Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:2000

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
C/13/643063 / KG ZA 18-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering verstrekking afschriften van op grond van bewijsbeslag in beslag genomen (digitale) documenten (843a Rv) afgewezen. Vordering in reconventie tot opheffing beslag eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/643063 / KG ZA 18-135 MvW/MB

Vonnis in kort geding van 14 maart 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOLIDNATURE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de vennootschap opgericht naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten

REVEALROX HQ,

gevestigd te Dubai,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaten mrs. W.P. Wijers en L. Stoppels te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaten mrs. E.T. van den Hout en S.K. Tuinhof te Amsterdam.

1 De procedure

Ter zitting van 28 februari 2018 hebben eisers, hierna gezamenlijk ook [eisers] , en afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] , SolidNature en RevealRox, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, hierna [gedaagde] , heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen, en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte akte. [eisers] heeft de vordering in reconventie bestreden.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Ter zitting waren onder meer aanwezig:

Aan de zijde van [eisers] : [eiser 1] (voor zichzelf, als middellijk bestuurder van SolidNature en als schriftelijk gevolmachtigde van RevealRox) en [eiser 2] , bijgestaan door hun advocaten,

Aan de zijde van [gedaagde] : [gedaagde] met zijn advocaten.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn broers die van Iraanse komaf zijn. [eiser 1] is middellijk bestuurder van SolidNature, een bedrijf dat natuursteen levert en installeert in interieurs in het hoogste segment van de markt. RevealRox houdt zich bezig met de exploitatie van Iraanse steengroeven. [eiser 2] is verkoper bij RevealRox.

2.2.

[gedaagde] is in de periode van 1 september 2017 tot 24 november 2017 werkzaam geweest als verkoper voor RevealRox. De tussen hen gesloten schriftelijke overeenkomst (Contract for Services) houdt onder meer in dat [gedaagde] een percentage van de verkoopopbrengst ontvangt bij verkopen aan nieuwe klanten. Artikel 6.3. van de overeenkomst bepaalt:

The Commission is not applicable to sales of stone resulting from the renewal of existing contracts with customers or sales resulting from new contracts with existing customers.

De overeenkomst is namens RevealRox aangegaan door [eiser 1] .

2.3.

Op 25 oktober 2017 is door bemiddeling van [gedaagde] een overeenkomst gesloten tussen RevealRox en de Chinese onderneming Quanzhou Huamao Stone Co. Ltd waarbij natuurstenen zijn verkocht voor een bedrag van € 8.100.000,-.

2.4.

Begin november 2017 is een kort gedingprocedure opgestart door een investeerder van [eiser 1] , [naam 1] , die in totaal 73,35 miljoen euro aan hem heeft uitgeleend. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 29 november 2017 waarin de vorderingen van [naam 1] en zijn vennootschap [bedrijf] zijn afgewezen. De voorzieningenrechter heeft wel in het vonnis overwogen dat partijen nadere afspraken moeten maken over terugbetaling van de leningen.

2.5.

Op de website [website 1] is op 1 december 2017 een publicatie verschenen over [eiser 1] en [eiser 2] en hun ondernemingen onder de aanduiding “ [aanduiding] ” (hierna: het GABME-rapport). Daarin worden [eiser 1] en [eiser 2] beschreven als criminelen en fraudeurs, die investeerders in en schuldeisers van hun ondernemingen niet betalen. Verder wordt er geschreven over een exorbitante levensstijl met dure auto’s, feesten en (vakantie)huizen. Een foto van [eiser 1] wordt getoond en ook foto’s van anderen, die met een zwarte balk voor hun ogen zijn afgebeeld, waaronder [eiser 2] . Het GABME-rapport is verspreid aan klanten en relaties van SolidNature en RevealRox en e-mails met gelijkluidende inhoud zijn verstuurd aan werknemers van SolidNature en RevealRox.

2.6.

Bij verstekvonnis van 5 januari 2018 zijn Wordpress.com en Twitter Inc. veroordeeld om (links naar) het GABME-rapport te verwijderen.

2.7.

In een schriftelijke verklaring van 12 januari 2018 hebben [eiser 1] en [naam 1] laten weten dat er geen enkele grond is voor de beschuldigingen in het GABME-rapport. De investeerder heeft verklaard dat hij niets met het rapport te maken heeft en dat hij niet is opgelicht.

2.8.

