Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2389

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
KG ZA 18-65
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering verbod op voorhand van publicatie artikel over eiser afgewezen. Geen grond om aan te nemen dat die publicatie onrechtmatig zal zijn jegens hem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0400
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/642008 / KG ZA 18-65

Vonnis in kort geding van 26 januari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 22 januari 2018,

advocaat mr. J.A. Schaap te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEARST MAGAZINES NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. Chr.A. Alberdingk Thijm te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Quote worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 26 januari 2017 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Beide partijen hebben op voorhand producties ingezonden.

1.2.

Het verzoek van [eiser] om de zaak met gesloten deuren te behandelen is afgewezen, aangezien op grond van artikel 27 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) openbaarheid het uitgangspunt is en onvoldoende gronden bestaan om daarvan in dit geval af te wijken.

1.3.

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft de raadsvrouw van [eiser] aan de raadsman van Quote de ter griffie gedeponeerde USB-stick met een heimelijk gemaakte filmopname ter hand gesteld en is de raadsman van Quote in de gelegenheid gesteld om de beelden te bekijken en die met zijn cliënt te bespreken.

1.4.

Vervolgens heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarbij een deel van voornoemde beelden is getoond. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota. Quote heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

1.5.

Aan partijen is meegedeeld dat geen gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid ex artikel 22 Rv om overlegging van of inzage in de in het geding zijnde voorgenomen publicatie te bevelen, aangezien de voorzieningenrechter daartoe geen gronden aanwezig acht.

1.6.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 26 januari 2018 de beslissing gegeven. Het hierna volgende omvat de uitwerking daarvan en is, zoals ter zitting aangekondigd, afgegeven op 2 februari 2018.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover hier van belang:
aan de zijde van [eiser] : [eiser] , [naam 1] , [functiebenaming] , mr. Schaap, haar kantoorgenote mr. P. de Leeuwe, en [naam 2] , advocaat te Amsterdam;
aan de zijde van Quote: [naam 3] , redacteur, [naam 4] , redacteur, [naam 5] , [functiebenaming] , [naam 6] , [functiebenaming] , mr. Alberdingk Thijm en zijn kantoorgenoot mr. E.H. Janssen.

2 De feiten

2.1.

Quote is uitgeefster van het gelijknamige maandblad en beheert de website www.quotenet.nl.

2.2.

[eiser] is een jonge ondernemer die zich onder meer bezig houdt met de exploitatie van steengroeven in zijn geboorteland [land] , in welk kader hij tot voor kort samenwerkte met investeerder [naam 7] . Een van de ondernemingen van [eiser] is [naam B.V.] (handel in natuursteen ).

2.3.

Op 29 november 2017 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan in een kort geding dat [naam 7] tegen [eiser] had aangespannen, met als inzet de licenties voor de exploitatie van de steengroeven.

2.4.

In december 2017 heeft Quote aan [eiser] meegedeeld bezig te zijn met de voorbereiding van een publicatie over [eiser] , naar aanleiding van de onder 2.3 genoemde procedure, waarover al een artikel (van de hand van [naam 3] ) op quotenet.nl heeft gestaan.

2.5.

De onder 2.3 genoemde procedure heeft geleid tot een schikking, waarover [naam 7] en [eiser] een persverklaring naar buiten hebben gebracht op 12 januari 2018. Hierin staat onder meer dat op 1 december 2017 en daarna onder de naam van een niet bestaande organisatie onjuiste en lasterlijke berichten zijn verspreid over [eiser] en zijn ondernemingen, onder meer inhoudend dat [eiser] [naam 7] zou hebben opgelicht. In deze persverklaring nemen [eiser] en [naam 7] uitdrukkelijk afstand van deze berichten. [naam 7] verklaart niet door [eiser] te zijn opgelicht.

2.6.

De ‘niet-bestaande’ organisatie waarnaar in het onder 2.5 genoemde bericht wordt verwezen is “ [naam organisatie] ”, met de website [adres website] (hierna ook: de website) waarin werd verwezen naar een ‘rapport’ van deze ‘organisatie’ (hierna: het [naam organisatie] -rapport ). In het [naam organisatie] -rapport , dat enige tijd op internet heeft gecirculeerd, zijn [eiser] , zijn broer en zijn ondernemingen, beticht van fraude, oplichting en/of nauwe banden met de Iraanse overheid.

