verbalisanten verklaard dat hij geen schade aan zijn box zag. Dit wordt in zijn aangifte bevestigd. Dat hij, toen hij drie dagen later telefonisch werd gehoord, anders verklaarde doet daar niet aan af. Op dat moment had hij met een werknemer van [opslagplaats] gesproken, die hem had verteld dat er vermoedelijk iets in het cilinderslot van de box was gepoerd. Nu de schade aan de box onvoldoende vast is komen te staan, kan niet met zekerheid geconcludeerd worden dat verdachte en zijn medeverdachten de box door middel van braak of verbreking hebben geopend. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de ten laste gelegde braak dan wel verbreking.

4.3.2.

Vrijspraak van het onder 1. tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Zoals onder 4.3.1.3. door de rechtbank is overwogen, is de schade aan de box van [persoon 1] onvoldoende vast komen te staan. Datzelfde geldt voor de box met nummer [nummer 2] . Omtrent deze box is enkel geverbaliseerd dat er voor de box een zogenoemde torxschroef lag. Enige schade aan de deur is niet omschreven. Dit ligt wat de boxen met de nummers [nummers 2] betreft anders. Verbalisanten constateerden dat de stalen kozijnen van die boxen, ter hoogte van het schuifslot, verbogen waren. Uit het procesdossier volgt echter niet wanneer deze beschadigingen aan betreffende kozijnen zijn aangebracht. Hierdoor is niet onomstotelijk vast komen te staan dat de beschadigingen op 5 november 2017, door verdachte en/of zijn medeverdachten, zijn aangericht. Verdachte wordt hiervan dan ook vrijgesproken.

4.3.3.

Vrijspraak van het onder 2. eerste /cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Vast staat dat verdachte op 28 oktober 2017 in de opslagruimte van [opslagplaats] te Ede was. Op camerabeelden van [opslagplaats] is te zien dat verdachte daar rondliep, hetgeen door verdachte ter terechtzitting is bevestigd. Uit de aangifte van [persoon 2] volgt dat [persoon 2] op 2 september 2017 voor het laatst bij zijn box (met nummer [nummer 3] ) is geweest, dat toen alles in orde was en dat hij de box met een slot heeft afgesloten. Ongeveer drie maanden later, op 3 december 2017, toen hij wederom bij zijn box kwam, voelde [persoon 2] dat de sleutel moeilijk in het slot ging en zag hij dat er goederen uit zijn box waren weggenomen. Onder andere zijn instrumentenkoffer was gestolen.

[opslagplaats] heeft camerabeelden veilig gesteld van 28 oktober 2017. Op deze camerabeelden is te zien dat verdachte en zijn medeverdachten achteruit lopend de lift in komen en dat één van de medeverdachten een grote zwarte koffer bij zich draagt. [persoon 2] heeft schermafdrukken van camerabeelden bekeken en hij heeft verklaard dat hij daarop zijn zwarte instrumentenkoffer heeft herkend.

Naar het oordeel van de rechtbank is het tijdsverloop tussen 2 september 2017 en 3 december 2017 te groot om te kunnen constateren dat de spullen van [persoon 2] daadwerkelijk op 28 oktober 2017 zijn gestolen. Onduidelijk is welke schermafdrukken [persoon 2] heeft gezien en op welke schermafdruk zijn verklaring doelt. Indien ervan zou worden uitgegaan dat het om de hierboven genoemde schermafdruk gaat, acht de rechtbank zijn verklaring bovendien onvoldoende identificerend. Hij heeft namelijk geen specifieke details genoemd waaraan hij zijn koffer meende te herkennen.

Nu zich in het dossier geen andere aangiftes van diefstal uit de [opslagplaats] Ede bevinden, is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat verdachte en zijn medeverdachten zich op 28 oktober 2017 aan een diefstal hebben schuldig gemaakt. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 2. eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

4.3.4.

