Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2129

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
13/751100-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen. Overlevering geweigerd o.b.v. artikel 12 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751100-17

RK nummer: 17/4104

Datum uitspraak: 27 maart 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 21 november 2016 door the Regional Military Court in Warschau (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:

[adres] , [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn verlengd waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the Garrisson Military Court in Olsztyn van 16 april 2008, met kenmerk: SG. 80/08.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Inleiding

In onderdeel D van het EAB is meegedeeld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de behandeling ter terechtzitting die tot voornoemd vonnis heeft geleid. Tevens is vermeld:


d. the person was served the judgement on 25th April 2008 (day/month/year) and the person was expressly informed about the right to a retrial or appeal in which he has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original judgement being reversed.

Als toelichting hierop is in onderdeel D van het EAB meegedeeld dat het vonnis aan de moeder van de opgeëiste persoon is overhandigd op 24 april 2008.

Op 20 februari 2018 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

  • -

    Could you inform me if the wanted person actually received information about the sentence by default and/or the means of appeal?

  • -

    At what exact date/moment did the wanted person actually receive this information about the sentence by default and/om the means of appeal?

In reactie hierop is op 28 juli 2017 door de uitvaardigende justitiële autoriteit onder andere het volgende meegedeeld:

In accordance with the rules of the Polish Code of Criminal Procedures the appearance of the wanted person was not obligatory at a court session on l6thApril 2008 at which there was rendered the judgement imposing on him the penalty of 1 year imprisonment. Such penalty had been agreed with him twice and recorded in writing, i.e. in the course of the investigation on 30th January 2008 and in the course of court proceedings on 02nd April 2008. [opgeëiste persoon] voluntarily agreed to be convicted by the Court in the mode of the so-called voluntary submission to penalty, without conducting the hearing. A convicting judgement issued in this mode is not the judgement by default. A certified true copy of the judgement was required to be served, and in this case the judgement was effectively served on 25th April 2008 - upon an adult member of the household, in [opgeëiste persoon] ’s absence (Art. 132 § 2 of the Code of Criminal Procedure). Together with a certified true copy of the judgement, there was delivered a note instructing about the possibility of appeal against the judgement. Later knowledge of the content of the judgement directly results from the fact that the convict was staying under surveillance resulting from this judgement.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 28 juli 2017 volgt dat er kennelijk op 2 april 2008 een zitting ten overstaande van een rechter heeft plaatsgevonden – een court proceeding – en dat de opgeëiste persoon op die zitting vrijwillig heeft ingestemd met de strafoplegging. Daarmee is volgens de officier van justitie voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW. Mocht de rechtbank nog twijfels hebben over deze gang van zaken, dan zou de zaak nogmaals op het punt van artikel 12 OLW kunnen worden aangehouden.

4.3

Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de op 20 februari 2018 door het IRC gestelde vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet genoegzaam zijn beantwoord. Uit de aanvullende informatie volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de opgeëiste persoon – in tegenstelling tot wat is vermeld in het EAB – wel aanwezig zou zijn geweest bij de terechtzitting die tot onderhavig vonnis heeft geleid. De rechtbank volgt de lezing van de officier van justitie daarom niet en ziet ook geen aanleiding opnieuw vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit1. Uitgaande van de juistheid van de mededeling in het EAB dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de behandeling ter terechtzitting die tot onderhavig vonnis heeft geleid, terwijl onvoldoende informatie is verkregen om te kunnen beoordelen of zich één van de in artikel 12 sub a tot en met d OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan, dient de overlevering te worden geweigerd op grond van dit artikel.

De overige verweren en/of verzoeken van de raadsman behoeven dan ook geen bespreking meer.

5 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Military Court in Warschau (Polen).

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum voorzitter,

mrs. C. Klomp en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 27 maart 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Vergelijk overweging 104 van HvJ EU, 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek).