Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2145

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
13/751160-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Hongarije

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751160-18 (EAB IV)

Datum uitspraak: 15 maart 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 februari 2018 door the Szeged Court of Justice (Hongarije) (referentie: 3.Szv.35/2018) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] , [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van een eerlijk proces. Doordat op het laatste moment weer een nieuw EAB is uitgevaardigd, waarbij weer een nieuwe situatie is ontstaan voor de opgeëiste persoon, is sprake van onvoldoende voorbereidingstijd, aldus – kort samengevat – de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet evenmin aanleiding de zaak aan te houden om de raadsman alsnog meer voorbereidingstijd te geven. In deze zaak is kort voor de zitting een nieuw EAB aanhangig gemaakt door de officier van justitie. De reden voor het uitvaardigen van het nieuwe EAB is dat er inmiddels in hoger beroep is beslist in de Hongaarse strafzaak, waarbij in het nieuwe EAB een verzetgarantie is verstrekt. De inhoud van het EAB verschilt verder niet of nauwelijks van de eerdere EAB’s, waarover de raadsman al langer beschikte. De overige kwesties die in deze zaak spelen, zoals de detentieomstandigheden in Hongarije en de medische situatie van de opgeëiste persoon, zijn al langer onderwerp van discussie en op eerdere zittingen besproken. Verder heeft de raadsman op 1 maart 2018 uitgebreid het woord gevoerd, waarbij niet is gebleken dat hij werd beperkt bij het innemen van een standpunt door onvoldoende voorbereidingstijd. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat geen sprake is van schending van de goede procesorde.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

  • -

    een judgement van 20 maart 2017 van the Szeged Court of Justice (referentie: No. 7.B.929/2016/50);

  • -

    een judgement van 30 januari 2018 van the Court of Appeal of Szeged (referentie: No. Bf.I.436/2017/35).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twaalf jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd judgement van 30 januari 2018.

Dit judgement betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, van de OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen.

Gelet op de informatie in onderdeel (d) van het EAB is sprake van een verstekvonnis.

Verder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in onderdeel (d) van het EAB het volgende verklaard:

“The person was not personally served with the decision, but

  • -

    the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and

  • -

    when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial of appeal, in which he or she had the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and

  • -

    the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which is unlimited.”

Uit deze verklaring volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid wordt geboden een rechtsmiddel tegen het judgement van 30 januari 2018 in te stellen. De rechtbank is van oordeel dat deze garantie voldoet aan de eisen van artikel 12, onder d, van de OLW. De in dit artikel bedoelde weigeringsgrond is dus niet van toepassing.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen aanleiding niet te vertrouwen op de door de Hongaarse autoriteiten verstrekte verzetgarantie. Dat de beslissingen in eerste aanleg en hoger beroep zouden zijn genomen zonder dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de terechtzittingen, terwijl zijn adres in Nederland bekend was, zoals de raadsman heeft aangevoerd, is daartoe onvoldoende. Van belang is dat het eerste (vervolgings)EAB dateert van lang geleden, namelijk van 30 juni 2015. De beslissing van de Nederlandse overleveringsrechter liet vervolgens lang op zich wachten, onder meer door verschillende prejudiciële kwesties. Dat de Hongaarse rechterlijke instanties er onder die omstandigheden voor hebben gekozen de strafprocedure in Hongarije in afwezigheid van de opgeëiste persoon voort te zetten, doet geen afbreuk aan het interstatelijk vertrouwen.

5 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubrieken (c) en (e) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Ministry of Justice of Hungary heeft bij brief van 27 februari 2018 de volgende garantie gegeven:

“The Ministry of Justice of Hungary – acting as Central Authority – presents its compliments tot the Arrandissementsparket Amsterdam and referring tot he surrender proceedings being conducted against [opgeëiste persoon] , has the honour to confirm that the guarantee provided you with in our letters of 13 of October 2015 and 11 December 2017 that upon [opgeëiste persoon] ’s request, he will be transferred back tot he Netherlands in order to serve there his custodial sentence is also applicable regarding the EAW No. 3.Szv.35/3018 issued on 2 February 2018 by the Court of Justice of Szeged.”

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    het strafrechtelijk onderzoek heeft reeds een aanvang genomen in Hongarije;

  • -

    de noodzakelijke bewijsmiddelen bevinden zich in Hongarije;

  • -

    de rechtsorde in Hongarije is aangetast nu het handelen van de beschuldigde en zijn medeverdachte zich richtte op de invoer van verdovende middelen in Hongarije.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Hongarije autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen.

Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Detentieomstandigheden

In de brief van het Ministry of Justice of Hungary van 6 juli 2016 is met betrekking tot (onder meer) [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag], 1961) het volgende gegarandeerd:

“After the handover and the necessary administrative procedures, the detainees affected by the additional information provided by the National Headquarter of the Penitentiary, will be held either at the Penitentiary Institute of Szombathely of Tiszalök, where the conditions are CPT compliant.

Furthermore, the above assurance will be recorded in the inmates’ personal file, and the right of the inmates to file a complaint is not restricted by any means, it is solely based on the existing national provisions.

As mentioned previously in your letter dated on July 1, 2016, it is in fact the Ombudsman who monitors the compliance with the detention conditions, and also, the monitoring done by international organizations is considered as a mechanism that guarantees the compliance with the reassurances provided by the Hungarian authorities.”

Bij brief van 26 februari 2018 heeft het Ministry of Justice of Hungary verklaard dat voormelde garantie ook geldt onder het onderhavige EAB van 2 februari 2018. Anders dan gesteld door de raadsman is gelet op deze stukken duidelijk waar de opgeëiste persoon in Hongarije zal worden gedetineerd.

Op grond van voornoemde brieven van het Ministry of Justice of Hungary staat vast dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Hongarije zal worden geplaatst in de gevangenis in Szombathely of in de gevangenis in Tiszalök.

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat er voor deze twee instellingen geen bewijzen zijn als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van

5 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:198), dat personen die in die instellingen gedetineerd zijn, onmenselijk of vernederend worden behandeld (zie o.a.: ECLI:NL:RBAMS:2016:4966, ECLI:NL:RBAMS:2017:6707 en ECLI:NL:RBAMS:2017:7304).

Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat met betrekking tot deze twee instellingen dan ook niet in de weg aan (het nemen van een beslissing over) de overlevering.

9 Medische situatie van de opgeëiste persoon

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat de medische problematiek van de opgeëiste persoon niet kan leiden tot weigering van de overlevering. Het is aan de officier van justitie gelet op het bepaalde in artikel 35 van de OLW bij de beslissing tot feitelijke overlevering de medische situatie van de opgeëiste persoon in ogenschouw te nemen. Volgens voormeld artikel, derde lid, kan feitelijke overlevering bij wijze van uitzondering achterwege blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding een deskundige aan te wijzen om te adviseren omtrent de medische toestand van de opgeëiste persoon, zoals verzocht door de raadsman.

10 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, (er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW) en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

11 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 van de Opiumwet en 2, 5, 6 en 7, van de Overleveringswet.

12 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan the Szeged Court of Justice (Hongarije) ten behoeve van het in Hongarije tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek in verband met het nog niet onherroepelijke vonnis wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 maart 2018.

Mr. B. Poelert is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.