Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2223

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
EA 16-960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindbeschikking deelgeschil, besmetting rabiës door hondenbeet, werkgever aansprakelijk op grond van 7: 611 B.W., eigen schuld werknemer door niet (tijdig) ondergaan medische behandeling, uitkering verzekering, werkgever moet deel schade vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0538
PS-Updates.nl 2018-0399
RAR 2018/113
JAR 2018/132
JA 2018/107
RAV 2018/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5295976 EA VERZ 16-960

beschikking van: 10 april 2018

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

nader te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. M.R. Lauxtermann,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEALTHY ENTREPRENEURS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

verweersters,

nader te noemen: HE en NN,

gemachtigde: mr. A.K. Sjouw.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 4 december 2017 is een tussenbeschikking (hierna: de tussenbeschikking) gewezen, waarbij partijen is gevraagd om zich bij akte nader uit te laten. Vervolgens hebben HE en NN bij brief van 21 december 2017 de kantonrechter verzocht het dictum van de tussenbeschikking in de zin van artikel 32 Burgerlijke Rechtsvordering aan te vullen. Bij fax van 22 december 2017 heeft de gemachtigde van [verzoekster] op dit verzoek gereageerd. Bij e-mailbericht van 4 januari 2018 heeft de griffier aan partijen medegedeeld dat niet verzuimd is om te beslissen en dat het verzoek daarom is afgewezen.

Ter uitvoering van de tussenbeschikking heeft [verzoekster] vervolgens op 8 januari 2018 een akte met producties ingediend. Daarop hebben HE en NN bij akte van 19 februari 2018 met producties geantwoord. Bij akte van 28 februari 2018 tevens houdende een wijziging verzoek, met een productie, heeft [verzoekster] gereageerd op de door HE en NN ingebrachte producties en op het door HE en NN gedane verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen in de tussenbeschikking. Verder heeft zij haar verzoek met betrekking tot de gevorderde proceskosten verhoogd. Bij akte van 16 maart 2018 hebben HE en NN zich uitgelaten over de overgelegde productie en het gewijzigde verzoek.

Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling

1. HE en NN hebben in hun akte de kantonrechter in de eerste plaats verzocht op de bindende eindbeslissing dat HE aansprakelijk is voor de uit de beet van de hond voorgekomen schade, zoals vermeld in rechtsoverweging 6 tot en met 9 van de tussenbeschikking, terug te komen. In het daartoe door HE en NN aangevoerde, wordt daarvoor echter geen aanleiding gezien. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

2. Bij tussenbeschikking is verder bepaald dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [naam 1] . [verzoekster] stelt dat zij zich niet kan verenigen met de in rechtsoverweging 12 van de tussenbeschikking aangehaalde omstandigheden, op grond waarvan geoordeeld is dat [naam 1] wist of had moeten weten dat hij toen hij ongevaccineerd werd gebeten door een hond in [land] , zo snel mogelijk medisch behandeld diende te worden. In hetgeen zij hierover stelt wordt echter geen reden gezien om van dit oordeel terug te komen.

3. In de tussenbeschikking zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over wat precies in de eerste 48 uur na de hondenbeet is gebeurd, of behandeling in die 48 uur mogelijk was en hoe groot de kans van slagen was geweest als deze behandeling (ook ná 48 uur) had plaatsgevonden.

3. [verzoekster] heeft bij akte van 8 januari 2018 zo nauwkeurig mogelijk een beeld geschetst van hetgeen zich volgens haar heeft afgespeeld op 4 mei 2013 en de dagen erna. Op grond daarvan heeft zij vastgesteld dat behandeling met MARIG van [naam 1] in de eerste 48 uur na de beet als ook daarna, mogelijk was geweest. [verzoekster] vindt echter dat HE zich hierachter niet kan verschuilen. Zij heeft verder niet toegelicht hoe groot de overlevingskans voor [naam 1] na een medische behandeling zou zijn geweest.

4. Ook HE en NN hebben zich in hun antwoordakte van 19 februari 2018 uitgelaten over het feitelijk verloop en zich eveneens op het standpunt gesteld dat medische behandeling na de beet in de eerste 48 uur mogelijk was geweest. Zij stellen verder dat als binnen 48 uur de juiste behandeling was ingezet, vrijwel zeker geen rabiës was ontstaan en [naam 1] de beet had overleefd. Ook de dagen daarna had behandeling zinvol kunnen zijn. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een advies van [naam 2] (medisch adviseur) van 14 februari 2018 overgelegd. In dit advies is onder meer vermeld:

“(…) Na mijn laatste advies ben ik nog gebeld door de internist-infectioloog van het Erasmus MC met specifieke deskundigheid op dit terrein. Wij hebben samen de vragen doorgenomen die hij als volgt heeft beantwoord zonder de casus te kennen (hetgeen overigens ook voor mij geldt: (…)

3. Wat kunt u zeggen over de overlevingskansen indien een ongevaccineerde reiziger binnen 48 uur wordt behandeld (met MARIG of ERIG)? Kunt u de gegevens uit de casus daarbij betrekken?

De kans op overleven is bijna 1 (een kans ligt tussen 0 en 1) maar is niet gelijk aan 1. Oftewel, bijna zeker overleven.

4. Wat kunt u zeggen over overlevingskansen als de behandeling van een ongevaccineerde reiziger op latere termijn (bijvoorbeeld na enkele dagen, een week) wordt gestart? Kunt u de gegevens uit de casus daarbij betrekken?

Behandeling (in termen van overleven) had succesvol kunnen zijn. De kans op overleven wordt ondermeer positief beïnvloed afhankelijk van waar het virus zich bevindt, eigenschappen van het virus in termen van hoe snel treedt het binnen in de perifere zenuw en hoe snel verplaatst het zich vervolgens in de perifere zenuw. Indien het centrale zenuwstelsel is bereikt heeft behandeling voor zover bekend geen succes meer.

5. In de LCI-richtlijn rabiës is verder vermeld:

“48 uur na de beet infecteert rabiësvirus de perifere zenuw en wordt via het zenuwstelsel het ruggenmerg en uiteindelijk het hersenweefsel bereikt (er is geen sprake van een viremie).”

a. a) Wat betekent dat concreet? Wat kan behandeling nog voor iemand betekenen indien de perifere zenuw door het rabiësvirus is bereikt?

De viruseigenschappen zijn niet goed begrepen. De incubatietijd (de tijd die is verstreken tussen de beet en eerste ziekteverschijnselen) ligt gemiddeld tussen de 30 en 90 dagen maar er zijn in de literatuur ook gevallen bekend van een half jaar. De redenen daarvoor zijn niet bekend. Soms rust het virus in de buurt van de wond, repliceert aldaar maar treedt de perifere zenuw nog niet binnen. Het waarom daarvan is niet bekend. Zolang het centrale zenuwstelsel nog niet is bereikt luidt het advies om te behandelen. Over de kansen van die behandeling wordt geen uitspraak gedaan.

b) Hoeveel later zal de ruggenmerg worden bereikt? Is er dan nog redelijke kans op herstel mogelijk?

Dat is niet goed duidelijk. Zie ook voorgaande antwoorden. Zodra het ruggenmerg is bereikt is de kans op overleven vrijwel 0. In de literatuur wordt aangegeven dat gemiddeld het virus zich verplaatst in het perifere zenuwstelsel met een snelheid van 5-10 cm per dag. (…)”.

5. Verder hebben HE en NN een e-mailbericht van 15 februari 2018 van [naam 2] overgelegd, waarin onder meer is vermeld:

“(…)

De infectioloog van het Erasmus MC heb ik de navolgende vragen voorgelegd waarop deze reactie werd ontvangen.

Vragen:

Eerder hadden wij twee weken terug telefonisch contact betreffende een rabies casus waarvoor nog mijn hartelijke dank.

In aanvulling daarop zou ik u nog wat willen vragen.

De betrokken patient werd gebeten in de onderarm en kreeg op dag 46 last van symptomen die mogelijk wezen op rabies, hij is uiteindelijk overleden aan de gevolgen van rabies.

1. Kunt u in dat licht nog aanvullende conclusies trekken ten aanzien van de kans op overleven indien direct na de beet danwel zo spoedig mogelijk zou zijn begonnen met passende behandeling?

2. Kunt u gezien het ontstaan van de eerste symptomen op dag 46 nog iets zeggen over de plaats waar het virus in die periode zich heeft bevonden vanaf de datum beet.

Ik begrijp dat u verder ook geen weet heeft van de casus in termen van medische informatie, (…)

Antwoorden:

Ad 1: we hadden het er meen ik telefonisch al even over. In principe zeggen we (wereldwijd is hier wel een handvol uitzonderingen over, maar dat gaat echt om heel weinig gevallen) dat bij een zo snel mogelijke actie (indien ongevaccineerd dus MARIG in combinatie met vaccinatie) geen rabies zal ontstaan.

