Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2339

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
C/13/611424 / FA RK 16-4669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijksvermogen naar Iraans recht (huwelijkse voorwaarden). Man heeft negatief vermogen; geen assets verkregen tijdens het huwelijk. Verzoek vrouw tot verdeling van assets daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/626229 / FA RK 17-1957 (veve)

Beschikking van 11 april 2018 betreffende de verdeling

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. S. Jurkovich te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Westerveld te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 2 augustus 2017 in de zaken met zaak- en rekestnummers C/13/611424 / FA RK 16-4669 en C/13/626229 / FA RK 17-1957 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud vastgesteld, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de man toegescheiden, de man veroordeeld tot voldoening van de bruidsgave aan de vrouw en de behandeling omtrent de verdeling/afwikkeling huwelijkse voorwaarden pro forma aangehouden. De inhoud van deze beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

1.2.

Het huwelijk van partijen is op 8 februari 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 augustus 2017 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

1.3.

Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het F9-formulier met akte uitlating van de man, ingekomen op 1 september 2017;

  • -

    het F9-formulier met antwoordakte uitlating van de vrouw, ingekomen op 5 oktober 2017, tevens per fax ingekomen op 3 oktober 2017;

  • -

    het F9-formulier met akte uitlating van de man, ingekomen op 31 oktober 2017, tevens per fax ontvangen op 27 oktober 2017.

1.4.

Vervolgens heeft de rechtbank de datum beschikking bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Ter beoordeling staat nog het verzoek van de vrouw de afwikkeling van het huwelijksvermogen en te bepalen dat de man ingevolge de huwelijksakte de helft van zijn activa aan haar dient over te dragen.

2.2.

De rechtbank stelt voorop, zoals reeds overwogen in de beschikking van 2 augustus 2017, dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Iraanse recht, welk stelsel een algehele scheiding van goederen kent. Voorts heeft de rechtbank reeds overwogen dat het door partijen gesloten huwelijkscontract (“marriage certificate”) dient te worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarden, waarin partijen, voor zover thans van belang, onder meer het volgende zijn overeengekomen:

“(…)

A. By a collateral irrevocable contract, the wife stipulated that if the divorce is not at her request and according tot he court finding, the request of divorce is not due to violation of conjugal duties by the wife or her ill humor or bad character, the husband should be bound to transfer to the wife up to half of the assets or its equivalent which he has earned during the conjugal life with her.

(…)”

2.3.

Zoals ter zitting van 20 juni 2017 met partijen afgesproken, heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld inzicht te geven in de bezittingen die hij tijdens het huwelijk heeft vergaard, onderbouwd met de relevante bescheiden. De rechtbank is hiermee voorbij gegaan aan de stelling van de vrouw dat, nu de man met niets komt, hij de helft moet betalen van hetgeen hij tijdens het huwelijk heeft verdiend.

2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de voormalige echtelijke woning en de auto niets tussen hen valt te verrekenen, omdat de man deze zaken reeds voorafgaand aan het huwelijk heeft verkregen.

2.5.

Met betrekking tot de inboedel van de echtelijke woning heeft de man gesteld dat deze eveneens reeds voorafgaand aan het huwelijk door hem is aangeschaft, zodat ook op dit punt niets valt te verdelen. De vrouw heeft daartegen naar voren gebracht dat partijen met het geld dat zij hebben gekregen op hun bruiloft ook inboedelgoederen hebben gekocht. Zij verzoekt te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de inboedel een bedrag van € 3.000,- aan haar dient te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat partijen ook tijdens het huwelijk nog inboedelgoederen hebben aangeschaft. Zij heeft nagelaten een concreet overzicht te geven van de desbetreffende inboedelgoederen die volgens haar door partijen tijdens het huwelijk zijn aangeschaft en daarmee zouden moeten worden verdeeld, alsmede wat de waarde daarvan zou zijn. Nu zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht ter zake, zal haar verzoek met betrekking tot de verdeling van inboedelgoederen worden afgewezen.

2.6.

Vast staat dat de man daarnaast een hypothecaire lening heeft, verbonden aan de voormalige echtelijke woning, bestaande uit een aflossingsvrij deel en een bankspaarhypotheek, waarvoor hij maandelijks een bedrag van circa € 127,- inlegt op de bankspaarrekening. Voorts is niet weersproken dat de man in juli 2016 (datum indienen verzoekschrift) een schuld had van € 14.000,- en in juli 2017 € 17.242,05 in verband met een doorlopend krediet en dat zijn betaalrekening een negatief saldo vertoont. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien het feit dat hij schulden heeft die nota bene tijdens het huwelijk zijn toegenomen, niet kan worden gezegd dat hij gedurende het huwelijk van partijen vermogen heeft opgebouwd. Er is dus geen sprake van assets die moeten worden verdeeld, aldus de man. De uitgaven van partijen waren hoger dan de inkomsten, waardoor schulden zijn ontstaan in de vorm van een doorlopend krediet van € -14.000,- en roodstand op zijn betaalrekening. Voorts stelt de man dat zelfs indien de inleg op de spaarhypotheek ter hoogte van € 3.298,60 (zoals door de man gesteld) dan wel € 7.966,10 (zoals door de vrouw gesteld) wordt betrokken in de verdeling, het saldo van het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen negatief blijft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de stelling dat het saldo van het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen negatief is onvoldoende onderbouwd weersproken, zodat de rechtbank zal uitgaan van de juistheid hiervan. Het feit dat de man gedurende het huwelijk heeft afgelost op zijn schulden waardoor deze zijn afgenomen, maakt het voorgaande niet anders, nu de aflossingen niet zodanig zijn geweest dat hierdoor een positief vermogen is ontstaan. Ook het feit dat de man een spaartegoed heeft opgebouwd – naar de man stelt in verband met de aflossing van de hypotheek – maakt dit niet anders, nu niet is bestreden dat zelfs indien wordt uitgegaan van dat positieve saldo, het gehele vermogen van de man negatief is.

2.7.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat geen sprake is van enige tijdens het huwelijk verkregen assets in de zin van de huwelijkse voorwaarden, zodat op die grond tussen partijen niets valt te verdelen. Het verzoek van de vrouw daartoe zal dan ook worden afgewezen. Dit brengt mee dat de overige stellingen van partijen geen bespreking meer behoeven.

3 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van T. Jelierse, griffier, op 11 april 2018.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.