Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2433

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5090
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amstelveenpas / buitenwettelijk begunstigend beleid / overschrijding vermogensgrens / spaargeld mocht tot het vermogen worden gerekend / aanvraag conform het beleid afgewezen / beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/5090

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. S.L. Soedamah),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder

(gemachtigde: N. Lindeman).

Procesverloop

Met het besluit van 3 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een Amstelveenpas afgewezen. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding van dit beroep heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en besluitvorming verweerder

1. Eiseres is woonachtig in Amstelveen, is alleenstaand en staat onder curatele. Op 10 maart 2017 heeft zij een aanvraag om een Amstelveenpas (hierna: de aanvraag) bij verweerder ingediend. De Amstelveenpas is een kortingspas voor allerlei culturele en sociale activiteiten in Aalsmeer en Amstelveen.

2. Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Amstelveenpas. Eiseres voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarde dat het vermogen van de aanvrager niet meer mag bedragen dan de in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet (PW) neergelegde vermogensgrenzen. Het vermogen van eiseres is in april 2017 vastgesteld op € 7.694,38, waarmee haar vermogen de voor haar geldende vermogensgrens (€ 5.940,-) overschrijdt met een bedrag van € 1.754,38.

Wettelijk kader

3.1.

Niet in geschil is dat de aanvraag dient te worden getoetst aan artikel 22, eerste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand en Amstelveenpas gemeente Amstelveen (hierna: de Beleidsregels). In dit artikellid is onder meer bepaald dat om in aanmerking te komen voor een Amstelveenpas, er sprake moet zijn van een belanghebbende met een minimuminkomen en een bescheiden vermogen. Volgens artikel 1, aanhef en onder g, van de Beleidsregels wordt onder een bescheiden vermogen verstaan: een vermogen van maximaal de in artikel 34, derde lid, van de PW genoemde bedragen.

3.2.

In artikel 34, derde lid, van de PW, zoals dit artikellid luidde ten tijde van de aanvraag, waren de volgende genoemde bedragen opgenomen: € 5.940,- voor een alleenstaande, € 11.880,- voor een alleenstaande ouder en € 11.880,- voor gehuwden tezamen.

Beroepsgronden eiseres

4. Eiseres voert aan dat zij wel in aanmerking behoort te komen voor een Amstelveenpas. Primair voert zij hiertoe aan dat haar vermogen bestaat uit spaargelden die zij heeft opgebouwd gedurende haar bijstandsperiode en dat deze spaargelden niet als vermogen in aanmerking worden genomen op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW. Subsidiair voert zij hiertoe aan dat haar vermogen in elk geval onder de voor haar geldende vermogensgrens zal komen, indien zij geen recht blijkt te hebben op bijzondere bijstand voor de kosten van het curatorschap.1

Oordeel rechtbank

5.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat het beleid ten aanzien van de toekenning van een Amstelveenpas, zoals neergelegd in artikel 22, eerste lid, van de Beleidsregels, gekwalificeerd dient te worden als buitenwettelijk beleid. Dit omdat de PW noch enige andere wet een grondslag biedt voor het verstrekken van een kortingspas voor allerlei culturele en sociale activiteiten. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep2 dient een buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

5.2.1.

De rechtbank stelt voorts vast dat de voor eiseres ten tijde van de aanvraag geldende vermogensgrens € 5.940,- bedroeg en dat verweerder het vermogen van eiseres bij de toetsing van de aanvraag (lees: in april 2017) heeft vastgesteld op € 7.694,38. Gelet hierop overschrijdt het vermogen van eiseres de voor haar geldende vermogensgrens (€ 5.940,-) met een bedrag van € 1.754,38. Eiseres heeft echter aangevoerd dat op dit bedrag van € 7.694,38 bij de voor de toetsing van de aanvraag benodigde vermogensvaststelling een aantal bedragen in mindering moeten worden gebracht.

5.2.2.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat spaargelden die zij heeft opgebouwd tijdens haar bijstandsperiode, door verweerder niet mochten worden meegenomen bij de benodigde vermogensvaststelling. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Verweerder sluit voor de vermogensgrens om in aanmerking te kunnen komen voor een Amstelveenpas in artikel 22, eerste lid, van de Beleidsregels weliswaar aan bij artikel 34, derde lid, van de PW, maar dit betekent niet dat artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW ook van toepassing is. Uit de artikel 22, eerste lid, van de Beleidsregels, in samenhang gelezen met artikel 1, aanhef en onder g, van de Beleidsregels, blijkt duidelijk dat voor de toetsing van een aanvraag om een Amstelveenpas enkel is aangesloten bij de in artikel 34, derde lid, van de PW neergelegde bedragen. Gelet hierop heeft verweerder voor de toetsing van de aanvraag de door eiseres gestelde spaargelden voor de benodigde vermogensvaststelling terecht als vermogen aangemerkt.

5.2.3.

De stelling van eiseres dat haar vermogen in elk geval onder de voor haar geldende vermogensgrens komt te zitten, indien zij geen recht blijkt te hebben op bijzondere bijstand voor de kosten van het curatorschap, maakt – wat daar ook van zij – niet dat verweerder eiseres op grond van de Beleidsregels een Amstelveenpas had moeten toekennen. Er is namelijk niet gebleken dat deze kosten voor het curatorschap reeds door eiseres zijn betaald. Om die reden behoeven deze kosten niet (al) in mindering te worden gebracht op het vermogen van eiseres, zoals verweerder dat bij de toetsing van de aanvraag heeft vastgesteld. Zodra eiseres daadwerkelijk de betreffende kosten voor het curatorschap heeft betaald, kan hiermee rekening worden gehouden bij de vermogensvaststelling in het kader van een mogelijk toekomstige aanvraag van eiseres om een Amstelveenpas.

5.3.

Nu gelet op het bovenstaande niet gebleken is dat het vermogen van eiseres bij de toetsing van de aanvraag door verweerder lager vastgesteld had moeten worden dan € 7.694,38, heeft verweerder de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank conform de Beleidsregels afgewezen. Immers, dit vermogen van € 7.694,38 is hoger dan de voor eiseres ten tijde van de aanvraag geldende vermogensgrens. Dit vermogen van eiseres kon daarom niet als een bescheiden vermogen in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Beleidsregels worden aangemerkt, waardoor niet voldaan is aan de in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels neergelegde voorwaarde om in aanmerking te komen voor een Amstelveenpas.

Beslissing rechtbank

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Eiseres verwijst hiervoor naar de beroepszaak die is geregistreerd onder zaaknummer AMS 17/5089.

2 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3466.