Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2275

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
13/669082-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 63-jarige vrouw moet 6 maanden de cel in en krijgt tbs met dwangverpleging opgelegd, omdat zij een oud-hulpverleenster met een mes heeft gestoken. De vrouw werd al vaker in de geestelijke gezondheidzorg behandeld en wilde met deze daad een passende behandeling bewerkstelligen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/669082-17

Datum uitspraak: 12 april 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1954,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 17 januari 2018 heeft de rechtbank, op de wijze als in dat vonnis vermeld, de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen verklaard, het bewezen geachte feit strafbaar geoordeeld en ook verdachte strafbaar geacht.

De rechtbank kwam echter tot de conclusie dat het onderzoek niet volledig was geweest, in die zin dat meer informatie nodig was om te kunnen beslissen over een eventueel op te leggen straf of maatregel. Onder de beraadslaging bleek dat de rechtbank voornemens was naast een gevangenisstraf een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting daarom op 17 januari 2018 heropend en geschorst en heeft de officier van justitie bevolen om een maatregelrapport door de reclassering op te laten stellen. Daarin zou de reclassering moeten onderzoeken onder welke voorwaarden een TBS met voorwaarden zou kunnen worden opgelegd en of verdachte bereid en naar verwachting in staat is om zich aan de voorgestelde voorwaarden te houden.

De reclassering heeft op 13 maart 2018 het gevraagde rapport uitgebracht. Daarin heeft zij negatief geadviseerd ten aanzien van een TBS met voorwaarden.

De rechtbank had ter terechtzitting van 29 maart 2018 een andere samenstelling en heeft het onderzoek opnieuw aangevangen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van wat verdachte en haar raadsman mr. T. Nieuwburg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 17 januari 2018 – ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 11 augustus 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade (na kalm beraad en rustig overleg) van het leven te beroven, naar GGZ-kliniek Arkin, gelegen aan de Baarsjesweg en/of naar de Eerste Helmerstraat is toegegaan en/of in de buurt van die [slachtoffer] is gaan staan en/of op die [slachtoffer] is afgelopen en/of afgerend en/of die [slachtoffer] met een

(groot) mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in haar linkerbovenbeen en/of linkerheup (met kracht) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

zij op of omstreeks 11 augustus 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte zwaar lichamlijk letsel toe te brengen, naar GGZ-kliniek Arkin, gelegen aan de Baarsjesweg en/of naar de Eerste Helmerstraat is toegegaan en/of in de buurt van die [slachtoffer] is gaan staan en/of op die [slachtoffer] is afgelopen en/of afgerend en/of die [slachtoffer] met een (groot) mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in haar linkerbovenbeen en/of linkerheup (met kracht) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 11 augustus 2017 te Amsterdam [slachtoffer] met voorbedachte rade (na kalm beraad en rustig overleg) heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een (groot) mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in haar linkerbovenbeen en/of linkerheup (met kracht) te steken en/of te snijden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet bewezen wat primair is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde

Anders dan de raadsman en met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de haar subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte aangeefster heeft gestoken met een groot en scherp mes. Uit het WhatsApp-bericht dat verdachte naar [naam] heeft gestuurd blijkt dat het de bedoeling van verdachte was om te steken. Verdachte heeft aangeefster gestoken in haar zij. Het is een gelukkig toeval dat het mes op deze plek, waar geen ernstig letsel is ontstaan, terecht is gekomen. Uit het dossier is niet af te leiden dat dit ook speciaal de bedoeling was van verdachte. Uit het handelen van verdachte blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door het steken met een mes aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Dat het opgelopen letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kwalificeert staat aan een bewezenverklaring van een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet in de weg.

Uit de het dossier volgt niet dat de verdachte een plan had beraamd om het slachtoffer te steken. Hoewel uit het bericht dat verdachte heeft gestuurd blijkt dat zij een plan had, was dit niet op aangeefster gericht. Hieruit leidt de rechtbank af dat de besluitvorming en de uitvoering tot stand zijn gekomen in een korte tijdspanne. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat zij voor dit onderdeel wordt vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 11 augustus 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op die [slachtoffer] is afgelopen en die [slachtoffer] met een groot mes in haar linker heup heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 De beoordeling ten aanzien van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden en TBS met dwangverpleging. De Pro Justitia rapporteurs en de reclassering hebben in hun rapporten duidelijk omschreven waarom TBS met voorwaarden volgens hen niet aan de orde is.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aanhouding van de zaak. Verdachte is bereid om zich aan voorwaarden te houden en plaatsing in een FPK is wel degelijk mogelijk. De reclassering had de opdracht van de rechtbank gekregen om voorwaarden op te stellen en heeft dat ten onrechte niet gedaan.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft een oud-hulpverleenster met een groot mes gestoken, terwijl zij niets vermoedend op de tram stond te wachten. Verdachte heeft een lange behandelgeschiedenis en wilde, zoals uit het door haar verzonden WhatsApp-bericht blijkt, iets doen waardoor zij eindelijk een passende behandeling zou krijgen. Met die motivatie is zij dan ook met een flink mes op pad gegaan, op zoek naar een doelwit. De rechtbank acht de aanval op het slachtoffer een zeer ernstig feit. Het slachtoffer had een steekwond in haar linker dijbeen ter grootte van 8 centimeter. Meerdere onderhuidse en bovenhuidse hechtingen waren nodig om de wond te laten genezen. De wond heeft een lelijk litteken achtergelaten en de psychische gevolgen voor het slachtoffer zijn groot. Zo heeft zij onder meer een lange tijd niet kunnen werken en heeft zij moeite gehad om weer met het openbaar vervoer te reizen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van
7 maart 2018 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige feit niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

