Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2437

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6819
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening AOW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[naam eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Portegies),

en

de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz).

Procesverloop

Met het besluit van 5 mei 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) herzien over de periode van mei 2014 tot en met april 2017 van een AOW-pensioen voor iemand die gehuwd is naar een AOW-pensioen voor een alleenstaande.

Met het besluit van 30 juni 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder een bedrag van € 10.726,88 teruggevorderd en eiser een boete opgelegd van € 2.795,69, omdat eiser de wijziging in zijn leefsituatie niet binnen 4 weken aan verweerder heeft doorgegeven.

Bij besluit van 17 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit I van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II gegrond verklaard en het boetebedrag vastgesteld op € 2.661,44.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mevrouw I. Bensmail, tolk in de Marokkaanse/Arabische taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser ontving een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde en een toeslag op deze uitkering, omdat zijn (toenmalige) echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt.

2. Eiser is op 24 april 2014 gescheiden van zijn echtgenote.

3. Naar aanleiding van een anonieme tip van 30 november 2015 dat eiser vanaf de echtscheiding in Marokko woont, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan eiser verstrekte AOW-pensioen. Op 26 april 2017 heeft tussen verweerder en eiser een gesprek plaatsgevonden over de woon- en leefsituatie van eiser. Tijdens dit gesprek heeft eiser (onder andere) verklaard dat hij niet meer in Nederland woont, maar dat hij vanaf de scheiding bij familieleden in Marokko woont. Verder heeft eiser verklaard dat hij grond bezit in Marokko en dat hij daar een auto heeft, zo blijkt ook uit het op diezelfde datum ingevulde vragenformulier.

Standpunten van partijen

4. In het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder het aan eiser verstrekte AOW-pensioen vanaf 1 mei 2014 herzien. In plaats van een uitkering voor gehuwden heeft eiser volgens verweerder vanaf mei 2014 recht op een uitkering voor een alleenstaande. Daarnaast heeft verweerder de toeslag op eisers AOW-pensioen vanaf 1 mei 2014 ingetrokken en het te veel betaalde bedrag aan AOW-pensioen en toeslag teruggevorderd, omdat eiser volgens verweerder sinds die datum geen recht meer heeft op de toeslag voor zijn (ex-)partner.

5. Eiser vindt dat zijn uitkering onterecht is herzien. Eiser stelt dat zijn leefsituatie niet is gewijzigd. Ondanks het feit dat eiser en zijn echtgenote van elkaar zijn gescheiden, woont hij samen met zijn voormalig echtgenote en staan zij ook beide ingeschreven op hetzelfde adres, namelijk [adres] in Amsterdam. Eiser stelt verder dat hij de medewerkster van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), die voor hem tijdens het gesprek met verweerder op 26 april 2017 heeft getolkt, niet kon verstaan. De eerder door hem afgelegde verklaring, zoals neergelegd in het ‘Vragenformulier AOW’ van 26 april 2017, klopt dan ook niet. Het bestreden besluit waarbij eisers AOW-uitkering en de toeslag is herzien en teruggevorderd en waarbij aan hem een boete is opgelegd, kunnen dan ook niet in stand blijven volgens eiser.

Wat vindt de rechtbank?

Herziening en terugvordering van het AOW-pensioen

6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder terecht het AOW-pensioen van eiser heeft gewijzigd naar de norm van een alleenstaande. Daarvoor is van belang dat de AOW twee categorieën pensioengerechtigden kent: de gehuwde en de ongehuwde. Niet in geschil is dat eiser vanaf mei 2014 gescheiden en dus ongehuwd was. Eveneens is voor de beoordeling van belang dat een ongehuwde die met een meerderjarige een gemeenschappelijke huishouding voert voor de AOW gelijkgesteld wordt met een gehuwde.1 De rechtbank moet daarom beoordelen of eiser in de periode waar het hier om gaat een gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn voormalige echtgenote.

