Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2160

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
13/650717-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man krijgt 12 jaar gevangenisstraf voor het met een pistoolmitrailleur doodschieten van een jonge man. Dat gebeurde op 10 oktober 2016 op de Meibergdreef nabij het AMC in Amsterdam-Zuidoost. De man wordt ook veroordeeld voor het bezit van het vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650717-16 (Promis)

Datum uitspraak: 10 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in het Huis van Bewaring [huis van bewaring] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de pro-forma terechtzittingen op 4 april 2017, 15 juni 2017, 17 augustus 2017, 6 november 2017, 26 januari 2018 en de inhoudelijke terechtzitting op 27 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. H.C. Meijer naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 oktober 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, door met zijn mededader(s), althans alleen, (na kalm beraad en/of rustig overleg) een of meermalen, met een vuurwapen op die [slachtoffer] te schieten (waarbij die [slachtoffer] dodelijk werd getroffen);

2.

hij op of omstreeks 10 oktober 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer wapens van categorie II, te weten een machinegeweer (type Cz Vz 61 Skorpion) en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 10 oktober 2016 is Isilnando [slachtoffer] , in het bijzijn van zijn vriendin [naam vriendin] , rond 23:30 uur doodgeschoten op de Meibergdreef nabij het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam.

Uit het dossier blijkt dat er eerder die avond, tussen ongeveer 22:00 en 23:00 uur een ruzie heeft plaatsgevonden tussen enerzijds [naam 1] , [naam 2] en anderzijds [slachtoffer] eerst in en daarna buiten een snackbar in Reigersbos, een wijk in Amsterdam Zuidoost. [slachtoffer] zou [naam 1] toen in zijn wang hebben gestoken met een scherp voorwerp. Verdachte, die niet bij dit incident aanwezig was, heeft zich kort daarna samen met [naam 3] aangesloten bij [naam 1] en [naam 2] . Ook een aantal andere jongens hebben zich bij de groep gevoegd die dan uit zeven jongemannen bestaat. Zij zijn op weg naar het AMC gegaan waar [naam 1] zijn steekwond wil laten hechten. Zij zijn met de metro vanaf station Reigersbos naar het nabij het AMC gelegen metrostation Holendrecht gereisd. De groep heeft dit metrostation verlaten en is gaan lopen in de richting van het AMC.

Enkele minuten later treffen de groep jongemannen en [slachtoffer] en zijn vriendin elkaar op de Meibergdreef en vindt er een confrontatie plaats.

Uit het dossier komt naar voren dat deze confrontatie lijkt te worden gevoed door het opgewonden en geagiteerde gedrag van [naam 1] . [naam 1] is kennelijk nog steeds boos over het steekincident eerder die avond en hij gedraagt zich opgefokt. Uit getuigenverklaringen blijkt dat hij luid aan het praten was en steeds opmerkingen maakte over [slachtoffer] en dat die ‘zou gaan zien’ ‘als ik hem zie’.

[slachtoffer] reageert hierop en vraagt [naam 1] wat hij dan gaat doen. De situatie is gespannen en [naam vriendin] probeert [slachtoffer] weg te trekken van de groep. Dit lukt haar niet en op het moment dat [slachtoffer] een paar stappen in de richting van de groep zet klinken er schoten. [slachtoffer] valt op de grond en overlijdt kort daarna.

Uit de sectie blijkt dat hij door acht kogels in zijn borst en longen is geraakt.

Over de vraag of verdachte verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] kan de rechtbank kort zijn. Verdachte heeft bekend dat hij de fatale schoten heeft gelost en ook uit meerdere getuigenverklaringen blijkt dat verdachte degene is geweest die op [slachtoffer] heeft geschoten. Verdachte heeft verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest om [slachtoffer] te doden en dat hij dacht dat [slachtoffer] hem ging aanvallen.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en of hij het feit alleen of samen met anderen heeft gepleegd.

Daarnaast is de vraag aan de orde of verdachte met een of meer anderen een pistoolmitrailleur en munitie voor handen heeft gehad.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer] . De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht zodat hij van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Volgens de officier van justitie heeft verdachte alleen gehandeld. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een of meer ander(en), zodat hij ook van het tenlastegelegde medeplegen vrijgesproken dient te worden.