2.7.

In verklaringen van 2 en 3 januari 2018 hebben drie investeerders die volgens de website door [eiser] zouden zijn opgelicht, schriftelijk verklaard dat daarvan geen sprake is en dat zij [eiser] hebben leren kennen als een hardwerkende betrouwbare zakenman.

2.8.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 5 januari 2018 zijn de rechtspersonen Automattic.com (tevens handelend onder de naam Wordpress) en Twitter.Inc op vordering van (onder anderen) [eiser] bij verstek veroordeeld om (links met) verwijzingen naar het [naam organisatie] -rapport te verwijderen.

2.9.

[eiser] heeft ook de hosting provider van de website (Your Hosting B.V.) in een procedure betrokken.

2.10.

Bij vonnis van 10 januari 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel Your Hosting B.V. in kort geding (onder meer) geboden de website ontoegankelijk te maken. Dit vonnis bevat de volgende overwegingen:
4.5. Ter zitting heeft Your Hosting erkend dat ook zij geen contact meer heeft met de domeinnaamhouder van de website. (…) Your Hosting heeft verder niet weersproken dat van [naam organisatie] niets is te vinden, ook niet via internet, anders dan de website zelf. Gesteld noch gebleken is dat via internet of anderszins ook andere rapporten circuleren uit naam van of gebaseerd op onderzoek door [naam organisatie] , gericht tegen andere (rechts)personen dan [eiser] . Verder heeft te gelden dat nergens uit blijkt dat het rapport met de beschuldigingen aan het adres van [eiser] . ook steunt op andere bronnen dan de website. Dit alles maakt het, in onderlinge samenhang bezien, voldoende aannemelijk dat [naam organisatie] niet de website is van een prestigieuze denktank, zoals de website doet voorkomen, maar dat de website is aangemaakt door dezelfde perso(o)n(en) die achter het rapport zit(ten), met klaarblijkelijk geen ander doel dan om te kunnen suggereren dat het rapport is gebaseerd op gedegen onderzoek in opdracht van één of meer overheden of andere gezaghebbende organisaties, terwijl het realiter gaat om anonieme en niet gefundeerde beschuldigingen jegens [eiser] . door de perso(o)n(en) achter de website en het rapport.

4.6. (…)

ook als (potentiële) zakenrelaties verder onderzoek zouden doen naar [naam organisatie] ingeval zij de website hebben bezocht en zij dan evenmin nadere informatie over of van [naam organisatie] vinden, bestaat de gerede kans dat door het rapport in combinatie met de website toch twijfel is gezaaid over de reputatie van [eiser] ., indachtig het adagium: waar rook is, is vuur.

4.7.

Al met al is, voorshands geoordeeld, de website onderdeel van een constructie met een onrechtmatig karakter, ook al staat op de website zelf niets onrechtmatigs over [eiser] . Alle informatie op de website is, en kennelijk met geen ander doel, dienstbaar aan uitingen over [eiser] . met een onrechtmatig karakter, te weten ernstige ongefundeerde beschuldigingen. Dit leidt ertoe dat de gehele website zelf geacht kan worden binnen het bereik van artikel 6:196c lid 4 BW te vallen.

2.11.

Quote heeft op 16 januari 2018 aan [naam 1] ( [functiebenaming] van [eiser] ) een e-mail met 83 vragen toegestuurd en hem in de gelegenheid gesteld deze (uiterlijk op 17 januari 2018, 18.00 uur) te beantwoorden. Aan [eiser] wordt onder meer gevraagd of hij bekend is met (geruchten over) betrokkenheid van [naam B.V.] bij een drugsvangst, hoe zijn relatie is met de Iraanse overheid en worden vragen gesteld over de luxe-levensstijl die hij zou hebben.

[eiser] heeft (via [naam 1] ) (een deel van) de vragen beantwoord en verzocht om inzage vooraf in de conceptteksten voor het artikel. Over de mogelijke betrokkenheid bij drugs heeft [eiser] gezegd dat sprake is van suggestieve vragen en dat hij dit als pure laster beschouwt.

2.12.