7. Van een ‘gezamenlijke huishouding’ is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en voor elkaar zorgen. Volgens vaste jurisprudentie2 kan wederzijdse zorg blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien.

8. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat eiser in de periode waar het hier om gaat, geen gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn voormalig echtgenote. Daarbij is met name de door eiser ondertekende verklaring van belang dat hij vanaf de echtscheiding in Marokko woont. Hoewel eiser nog staat ingeschreven op het adres van zijn voormalig echtgenote, doet dit niet af aan de feitelijke situatie die volgt uit de ondertekende verklaring. Uit deze verklaring blijkt namelijk dat eiser en zijn voormalig echtgenote vanaf de echtscheiding hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning.

9. Het betoog van eiser dat deze verklaring niet klopt en verweerder zich hier niet op mag baseren, slaagt niet. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep3 mag ook indien later op een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist zonder voorbehoud afgelegde en ondertekende verklaring en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Er bestaat geen aanleiding hiervan in dit geval af te wijken. Daarbij is van belang dat eiser tijdens het gesprek met verweerder op geen enkel moment heeft aangegeven dat hij de medewerkster van de Svb niet begreep en dat uit de verklaring van deze medewerkster juist blijkt dat zij elkaar goed konden verstaan. Bovendien heeft eiser op de zitting verklaard dat hij enkele vragen van de medewerkster wél heeft verstaan. Als eiser de medewerkster niet (goed) kon verstaan en hij daarom geen deugdelijk antwoord kon geven op de gestelde vragen, had eiser dit tijdens het gesprek op het Svb-kantoor kunnen en moeten aangeven. Nu eiser dit niet heeft gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding eiser in dit standpunt te volgen.

10. Gelet op het voorgaande is van een gezamenlijke huishouding geen sprake. Dat betekent dat eiser recht had op een pensioen voor een alleenstaande en niet voor een gehuwde. Hij had daarmee ook geen recht op een toeslag. Verweerder heeft daarom het AOW-pensioen van eiser terecht herzien naar de norm van een alleenstaande en de toeslag op eisers AOW-pensioen vanaf 1 mei 2014 ingetrokken. Uit de wet volgt dat verweerder verplicht was het te veel betaalde bedrag aan AOW-pensioen en toeslag terug te vorderen, tenzij sprake is van dringende redenen om hiervan af te zien. Omdat van het bestaan van dringende redenen niet is gebleken, heeft verweerder het bedrag van € 10.726,88 terecht van eiser teruggevorderd.

11. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook als niet was uitgegaan van de juistheid van de door eiser eerder afgelegde verklaring, dat het AOW-pensioen van eiser in dat geval nog steeds terecht is herzien. Immers kan met wat eiser heeft aangevoerd niet worden geconcludeerd dat aan het vereiste van wederzijdse zorg is voldaan. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij alleen voor zichzelf de dagelijkse boodschappen doet en dat hij alleen voor zichzelf kookt. Verder heeft eiser verklaard dat hij en zijn voormalig echtgenote apart naar Marokko gaan en dat zij dan ook bij haar eigen familie verblijft. Dat eiser alle woonlasten en de daarmee samenhangende vaste lasten voldoet, duidt onvoldoende op een financiële verstrengeling.

De opgelegde boete

12. Eiser vindt dat zijn situatie niet is gewijzigd, waardoor hij ook geen verandering in zijn situatie moest melden. Daarom is de boete volgens eiser ten onrechte aan hem opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit overweging 9, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet van de juistheid van voornoemde verklaring uit te gaan. Eiser heeft niet aan verweerder gemeld dat hij op 24 april 2014 is gescheiden en dat hij vanaf dit moment in Marokko woont. Dit betekent dat eiser zijn wettelijke informatieplicht heeft geschonden. Verweerder was dan ook verplicht om aan eiser een boete op te leggen.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Boerlage, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Met uitzondering van een bloedverwant in de eerste graad.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1880.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:BV2512.