Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2234

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
13/679026-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige man die met zijn auto een U-bocht wilde maken op de Wibautstraat in Amsterdam-Oost en daarbij tegen een motorscooteraar botste, moet 1.000 euro boete betalen. Ook is hij veroordeeld tot een voorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/679026-16

Datum uitspraak: 9 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres

[adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 28 september 2017 en 26 maart 2018.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.H. Boermsa, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Verbruggen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 6 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Wibautstraat, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige kneuzing borstkas en (rechter)bovenbeen, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de ventweg van de Wibautstraat, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat, verdachte is vanaf de ventweg van de Wibautstraat de hoofdrijbaan van de Wibautstraat opgereden en is (vervolgens) bij de kruising van de Wibautstraat met de Ringdijk, in strijd met bord F7 van Bijlage 1 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (keerverbod), gaan keren (U-turn) teneinde de Wibautstraat in de richting van de Gooiseweg te gaan berijden, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen, dat voornoemde kruising vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) een bestuurder van een personenauto, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die de hoofdrijbaan (linker rijstrook) van de Wibautstraat bereed, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan, verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken, voor voornoemde [slachtoffer] , [slachtoffer] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst, waardoor aan [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

2.2.

Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 6 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Wibautstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt; bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de ventweg van de Wibautstraat, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat, verdachte is vanaf de ventweg van de Wibautstraat de hoofdrijbaan van de Wibautstraat opgereden en is (vervolgens) bij de kruising van de Wibautstraat met de Ringdijk, in strijd met bord F7 van Bijlage 1 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (keerverbod), gaan keren (U-turn) teneinde de Wibautstraat in de richting van de Gooiseweg te gaan berijden, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen, dat voornoemde kruising vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) een bestuurder van een personenauto, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die de hoofdrijbaan (linker rijstrook) van de Wibautstraat bereed, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan, verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken, voor voornoemde [slachtoffer] , [slachtoffer] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren voor dit forum, omdat het niet voldoet aan de verdragsrechtelijke en nationaalrechtelijke eisen. Hij heeft daartoe – overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnotities – het volgende aangevoerd.

3.2.

Ter zitting van 28 september 2017 zag de verdediging zich genoodzaakt de wraking van de voltallige bezetting van de strafkamer te verzoeken. Bij de behandeling van het wrakingsverzoek op 10 november 2017 heeft de verdediging haar wrakingsverzoek gewijzigd, in die zin dat dit niet langer strekte tot wraking van de volledige samenstelling, maar slechts van de voorzitter, mr. P.B. Martens. Bij die behandeling heeft de verdediging haar wrakingsverzoek nader toegelicht en onderbouwd, waarbij schriftelijke aantekeningen werden voorgedragen en overgelegd. Het verzoek van de verdediging werd evenwel afgewezen bij beslissing van de wrakingskamer van 24 november 2017. De verdediging kan zich niet vinden in deze beslissing: nog immer is zij van oordeel dat de uitlatingen en het gedrag van de voorzitter een zwaarwegende aanwijzing vormen dat de voorzitter verdachte en zijn zaak niet met de vereiste (professionele) onpartijdigheid tegemoet treedt. Zowel naar objectieve als naar subjectieve maatstaf is de verdediging derhalve van oordeel dat geen sprake is van de vereiste onpartijdigheid/behandeling door een ‘impartial tribunal’ (onpartijdig gerecht), als vereist door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Strafvordering voorziet evenwel niet in een mogelijkheid in het kader van het strafproces in beroep te gaan tegen de beslissing van de wrakingskamer. De verdediging rest derhalve niets anders dan haar verweer nogmaals in deze pleitnota neer te leggen in de vorm van een beroep op artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten ook wel BUPO-verdrag genoemd. Indien de behandeling derhalve wordt voortgezet onder voorzitterschap van mr. Martens, is naar oordeel van de verdediging sprake van schending van artikel 6 lid 1 EVRM en artikel 14 BUPO. Een onpartijdige rechter is een zo essentieel element van een fair trial, dat schending van het verdragsrecht een substantiële nietigheid oplevert. Dit is evenwel slechts een constatering die in appel gedaan kan worden. Hoewel de verdediging niet de illusie heeft dat de rechtbank de staf zal breken over de onpartijdigheid van haar eigen voorzitter, voert zij ter bewaring van rechten toch het verweer dat ook in eerste aanleg een consequentie dient te worden verbonden aan deze onpartijdigheid. Aangezien het gaat om een essentieel vereiste van fair trial, de verdachte wordt getroffen in een essentieel in rechte te respecteren belang en bij voortgang van de behandeling geen herstel mogelijk zal zijn, is de enige geëigende sanctie die volgen kan, de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.3.