In het door [eiser] ingebrachte filmpje zijn beelden te zien van twee mannen die een gesprek hebben in een café. Partijen zijn het erover eens dat deze mannen een voormalige opdrachtnemer en een voormalige chauffeur van [eiser] zijn. Uit de (door een logopediste gemaakte) ondertiteling bij het gesprek blijkt dat zij een op stapel staande publicatie in Quote bespreken en dat [eiser] daarin er niet best vanaf zal komen. Met name de voormalige opdrachtnemer lijkt zich daarover te verkneukelen. Dit gesprek zou hebben plaatsgevonden op 19 januari 2018.

2.13.

In een e-mail van 24 januari 2018 heeft een relatie van [eiser] hem laten te weten te zijn benaderd door een redacteur van de Quote. In deze e-mail staat het volgende.

“(…) toe kwamen de volgende rare opmerkingen en vragen:

2. Zijn je rekeningen dan wel betaald door [naam B.V.] ?

Ik hem laten weten dat ik (…) dit een vreemde vraag vond, maar hem wel aangegeven dat al mij rekeningen netjes op tijd zijn betaald.

3. Ook gaf hij me aan dat ik goed op mijn geld moest passen.. dit omdat [naam B.V.] veel klanten niet zou betalen en dat jij het een na het andere bedrijf zou laten klappen. Meerdere mensen zouden gedupeerd zijn.

4. Ook vroeg de Quote man of de zaak nog open was? Hij liet weten dat het namelijk zo afgelopen zou kunnen zijn. Toen moest ik wel even lachen. Wat een onzin en ik liet hem weten dat(…) de zaak gewoon open is en dat er altijd klanten zijn.

5. Hij gaf ook aan dat jij was gevlucht zou zijn naar [woonplaats] en of ik hier iets van wist? Ik liet hem weten dat ik je met regelmaat in je kantoor zie zitten en dat de [naam B.V.] gewoon open is.”

2.14.

Op 23 januari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 3] , [naam 4] en [naam 6] aan de zijde van Quote en [eiser] en [naam 1] aan de zijde van [eiser] .

2.15.

In een e-mail van 25 januari 2018 heeft [naam 4] aan [naam 1] een aantal citaten van [eiser] voorgelegd die Quote voornemens is te publiceren in het artikel over [eiser] en verzocht zo spoedig mogelijk te laten weten of deze volgens [eiser] onjuistheden bevatten. In een reactie daarop heeft [naam 1] laten weten dat de weergave grotendeels overeenkomt met [eiser] ’s uitspraken tijdens het onder 2.14 genoemde gesprek en de gegeven antwoorden op de vragenlijst.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, Quote:

primair:

1. te bevelen in de voorgenomen publicatie over [eiser] , op basis van het huidige feitenmateriaal waaronder het [naam organisatie] -rapport en verklaringen van (ex-)

medewerkers, zich te onthouden van beschuldigingen of insinuaties inhoudend dat:

[eiser] leeft van niet op legale wijze verkregen inkomsten en/of dat hij en/of zijn ondernemingen betrokken zijn bij of gelieerd zijn aan:

- criminele activiteiten zoals oplichting, fraude, misleiding van investeerders, drugshandel en/of witwassen;

- het Iraanse regime of de geheime dienst van Iran ;

2. te bevelen om in geval zij op grond van meer of nieuw feitenmateriaal voornemens is de beschuldigingen te doen, [eiser] in de gelegenheid te stellen een weerwoord te geven en hem voldoende informatie over de (gronden voor) de beschuldiging te geven;

subsidiair:

3. Quote te bevelen om voorafgaand aan de voorgenomen publicatie [eiser] inzage te geven in het artikel dan wel in de (gronden van de) beschuldigingen in dat artikel, hem een weerwoord te geven en dat weerwoord te publiceren bij het artikel.

Dit alles op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van Quote in de proceskosten.

3.2.

Quote voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Toewijzing van de vorderingen van [eiser] zou een beperking inhouden van het in artikel 7 Grondwet en artikel 10 lid 1 EVRM opgenomen recht op vrijheid van meningsuiting. Dat recht vormt een van de fundamenten van de Nederlandse rechtsstaat. Het kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM alleen worden beperkt als die beperking bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Gelet op het bepaalde in artikel 7 Gw, dient bovendien de toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie in beginsel pas plaats te vinden nadat deze ter kennis van het publiek is gebracht. Alleen als voldoende bekend is over de voorgenomen publicatie om de onrechtmatigheid hiervan zeer waarschijnlijk te achten, en/of indien al onrechtmatig handelen jegens betrokkene heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld bij het vergaren van materiaal) kan uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming een verbod vooraf worden uitgesproken. Een dergelijk verbod is echter alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogelijk: daarvan kan slechts sprake zijn indien de publicatie voor de betrokkene tot onherstelbare schade zal leiden en, in het geval de publicatie pas achteraf onrechtmatig zou worden geacht, de nadelige gevolgen van de openbaarmaking niet meer kunnen worden hersteld door middel van een op dat moment uit te spreken veroordeling (vgl gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8420).

