Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2430

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
AMS 17/6894
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Belastingdienst/Toeslagen heeft terecht de volledige huurtoeslag over het jaar 2016 (ruim 2500 euro) teruggevorderd van een Amsterdamse. De vrouw en haar medebewoner verdienden in dat jaar gezamenlijk namelijk met 30.221 euro nét meer dan de grens van 30.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6894

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: A. Koullali).

Procesverloop

Met het besluit van 11 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op huurtoeslag voor het jaar 2016 definitief vastgesteld op nihil.

Met het besluit van 4 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2018. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1. Met het besluit van 28 december 2015 heeft verweerder eiseres een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2016 toegekend van € 210,- per maand.

2. Met het primaire besluit heeft verweerder het recht van eiseres op huurtoeslag voor het jaar 2016 definitief vastgesteld op nihil en de teveel aan eiseres betaalde voorschotten tot een bedrag van € 2.532,- (inclusief rente) van haar teruggevorderd. Daaraan ligt ten grondslag dat het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiseres en haar medebewoner(s) boven de toepasselijke norm van € 30.000,- ligt.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Na afloop van het toeslagjaar wordt de hoogte van de huurtoeslag definitief berekend met het gezamenlijke toetsingsinkomen uit de Basisregistratie Inkomen (BRI). Volgens de gegevens in de BRI was het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiseres in 2016 hoger dan het door haar geschatte toetsingsinkomen. Daarom heeft eiseres in 2016 een te hoog bedrag aan voorschot huurtoeslag ontvangen en moet zij het ontvangen voorschot terugbetalen. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het door eiseres aangegeven deel van het inkomen van medebewoner [naam medebewoner] geen nabetaling is en daarmee niet onder bijzonder inkomen valt, op grond waarvan dit deel van het inkomen buiten beschouwing had moeten worden gelaten bij de vaststelling van het toetsingsinkomen in 2016. Omdat het vastgestelde gezamenlijke toetsingsinkomen van € 30.221,- hoger is dan het norminkomen van € 30.000,-, heeft eiseres geen recht op tegemoetkoming huurtoeslag voor 2016.

Standpunt eiseres

4. Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Enkele in december 2015 door haar zoon [naam medebewoner] bij de Stichting Multicultureel Podium Mozaïek (de Stichting) verrichte werkzaamheden zijn in januari 2016 uitbetaald. Het gezamenlijke toetsingsinkomen in 2016 is daardoor gestegen tot € 30.221,-, oftewel € 221,- boven de toepasselijke norm. De huurtoeslag wordt nu echter in zijn geheel teruggevorderd. Eiseres vindt deze terugvordering onterecht, omdat de overschrijding maar een zeer klein bedrag is. Bovendien is eiseres financieel afhankelijk van de huurtoeslag en komt zij door deze beslissing in de financiële moeilijkheden. De beslissing is niet in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid, aldus eiseres.

Toetsingskader

5. De in deze zaak relevante wet- en regelgeving is in de bijlage bij de uitspraak weergegeven. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

Inhoudelijke beoordeling

6. Naar de rechtbank begrijpt voert eiseres aan dat een bestanddeel van het (gezamenlijke) toetsingsinkomen buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening van de huurtoeslag over 2016. In januari 2016 ontving [naam medebewoner] van de Stichting een salarisbetaling, waarvan een bedrag van (minstens) € 221,- een nabetaling van inkomsten is uit [naam medebewoner] ’s dienstverband bij de Stichting uit 2015, dat op grond van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit op de huurtoeslag (Bht) buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening van de huurtoeslag over 2016. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres een bankafschrift van 29 januari 2016 overgelegd, waaruit blijkt dat op 22 januari 2016 een bedrag van € 608,41 door de Stichting aan [naam medebewoner] is uitbetaald.

7. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de betaling die [naam medebewoner] op 22 januari 2016 heeft ontvangen door verweerder terecht (volledig) is betrokken bij de vaststelling van het toetsingsinkomen en de berekening van de huurtoeslag over 2016. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij gehouden is bij de vaststelling van het recht op huurtoeslag gebruik te maken van authentieke inkomensgegevens zoals die zijn vastgelegd in de BRI. Met juistheid heeft verweerder verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1, waaruit volgt dat verweerder zich bij het bepalen van de draagkracht van [naam medebewoner] moet baseren op de aanslag inkomstenbelasting, zoals deze is vastgesteld door de inspecteur voor de inkomstenbelasting. De rechtbank concludeert op basis van de in beroep ingezonden stukken dat de inspecteur van de inkomstenbelasting voor het jaar 2016 het verzamelinkomen van [naam medebewoner] heeft vastgesteld op € 15.336,-. Dit betekent dat verweerder – gelet op de specificatie bij het primaire besluit – van een juist bedrag is uitgegaan. Wat eiseres heeft aangevoerd over het inkomensbestanddeel van € 221,- maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de eerdergenoemde betaling van 22 januari 2016, met beschrijving ‘salaris januari’, een nabetaling is in de zin van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bht. De enkele stelling dat dit bedrag ook salaris omvatte voor de verrichte werkzaamheden in de periode van 22 december 2015 tot en met 31 december 2015, is zonder nadere onderbouwing met bewijsstukken niet voldoende om dit aan te nemen. De rechtbank wijst eiseres er nog op dat haar zoon, [naam medebewoner] , wanneer zij het niet eens zijn met de hoogte van zijn in de aanslag opgenomen verzamelinkomen, zich dient te wenden tot de inspecteur voor de inkomstenbelasting, nu de inspecteur voor de inkomstenbelasting het bevoegde bestuursorgaan is om daarover te oordelen.

8. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat verweerder, gelet op de door haar geschetste omstandigheden, van de terugvordering af had moeten zien of deze had moeten matigen, slaagt dit betoog niet. De wet biedt daartoe geen ruimte. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling2 volgt dat in artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) dwingend is bepaald dat, indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. De Awir voorziet dus niet in de mogelijkheid van terugvordering af te zien of het terugvorderingsbedrag kwijt te schelden dan wel te matigen. Dit betekent dat een belangenafweging bij de terugvordering niet aan de orde is. De rechtbank wijst eiseres nog wel op de mogelijkheid verweerder te verzoeken om het treffen van een persoonlijke betalingsregeling.

Schending hoorplicht

9. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat hij zijn hoorplicht heeft geschonden door eiseres niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Dit betekent dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eiseres door schending van deze wettelijke bepaling niet is benadeeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres in deze beroepsprocedure de gelegenheid heeft gehad haar gronden tegen het bestreden besluit, evenals haar bezwaren tegen het primaire besluit, zowel schriftelijk als mondeling nader toe te lichten.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond.

11. De rechtbank ziet in het in rechtsoverweging 9 geconstateerde gebrek aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.S. Boomhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) bepaalt dat het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van de Wht is op die wet de Awir van toepassing.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir bepaalt dat onder inkomensgegeven wordt verstaan: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

Uit artikel 8, eerste lid, van de Awir en artikel 21, onderdeel e, van de Awr vloeit voort dat verweerder voor het vaststellen van het recht op huurtoeslag en de hoogte daarvan gebruik moet maken van het inkomensgegeven zoals dat is vastgelegd in de BRI.

Ingevolge artikel 7, eerste en tweede lid, van de Awir wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende, diens partner en de medebewoners in aanmerking genomen.

In artikel 2b van het Bht is limitatief opgesomd welke inkomensbestanddelen bij de berekening van huurtoeslag op verzoek buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder b, bepaalt dat op verzoek bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Awir voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, nabetalingen van inkomsten als bedoeld in afdeling 3.3 en 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 buiten beschouwing wordt gelaten.

In artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, is bepaald dat het norminkomen bij een meerpersoonshuishouden € 30.000,- bedraagt. In het derde lid is bepaald dat geen huurtoeslag wordt toegekend als het rekeninkomen meer bedraagt dan dit norminkomen.

Artikel 26 van de Awir bepaalt dat indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is.

1 Zie de uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0491, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

2 Zie onder meer de uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:56, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.