De officier van justitie acht wel bewezen dat verdachte samen met een ander een pistoolmitrailleur en munitie van de categorie II voorhanden heeft gehad.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte verweten kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Dat hij heeft gehandeld met voorbedachte raad kan volgens de verdediging niet bewezen worden. Verdachte had het wapen niet meegenomen om [slachtoffer] ermee te doden. Hij had het wapen bij zich, en ook voorafgaand aan het incident vaker bij zich gedragen, omdat hem dat een veilig gevoel gaf. Dit was in reactie op een incident in 2016 waarbij verdachte slachtoffer was geworden van een geweldsdelict. Verdachte had nog nooit met het wapen geschoten of dit wapen op een andere manier gebruikt. Verder blijkt uit het dossier dat de confrontatie met [slachtoffer] toevallig was. Niemand van de betrokkenen heeft geweten dat zij elkaar daar op dat moment voor het AMC tegen zouden komen. Uit de verschillende getuigenverklaringen in het dossier blijkt dat de tijd tussen het moment waarop [slachtoffer] en de groep van verdachte elkaar treft en het schieten slechts enkele seconden bedraagt. Hierdoor is er voor verdachte geen tijd geweest om zich te beraden op zijn beslissing om op het slachtoffer te schieten. Er is niet gebleken dat verdachte tijd heeft gehad om na te denken over de gevolgen van zijn daad en om zich daar rekenschap van te geven. Verdachte heeft gehandeld uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Ten aanzien van het bewijs voor het voorhanden hebben van een vuurwapen refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Het staat vast dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij wel op [slachtoffer] wilde schieten, maar dat het nooit zijn bedoeling is geweest om [slachtoffer] te doden. Verdachte heeft op een afstand van drie à vier meter een pistoolmitrailleur op [slachtoffer] gericht. Volgens zijn eigen verklaring heeft hij op het middel van [slachtoffer] gericht en toen geschoten. Verdachte heeft naar eigen zeggen de pistoolmitrailleur op een eerder moment gevonden en bekeken. Hij wist dat het wapen doorgeladen was want hij had zelf gezien dat de loop niet vrij was. Verdachte heeft verklaard geen enkele schietervaring te hebben. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte niet in staat kan worden geacht een pistoolmitrailleur te hanteren. Verdachte schoot het magazijn leeg in de richting van [slachtoffer] . De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte daarbij niet telkens de trekker heeft overgehaald maar dat dit, zoals verdachte heeft verklaard, in één keer is gebeurd. De pistoolmitrailleur had immers ook een stand voor volautomatisch en het kennelijke gebrek aan kennis zal hier zeker aan hebben kunnen bijdragen. De kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden was onder al deze omstandigheden zo goed als zeker.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door op deze manier te handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit kon gebeuren en hiermee voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] .

Het dossier bevat geen gegevens op grond waarvan met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte volgens een vooropgezet plan na kalm beraad of rustig overleg [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden bewezen dat verdachte daarbij heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het bestanddeel voorbedachte raad.

De omstandigheid dat anderen uit de groep waarvan verdachte deel uitmaakte wel wisten dat hij een vuurwapen bij zich had is onvoldoende om vast te stellen dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking. Nu een onderlinge samenwerking niet kan worden vastgesteld brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat het bestanddeel “tezamen en in vereniging met een ander of anderen”, het medeplegen, niet bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van de pistoolmitrailleur heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij er na het schietincident van af wilde en het daarom aan [naam 1] heeft gegeven met het kennelijke doel het te laten verdwijnen. [naam 1] heeft de pistoolmitrailleur aangepakt en daarna weggegooid op een bouwterrein waar het wapen later is aangetroffen. Vanaf het moment dat [naam 1] de pistoolmitrailleur van verdachte overnam is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onderlinge samenwerking.

Op het moment dat [naam 1] de pistoolmitrailleur aanpakte had verdachte alle kogels die erin zaten verschoten. De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte samen met [naam 1] een pistoolmitrailleur, zijnde een vuurwapen van categorie II voorhanden heeft gehad, maar houdt alleen verdachte verantwoordelijk voor het voorhanden hebben van de munitie.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op 10 oktober 2016 te Amsterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen op die [slachtoffer] te schieten waarbij die [slachtoffer] dodelijk werd getroffen;

ten aanzien van feit 2:

hij op 10 oktober 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II, te weten een machinegeweer (type Cz Vz 61 Skorpion) en alleen munitie van categorie II, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

6.1

Noodweer

6.1.1

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitaantekeningen aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer/noodweerexces dan wel putatief noodweer/noodweerexces De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, althans heeft gedacht dat daarvan sprake was. Daartoe heeft de raadsman, samengevat, het volgende aangevoerd.

Op de avond van 10 oktober 2016 heeft verdachte van een vriend gehoord dat [naam 1] eerder op die avond door [slachtoffer] in zijn wang was gestoken. Verdachte sluit zich aan bij [naam 1] en ongeveer vijf andere jongens die op weg zijn naar het AMC om de wond van [naam 1] te laten hechten. Als zij de straat oversteken hoort verdachte iemand zeggen: “Nu gaan jullie zien”. Als verdachte zich omdraait ziet hij [slachtoffer] . Verdachte weet wie [slachtoffer] is want hij is aan het einde van de zomer van 2016 eerder met [slachtoffer] geconfronteerd geweest. [slachtoffer] heeft verdachte toen dreigend aangesproken en daarbij een gedeelte van een mes laten zien.

De groep waarvan verdachte deel uitmaakt staat tegenover [slachtoffer] , die daar samen is met zijn vriendin, op een afstand van ongeveer drie à vier meter. Verdachte ziet dat [slachtoffer] naar hem wijst en zegt: “Ik ga je dood maken. Jij, je bent dood” en dat [slachtoffer] op hem toe komt lopen. De vriendin van [slachtoffer] probeert [slachtoffer] tegen te houden maar die rukt zich van haar los en verdachte ziet [slachtoffer] vervolgens dreigend, boos, agressief en aanvallend op hem afkomen. Verdachte heeft toen een wapen tegen zijn lichaam gehouden en vervolgens met het vuurwapen geschoten om zich tegen die aanval te verdedigen. De raadsman heeft gewezen op wat verdachte hieromtrent heeft verklaard in zijn politieverhoor van 10 maart 2017.

Verdachte heeft de confrontatie met [slachtoffer] niet opgezocht en evenmin heeft hij de aanval door [slachtoffer] uitgelokt. Verdachte is juist stil blijven staan en heeft niets gezegd. De agressieve houding van [slachtoffer] , de woorden die hij sprak, het dreigend richting verdachte lopen en de omstandigheid dat [slachtoffer] kort daarvoor een vriend van verdachte in het gezicht had gestoken, maken het handelen van verdachte een verdedigende reactie op de aanval door [slachtoffer] .

Het was voor verdachte noodzakelijk om zich tegen deze aanranding te verdedigen en de manier waarop hij dat heeft gedaan was geboden aangezien verdachte en [slachtoffer] op een zeer korte afstand van elkaar stonden en het voor verdachte niet mogelijk was om zich aan de aanranding te onttrekken. Verdachte had het wapen bovendien getoond aan het slachtoffer. Verdachte heeft vervolgens één keer de trekker overgehaald om zich op die wijze te verdedigen tegen de aanval. Het vuurwapen bleek evenwel geschikt te zijn om automatisch mee te vuren waardoor er onbedoeld meerdere kogels zijn afgevuurd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat die gedraging niet in verhouding staat tot de aanval van [slachtoffer] . Verdachte heeft terecht - gezien het incident eerder die avond - aangenomen en kunnen menen dat [slachtoffer] een mes bij zich had en dat hij daarmee werd aangevallen. Om die reden heeft hij zich daartegen mogen verdedigen met een vuurwapen.

De raadsman heeft subsidiair gesteld voor het geval de rechtbank oordeelt dat er sprake is van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

Hij stelt dat verdachte als onmiddellijk gevolg van een hevige door die hiervoor beschreven aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan strikt genomen geboden was. Die hevige gemoedsbeweging is veroorzaakt door en een onmiddellijk gevolg van de aanval door [slachtoffer] en is van doorslaggevend belang geweest voor het handelen van verdachte.

Meer subsidiair heeft de raadsman gesteld dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt omdat er sprake is geweest van een aanval in de vorm van agressief gedrag door [slachtoffer] waarbij voor verdachte een situatie is ontstaan waarin hij zich meende te moeten verdedigen. Mocht de rechtbank oordelen dat die verdediging disproportioneel is geweest en het beroep op putatief noodweer wordt verworpen, dan komt verdachte een beroep op putatief noodweerexces toe. Verdachte verkeerde namelijk in de veronderstelling dat [slachtoffer] hem fysiek zou aanvallen en dat hij zich daartegen moest verdedigen, waardoor hij uit schrik en angst heeft geschoten. Verdachte heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan door de aanwezigheid van een hevige gemoedsbeweging en daardoor is zijn buitenproportionele handelen te verontschuldigen. Volgens de raadsman moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.1.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op (putatief) noodweer(exces) moet worden verworpen.

Verdachte heeft verklaard geen mes te hebben gezien bij [slachtoffer] en het is slechts de aanname van verdachte dat hij door [slachtoffer] zou worden neergestoken omdat er eerder die avond een steekincident had plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en [naam 1] , waarbij laatstgenoemde gewond is geraakt aan zijn wang. Onvoldoende is komen vast te staan dat [slachtoffer] verdachte iets wilde aandoen en op hem af kwam lopen. Uit het dossier volgt eerder dat de aandacht van [slachtoffer] juist gericht was op [naam 1] . Er was dan ook geen sprake zijn van onmiddellijk dreigend gevaar waartegen het schieten door verdachte geboden was. [slachtoffer] heeft ook geen gedragingen verricht die door verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm en in alle redelijkheid mochten worden geïnterpreteerd als

een aanranding van zijn lijf. Het is hooguit een beleving van verdachte en dat kan geen basis vormen voor een geslaagd beroep op noodweer als voorgesteld door verdachte.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel sprake is van een noodweersituatie, dan heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat schieten met een pistoolmitrailleur onder de gegeven omstandigheden niet als noodzakelijke verdediging geboden was. Verdachte bevond zich in een groep van circa zes personen en dus in een numerieke meerderheid tegenover [slachtoffer] met zijn vriendin. Verdachte - die op de fiets was - had weg kunnen gaan en als dat niet tot de mogelijkheden behoorde had hij kunnen volstaan met het uitsluitend dreigen met het wapen door deze te tonen.

6.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer, noodweerexces, putatief noodweer en putatief noodweerexces en overweegt daartoe als volgt.

Op het moment dat partijen elkaar in de buurt van het metrostation Holendrecht bij een zebrapad tegenkomen is het [naam 1] die zich opgewonden en geagiteerd gedraagt. [slachtoffer] heeft daarop gereageerd met de woorden “wat ga je dan doen”, althans woorden van gelijke strekking, Hij had zijn aandacht gericht op [naam 1] . Een situatie zoals door verdachte is beschreven en de door hem genoemde dreiging vanuit [slachtoffer] naar verdachte is door niemand anders waargenomen.

De rechtbank wijst in dit verband op de verklaringen die een deel van de aanwezige vrienden van verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.

Zo heeft [naam 2] verklaard “Op enig moment kwamen we de man tegen die [naam 1] had gestoken. (…) Die man zat over te steken, naar onze kant, naar ons toe. Hij kwam dus van de andere kant van de weg. (…) We zagen die man pas toen hij drie tot vier passen voor ons was. [naam 1] zei: ”Als ik die gast zie, als ik die gast zie.” En toen stond die man ineens voor ons en zei: “Wat ga je dan doen? [naam 1] sprong naar achteren. Die man kwam naar ons toe, zette twee tot drie stappen en toen werd hij vermoord. (….) Ik dacht: “Het wordt vechten.” Ja, je ziet dat gewoon. Zo’n man die bedreigend op je afkomt. Dat was mijn gevoel ja. En toen? Er werd wat geroepen door [naam 1] , en toen hoorde ik zeven schoten en lag de man op de grond.(….) U vraagt mij of die man behalve ’wat ga je dan doen’ nog andere dingen heeft gezegd. Nee, volgens mij niet. (…) Hij keek agressief, maar hij zei verder niets.”

[naam 4] heeft verklaard: “We waren bij de oversteekplaats bij de bussen en toen kwamen we die man tegen van dat voorval van de snackbar. We liepen elkaar tegemoet. Wij moesten oversteken en hij kwam van de andere kant, van de zijde van de bussen, onze kant op. (…) Maar ik hoorde de stem van die jongen die in de snackbar was gestoken. Na dat geschreeuw hoorde ik schoten. (…) Wij zijn elkaar niet helemaal genaderd. Ik hoorde schoten en iedereen ging een kant uit.

[naam 3] heeft verklaard: We liepen op de stoep en staken over. Ik liep achter en hoorde [naam 1] mopperen over die gast. Hij zei: “Als ik hem zie” of zo. Toen hoorde ik die jongen zeggen: “Ja, ik ben hier, Doe dan.” Toen schrok ik. (…) We waren precies bij het zebrapad. Ik stond aan de achterkant van de groep. Die gast kwam van de andere kant. We liepen naar elkaar toe. (…) Het leek of die man en [naam 1] gingen vechten. Waarom? Ze namen allebei zo’n pose aan. Ze gingen om elkaar heen draaien. [naam 1] en die jongen. (…) Ze hielden hun handen voor zich maar er was nog geen klap uitgedeeld. (…) Alleen [naam 1] stond daar met die man. Het volgende moment greep [verdachte] in. Toen werd er geschoten. Dat was nog voordat er een klap werd uitgedeeld.

Niemand van de betrokkenen, ook verdachte niet, heeft tijdens deze ontmoeting een (steek)wapen bij [slachtoffer] gezien of (behoudens verdachte) een dreigement gehoord waaruit kon worden afgeleid dat [slachtoffer] dat bij zich had dan wel dat hij dit wilde gebruiken. Verder bevond verdachte zich in een groep van zeven jongvolwassen mannen tegenover [slachtoffer] , in gezelschap van zijn vriendin. Verdachte had op dat moment bovendien en als enige een fiets bij zich.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Omdat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer en daarom ook niet op noodweerexces toekomt.

De rechtbank stelt verder vast dat er geen sprake is van een situatie waarin verdachte heeft kunnen veronderstellen dat er wel een noodzaak bestond zich te verweren tegen een door hem, ten onrechte, als aanranding van zijn lijf veronderstelde aanval. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat ook het beroep op putatief noodweer(exces) faalt.

De conclusie luidt dan ook dat de bewezen geachte feiten volgens de wet strafbaar zijn. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De toerekeningsvatbaarheid van verdachte

Verdachte is onderzocht door een psycholoog en een psychiater.

Uit het rapport van 25 april 2017 van psychiater H.S. Backer blijkt dat er geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis maar dat er wel, op grond van informatie van verdachte, sprake was van een angstreactie na eerdere ervaringen met geweld.

Dit was tijdens het ten laste gelegde ook het geval. Opvallend is dat betrokkene zich in het verleden, nadat hij als veertienjarige was overvallen, ook heeft bewapend, toen met een mes. Deze angstreactie voldoet evenwel niet aan de criteria van enige psychiatrische stoornis, zoals PTSS, een Acute Angststoornis of een Aanpassingsstoornis. De deskundige heeft geen advies gegeven over interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken omdat er geen psychische stoornis is vastgesteld. De deskundige ziet geen aanleiding voor verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De GGZ-psycholoog, S.A. Moonen, komt ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid in het rapport van 4 mei 2017 tot een andere conclusie. De psycholoog stelt vast dat er sprake is van een angststoornis en dat verdachte daarom als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd moet worden. Volgens de deskundige is er sprake van een niet gespecificeerde angststoornis die ook aanwezig was tijdens het tenlastegelegde. Er is enige mate van doorwerking van de aanwezige angststoornis in het handelen van verdachte.

De uitleg van de psychiater dat de angstreactie, die ook de psycholoog in ogenschouw neemt maar als een angststoornis kwalificeert, niet voldoet aan de criteria van enige psychiatrische stoornis legt veel gewicht in de schaal. De rechtbank zal dan ook de conclusies van psychiater H.S. Backer overnemen, omdat het vaststellen van een psychiatrische stoornis bij uitstek tot zijn deskundigheidsgebied behoort, en die conclusies tot de hare te maken. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis en acht verdachte derhalve toerekenbaar voor de door hem gepleegde feiten.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, dat hij een first offender is en dat hij spijt heeft van zijn handelen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op korte afstand gericht geschoten op [slachtoffer] met een pistoolmitrailleur. [slachtoffer] en ook de andere omstanders hebben dit niet zien aankomen. Hij was dan ook kansloos tegen dit extreme geweld en het kon haast niet anders zijn dan dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zou komen te overlijden. Dat is dan ook gebeurd. Het mag een wonder genoemd worden dat er niet meer slachtoffers zijn gevallen gelet op de nabijheid van een groot aantal personen tijdens het schietincident, waaronder de (toen pril zwangere) vriendin van [slachtoffer] .

Verdachte heeft verklaard het betreffende wapen bij zich te hebben gedragen voor zijn eigen gevoel van veiligheid. De rechtbank kan hem hier op geen enkele manier in volgen. Het enkele bij zich dragen van een vuurwapen, laat staan een doorgeladen pistoolmitrailleur, draagt een extreem groot risico op fatale gevolgen in zich. Wie een wapen draagt zal het kunnen gebruiken en neemt daarmee volstrekt onverantwoorde keuzes ten opzichte van anderen, zoals hier ook is gebleken. Daarbij komt dat verdachte, zoals blijkt uit camerabeelden, kort daarvoor op het metrostation - nadat een van de andere jongemannen uit zijn groep een mes laat zien – de anderen in zijn tas waar het wapen in zit laat kijken. Nota bene een kapotte tas waardoor volgens getuigenverklaringen het vuurwapen duidelijk voor omstanders zichtbaar was. Hieruit spreekt niet zozeer angst maar veel eerder stoerdoenerij en een onbegrijpelijke nonchalance.

De rechtbank acht deze zaak zeer ernstig. Elk schietincident zorgt voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het overlijden van [slachtoffer] en de wijze waarop dat is gebeurd heeft bovendien gezorgd voor veel verdriet, woede en onmacht bij zijn nabestaanden. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen van zijn moeder, zijn vriendin en een zus. Uit deze verklaringen blijkt niet alleen hoezeer hij door zijn familie wordt gemist. Met name het feit dat zijn kinderen hem in hun leven moeten missen en dat zijn jongste kind hem nooit zal kennen omdat zij geboren is na zijn overlijden doet zijn nabestaanden veel pijn.

De rechtbank ziet naar aanleiding van deze zaak bovendien de noodzaak om een maatschappelijk signaal af te geven mede om aan anderen duidelijk te maken dat het ongeoorloofde bezit van vuurwapens, en het daarmee gepaard gaande gedrag, dus het gebruik daarvan, niet langer geaccepteerd kan worden.

Gelet op de ernst van de feiten en met het oog op de generale preventie en afschrikwekkende werking van onvoorwaardelijke gevangenisstraffen acht de rechtbank een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval passend en geboden. De omstandigheid dat verdachte first offender is en zijn jeugdige leeftijd zijn door de rechtbank daarbij in ogenschouw genomen.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [naam vriendin]

De benadeelde partij [naam vriendin] vordert € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en deze voor toekenning in aanmerking komt.

De raadsman van verdachte heeft de vordering en de hoogte daarvan betwist. Hij heeft gesteld dat de brief van GGZ Centraal, die niet door de psychiater maar door de verpleegkundig specialist in opleiding is ondertekend, een onvoldoende onderbouwing oplevert om vast te kunnen stellen dat er sprake is van psychisch letsel. Verder is aangevoerd dat als de rechtbank de vordering wel toewijsbaar acht er in de brief van GGZ Centraal wordt gesproken over een geluxeerde PTSS. Dit houdt in dat er kennelijk andere problemen speelden bij de benadeelde partij die onduidelijk zijn gebleven. Dit maakt dat de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk moet verklaren of het bedrag van de vordering moet matigen dan wel moet oordelen dat deze vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert hetgeen eveneens tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij [naam vriendin] door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van mevrouw [naam vriendin] kan worden toegewezen. Op het moment dat [slachtoffer] werd doodgeschoten stond zij naast hem. [naam vriendin] is getuige geweest van het schieten op haar partner, vader van hun nog ongeboren kind, en het overlijden zeer kort daarop van haar partner. Zij is voorts getuige geweest van hoe haar inmiddels overleden partner op straat lag en de hulpdiensten arriveerden. Zij heeft nu nog steeds nachtmerries en flashbacks van het hele gebeuren. Uit de brief van GGZ Centraal blijkt dat er sprake is van een posttraumatische stressstoornis bij haar. De rechtbank acht deze brief voldoende onderbouwing van de diagnose PTSS. Dat deze brief niet door E.H.M. Letsoin, de psychiater die onderaan de brief wordt vermeld, zelf is ondertekend maar namens haar door de verpleegkundig specialist in opleiding, mevrouw [naam 5] maakt dat niet anders. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 15.000,00.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam vriendin] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 15.000,00 (vijftien duizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2016.

Benadeelde partij [benadeelde 1] , mede namens haar zoon [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert mede namens haar zoon [benadeelde 2] € 6.240,86 aan materiële schadevergoeding en € 40.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De materiële kosten bestaan uit reiskosten van mevrouw [benadeelde 1] en haar zoon [benadeelde 2] vanuit Suriname naar Nederland en vice versa (€ 1.642,00 en € 1.559,80). Daarnaast zijn er reiskosten gemaakt voor het reizen naar familieleden, instanties in verband met het politieonderzoek, de identificatie van het lichaam, de begrafenis en de rechtszittingen, het gesprek met de officier van justitie en besprekingen met de advocaat (€ 108,80 en € 144,00). Mevrouw [benadeelde 1] heeft verder inkomsten moeten derven omdat zij haar baan in Suriname niet kon behouden (€ 2.765,71). Daarnaast heeft mevrouw [benadeelde 1] kosten gemaakt voor de behandeling bij een psycholoog (€ 20,55).

De raadsvrouw van mevrouw [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , mr. L. Scheffer, heeft gesteld dat de reiskosten (ook de tickets van en naar Suriname) die gemaakt zijn door mevrouw [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (ook) aangemerkt kunnen worden als proceskosten en op die grond voor toewijzing in aanmerking komen.

De gestelde immateriële schade bestaat uit shockschade van mevrouw [benadeelde 1] door geconfronteerd te zijn met het lichaam van haar overleden zoon, begroot op € 15.000,00. Anticiperend op een mogelijke wetswijziging wordt daarnaast vergoeding van affectieschade gevorderd. Voor mevrouw [benadeelde 1] wordt een bedrag van € 20.000,00 gevorderd en voor [benadeelde 2] een bedrag van € 5.000,00.

Benadeelde partij [benadeelde 3]

Voor [benadeelde 3] wordt een bedrag van € 907,00 aan materiële schadevergoeding gevorderd en daarnaast € 17.500,00 als vergoeding voor immateriële schade.

De materiële schade ziet op reiskosten vanuit en naar Suriname (€ 750,00), kosten voor het reizen voor politieonderzoek, de identificatie, de begrafenis, de rechtszittingen, het gesprek met de officier van justitie en de besprekingen met de advocaat (€72,00) en kleding voor de begrafenis (85,00).

De gestelde immateriële schade bestaat uit shockschade door geconfronteerd te zijn met het lichaam van zijn broer en de plaats delict op een later moment, begroot op € 10.000,00. Anticiperend op een mogelijke wetswijziging wordt daarnaast vergoeding van affectieschade gevorderd tot een bedrag van € 7.500,00.

Standpunt officier van justitie ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

De officier van justitie heeft gesteld dat de wet geen mogelijkheden biedt om aan nabestaanden een schadevergoeding voor de kosten van reizen en gederfde inkomsten toe te kennen en dat deze posten niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de immateriële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

De raadsman van verdachte heeft de vordering ter terechtzitting betwist en gesteld dat de Nederlandse wetgeving een vergoeding voor de materiële kostenposten zoals opgegeven niet kent. Dit geldt ook voor de immateriële schadevergoeding waar het ziet op shockschade.

Ten aanzien van shockschade gelden strikte voorwaarden ten aanzien van geestelijk letsel als gevolg van een overlijden. Uit de onderbouwing bij de vordering blijkt onvoldoende dat er sprake is geestelijk letsel. Dit maakt dat de vordering voor zowel het materiële deel als het immateriële deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsman de rechtbank verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu de Nederlandse wet geen mogelijkheid biedt deze schade te vergoeden en dient er niet vooruit gelopen te worden op een eventuele wetwijziging.

Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

De wet biedt slechts beperkte mogelijkheden voor de nabestaanden/erfgenamen van een persoon die ten gevolge van een strafbaar feit is overleden om zich als benadeelde partij in het strafgeding te voegen. Het kan dan slechts gaan om vorderingen die de overledene bij leven als gevolg van het strafbare feit op de verdachte had en die de erfgenaam onder algemene titel heeft verkregen. Daarnaast kunnen gederfde kosten van levensonderhoud worden vergoed alsmede de kosten van lijkbezorging aan degene die deze kosten heeft gemaakt (artikel 51f lid 2 Sv juncto artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

De materiële schadevergoeding

Gelet op het gestelde in artikel 51f lid 2 Sv juncto artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek biedt de wet geen mogelijkheden om een schadevergoeding voor de reiskosten, de begrafeniskleding, de gederfde inkomsten en de kosten voor een psycholoog toe te kennen. Dit betekent dat de vordering van de reiskosten vanuit en naar Suriname en de reiskosten die mevrouw [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , hebben gemaakt in verband met politieonderzoek, identificatie, begrafenis, rechtszittingen, gesprek met de officier van justitie en de besprekingen met de advocaat niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit geldt ook voor de begrafeniskleding voor [benadeelde 3] . De gederfde inkomsten wegens het niet kunnen behouden van haar baan in Suriname van mevrouw [benadeelde 1] en de kosten voor een psycholoog dienen eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de reiskosten nog bepleit deze als proceskosten voor vergoeding in aanmerking te laten komen. De rechtbank gaat hier niet in mee. De vliegtickets zijn niet gekocht in het kader van het strafproces en de overige reiskosten zijn onvoldoende concreet onderbouwd.

