Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2483

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
13/701546-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking, medeplegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/701546-14 (Promis)

Datum uitspraak: 30 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 5 juli 2017 en 16 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A. Hendriks naar voren hebben gebracht.

Namens de benadeelde partij Madame Tussauds Amsterdam B.V is ter terechtzitting verschenen [persoon 1] en als gemachtigde/adviseur [persoon 2] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, die door [persoon 1] is toegelicht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 2 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (in elk geval 1668 euro en/of 1470,50 euro), in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Madame Tussaud, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren)/geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als kassamedewerker en/of kaartencontroleur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor medeplegen van een verduistering in dienstbetrekking, zoals ten laste gelegd. Zij komt hiertoe op grond van de aangifte van Madame Tussauds Amsterdam B.V. (hierna: Madame Tussauds), de getuigenverklaringen, de onderzochte camerabeelden, de analyse van de kassadiensten en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte. In haar op schrift gestelde requisitoir, heeft zij hiertoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Uit de schriftelijke pleitnotities en hetgeen zij in aanvulling daarop ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, volgt dat de raadsvrouw zich primair op het standpunt stelt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De camerabeelden van kassa 1, alwaar verdachte zich als kassamedewerker schuldig zou hebben gemaakt aan de verduistering, zijn door verbalisanten op meerdere momenten bekeken en telkens verschillend geïnterpreteerd. Op grond van deze camerabeelden, en de onduidelijkheden daarover, valt niet te concluderen dat verdachte enig geldbedrag heeft verduisterd. Aangever heeft de kassaregistraties in een ‘werkbestand’ verstrekt. Daardoor valt niet uit te sluiten dat deze kassaregistraties voorafgaand aan verzending aan de politie zijn bewerkt. Op de camerabeelden zijn voorts geen wegnemingshandelingen te zien, hetgeen wordt ondersteund door verschillende getuigen die bevestigd hebben dat zij verdachte geen geldbedragen hebben zien wegnemen. Bovendien was verdachte niet in het bezit van een sleutel om de kassa te openen.

Verdachte heeft bewust kassaoverschotten gecreëerd. Met deze overschotten kon hij aan andere bezoekers kortingen verstrekken, waardoor meer bezoekers Madame Tussauds bezochten en er dus meer targets werden gehaald. Dit alternatief geschetste scenario is volgens de raadsvrouw voldoende aannemelijk geworden. Dat dit scenario niet op alle onderdelen onderbouwd kan worden, komt doordat er van kassa 2 en 3, waarachter verdachte ook heeft gewerkt, geen camerabeelden zijn verstrekt en deze beelden inmiddels zijn overschreven. Zodoende is niet (meer) na te gaan of de gecreëerde overschotten door verdachte op kassa 2 en 3 zijn teruggebracht naar nihil.

Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken. Er zou geen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] (hierna: medeverdachte). Dit leidt ertoe dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in vereniging plegen van verduistering en van het verduisteren van een geldbedrag op 2 maart 2014. Op die dag werkte immers niet verdachte, maar zijn medeverdachte als kassamedewerker.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Kassaoverschot

Vast staat dat verdachte op 1 maart 2014 bewust een kassaoverschot creëerde toen hij als kassamedewerker dienst deed bij Madame Tussauds. Ditzelfde geldt voor zijn medeverdachte op 2 maart 2014. Hierover bestaat geen discussie nu dit volgt uit de verklaring van verdachte bij de politie (wat hij ter terechtzitting bevestigd heeft). Dit volgt ook uit de camerabeelden in combinatie met de kassaregistraties. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 63 transacties verrichtte, waarmee hij een overschot van € 2.577,00 aan contant geld in de kassalade creëerde. Bij 37 (van de genoemde 63) transacties registreerde hij niets in de kassa en bij 26 (van de 63) transacties registreerde verdachte alleen de verkoop van één of meerdere gids(en) of plattegrond(en). Dit terwijl bij alle 63 transacties door één of meerdere bezoeker(s) contant voor de entreeticket(s) werd betaald. De biljetten die hij bij die transacties ontving, plaatste hij, in tegenstelling tot wat hij bij de andere transacties deed, in een vak linksachter in de kassalade. Zijn medeverdachte creëerde op 2 maart 2014, op soortgelijke wijze, een overschot van € 3.331,50 in de kassa.

3.3.2.

Het alternatief door verdachte geschetste scenario

Verdachte is na zijn aanhouding en inverzekeringstelling op 15 maart 2014 direct verhoord. Tijdens dit verhoor heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Op 18 maart 2014, 20 maart 2014 en 5 mei 2014 is verdachte ook verhoord. In geen van voornoemde verhoren heeft verdachte enige uitleg gegeven over het door hem gecreëerde kassaoverschot. Pas op 26 oktober 2015, ruim anderhalf jaar na zijn aanhouding, verklaarde verdachte dat hij bewust een overschot creëerde in de kassa. Dit overschot zou hij echter naar eigen zeggen niet hebben verduisterd, maar hebben gebruikt ten gunste van zijn werkgever, Madame Tussauds. De werkdruk was hoog en er moesten constant targets worden behaald. De toenmalige directeur, [persoon 3] , wilde hogere bezoekersaantallen en van hem kregen verdachte en zijn collega’s de opdracht dit te bewerkstelligen. Zij mochten hierin creatief zijn, aldus verdachte. Zodoende creëerde hij een overschot in de kassa zodat hij daarmee bezoekers die hun kortingsbonnen waren vergeten, of de entreeprijs te duur vonden, een korting kon geven. Op deze manier haalde verdachte hogere bezoekersaantallen, konden (meer) targets worden behaald en werd het gecreëerde overschot teruggebracht naar nihil.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dit scenario van verdachte aannemelijk is geworden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Nog daargelaten het feit dat getuige [persoon 3] weerspreekt dat hij met verdachte en zijn medeverdachte over het behalen van verkooptargets heeft gesproken, baseert de rechtbank zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2015 betreffende de volledige analyse van de camerabeelden en kassaregistratie van 1 en 2 maart 2014. Van iedere transactie die verdachte op 1 maart 2014 verrichtte is vastgesteld hoeveel bezoekers het museum binnengingen, wat verdachte van de transactie registreerde in de kassa, welk contant geldbedrag de bezoekers aan verdachte betaalden en welk bedrag verdachte hen als wisselgeld teruggaf. Verdachte creëerde, zoals reeds onder 4.3.1. beschreven, een overschot van € 2.577,00 in de kassa. Door verbalisant zijn slechts tweetransacties gezien waarmee het genoemde overschot werd verminderd. Bij één transactie betaalde verdachte drie plattegronden ter waarde van € 3,- en bij een andere transactie twee gidsen ter waarde van € 4,50 vanuit het gecreëerde overschot. Hierdoor werd het overschot verminderd met € 18,00 naar een bedrag van € 2.559,00. In tegenstelling tot wat verdachte heeft verklaard, hebben er verder geen transacties plaatsgevonden waardoor het door hem gecreëerde overschot aan contant geld verminderde. Dat er geen camerabeelden van kassa 2 en 3 zijn bekeken, doet daar niet aan af. Verdachte heeft immers niet verklaard dat hij betreffend overschot daar zou hebben weggewerkt. Voornoemd (nader) verricht onderzoek biedt niet enkel geen steun voor de verklaring van verdachte, het weerspreekt zijn verklaring dus zelfs. De rechtbank acht die verklaring, en daarmee het door verdachte alternatief geschetste scenario, op grond van deze feitelijke vaststelling, ongeloofwaardig en onaannemelijk.

3.3.3.

Verduistering in dienstbetrekking

De procedure na afloop van een dienst als kassamedewerker verloopt bij Madame Tussauds als volgt. De kassamedewerker brengt met behulp van de lift zijn kassalade naar de zesde verdieping, alwaar zich de afdeling finance bevindt. Hier wordt de kassalade ingeleverd en wordt, samen met een financieel administratief medewerker, wordt de kassalade opengemaakt en wordt de inhoud van de kassalade geteld. Zowel de kassamedewerker als de financieel administratief medewerker moeten na afloop voor akkoord tekenen. Voornoemde werkwijze is ook op 1 en 2 maart 2014 gehanteerd. Uit de administratie van Madame Tussauds volgt dat er op zowel 1 maart 2014 bij verdachte als op 2 maart 2014 bij zijn medeverdachte, geen noemenswaardige, significante kassaverschillen geconstateerd zijn. Dit wordt door verdachte niet betwist. Van het door verdachte gedurende zijn werkdag opzettelijk gecreëerde overschot was aldus bij inlevering en telling van zijn kassalade niets meer over. De vraag is waar het overschot is gebleven? Het overschot is in de kassalade van verdachte gecreëerd en hij heeft deze kassalade zelf naar de afdeling finance op de zesde verdieping gebracht. Nu de rechtbank onder 4.3.2. heeft geconcludeerd dat verdachte het overschot niet op de door hem uitgelegde wijze heeft weggewerkt en het overschot bij inlevering van de kassalade was verdwenen, concludeert de rechtbank dat verdachte zich dit overschot op enig moment vóór inlevering van de kassalade wederrechtelijk heeft toegeëigend. Dat de rechtbank niet kan vaststellen op welk moment en op welke wijze verdachte dit precies heeft gedaan, doet aan die conclusie niet af. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een verduistering in dienstbetrekking.