Vrijspraak van het onder 2. tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Op 28 oktober 2017 heeft aangeefster [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ), medewerker bij [opslagplaats] in Ede, een box verhuurd aan medeverdachte [medeverdachte 2] . Op 30 oktober 2017, twee dagen nadat verdachte en zijn medeverdachten bij [opslagplaats] in Ede zijn geweest, constateerde [persoon 3] dat 66 boxen waren gepoogd open te breken dan wel waren opengebroken. Bij in ieder geval een drietal boxen zou daadwerkelijk ingebroken zijn. [persoon 3] heeft niet aangegeven dat zij aan de box van [persoon 2] , met nummer [nummer 3] , schade constateerde. Evenmin heeft zij aangegeven wat voor schade zij aan de andere boxen aantrof.

Voorts staat vast dat verdachte op 28 oktober 2017 met de toegangscode van medeverdachte [medeverdachte 2] het terrein van [opslagplaats] binnenkwam. Uit het activity log, dat hoort bij die toegangscode, volgt dat die toegangscode ook is gebruikt op 29 oktober 2017 en 30 oktober 2017. Uit het procesdossier volgt niet dat verdachte op één van die twee dagen bij [opslagplaats] is geweest. Ten aanzien van deze bezoekregistraties op 29 oktober 2017 en 30 oktober 2017 ontbreekt verder ieder gegeven in het dossier.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan wat voor schade er aan de boxen zou zijn aangericht. Evenmin is komen vast te staan op welke dag de boxen zijn opengebroken dan wel zou zijn geprobeerd de boxen open te breken, en of het verdachte en zijn medeverdachten zijn geweest die op die dag bij [opslagplaats] zijn geweest. Hierdoor kan niet met de vereiste mate van zekerheid worden gesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachten zich hebben schuldig gemaakt aan (een poging tot) diefstal met braak op 28 oktober 2017. De rechtbank acht het onder 2. tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde daarom niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

4.3.5.

Het oordeel over het onder 3. ten laste gelegde

In de portemonnee van verdachte is op 5 november 2017, blijkens het proces-verbaal en het rapport van de het laboratorium, 1,55 gram cocaïne aangetroffen. Verdachte heeft bekend dat hij dit in zijn bezit had. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van 1,55 gram cocaïne.

Op diezelfde dag is een tas in beslag genomen met daarin vier zakken met een hoeveelheid van een materiaal. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagneming, beide gedateerd op 6 november 2017, is 849 gram in beslag genomen. Deze hoeveelheid zat verpakt in vier verschillende pakketten, met eigen goednummers, met een gewicht van respectievelijk 295, 157, 227 en 170 gram. In het proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2018 staat echter dat er 3.997 gram MDMA in beslag is genomen en is aangeleverd bij het laboratorium van de afdeling Forensische Opsporing. Het zou gaan om vier pakketten MDMA, met itemnummers die overeenstemmen met bovengenoemde goednummers, met een gewicht van respectievelijk 999, 1.000, 1.000 en 998 gram. Van dit onderzoek bevinden zich twee definitieve rapporten in het dossier, die elk betrekking hebben op twee van bovengenoemde itemnummers. Volgens het rapport van 18 december 2017 zijn er twee zakken onderzocht met een gewicht van ieder 1.00 kg en volgens het nagezonden rapport van 2 februari 2018, zijn er twee pakketten onderzocht met een gewicht van 999 gram en 998 gram MDMA.

Het verschil tussen 849 gram en 3.997 gram is een zeer aanzienlijk verschil. De officier van justitie heeft ter zitting desgevraagd geen verklaring voor dit verschil kunnen geven. De rechtbank constateert dat – ondanks de overeenkomende item/goednummers - aldus onduidelijk is of het door het laboratorium onderzochte materiaal hetzelfde is als het in beslaggenomen materiaal. Er is dus sprake van een gebrek in de ‘chain of evidence’. De rechtbank acht hierdoor niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte MDMA voorhanden heeft gehad. Verdachte dient van feit 3 dan ook partieel te worden vrijgesproken.

4.3.6.

Vrijspraak van het onder 4. ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat het onder 4. ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard en spreekt verdachte hiervan vrij.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1. eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

op 5 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een opslagruimte (gelegen aan de [adres 3] ) twee kussens (merk: Hästens), en (een deel van) een vier seizoenen dekbed toebehorend aan [persoon 1] ;

ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde:

op 5 november 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,55 gram, van een materiaal bevattende cocaïne.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Hij verzoekt daarbij het huidige reclasseringstoezicht te laten voortduren.

Daarnaast heeft de officier gevorderd aan verdachte een geldboete op te leggen ter hoogte van € 840,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zestien dagen. Dit betreft het geldbedrag waar zowel klassiek als conservatoir beslag op rust.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging uit een box bij [opslagplaats] in Amsterdam. Met de toegangscode van een ander heeft hij het afgesloten terrein betreden. Een opslagbox is een plek waar mensen (waardevolle) spullen in opslaan. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat hun spullen daar veilig liggen opgeborgen. Verdachte heeft met zijn handelen dit vertrouwen geschaad. Bovendien veroorzaken dergelijke feiten – naast materiële schade – ook andere hinder voor de gedupeerden. Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, wat de rechtbank hem kwalijk neemt. Uit een uittreksel justitiële documentatie van 22 februari 2018 van verdachte blijkt bovendien dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.

Verder had ook verdachte opzettelijk 1,55 gram cocaïne voorhanden. Cocaïne is schadelijk voor de gezondheid en vormt als zodanig een bedreiging voor de volksgezondheid. Het voorhanden hebben van verdovende middelen leidt ook tot allerlei vormen van criminaliteit, overlast en andere maatschappelijke problemen. Verdachte heeft met zijn handelen hier aan bijgedragen.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn neergelegd in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij oriëntatiepunten omtrent een inbraak in een bedrijfspand met recidive en voorts omtrent het aanwezig hebben van harddrugs.

Verder betrekt de rechtbank in haar oordeel dat uit contact met reclasseringswerker Shannon Toes volgt dat verdachte tijdens gesprekken met haar gemotiveerd overkomt en wil meewerken aan begeleiding. De rechtbank ziet echter, gezien de reeds ondergane voorlopige hechtenis, geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel te bepalen.

De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, nu zij zoals hierboven is uiteengezet minder bewezen verklaart.

De rechtbank acht gezien het voorgaande een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken een passende en geboden straf.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Nummer Voorwerp

2. 4 STK Verpakkingsmateriaal;

3. 1 STK Sealapparaat;

4. 1 STK Koffer, kl: zwart;

5. 1 STK Weegschaal;

6. 3 PAK Ondergoed;

7. 2 PR Schoenen kl: grijs;

8. 2 PAK Sok;

9. 1 STK Slot;

10. 1. STK Schroef;

11. 1. STK Kentekenbewijs Opel Corsa, 32jlrh.

Blijkens de Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) van 7 november 2017 is er onder verdachte eveneens € 840,00 in beslag genomen (goednummer PL1300-2017234410-5479967). De rechtbank stelt vast dat er klassiek beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering rust op dit geldbedrag. Tevens is ten aanzien van dit geldbedrag conservatoir beslag gelegd. De rechtbank zal het klassiek beslag opheffen, nu een strafvorderlijk belang daartoe thans ontbreekt, en de teruggave van deze voorwerpen aan verdachte gelasten. Dit laat het conservatoir beslag onverlet.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat de onder 2., 3., 4. en 5. 6., 7., 8. en 11. genoemde voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zoals genoemd onder 2., 3., 4. en 5., zoals door de officier is gevorderd, is niet aan de orde omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 36c of artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1. tweede cumulatief/alternatief, 2. en 4. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. eerste cumulatief/alternatief en 3. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

- diefstal door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde:

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 1 van de Opiumwet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van het geldbedrag van € 840,00, dat niet op de beslaglijst vermeld staat (goednummer PL1300-2017234410-5479967).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

  • -

    voorwerp 2, zijnde vier stuks verpakkingsmateriaal;

  • -

    voorwerp 3, zijnde een sealapparaat;

  • -

    voorwerp 4, zijnde een zwarte koffer;

  • -

    voorwerp 5, zijnde een weegschaal.

  • -

    voorwerp 6, zijnde drie pakken ondergoed;

  • -

    voorwerp 7, zijnde twee paar grijze schoenen;

  • -

    voorwerp 8, zijnde twee pakken sokken;

  • -

    voorwerp 11, zijnde een kenteken van een Opel Corsa, 32jlrh.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en P. Farahani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2018.