8.3.1.

Maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege

Het dossier bevat een Pro Justitia rapport van psychiater dr. T.W.D.P. van Os van 21 november 2017. De conclusie in dit rapport luidt onder meer dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten een posttraumatische stress stoornis (hierna: PTSS) die tot nu toe onvoldoende werd behandeld. De PTSS komt tot uiting in dissociaties, nachtmerries en herbelevingen. Het is waarschijnlijk dat de PTSS een rol heeft gespeeld en doorwerking heeft gehad in de gedragskeuze van verdachte. Het risico op herhaling van het ten laste gelegde is groot, indien verdachte niet wordt behandeld voor en wordt begeleid in verband met haar ziekelijke stoornis. De hulpverlenersgeschiedenis maakt duidelijk dat een ambulante behandeling weinig heeft opgeleverd. Geadviseerd wordt om een klinische behandeling op te leggen. Verdachte heeft zich echter gedurende haar behandeling in de reguliere GGZ geregeld onttrokken aan behandeling en voorwaarden. Een behandeling in het kader van voorwaarden, is daarom niet haalbaar. Om te voorkomen dat verdachte zich kan onttrekken aan de behandeling, is het advies om de behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een TBS-maatregel. TBS met voorwaarden is overwogen met een klinische opname in een FPK, maar ingeschat wordt dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal kunnen houden. Gezien de ernst en langdurigheid van de stoornis, met ook binnen de behandeling een risico op incidenten, is een hoog beveiligingsniveau geïndiceerd. Geadviseerd wordt om verdachte een TBS-maatregel op te leggen met dwangverpleging.

Het dossier bevat ook een Pro Justitia rapport van psycholoog G.M. Jansen van 20 november 2017. De conclusie in dit rapport komt overeen met de conclusie van het psychiatrische rapport. Er is sprake van PTSS met dissociatieve symptomen. Het recidivegevaar wordt ingeschat als hoog. De inschatting is dat wanneer betrokkene onbehandeld naar buiten komt, zij al snel als gevolg van spanningen in de thuissituatie en het ontbreken van een adequaat professioneel steunsysteem emotioneel ontregeld zal raken en haar woede, al dan niet in dissociatieve toestand, op haar omgeving zal afreageren in de vorm van impulsieve agressiedoorbraken. Gelet op de ernst van de problematiek, de complexiteit en het risico op gedragsontregeling is een klinische behandeling binnen de forensische sector geïndiceerd. De mogelijkheden binnen de reguliere GGZ zijn uitgeput. Vanwege haar behandelgeschiedenis die wordt gekenmerkt door vele onttrekkingen en het schenden van voorwaarden, is een gedwongen kader noodzakelijk om behandeling te realiseren. Hoewel ze zich gemotiveerd toont, is behandeling in het kader van voorwaarden niet haalbaar en wenselijk. Bij onttrekking van voorwaarden zal ze in de gevangenis terecht komen, wat vanwege het risico op her-traumatisering afgeraden wordt en niet tot afname van het recidiverisico leidt. Op basis van de ernst van de stoornis, het hoge recidiverisico en de ernst van het ten laste gelegde is een TBS-kader het enige kader dat in aanmerking komt. TBS met voorwaarden is overwogen, maar ook hierbij geldt dat verdachte zich niet aan voorwaarden kan houden.

Beide deskundigen adviseren om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over.

Aan de wettelijke voorwaarden voor het kunnen opleggen van TBS is voldaan. Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht (misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld), tijdens het begaan van dit feit bestond bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel.

Gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van de Pro Justitia rapporten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte thans onmiskenbaar een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, en dat behandeling noodzakelijk en vereist is om herhaling van een ernstig geweldsdelict te voorkomen. De rechtbank acht het dan ook onverantwoord om verdachte zonder behandeling in de maatschappij te laten terugkeren en zal daarom aan verdachte de maatregel van TBS opleggen.