3.3.4.

Medeplegen

De volgende vraag die aan de rechtbank voorligt, is of verdachte deze verduistering tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte heeft gepleegd. Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het voltooien van het delict. Bij de vorming van haar oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Volgens de processen-verbaal van bevindingen van uitkijken van de camerabeelden had verdachte op 1 maart 2014 dienst als kassamedewerker. Tijdens die dienst stond zijn medeverdachte bij het toegangslint, de kaartcontrole, naast de kassa. Op 2 maart 2014 was het omgedraaide het geval: verdachte werkte bij het toegangslint, de kaartcontrole, en zijn medeverdachte zat achter de kassa.

De rechtbank constateert dat de medeverdachte op 2 maart 2014 nagenoeg dezelfde handelswijze als verdachte hanteerde. Ook hij creëerde een kassaoverschot, werkte dit overschot blijkens de camerabeelden niet weg en bracht zelf zijn eigen kassalade naar de afdeling finance, alwaar van het door hem gecreëerde overschot niets over bleek te zijn.

Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat volgens het protocol bij Madame Tussauds een bezoeker bij binnenkomst betaalt aan de kassa en daarna een ticket en een kassabon meekrijgt. Het ticket dient als toegangsbewijs en de kassabon, dat absoluut geen toegangsbewijs is, als factuur voor de eigen administratie. Het toegangsticket wordt vervolgens door de bezoeker aan de controleur bij de kaartcontrole gegeven, waarna de bezoeker toegang krijgt tot Madame Tussauds.

Blijkens de camerabeelden hebben verdachte en zijn medeverdachte zich niet aan voornoemd protocol gehouden. Bij meerdere transacties werd door degene die achter de kassa zat niet het toegangsticket aan de bezoeker overhandigd, maar de kassabon. Door bezoekers niet aan te slaan in de kassa, of in plaats van het toegangsbewijs ofwel de kassabon ofwel bijvoorbeeld een gids te overhandigen, werden eerder genoemde overschotten gecreëerd. De ander, die als kaartcontroleur dienst deed, liet de bezoeker met de betreffende kassabon naar binnen, wetende dat deze volgens het protocol van Madame Tussauds niet als toegangsbewijs gold. Op deze manier werkten verdachte en medeverdachte samen: de kassamedewerker was immers afhankelijk van de kaartcontroleur wanneer hij mensen zonder geldig toegangsbewijs binnen wilde laten. Verdachte en medeverdachte weken aldus tezamen van het protocol af, op zowel 1 als 2 maart 2014. Dat zij op de hoogte waren van elkaars, naar het oordeel van de rechtbank, fraudeleuze, werkwijze als kassamedewerker volgt ook uit de bevestigende verklaring van verdachte hierover ter terechtzitting en uit de verklaring van de medeverdachte bij de politie.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

3.3.5.

Conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het in vereniging met een ander plegen van verduistering in dienstbetrekking op 1 en 2 maart 2014.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 1 maart 2014 en 2 maart 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geldbedragen die toebehoorden aan Madame Tussauds Amsterdam B.V., en welke geldbedragen verdachte en zijn mededader uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking als kassamedewerker en/of kaartencontroleur, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een taakstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden acht. Gelet echter op de overschrijding van de redelijke termijn, heeft zij bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf ter hoogte van 60 uren, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor zover haar standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken niet wordt gevolgd, bepleit dat er rekening gehouden dient te worden met een overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft zij de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft geen justitiële documentatie, is onder behandeling van een psycholoog en psychiater, slikt antidepressiva en heeft een (nieuwe) fulltime baan. Zij heeft de rechtbank verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, dan wel een straf gelijk aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Op 1 en 2 maart 2014 heeft verdachte zich, samen met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte en zijn medeverdachte gingen geraffineerd te werk en konden als kassamedewerker en kaartcontroleurin relatief korte tijdsbestekken, grote geldbedragen verduisteren. De rechtbank betrekt in haar oordeel niet enkel het verduisterde bedrag, maar houdt ook rekening met het aantal transacties waarbij geldbedragen verduisterd zijn. Bij maar liefst 63 transacties op 1 maart 2014 en 58 transacties op 2 maart 2014 hielden verdachte en zijn medeverdachte zich niet aan het protocol van Madame Tussauds. Uit deze aantallen volgt hoe weloverwogen zij bezig waren met het achterover drukken van kassagelden. In dienstverband moeten werkgever en werknemer, over en weer, vol vertrouwen in elkaar kunnen hebben. Verdachte heeft in ernstige mate misbruik gemaakt van zijn positie en in het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen. Dat verdachte de positie van dutymanager bekleedde, waardoor hij meer verantwoordelijkheden dan de gemiddelde kassamedewerker droeg, maakt dit misbruik nog erger. Bovendien is ook het vertrouwen van bezoekers in Madame Tussauds geschaad. Zij gaan er immers vanuit dat hun entreegeld niet direct in de zakken van werknemers verdwijnt. Kortom: de rechtbank vindt dat er sprake is van een ernstig feit en rekent dit verdachte aan.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf geldt in het nadeel van verdachte dat er sprake is van medeplegen. Anderzijds houdt de rechtbank wel rekening met het feit dat zijn strafbare handelingen reeds tot gevolg hebben gehad dat verdachte ontslagen door zijn werkgever.

