Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2023

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
13/751036-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland, gerechtvaardigheid verdenking hoeft niet onderbouwd te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751036-18

RK-nummer: 18/1011

Datum uitspraak: 29 maart 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2017 (ontvangen op 4 januari 2018) door het Openbaar Ministerie van Augsburg (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats detentie] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 maart 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.1.

Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 22 september 2017 uitgevaardigd door het Amtsgericht Augsburg (referentienummer 64 Gs 5817/17).

De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek wegens het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.2.

Genoegzaamheid

De raadsvrouw heeft gesteld dat dat de feiten niet genoegzaam zijn omschreven omdat niet is aangegeven waarom de Duitse autoriteiten de opgeëiste persoon als verdachte van de strafbare feiten aanmerken. Er is niet vermeld dat DNA van hem is aangetroffen en ook zijn er geen camerabeelden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het EAB dient die gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht in de periode van 20 juni 2016 tot 12 augustus 2016 drie gekwalificeerde inbraken (en een poging daartoe) in ziekenhuizen te hebben gepleegd, waarbij de data en de handelingen zijn gespecificeerd en de ziekenhuizen met name zijn genoemd.

Naar het oordeel van de rechtbank is met deze omschrijving voldoende duidelijk waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en is voldaan aan de vereisten die de OLW aan het EAB stelt. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat de feiten genoegzaam zijn omschreven en dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd.

De gerechtvaardigdheid van de verdenkingen behoeft in de onderhavige procedure niet te worden onderbouwd. De beoordeling en waardering van het bewijs dient bij uitsluiting te geschieden door de Duitse rechter in de strafrechtelijke procedure met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering wordt toegestaan.

4 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De rechtbank stelt vast dat in de vertaling van het EAB het lijstfeit racketeering and extortion is aangekruist. Dit is echter een evidente vertaalfout, nu in het originele Duitse EAB geen lijstfeit is aangekruist.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aldus niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan als wordt voldaan aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het delict heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het delict heeft verschaft door middel van braak;

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het delict heeft verschaft door middel van braak.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Hoofdofficier van Justitie bij het Openbaar Ministerie te Augsburg heeft op 13 maart 2018 de volgende garantie gegeven:

“Extradition of the Dutch citizen [opgeëiste persoon] (de rechtbank leest: [opgeëiste persoon] ), [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1962

in [geboorteplaats] , from the Netherlands to Germany for the purpose of criminal prosecution

on the base of the European arrest warrant of the Public Prosecutian Office’s in

Augsburg from 06 December 201 7, reference number 208 Ja 107342/17 (…)

1 refer to your email from 16 February 2018 and give you the assurance that the

prosecuted [opgeëiste persoon] in case of his conviction to custodial sentence or penal sanction

involving deprivation of liberty in Germany will be returned to the Netherland(s) at his

request for enforcement purposes (European framework decision 2008/2009).

(…)

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, en 7 van de OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Openbaar Ministerie in Augsburg voor het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018.

De jongste rechter is niet in staat te tekenen

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.