Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:24

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2018
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
6471618 KK EXPL 17-1234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een advocatenkantoor in Amsterdam mocht de loondoorbetaling van een secretaresse die niet meewerkte aan haar reïntegratie staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/111
AR-Updates.nl 2018-0033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 6471618 KK EXPL 17-1234

vonnis van: 4 januari 2018

Vonnis van de kantonrechterkort geding

inzake

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres, nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: N. Dasburg, h.o.d.n. Dasburg Juridische Dienstverlening

t e g e n

de naamloze vennootschap Loyens & Loeff N.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde, nader te noemen: LoyensLoeff

gemachtigde: mrs. H.T. ten Have en T.L. Schasfoort

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 27 november 2017 heeft [eiseres] een voorziening gevorderd. Voorafgaand aan de zitting heeft LoyensLoeff een conclusie van antwoord met producties ingezonden.

Ter terechtzitting van 21 december 2017 is de zaak mondeling behandeld. [eiseres] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. LoyensLoeff is verschenen bij [naam] en mr. Schasfoort als haar gemachtigde.

Beide partijen hebben een toelichting verstrekt, deels aan de hand van een pleitaantekeningen. De kantonrechter heeft vragen gesteld en de zaak met partijen besproken.

Vonnis is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als uitgangspunt in dit geding geldt het navolgende:

1.1.

[eiseres] , thans 48 jaar oud, is sedert 1 oktober 2008 bij LoyensLoeff in dienst als secretaresse. Haar huidige loon bedraagt € 3.519,- bruto per maand, exclusief emolumenten.

1.2.

Tot 2015 waren er over het functioneren van [eiseres] geen klachten. Wel is in de periode 2011 - 2015 meer dan eens met [eiseres] gesproken over haar frequent ziekteverzuim.

1.3.

Over 2015 heeft [eiseres] een ‘C min beoordeling’ gekregen, hetgeen staat voor onder niveau en betekent dat verbetering nodig is. Op 1 december 2015 zijn de punten waarop [eiseres] zich zou dienen te verbeteren met haar besproken.

1.4.

Over 2016 heeft [eiseres] een ‘B-beoordeling’ gekregen. Op 28 november 2016 heeft LoyensLoeff met [eiseres] over haar functioneren gesproken. De dag na het gesprek, op 29 november 2016, heeft [eiseres] zich ziek gemeld. Op 15 december 2016 is [eiseres] bij de bedrijfsarts geweest, die haar volledig arbeidsongeschikt heeft geacht. Daarbij heeft de bedrijfsarts partijen geadviseerd contact te onderhouden.

1.5.

Het onderhouden van contact is in 2017 moeizaam verlopen. In lijn met het advies van de bedrijfsarts zou [eiseres] iedere dinsdag ochtend omstreeks 10.00 uur met LoyensLoeff bellen. Dat is niet (altijd) gelukt.

1.6.

Op 25 april 2017 heeft de bedrijfsarts geadviseerd vanaf 5 juni 2017 de reïntegratie te starten met 3 x 2 uur per week. Op 6 juni 2017 heeft LoyensLoeff [eiseres] bericht dat zij op maandag, woensdag en vrijdag werd verwacht om te reïntegreren en dat daarnaast het gesprek van 28 november 2016 over het functioneren van [eiseres] op de langere termijn zou worden voortgezet.

1.7.

[eiseres] is op 7 juni 2017 begonnen met de reïntegratie en heeft gedurende twee uur werkzaamheden verricht. Op 9 juni 2017 heeft zij zich opnieuw ziek gemeld. De gemachtigde van [eiseres] heeft LoyensLoeff nadien geïnformeerd dat [eiseres] een deskundigenoordeel zou aanvragen, omdat zij zich niet in staat voelde te reïntegreren. Op 5 juli 2017 heeft [eiseres] een deskundigenoordeel aangevraagd.

1.8.

Partijen hebben vervolgens overleg gevoerd over een oplossing in der minne. Intussen heeft LoyensLoeff het loon van [eiseres] doorbetaald. Bij e-mail van 16 augustus 2017 heeft LoyensLoeff, toen bleek dat overeenstemming niet kon worden bereikt, [eiseres] opgeroepen de reïntegratie te hervatten met ingang van 17 augustus 2017. [eiseres] heeft dat niet gedaan.

1.9.

Op 26 september 2017 heeft de bedrijfsarts geadviseerd de reïntegratie weer op te pakken vanaf 2 oktober 2017. Op 3 oktober 2017 zou [eiseres] weer bij LoyensLoeff komen, maar zij heeft zich die ochtend ziek gemeld en is niet verschenen.

1.10.

Bij brief van 6 oktober 2017 heeft LoyensLoeff [eiseres] bericht dat indien zij op 10 oktober 2017 niet zou komen, LoyensLoeff het loon tijdens ziekte volledig zou staken, omdat [eiseres] niet voldeed aan haar reïntegratie-verplichtingen. [eiseres] heeft op de brief niet gereageerd en is niet bij LoyensLoeff verschenen. LoyensLoeff heeft vervolgens het loon van [eiseres] opgeschort met ingang van 10 oktober 2017.

1.11.