De rechtbank verwerpt het verweer onder verwijzing naar bovengenoemde wrakingsprocedure, waarin de door de verdediging naar voren gebrachte bezwaren zijn beoordeeld en waarin het wrakingsverzoek is afgewezen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt voorts mee dat een verweer als het onderhavige in de instantie geen verdere bespreking behoeft, nog daargelaten de vraag of vooringenomenheid van de voorzitter zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging (vergelijk: Hoge Raad 7 mei 1996, NJ 1996/557). Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent “bewaring van rechten” vindt geen steun in het recht (vergelijk: Hoge Raad 7 mei 1996, NJ 1996/557).

3.4.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

4.1.1.

Op 6 oktober 2015 is verdachte met zijn Range Rover vanuit de uitrit van de ventweg van de Wibautstraat te Amsterdam (kort voor de kruising met de Ringdijk) de Wibautstraat opgereden om vervolgens naar de linker rijstrook te gaan. Verdachte wilde naar eigen zeggen aanvankelijk een zogenoemde U-bocht maken om zijn weg in tegenovergestelde richting te vervolgen, maar zag dat dat daar niet mocht. Hij is aangereden door [slachtoffer] die over de Wibautstraat reed en uit de richting van de Gooiseweg kwam en in de richting van de Weesperstraat reed. [slachtoffer] heeft door die aanrijding letsel opgelopen. [slachtoffer] reed op zijn Piaggio MP3, een driewielige motorscooter, die volgens de RDW als personenauto moet worden aangemerkt.

4.1.2.

Het verwijt dat verdachte in de kern wordt gemaakt is dat hij op de Wibautstraat is begonnen met het maken van de U-bocht en dus is gaan keren op de kruising met de Ringdijk waar dat is verboden en dat hij [slachtoffer] (hierbij) geen voorrang heeft verleend. Buiten kijf staat dat de gevolgen voor [slachtoffer] dramatisch zijn.

4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het vonnis van de Rechtbank Haarlem van 5 december 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ9085) – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Hij heeft zich wat betreft de toedracht van de aanrijding naast de verklaring van [slachtoffer] op de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] gebaseerd en erop gewezen dat die verklaringen aansluiten bij het schadebeeld van de auto. Uit de verklaringen kan worden afgeleid dat verdachte al was begonnen met het maken van een U-bocht en uit het schadebeeld kan worden afgeleid dat de auto van verdachte haaks op de weg stond, aldus de officier van justitie.

4.3.

Standpunt van de verdediging

4.3.1.

De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994). Samengevat heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

4.3.2.

Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting kan worden opgemaakt, dat verdachte ten stelligste ontkent dat hij de U-bocht heeft gemaakt. Hij heeft dat wel overwogen, maar zag het bord dat die manoeuvre verbood en zag ervan af. Hij wisselde wel van rijbaan (de rechtbank leest hier en hierna: rijstrook) omdat hij wist dat hij een stukje verder de afslag naar links moest nemen om in de gewenste richting te kunnen rijden. Op het moment dat [slachtoffer] de auto van verdachte raakte, was er nog geen sprake van het maken van een U-bocht. Aangezien technisch onderzoek niet heeft plaatsgevonden, valt niet meer vast te stellen wat de toedracht van het ongeval was. Daarmee vervalt het ernstigste verwijt, dat verdachte onder het primair ten laste gelegde wordt gemaakt.

4.3.3.

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte schuldig is aan het tweede impliciete verwijt – wijzigen van rijbaan zonder [slachtoffer] voor te laten gaan. Als verdachte een verwijt te maken valt, is het dat hij [slachtoffer] op wonderbaarlijke, niet te verklaren wijze eenvoudigweg over het hoofd heeft gezien.

