Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2345

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
13/751077-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Belgie, verweer detentieomstandigheden verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751077-18

RK-nummer: 18/822

Datum uitspraak: 12 april 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 januari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 januari 2018 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, afdeling Mechelen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

wonende op het adres [adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.A.E. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.G.M. Frencken, advocaat te Den Bosch.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel bij verstek van 25 januari 2018.

De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 30 naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:

Georganiseerde of gewapende diefstal

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Procureur des Konings heeft op 6 maart 2018 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen terwijl de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 van de OLW niet aan de orde is. De rechtbank is echter met de raadsman van oordeel dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In het EAB is immers vermeld dat de diefstallen uit voertuigen kennelijk zijn georganiseerd vanuit Nederland in België.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft subsidiair overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe aangevoerd dat de diefstallen allemaal in België hebben plaatsgevonden en zodoende de Belgische rechtsorde is geschaad.

Dit brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Belgische autoriteiten dient plaats te vinden en dat overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Het is niet gebleken dat de verzochte overlevering aan de Belgische autoriteiten en de verdere vervolging in België de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op het door de officier van justitie aangevoerde argument heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Detentieomstandigheden

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering geweigerd moet worden omdat de door de Belgische autoriteiten verstrekte garanties onvoldoende zijn. Een eerdere aan België overgeleverde cliënt van de raadsman heeft hem verteld dat hij regelmatig strenge strafmaatregelen heeft ondergaan in de Belgische gevangenis.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 maart 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:1596) is de rechtbank van oordeel dat de detentieomstandigheden in België geen reden vormen de overlevering van de opgeëiste persoon naar België niet toe te staan.

De enkele mededeling van de raadsman dat een andere aan België overgeleverde opgeëiste persoon in de Belgische gevangenis strenge strafmaatregelen heeft ondergaan, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat er een (algemeen) reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Aan het op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 april 2016 in de zaken Aranyosi en Căldăraru (ECLI:EU:2016:198) te hanteren toetsingskader dat ziet op het uitsluiten van het individuele risico voor de opgeëiste persoon, komt de rechtbank niet toe. Nadere informatie of garanties omtrent het detentieregime waarin de opgeëiste persoon terecht zal komen, zijn aldus niet relevant.

De rechtbank verwerpt het verweer.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen (België) voor het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en B. Poelert rechters,

in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 april 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.