Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2268

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
AWB 18-1040 en 18-1042
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Examen APK-keurmeester

Aanvraag deelname examen APK-keurmeester lichte voertuigen, IBKI, niet in bezit van vereiste diploma’s, gelijkheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/1042 (beroep) en AMS 18/1040 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. H. Yildirim),

en

het Instituut voor examinering en certificering in de mobiliteitsbranche (IBKI), verweerder

(gemachtigde: mr. A.C.M. Kusters).

Partijen worden hierna [verzoeker] en IBKI genoemd.

Procesverloop

Met het besluit van 3 juli 2017 (het primaire besluit) heeft IBKI [verzoeker] aanvraag om deel te mogen nemen aan het examen keurmeester periodieke keuring lichte voertuigen (het examen) afgewezen.

Met het besluit van 4 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft IBKI het bezwaar van [verzoeker] ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 27 februari 2018. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. IBKI heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens IBKI is verder verschenen [naam] , teamleider uitvoering examens.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om IBKI in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen. IBKI heeft op 6 maart 2018 de uitkomst en het daarbij behorende standpunt ingebracht. [verzoeker] heeft hier op 9 maart 2018 op gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. De voorzieningenrechter is namelijk tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van deze zaak.1

2. IBKI heeft [verzoeker] aanvraag om hem toe te laten tot het examen afgewezen, omdat [verzoeker] niet de vereiste diploma’s heeft. [verzoeker] is het niet eens met de afwijzing.

3. Niet in geschil is dat [verzoeker] niet de vereiste diploma’s heeft voor deelname aan het examen. Op de zitting heeft IBKI voldoende gemotiveerd dat het diploma ‘ [naam] ’ niet gelijkwaardig is aan een van de vereiste diploma’s. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat IBKI bevoegd was om [naam] aanvraag af te wijzen.

4. Volgens [verzoeker] had IBKI hem op grond van het gelijkheidsbeginsel toch moeten toelaten tot het examen. Zijn klasgenoot [naam] ( [naam] ) is namelijk met dezelfde diploma’s wél toegelaten tot het examen.

5. IBKI heeft aangegeven dat dit klopt, maar dat dit ten onrechte is gebeurd en daarom een eenmalige fout is. Uit het interne systeem blijkt namelijk dat in 2017, op [naam] na, alle andere aanvragen van personen met dezelfde diploma’s als [verzoeker] zijn afgewezen. Volgens IBKI hoeft deze eenmalige fout niet herhaald te worden. Zover strekt het gelijkheidsbeginsel niet.2 De voorzieningenrechter volgt IBKI hierin. Dat volgens [verzoeker] meerdere personen met dezelfde diploma’s zijn toegelaten, heeft hij verder niet onderbouwd. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat op de zitting al is gebleken dat de kwestie van [naam] geen met [verzoeker] gelijk geval is. Het beroep van [verzoeker] op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom dus niet.

6. De conclusie is dan ook dat IBKI [naam] aanvraag tot toelating tot het examen terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. [verzoeker] krijgt dus geen gelijk.

7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.M. Fleuren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2018.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening geen rechtsmiddel open.

1 Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2 IBKI verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3677.