4.3.4.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gevaar op de weg veroorzaken (artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994) is het maar de vraag of verdachte een verkeersfout heeft gemaakt en hem daarvan verwijt treft. Hoewel de toedracht niet zonneklaar is geworden, mede door nalatigheid van de politie, kan bepaaldelijk niet worden uitgesloten dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden: tegelijkertijd sturen motor en auto naar de linker rijbaan. De verwijten snijden dan ook geen hout. Verdachte heeft zich voldoende vergewist, maar de motor kwam als het ware uit het niets; bij gelijktijdig naar links sturen kan men geen voorrang meer verlenen en ten slotte: afremmen was niet direct de oplossing geweest in dit geval. Het dossier biedt derhalve ook onvoldoende basis voor bewezenverklaring van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, aldus de raadsman.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Het verweer van verdachte komt er samengevat op neer dat hij weliswaar van plan was een U-bocht te gaan maken, maar daaraan niet begonnen is, omdat hij zag dat daar waar hij de bocht wilde maken het niet toegestaan is te keren en hij pas nadat [slachtoffer] tegen zijn auto was aangereden uit schrik naar links heeft gestuurd en de U-bocht toen alsnog heeft gemaakt.

4.4.2.

Het dossier bestaat naast de medische informatie betreffende [slachtoffer] voor zover relevant voor de toedracht van het verkeersongeval samengevat uit de (getuigen)verklaringen van [slachtoffer] (het slachtoffer), verdachte, [medepassagier] (die naast verdachte zat in de personenauto), [getuige 2] (die achter [slachtoffer] reed) en [getuige 1] (die vanuit tegenovergestelde richting kwam) en het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse van de politie.

4.4.2.1. [slachtoffer] heeft op 24 november 2015 onder meer het volgende verklaard: “Ik reed op een MP3 Piaggio, dat is een driewielige motorfiets. (…) Ik reed over de Gooiseweg richting de Wibautstraat, dus via het Prins Bernhardplein. (…) Ik sloeg nadat de verkeerslichten op groen sprongen rechtsaf de Wibautstraat op. Ik reed daarbij op de rechterrijstrook van de twee rijstroken voor mijn rijrichting, ik hield dus zoveel mogelijk rechts. Ik zag een auto staan bij de invoegstrook voor de oude rijschool Nelen (de rechtbank begrijpt: Wibautstraat 133 te Amsterdam, waar tegenwoordig WPG is gevestigd). Dat was volgens mij een nieuw model Range Rover. Een zwart type. Toen ik de auto zag, besloot ik op de linker rijstrook te rijden om de auto de ruimte te geven in te voegen. Ik zag ook dat de auto de weg op reed. Ik heb niet gezien of hij richting aan gaf. Ik reed dus op de linker rijstrook en de auto reed op de rechter rijstrook. Die was ingevoegd. Ik reed denk ik vijftig kilometer per uur, dat is een normale en veilige snelheid daar. Opeens zag ik dat de auto die rechts naast mij reed afsloeg naar links, dus een U-turn maakte. Je kan daar namelijk niet linksaf slaan, alleen keren om de andere kant op te rijden. Je mag daar alleen niet keren, want daar staat een bord dat aangeeft dat je daar niet mag keren. Dat is zo’n rond rood bord met wit vlak met een U-turnteken erop met een pijl. Op het moment dat hij linksaf richting mij reed, kon ik niet meer reageren, remmen of uitwijken.

4.4.2.2. Verdachte heeft direct na het ongeluk het volgende verklaard: “Ik kom uit de ventweg op de Wibaustraat [en] zet mijn voertuig [Range Rover] op de linkerrijstrook (…). Van linksachter komt een scooter. Ik kan niet zeggen hoe het precies gegaan is. Ik heb hem niet gezien terwijl ik toch vaak in mijn spiegels kijk. Ik was aan het nadenken of ik een U-bocht wilde draaien, dus ik had al wat vaart geminderd. En toen zat hij aan mijn zijde, in mijn flank.”

4.4.2.3. Op 28 december 2015 heeft verdachte tegenover de politie onder meer het volgende verklaard: “Ik bestuurde mijn auto en ik kwam vanaf de parallelweg van de Wibautstraat. Ik stond op de uitrit om de Wibautstraat op te gaan. Ik keek in de richting van het verkeersplein aan mijn linkerzijde. Ik zag dat er van ruime afstand verkeer aan kwam. Ik zag er een vrachtwagen staan. (…) Ik had ingeschat dat ik meer dan ruimte genoeg had om in te voegen. Ik was aan het overwegen of ik de U-turn wilde gaan maken, maar ik zag toen dat bord staan. Dat bord dat de U-turn verbied. Ik koos ervoor om meteen naar de linkerrijstrook te gaan. Ik wilde namelijk ruimte maken voor die vrachtwagen. En ik was aan het kiezen wanneer ik naar links zou gaan. Want ik moest ergens een keer naar links. Ik heb tijdens die manoeuvre zeker twee keer over mijn schouder gekeken, dat kan de persoon die naast me zat in de auto bevestigen. Dat is [medepassagier] (…) Toen ik op die linkerrijstrook aan kwam, zat plotseling die motorrijder in mijn linkerflank. Ik schrok me dood. Ik keek over mijn linkerschouder en kennelijk door de schrik draaide ik mijn stuur en maakte ik dus uiteindelijk die U-turn wel. Maar dat was echt uit schrik. Ik was niet begonnen aan de U-turn voordat de motor in mijn linkerflank kwam.

4.4.2.4. [medepassagier] , die naast verdachte in de auto zat, heeft op 20 februari 2016 onder meer het volgend verklaard: “We waren bij WPG geweest, dat zit op de Wibautstraat. (…) Als je van die parallelweg gaat, kom je bij een verkeerslicht. We moesten de andere kant op en bij dat verkeerslicht moesten we een U-turn maken. We reden schuin over de rechterrijstrook naar de linkerrijstrook. Je komt vanaf die parallelweg nogal onhandig uit om de andere kant op te gaan. Ik keek mee en ik zag dat hij (verdachte) goed in de spiegels en ook meerdere malen over zijn linkerschouder keek.

4.4.2.5. [getuige 2] die volgens zijn verklaring reed achter de motorscooter die betrokken was bij het ongeval, heeft op 21 december 2015 het volgende verklaard: “We kwamen vanuit de richting van het Amstelstation. De snelheid was niet hoog. Ik schat het in op ongeveer 20 tot 30 km/u. Ik zag dat de motorscooter vanaf de rechterrijstrook naar de linkerrijstrook ging en accelereerde. Ik zag dat er nog twee scooters reden, maar dat waren bromfietsen volgens mij. Dus die motorscooter had duidelijk een hoger acceleratievermogen. En plotseling zag ik die auto haaks op de weg en botste de motorscooter in de zijkant van de auto. Ik denk dat die auto wilde keren bij de verkeerslichten. Ik weet niet waar die auto vandaan kwam, in ieder geval wel uit dezelfde richting als dat wij reden. Maar ik zag hem pas toen hij haaks op de weg reed en de motor erop knalde. Het was erg druk op de weg, we waren net opgetrokken bij het rode verkeerslicht. Het verkeer staat daar op de Wibautstraat eigenlijk altijd vast, en dat was nu niet anders. We konden dus niet eens hard rijden.”

4.4.2.6. [getuige 1] heeft op 17 december 2015 het volgende verklaard: “Ik was zelf ook met de motor. Ik reed op de Wibautstraat en kwam vanuit de richting van het centrum. De betrokken motor en auto kwamen vanuit de richting van het Amstel station. Ik zag dat de auto ging keren, 180 graden keren. En ik zag dat de motor er links naast reed en werd meegenomen door de auto. Daarna zag ik een heleboel plastic brokstukken door de lucht vlogen. Op welke rijstrook de betrokkenen reden? Dat weet ik niet meer. Het was voor mij zo plotseling. Ik heb vlak na het ongeval nog wel geprobeerd te bedenken wat ik allemaal gezien heb. Maar ik heb eigenlijk alleen gezien dat de brokstukken door de lucht vlogen.

4.4.2.7. De politie komt in haar analyse van het verkeersongeval (pagina 46 van het dossier) ten aanzien van de toedracht, de oorzaak en het gevolg tot het volgende – zakelijk weergegeven. “De bestuurder van de Land Rover bereed op 6 oktober 2015 de ventweg van de Wibautstraat te Amsterdam, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat. De bestuurder van de landrover wilde klaarblijkelijk een U-turn maken om zijn weg in de richting van de Gooiseweg te vervolgen. Volgens de verkeersregeling ter plaatse is dit niet toegestaan en dit is geregeld via bord F7. De bestuurder van de Piaggo bereed de Wibautstraat, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat. De bestuurder van de Piaggio had verklaard dat hij de landrover zag staan en deze ruimte wilde geven om de Wibautstraat op te rijden. De bestuurder van de Piaggio is op de linker rijstrook gaan rijden om deze ruimte te verschaffen. Ter hoogte van de uitrit van de ventweg kwam de, voor de bestuurder van de Piaggio van rechts, landrover de Wibautstraat op rijden, die blijkbaar de intentie had om een U-turn te maken. Hierdoor ontstond er een aanrijding tussen beide voertuigen (…). Het zicht voor de bestuurder van de landrover naar links (de Wibautstraat) was vrij en onbelemmerd.”

4.4.3.

Gelet op de korte afstand tussen de uitrit van de ventweg en de plek op de weg ter hoogte waarvan de aanrijding ongeveer moet hebben plaatsgevonden en de verklaring van [medepassagier] , zoals weergegeven onder 4.4.2.4, is de rechtbank van oordeel dat verdachte vanuit de uitrit (vrijwel) direct (schuin) richting de linkerrijstrook van de Wibautstraat is gereden. De vraag is of kan worden bewezen dat verdachte in strijd met bord F7 heeft gehandeld en is gaan keren.

4.4.4.

De omschrijving van bord F7 als bedoeld in Bijlage 1 van het Regelement verkeerstekens en verkeerstekens 1990 luidt: keerverbod.

4.4.5.

Noch in artikel 1 RVV 1990 noch in de wetsgeschiedenis wordt omschreven wat onder “keren” moet worden verstaan. De uitleg van deze term zal derhalve mede afhangen van wat daaronder in het spraakgebruik wordt verstaan, alsmede van de feitelijke omstandigheden van het geval. Raadpleging van Van Dale Professioneel (Groot woordenboek van de Nederlandse taal) leert dat onder “keren” onder meer wordt verstaan “wenden, draaien, omdraaien” in de zin van “in tegenovergestelde stand brengen” (Vergelijk: Hof Arnhem-Leeuwarden 8 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:927).

4.4.6.

Hoewel vast staat dat verdachte van rijstrook is gewisseld, uiteindelijk is gaan keren en de U-bocht heeft gemaakt op een plek waar dat is verboden, is de rechtbank van oordeel dat noch op grond van de verklaringen van de betrokkenen en getuigenverklaringen noch op grond van het schadebeeld van de auto van verdachte (de deuk in het linker achterportier), ook niet in onderling verband en samenhang beschouwd, met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte reeds aan het keren was, zoals is ten laste gelegd, toen [slachtoffer] tegen hem aanreed. Er zijn geen objectieve gegevens op grond waarvan de feitelijke toedracht van het ongeval komt vast te staan. Er is ook geen technisch onderzoek aan de voertuigen verricht waaruit mogelijk zou kunnen worden opgemaakt onder welke hoek verdachte is aangereden en of sprake was van (beginnen met) keren of van wisselen van rijstrook. Dit brengt mee dat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

4.4.7.

Zowel het uit een uitrit de weg oprijden als het wisselen van rijstrook is een bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarbij de uitvoerder met het overige verkeer rekening moet houden en dit zo nodig voorrang moet verlenen. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende naar voren komt dat [slachtoffer] al op de linker rijstrook reed toen verdachte daar nog niet reed. De verklaring van [slachtoffer] dat toen hij de auto zag, hij besloot op de linker rijstrook te gaan rijden om de auto (van verdachte) de ruimte te geven in te voegen, wordt in zoverre ondersteund door de verklaring van [getuige 2] . De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte en [slachtoffer] min of meer gelijktijdig naar links hebben gestuurd. Dat zou immers betekenen dat [slachtoffer] pas op het laatste moment naar links heeft gestuurd. De rechtbank stelt vast dat verdachte toen hij van rijstrook wisselde, [slachtoffer] , die dus al op de linker rijstrook reed, geen voorrang heeft verleend. De rechtbank is voorts van oordeel dat het verkeersongeval onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid is toe te rekenen aan het verkeersgedrag van verdachte. Het bord met het keerverbod is zo geplaatst dat verdachte vóór het oprijden van de Wibautstraat al had kunnen zien dat hij daar niet mocht keren (foto 3 op pagina 8 in combinatie met foto 5 op pagina 9).