Op 30 oktober 2017 heeft het UWV in het deskundigenoordeel procedure geoor-deeld dat [eiseres] met ingang van 5 juni 2017 en op 5 oktober 2017 voor 3 x 2 uur kon reïntegreren en dat de aangeboden arbeid passend is. Het UWV overweegt dat de vertraging in de advisering [eiseres] niet te verwijten valt. De vertraging is veroorzaakt door de vakantie van de hoofdbehandelaar van [eiseres] en een medewerker van het UWV.

1.12.

Vanaf 9 november 2017 heeft [eiseres] de reïntegratie hervat. Met ingang van die datum heeft LoyensLoeff de loonbetalingen hervat.

Vordering en verweer

2. [eiseres] vordert als voorziening veroordeling van LoyensLoeff tot betaling van het loon over de periode 10 oktober 2017 tot en met 8 november 2017, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging en de wettelijke rente, dan wel een andere voorziening te treffen, met veroordeling van LoyensLoeff in de kosten van de procedure.

3. [eiseres] stelt daartoe - verkort weergegeven - dat LoyensLoeff niets heeft gedaan om haar te ondersteunen in verbetering van haar functioneren, terwijl [eiseres] zich aldoor voor 100% is blijven inzetten. Doordat LoyensLoeff [eiseres] continu is blijven confronteren met haar ontevredenheid over het functioneren en ontbreken van haar vertrouwen, is [eiseres] ingestort. LoyensLoeff heeft vervolgens [eiseres] dagelijks telefonisch benaderd en haar op haar verplichtingen gewezen, en wat er zou gebeuren als zij zich niet daaraan zou houden. Dat is nooit gestopt. Toen [eiseres] zou komen reïntegreren heeft LoyensLoeff al na de tweede dag aangegeven dat zij ook het gesprek uit november 2016 wilde voortzetten. [eiseres] kon dit niet aan.

4. LoyensLoeff meent dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen en voert daartoe - kort gezegd - aan dat zij terecht het loon over de periode 10 oktober 2017 tot en met 8 november 2017 heeft gestaakt. [eiseres] heeft in die periode niet gereïntegreerd, terwijl zowel de bedrijfsarts als het UWV in het deskundigenoordeel van oordeel zijn dat zij dat wel kon. Dat het UWV er 4 maanden voor heeft genomen om tot dat oordeel te komen, kan LoyensLoeff niet worden verweten.

5. LoyensLoeff betwist daarbij [eiseres] op enige wijze onder druk te hebben gezet. Zij heeft één keer getracht met [eiseres] over haar functioneren op langere termijn te spreken. Daarop is overleg over een regeling met de gemachtigde op gang gekomen en toen geen overeenstemming werd bereikt, heeft LoyensLoeff de eerdere matige beoordelingen van [eiseres] laten rusten en voorrang gegeven aan de reïntegratie.

Beoordeling

6. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

7. Kern van dit kort geding is de vraag of LoyensLoeff gerechtigd was de volledige loonbetaling van [eiseres] over de periode 10 oktober 2017 tot en met 8 november 2017 te staken c.q. of [eiseres] recht heeft op uitbetaling van het bedrag, met de gevraagde verhogingen.

8. In dat verband wordt overwogen dat de bedrijfsarts en het UWV in het kader van een deskundigenoordeel [eiseres] in staat achtten gedurende 3 x 2 uur per week passende arbeid te verrichten en dat het door LoyensLoeff aangeboden werk passend was. Ook staat vast dat [eiseres] in de bewuste periode niet heeft gereïntegreerd. In beginsel verliest een werknemer die - zonder deugdelijke grond - niet meewerkt aan zijn reïntegratie en de passende arbeid niet verricht, ingevolge artikel 7:629 lid 3 onderdeel c BW, het recht op loon. Dat geldt voor het volledige loon; niet alleen voor het gedeelte dat de werknemer diende te reïntegreren (vgl ECLI:NL:HR:2014:1341).

9. Dat kan anders worden indien de werkgever er zelf debet aan is dat de werknemer niet reïntegreert, door bijvoorbeeld ongeoorloofde druk op de werknemer uit te oefenen. [eiseres] heeft LoyensLoeff dat verweten, maar heeft haar verwijten op dit vlak onvoldoende onderbouwd. Dat [eiseres] druk van LoyensLoeff heeft ervaren is niet voldoende. Er dient objectief sprake te zijn van ongeoorloofd gedrag zijdens de werkgever en dat is de kantonrechter in deze procedure niet gebleken.

10. Dat het UWV verklaart dat [eiseres] geen verwijt treft van de vertraagde advisering is niet relevant. Nog los van het feit dat die opmerking van het UWV niet meebrengt dat LoyensLoeff dus het loon van [eiseres] dient door te betalen, geldt dat LoyensLoeff [eiseres] ruimschoots de tijd heeft gegeven om het deskundigenoordeel te verkrijgen (van begin juni tot begin oktober 2017) en dat tot een andersluidend deskundigenoordeel het advies van de bedrijfsarts in beginsel leidend is. [eiseres] heeft ook geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat het advies van de bedrijfsarts (om te reïntegreren) niet juist is geweest.

11. Met LoyensLoeff is de kantonrechter dus vooralsnog van oordeel dat zij het recht had het loon van [eiseres] te staken. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen.

12. [eiseres] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van LoyensLoeff.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van LoyensLoeff tot op heden begroot op € 400,00 voor zover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander indien van toepassing inclusief BTW;

verklaart de betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter