Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2391

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht no; geen rekening met vakantie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/272

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2018 in de zaak tussen

[naam eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R.A. Hopster).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Ziektewet met ingang van 20 augustus 2017 ingetrokken.

Eiser heeft op 12 september 2017 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 6 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2018.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Een te laat ingediend bezwaar of beroep wordt in principe niet-ontvankelijk verklaard, tenzij er een verschoonbare reden voor de te late indiening is.

2. Eiser voert aan dat verweerder op de hoogte was van het feit dat hij op vakantie zou gaan en daarom had moeten wachten met het versturen van het primaire besluit. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, heeft de schijn van kwade opzet.

Verweerder heeft verklaard dat met vakanties nooit rekening wordt gehouden en dat eiser bovendien pas op 18 juli 2017 heeft gemeld wanneer hij precies met vakantie ging. Op 19 juli 2017 is het primaire besluit aan eiser verzonden. Eiser ging 23 juli 2017 met vakantie.

3. De rechtbank overweegt dat de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep1 op dit punt vrij streng is. Wie voor langere tijd op vakantie gaat, dient ervoor te zorgen dat iemand belangrijke poststukken kan beantwoorden en actie kan ondernemen, indien nodig. Het risico, indien dit niet gebeurt, komt voor rekening van eiser. De moeder van eiser was niet in staat om eisers post te verzorgen, omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is. Eiser had dan ook iemand anders hiervoor moeten vragen.

Van een schijn van kwade opzet is de rechtbank niet gebleken. Verweerder houdt bij het versturen van beslissingen nooit rekening met vakanties van klanten. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak hoeft verweerder dat ook niet te doen. Dat eiser met opzet zou zijn benadeeld, is niet aannemelijk.

Dat verweerder al vanaf 4 juli 2017 op de hoogte was van het feit dat eiser op 23 juli 2017 op vakantie zou gaan, is niet juist. Eiser heeft dit pas op 18 juli 2017 gemeld, waarna verweerder het primaire besluit aan hem heeft verzonden.

Eiser moet het primaire besluit rond 21 juli 2017 hebben ontvangen. Dat betekent dat hij nog de tijd had om een pro forma bezwaarschrift in te dienen, voordat hij op vakantie ging.

Van een toezegging dat verweerder zou wachten met het versturen van het primaire besluit is evenmin gebleken.

4. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen verschoonbare reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J. Koene, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier, op 13 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van 31 januari 2017: ECLI:NL:CRVB:2017:390