Ad 2: nee. Is het korte antwoord. Het idee is dat het virus zich op de plek van de beet een tijdlang vermenigvuldigt in het omliggende spierweefsel en dan uiteindelijk via de motorische eindplaat vanuit de spier het perifeer zenuwstelsel bereikt en vandaar uit het centraal zenuwstelsel. In het algemeen geldt: hoe dichter gebeten in de plaats van het centraal zenuwstelsel (dus wang vs. grote teen bijvoorbeeld), hoe groter de kans op een snellere betrokkenheid van het centraal zenuwstelsel en daarmee een kleiner tijdswindow van post-expositie behandeling. Anderzijds is het zo dat als 3 mensen in hun duim worden gebeten, ze allemaal op verschillende tijden rabies krijgen. Waarom dit bij de een langer duurt dan bij de ander is op dit moment nog onduidelijk. (…)”.

6. Tot slot stellen HE en NN dat de Amerikaanse tegenhanger van het RIVM, Centers for disease control and prevention (CDC) op vragen hebben geantwoord dat het de ervaring van CDC is dat een behandeling die wordt gestart voordat de symptomen intreden vrijwel 100% effectief is en dat de uitkomst van de Etheart study was dat alle patiënten in die studie de hondenbeet overleefden.

7. In haar akte van 28 februari 2018 heeft [verzoekster] gereageerd op de antwoordakte van HE en NN. Daarin stelt zij, zonder nadere toelichting, dat uit het advies van [naam 2] blijkt dat niet is vast te stellen of een behandeling succesvol zou zijn. In het advies is echter expliciet vermeld dat een behandeling binnen 48 uur een kans op overleven geeft van bijna 1, “Oftewel, bijna zeker overleven”. [verzoekster] betwist verder niet dat behandeling met het juiste medicijn binnen 48 uur mogelijk was geweest. Op grond hiervan wordt dan ook geconcludeerd dat [naam 1] binnen 48 uur behandeld had kunnen worden en als hij dat had laten doen en hem het juiste medicijn was toegediend, hij vrijwel zeker de beet had overleefd. Verder volgt uit het onbetwist gebleven advies en de nadere e-mail dat ook behandeling met het juiste medicijn de dagen na de eerste 48 uur na de beet mogelijk zinvol zou zijn geweest, te meer omdat de symptomen van de ziekte zich (pas) na 46 dagen openbaarden. Zoals overwogen in de tussenbeschikking is onder die omstandigheden sprake van eigen schuld van [naam 1] . Dat Haïti Medicine niet op de hoogte was van de Safety Manuel, als deze al voorhanden was, maakt het voorgaande niet anders. Ook zonder adviezen van anderen had [naam 1] , zoals overwogen in de tussenbeschikking, zo snel mogelijk na de beet medische hulp moeten zoeken. Op grond van de overlevingskansen binnen 48 uur, maar ook daarna, alsmede de mogelijkheden die [naam 1] had om binnen dit tijdsbestek van 48 uur, maar ook daarna, de juiste medische hulp te krijgen, wordt ervan uitgegaan dat [naam 1] voor 85% aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. De verwachting op basis van het advies van [naam 2] is immers dat als [naam 1] binnen 48 uur of kort daarna medisch was behandeld hij de hondenbeet zeer waarschijnlijk had overleefd, in welk geval er geen schade was ontstaan.

8. De uiteenlopende ernst van de door HE en [naam 1] gemaakte fouten, noopt echter op grond van billijkheid tot een andere verdeling van de schade dan 15/85. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat [naam 1] toen hij besloot om niet direct naar de dokter te gaan daadwerkelijk besefte dat dit zou leiden tot zijn (zeer spoedig) overlijden. Nu verder niemand [naam 1] hier expliciet op heeft gewezen, kan de omstandigheid dat hij dit niet heeft gedaan hem minder worden verweten. Daarbij komt dat de beetwond zelf voorspoedig genas, waardoor de wond op zichzelf geen aanleiding gaf om medische hulp in te schakelen. Verder geldt dat [verzoekster] ter zitting heeft uitgelegd dat wellicht de wens om een vast dienstverband te krijgen voor [naam 1] ook een rol heeft gespeeld in de keuze om geen arts te bezoeken. Nu verder het bijtincident niet tijdens zijn werk, in welk geval deze “eigen schuld” wettelijk is uitgesloten, maar wel gedurende zijn verblijf in opdracht van zijn werkgever heeft plaatsgevonden, bestaat reden om een billijkheidscorrectie toe te passen en de verdeling tussen HE en [verzoekster] naar billijkheid te corrigeren naar 35/65, zodat HE 35% van de schade dient te vergoeden. Daarbij is in aanmerking genomen dat HE [naam 1] verzekerd had voor de schade en dat de verzekeraar inmiddels € 250.000,-- bruto aan [verzoekster] heeft uitgekeerd.