4.4.8.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

4.4.9.

Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke verkeersvoorschriften niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

4.4.10.

Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat uit de enkele omstandigheid dat een verdachte een verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien – hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte zijn rijgedrag daarop moet hebben kunnen afstemmen – niet kan volgen dat hij zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen’ als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (HR 28 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800).

4.4.11.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door in strijd met artikel 54 RVV 1990 geen voorrang te verlenen bij het wisselen van rijstrook aan een motorvoertuig dat al op de linkerrijstrook reed doordat hij dat motorvoertuig niet had waargenomen, ondanks dat hij (in zijn spiegel(s)) had gekeken, weliswaar een verkeersfout heeft gemaakt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer ernstig zijn, maar dat deze verkeersfout onvoldoende ernstig is om te kunnen spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden gemaakt, is niet gebleken en daarom zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.4.12.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte door zijn handelen gevaar heeft veroorzaakt en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde met dien verstande dat verdachte op 6 oktober 2015 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Wibautstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de ventweg van de Wibautstraat, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat, verdachte is vanaf de ventweg van de Wibautstraat de hoofdrijbaan van de Wibautstraat opgereden teneinde de Wibautstraat in de richting van de Gooiseweg te gaan berijden, verdachte heeft (vervolgens) een bestuurder van een personenauto, zijnde [slachtoffer] , die de hoofdrijbaan (linker rijstrook) van de Wibautstraat bereed, komende uit de richting van de Gooiseweg en gaande in de richting van de Weesperstraat, geen voorrang verleend, voornoemde [slachtoffer] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor onder 4.4 genoemde bewijsmiddelen en -overwegingen zijn vervat.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 zal worden veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van twintig dagen. De officier van justitie heeft tevens een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren geëist.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat het volgende aangevoerd. Voor zover bewezen, noopt de ernst van het feit niet tot het opleggen van een ernstige sanctie als een taakstraf. Verdachte is geen roekeloze rijder en heeft in het slechtste geval een verkeersfout gemaakt door [slachtoffer] over het hoofd te zien. Verdachte is ondernemer en eigenaar van een bedrijf met zo’n 2.400 man personeel. Daarnaast verwachten verdachte en zijn vrouw op zeer korte termijn hun eerste kind. Dat vergt, naast zijn werk, een verhuizing en een verbouwing. Een taakstraf zou verdachte en anderen bovengemiddeld hard treffen: het zou ten koste gaan van de tijd die verdachte zou besteden aan zijn bijzondere privésituatie en zijn bedrijf. Verdachte heeft geen loze uren waar de taakstraf als het ware ingepast zou kunnen worden. Ook door oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zou verdachte hard getroffen worden. Hoewel hij lange tijd de auto minder makkelijk heeft genomen, licht angstig als hij was geworden door het ongeval, heeft hij zijn auto en daarmee zijn rijbewijs structureel nodig om zijn bedrijf behoorlijk te kunnen leiden. Indien en voor zover een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op zijn plaats is, wordt verzocht deze geheel voorwaardelijk op te leggen, althans het onvoorwaardelijke gedeelte zo beperkt mogelijk te houden. Er kan in deze zaak worden volstaan met oplegging van een geldboete. Verdachte is bereid en in staat om een geldboete, als door de rechtbank passend en geboden wordt gevonden, te betalen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

8.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.3.2.

Verdachte heeft op 6 oktober 2015 een bijzondere verkeersmanoeuvre willen maken op de Wibautstraat te Amsterdam, een weg waar het eigenlijk altijd druk is. Hij is vanuit de ventweg vlak voor de kruising met de Ringdijk nagenoeg direct naar de linker rijstrook gereden. Hij heeft gevaar veroorzaakt door de linker rijstrook op te rijden hoewel daar op dat moment iemand reed en door deze persoon geen voorrang te verlenen. Hoewel daarover geen recente informatie beschikbaar is, mag worden aangenomen op basis van de wel beschikbare informatie, dat de gevolgen voor het slachtoffer van het ongeval dat hierop volgde ernstig zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat een geldboete van 1000 euro passend en geboden is.

8.3.3.

Ter bevestiging van de norm zal verdachte ook diens bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voorwaardelijk worden ontzegd. Hieraan wordt een proeftijd van twee jaar verbonden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 (twintig) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2018.