4.2.

Van de voorgenomen publicatie die het onderwerp van dit geschil is, is de inhoud nog niet bekend. Weliswaar heeft Quote erkend een artikel over [eiser] te zullen publiceren, dat in concept vrijwel gereed is, maar hoe dat artikel er precies uit zal zien staat nog niet vast. Quote heeft terecht gesteld dat in beginsel voor haar in zijn algemeenheid geen verplichting bestaat om het voorgenomen artikel vooraf aan [eiser] ter inzage te geven (vgl het Mosley arrest EHRM 10 mei 2011, EHRC 2011/108).

4.3.

[eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Quote haar artikel met name zal baseren op het [naam organisatie] -rapport dat ongefundeerde belastende uitingen bevat jegens [eiser] . [eiser] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat Quote [eiser] in het artikel zal beschuldigen van witwassen, drugshandel en banden met de Iraanse overheid, zonder dat dergelijke beschuldigingen enige basis vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Quote heeft aangevoerd dat zij 70 bronnen heeft geraadpleegd voor het artikel over [eiser] , waarvan zij er ongeveer 30 in het te publiceren artikel verwacht te gebruiken en dat zij zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar (de ondernemingen van) [eiser] . Ook heeft zij [eiser] weerwoord gegeven, door hem de (bij 2.11 genoemde) vragenlijst op te sturen en een gesprek met hem te hebben, voorafgaand aan de publicatie. Er is geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de publicatie niettemin onrechtmatig zal zijn. Ook als Quote in haar artikel meningen zou verwerken van mogelijke opstellers van het [naam organisatie] -rapport maakt dat uitlatingen in het artikel met een mogelijke strekking als [eiser] vreest, niet op voorhand onrechtmatig. Dat hangt immers onder meer af van de context en de inkleding van dergelijke uitlatingen, en van de vraag of het beschikbare feitenmateriaal de publicatie van die uitingen rechtvaardigt. Voorshands bestaan gelet op de toelichting van Quote omtrent de aard en inhoud van de voorgenomen publicatie heeft gegeven geen aanknopingspunten om aan te nemen dat zij daarin op onrechtmatige wijze ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiser] zal opnemen. Een verplichting voor Quote om vooraf te verklaren dat zij daartoe niet zal overgaan bestaat tegen die achtergrond evenmin.

4.4.

De omstandigheid dat [eiser] stelt al een miljoenenorder te zijn misgelopen door onterechte beschuldigingen in het [naam organisatie] -rapport maakt het voorgaande niet anders. Dat is immers onvoldoende om aan te nemen dat de publicatie in Quote tot onherstelbare schade zal leiden of onvoldoende verhaal.

4.5.

Overigens is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat (een van de redacteuren van) Quote zich schuldig heeft gemaakt aan suggestieve vraagstelling. Quote heeft de juistheid van de inhoud van de bij 2.13 geciteerde e-mail die daarop zou kunnen duiden, uitdrukkelijk betwist en deze kan zonder nader onderzoek naar de feiten, waarvoor het kort geding zich niet leent, niet worden vastgesteld.

De vragen uit de in het geding gebrachte vragenlijst bevatten onvoldoende aanknopingspunten om daaraan het predicaat suggestief te verbinden. In elk geval kan niet worden geoordeeld dat het stellen van die vragen een op handen zijnde onrechtmatige publicatie zeer waarschijnlijk maakt.

4.6.

Voorshands is dus onvoldoende aannemelijk dat sprake is van (een dreigend) onrechtmatig handelen dat grond vormt voor de gevorderde beperking van de uitingsvrijheid van Quote.

4.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de gevraagde voorzieningen worden geweigerd, met veroordeling van [eiser] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Quote begroot op:

– € 626,- € 626,- aan griffierecht en

– € 626,- € 816,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.1

1 type: MB coll: BB