9. Bij akte van 28 februari 2018 heeft [verzoekster] haar verzoek met betrekking tot de proceskosten gewijzigd, in die zin dat zij thans ingevolge artikel 1019 aa Rv aanspraak maakt op vergoeding van in totaal € 16.000,-- exclusief btw, te weten:

- € 6.000,-- voor het verzoekschrift;

- € 2.000,-- voor de eerste mondelinge behandeling;

- € 2.000,-- voor de tweede mondelinge behandeling;

- € 3.000,-- voor de derde mondelinge behandeling;

- € 2.000,-- voor de akte van 8 januari 2018;

- € 1.000,-- voor de akte van 28 februari 2018.

[verzoekster] heeft de urenspecificatie van haar gemachtigde overgelegd, die in totaal uitkomt op 181,5 uur ten bedrage van € 32.117,-- voor de gehele procedure en waaruit blijkt dat haar gemachtigde zelf een uurtarief van € 340,-- hanteert en zijn medewerkers een uurtarief tussen € 135,-- en € 310,--.

10. HE en NN hebben verweer gevoerd tegen de hoogte van deze kosten. Zij voeren kortgezegd aan dat de urenspecificatie zoals die eerder in de procedure was overgelegd niet geheel overeenkomt met die zoals bij akte is overgelegd. Verder voeren zij aan dat teveel uren zijn gemaakt onder meer omdat met een advocaat in opleiding aan de zaak is gewerkt, dat het uurtarief van de gemachtigde onredelijk hoog is alsmede dat de procedure veel meer op een bodemzaak is gaan lijken en daarom volledige proceskostenvergoeding achterwege dient te blijven. Zij vinden een proceskosten vergoeding van maximaal 35 uur tegen een gemiddeld uurtarief van € 235,-- redelijk. Tot slot wijzen HE en NN erop dat de schadevergoedingsplicht in deze evenredig met de mate van eigen schuld moet worden verminderd.

11. HE is als aansprakelijk te houden partij gehouden tot vergoeding van alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Met instemming van partijen is de procedure aangehouden in afwachting van het oordeel van de belastingdienst en is in een later stadium het aanvankelijke verzoek aangevuld en tevens een oordeel over de mate van eigen schuld gevraagd. Dit heeft geleid tot een atypische gang van zaken, maar maakt niet dat niet alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen. Met HE en NN wordt geoordeeld dat een gemiddeld uurtarief van € 235,-- redelijk is. Nu [verzoekster] slechts de helft van de daadwerkelijk gemaakte kosten vordert en dit bedrag van € 16.000,-- bij een gemiddeld uurtarief van € 235,-- neerkomt op 68 uur, wordt geoordeeld dat deze kosten voor deze atypische deelgeschilprocedure redelijk zijn. Nu echter hiervoor de mate van eigen schuld is vastgesteld op 65% en deze kosten schade betreffen, is HE gehouden tot vergoeding van 35% van deze kosten, te weten € 5.600,-- exclusief btw.

12. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, bestaat geen grond om NN in deze kosten te veroordelen. Als verzekeraar van HE zal zij wellicht uiteindelijk deze kosten dragen, maar de contractuele verhouding tussen HE en NN geeft geen rechtstreekse aanspraak voor [verzoekster] hiervoor op NN.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat HE aansprakelijk is voor de schade door het overlijden van [naam 1] en dat de daaruit ontstane schade voor 35% door HE dient te worden vergoed;

veroordeelt HE tot betaling van € 5.600,00 exclusief btw aan kosten ex artikel 1019aa lid 1 Rv aan [verzoekster] ;

veroordeelt HE tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden en HE niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de beschikking heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018 in tegenwoordigheid van mr. T.C. van Andel, griffier.