De immateriële schadevergoeding

De rechtbank begrijpt dat mevrouw [benadeelde 1] en haar beide zoons groot leed is aangedaan door het gewelddadige overlijden van [slachtoffer] . Toch zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering tot vergoeding van immateriële schade.

In het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade ten aanzien van het verlies van een dierbare zeer beperkt. Alleen de situatie zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de shockschade, kan onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking komen. Affectieschade valt daar niet onder. Dat de Tweede kamer het wetsvoorstel Vergoeding van affectieschade op 9 mei 2017 heeft aangenomen, maakt dit niet anders, omdat het tot op heden nog slechts een voorstel tot wetswijziging is. De rechtbank zal niet, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wetswijziging, een dergelijke vergoeding toekennen.

Shockschade is geestelijk letsel dat men oploopt door een schokkende gebeurtenis, waarbij de

shock dermate ernstig is dat deze leidt tot een aantasting van de gezondheid, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Bij mevrouw [benadeelde 1] , noch bij [benadeelde 3] is een dergelijk letsel als direct gevolg van de doodslag vastgesteld.

De brief van de huisarts van mevrouw [benadeelde 1] biedt hiertoe onvoldoende onderbouwing nu vereist is dat een psychiatrische stoornis door een deskundige, zoals een psychiater dient te worden gediagnosticeerd. Ten aanzien van [benadeelde 3] is de vordering op dit punt in het geheel niet onderbouwd.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen tot materiële - en immateriële schadevergoeding, zodat de vordering desgewenst nog met een nadere onderbouwing bij de burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt. Voor een nadere onderbouwing op dit punt is in het strafproces geen plaats. Dit zou tot een vertraging van het proces en daarmee tot een onevenredige belasting van het strafproces leiden

Benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 5] , wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde 4] , zoon van [slachtoffer] , vordert € 300,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Mevrouw [benadeelde 5] heeft namens haar zoon aangegeven dat zij hem graag een dag zou willen geven waarop hij weer eindelijk eens kind kan zijn. [benadeelde 4] is door het gewelddadig overlijden van zijn vader getraumatiseerd geraakt en is onder behandeling van een psycholoog.

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van mevrouw [benadeelde 5] niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu er voor deze vordering geen wettelijke basis bestaat.

De raadsman heeft de vordering betwist en gesteld dat hoewel verdachte deze vordering wel zou willen betalen er een wettelijke grondslag ontbreekt voor toewijzing ervan. De raadsman heeft daarom verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

een vuurwapen, hulzen en munitie.

Nu deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van een soortelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

De overige in beslag genomen goederen:

worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Ook de kleding en schoenen van het slachtoffer worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De rechtbank wil hiermee, zoals door de officier van justitie is voorgesteld, de nabestaanden in de gelegenheid stellen zelf te bepalen of zij de kleding en schoenen terug willen hebben.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

doodslag;

Feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [naam vriendin] , toe tot een bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (10 oktober 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam vriendin] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam vriendin] aan de Staat € 15.000,00 (vijftienduizend euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 110 (honderdtien dagen), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (10 oktober 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

3 1 Huls 5267285

4 1 Huls, 7,65 mm - 5267286

5 1 Huls 7.65 mm - 5267287

6 1 Huls 5267288

7 1 Huls 5267291

8 1 Munitie 5270815

9 1 Wapen machinegeweer 5267363

10 1 Huls 5267294

11 1 Huls 5267296

12 1 Munitie kogel uit lichaam 5270814

13 1 Patroon 5281624

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1 Zaktelefoon, APPLE iPhone 5313857

2 Tas zwart NIKE schouder 5313882

14 2 Schoenen Zwart/Wit, NIKE Air 5272436 van slachtoffer

15 1 Zakdoek Wit Papier 5267266 bebloede tissue vanaf straat

16 1 Broek Grijs, H&M Jogging, 5267331 van het slachtoffer

17 1 Broek Grijs, H&M Jogging, 5267362 van slachtoffer

18 1 Ondergoed Zwart, AUTHENTIC Appar, 5267364 van slachtoffer

19 1 Shirt Zwart PRIMARK Cedar Wood, 5267366 van slachtoffer

20 1 Jas Zwart PRIMARK Cedar Wood, 5267367 van slachtoffer

21 1 Muts Zwart Wol, van slachtoffer

22 2 Sokken, 5267393

23 1 Jas Grijs H&M, 5267394 van slachtoffer

24 1 Toilet, bebloede tissue, 5267269

25 1 Toiletartikel, bebloede tissue 5267273

26 1 Toiletartikel 5267276

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en C. Klomp, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2018.