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of die TBS kan plaatsvinden met voorwaarden of dat dwangverpleging moet worden gelast. In dat verband wordt het volgende overgewogen.

De rechtbank heeft op haar verzoek een maatregelenrapport van 13 maart 2018 ontvangen van de reclassering. De reclassering is daarin tot de conclusie gekomen dat verdachte zich niet blijvend zal kunnen conformeren aan voorwaarden behorend bij de maatregel TBS. Voor de uitvoerbaarheid van een TBS met voorwaarden is overeenstemming met verdachte nodig over de voorwaarden. Een belangrijke voorwaarde zou klinische opname zijn, eventueel in combinatie met medicatie. Verdachte is echter ambivalent ten aanzien van klinische opname en medicatie. Nu het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) /Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) geen indicatiestelling heeft afgegeven voor plaatsing op een Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) of in een Forensich Psychiatrische Kliniek (FPK), is een TBS met voorwaarden niet uitvoerbaar en zijn er geen voorwaarden opgesteld.

De rechtbank heeft ter zitting ook nog de onderliggende indicatiestelling ontvangen van het NIFP/IFZ van 19 februari 2018, opgesteld door van E. Izeboud (coördinator IFZ) en R.P.M. Janssen (psychiater). Daarin valt te lezen dat verdachte in de reguliere GGZ zowel klinische als ambulante behandelingen aangeboden heeft gekregen en daarbij structureel de voorwaarden heeft geschonden. Om recidive op geweldsdelicten te beperken is gespecialiseerde psychotherapeutische forensische klinische behandeling nodig van de PTSS en daarnaast het creëren van rust, structuur en veiligheid in verdachtes omgeving. De verwachting is dat een intensieve forensische klinische behandeling en vervolgens maatschappelijke inbeddingstraject meerdere jaren zal gaan duren, vooral ook omdat de verwachting is, dat dit gepaard zal gaan met (gewelds-)incidenten. Uit het dossier blijkt dat verdachte zich niet kan conformeren aan behandelafspraken. Hiermee zou een TBS met voorwaarden feitelijk een onmogelijke opdracht voor haar zijn. Op basis van bovenstaande is geen indicatiestelling afgegeven voor plaatsing in een FPA dan wel FPK. In het verleden hebben onvoldoende behandelontwikkelingen plaatsgevonden die het verantwoord maken om betrokkene te plaatsen in een minder beveiligde setting dan een FPC-setting, aldus het NIFP/IFZ.

Gelet op de inhoud van het maatregelenrapport en de indicatiestelling ziet de rechtbank geen mogelijkheid voor een behandeling van verdachte binnen het kader van een TBS met voorwaarden. Voor een aanhouding van de behandeling van de zaak om alsnog nadere mogelijkheden voor een TBS met voorwaarden te onderzoeken, zoals door de raadsman is bepleit, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.

Daarom zal de rechtbank de maatregel van TBS met dwangverpleging aan verdachte opleggen.

De maatregel van TBS met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Om die reden zal, gelet op het bepaalde in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, een totale duur van de maatregel van meer dan vier jaren niet op voorhand zijn uitgesloten.

8.3.2.

Gevangenisstraf

Het feit waarvoor verdachte is veroordeeld en de omstandigheden waaronder dat feit zijn begaan zijn dermate ernstig, dat daarvoor een onherroepelijke gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd, naast de maatregel van TBS. Nu het belang van een spoedige behandeling zeer groot is, zal de rechtbank de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet de duur van het reeds ondergane voorarrest laten overstijgen en aan verdachte een gevangenisstraf van 6 maanden opleggen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 16,79 aan materiële schade vergoeding en € 1.050,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering in zijn geheel toe te wijzen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank wijst de vordering in zijn geheel toe. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank reëel voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd voor materiële schade van € 16,79 en de immateriële schade van € 1.050, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

10 Ten aanzien van het beslag

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het bewezen geachte is begaan.

Retour rechthebbende

Twee inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een broek en een handdoek, dienen aan de rechthebbende te worden teruggegeven.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33a, 36f, 37a, 37b, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals in rubriek 4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking gesteld zal worden en beveelt dat zij van overheidswege verpleegd zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 16,79 (zestien euro en negenenzeventig cent) aan materiële schade en € 1.050 (duizendvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2017.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij
[slachtoffer] , te betalen de som van € 1.066,79 (duizendzesenzestig euro en negenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 augustus 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart verbeurd: 1.00 STK Mes (5433302).

Retour rechthebbende: 1.00 STK Broek (5433289; van slachtoffer) en 1.00 STK Handdoek

(543301).

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.P. Pompe, voorzitter,

mrs. R.H.C. Jongeneel en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. van der Hooft, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2018.