Daarnaast is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 15 maart 2014 in verzekering gesteld en is op 20 maart 2014 heengezonden. Pas op 26 oktober 2015 heeft verdachte een inhoudelijke verklaring afgelegd, welke noopte tot nader onderzoek. Dit nadere onderzoek, bestaande uit een nadere analyse van de camerabeelden en het horen van getuigen door de politie en de rechter-commissaris, was in december 2016 afgerond. Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn dus deels aan verdachte is te wijten, heeft het vervolgens nog geruime tijd en naar het oordeel van de rechtbank onnodig lang geduurd voordat de zaak op zitting is aangebracht voor een inhoudelijke behandeling. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een termijnoverschrijding van één jaar.

Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis, binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Het eindvonnis in de onderhavige zaak wordt nu op 30 maart 2018 gewezen. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn met één jaar is overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Zou deze zaak binnen redelijke termijn zijn behandeld dan zou, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren passend zijn geweest.

De rechtbank is gelet op de duur van de overschrijding van de redelijke termijn en het daarbij behorende uitgangspunt van de Hoge Raad, van oordeel dat een strafvermindering van 10% gepast is. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank een taakstraf van 90 uren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel te bepalen, nu het feit zich meer dan vier jaren geleden heeft afgespeeld en verdachte, zoals blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 februari 2018, vóór dit feit noch nadien met politie en justitie in aanraking is gekomen.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij

8.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij Madame Tussauds Amsterdam B.V. vordert € 400.000,00 tot € 750.000,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Uit de vordering van de benadeelde partij volgt dat de verzekering een bedrag van € 554.790,00 heeft vergoed.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering thans onduidelijk is onderbouwd. Wel staat vast dat Madame Tussads Amsterdam enige schade heeft geleden, maar niet vast is komen te staan welk bedrag precies wordt gevorderd en niet voldoende duidelijk is geworden of de benadeelde partij een bedrag aan de verzekering dient terug te betalen. Het nu toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.

8.2.

Veroordeling in de proceskosten

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, gelet op haar verzoek de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de proceskosten. Verdachte kan niet procederen op basis van een toevoeging en maakt hierdoor kosten voor rechtsbijstand, waaronder kosten voor het voeren van het verweer tegen de vordering van de benadeelde partij. Zij verzoekt een bedrag van € 2.580,00, conform het liquidatietarief, per punt toe te wijzen.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw af en overweegt daartoe als volgt. Wanneer om inhoudelijke redenen een vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, ligt het voor de hand de benadeelde partij in de kosten te veroordelen. Bijvoorbeeld in geval van een vrijspraak, of indien er geen sprake is van rechtstreekse schade. Wanneer daarentegen om proceseconomische redenen een niet-ontvankelijkheid volgt, zoals in deze zaak waarin de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, zal dit eerder aanleiding zijn de kosten te compenseren.1. Dit betekent dat de rechtbank de kosten tussen partijen, te weten verdachte en de benadeelde partij, zal compenseren.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

- Medeplegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 90 (negentig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 45 (vijfenveertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Verklaart Madame Tussauds Amsterdam B.V. niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Compenseert de kosten die de benadeelde partij en verdachte hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken tussen hen, zodanig, dat elk van hen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2018.

[...]

1. J. Candido e.a., Slachtoffer in de rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, LOVS, 2017, p. 176. Vgl. de conclusie van A-G Jörg voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM9405.