Op 26 januari 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank vonnis gewezen in een kort geding dat [eiser 1] had aangespannen tegen Hearst Magazines Netherlands B.V. (hierna te noemen: Quote). [eiser 1] stelde dat Quote voornemens was om een artikel over hem te publiceren dat mede zou zijn gebaseerd op het GABME-rapport en waarin [eiser 1] van criminele activiteiten zou worden beschuldigd. Quote heeft verweer gevoerd. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten waren om aan te nemen dat Quote op onrechtmatige wijze ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiser 1] zou gaan publiceren. De vordering van [eiser 1] , ertoe strekkend dat bepaalde beschuldigingen in de voorgenomen publicatie zouden worden verboden, is afgewezen.

2.9.

Op 31 januari 2018 heeft [eisers] met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank bewijsbeslag gelegd ten laste van [gedaagde] op digitale en fysieke bescheiden in zijn woonhuis waarin woorden voorkomen als:

- GABME

- [aanduiding]

- Duped Investors

- Quote

- Wordpress.

2.10.

Op 6 februari 2018 heeft [eiser 1] een e-mail ontvangen van een zekere [naam 2] met een link naar een website ( [website 2] ) die de foto van [eiser 1] toont met het bijschrift “ [eiser 1] Scam Company” en een aftel mechanisme. Ook staat er een foto van [eiser 2] op met een zwarte balk voor zijn ogen.

2.11.

Op 20 februari 2018 is de maart editie van Quote online beschikbaar gekomen met daarin een artikel over [eiser 1] . In het artikel worden de zakelijke activiteiten van [eiser 1] op het gebied van exploitatie en verkoop van natuursteen beschreven. In een naschrift is vermeld dat Quote met ruim zeventig bronnen heeft gesproken en ongeveer de helft daarvan in het artikel heeft verwerkt. Op dezelfde dag is weer een e-mail verstuurd door [naam 2] , aan [eiser 1] en de werknemers van SolidNature en RevealRox, met als onderwerp: “Quote magazine exposing the criminal and thief [eiser 1] ”. Bij de e-mail is als bijlage het Quote artikel gevoegd en in de e-mail wordt aangekondigd dat het artikel wereldwijd in zes talen zal worden verstuurd aan meer dan 10.000 geadresseerden.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers] vordert, samengevat:

primair [gedaagde] te veroordelen om aan deurwaarder Groot & Evers en DigiJuris toestemming te verlenen afschriften van de inbeslaggenomen bescheiden aan [eisers] te verstrekken op straffe van een dwangsom, en bij gebreke van die toestemming [eisers] te machtigen om hen zelf te instrueren,

subsidiair een voorziening te treffen die ertoe strekt dat aan [eisers] afschrift van de bescheiden wordt verstrekt,

alles met een proceskostenveroordeling.

3.2.

[eisers] stelt daartoe het volgende. Hij wil over de bescheiden beschikken om deze als bewijsmiddel te kunnen gebruiken in een nog aan te brengen procedure, waarin hij [gedaagde] verantwoordelijk zal houden voor het opstellen en verspreiden van het GABME-rapport en voor het verzenden van de e-mail van

6 februari 2018 (zie hiervoor onder 2.10). Er is sprake van een lastercampagne zonder enige feitelijke grondslag tegen [eiser 1] , [eiser 2] en hun ondernemingen (waartoe ook RevaelRox behoort, al is [eiser 1] niet de bestuurder). Zij lijden daardoor schade. Er zijn voldoende aanwijzingen dat [gedaagde] de lastercampagne voert:

- [gedaagde] heeft in november 2017 samen met [naam 3] , een toenmalige werknemer van ATRH (een project vennootschap die diensten verleent aan SolidNature en RevealRox) tegen werknemers van ATRH, SolidNature en RevealRox gezegd dat [eiser 1] en [eiser 2] hun geld zouden verdienen met criminele activiteiten (witwassen en oplichting), dat [eiser 1] banden zou hebben met de Iraanse overheid, dat investeerders gedupeerd zouden zijn en dat SolidNature en RevealRox op omvallen zouden staan.

- [naam 3] heeft tijdens zijn dienstverband de drie auto’s (een Ferrari, Maserati en Mercedes) die in het GABME-rapport als luxe auto’s van [eiser 1] worden genoemd, verkocht in opdracht van zijn leidinggevende en in dat verband gegevens over de auto’s verkregen.

- [naam 3] is als gevolg van zijn toenmalige functie bekend geworden met de drie woningen die in het rapport worden genoemd als woningen van [eiser 1] (in [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] ).

- De lastercampagne is begonnen kort na de beëindiging van het dienstverband van [naam 3] (17 november 2017) en de opdrachtrelatie tussen [gedaagde] en RevealRox

(24 november 2017).

- [gedaagde] en [naam 3] hebben elkaar in de periode van 1 december 2017 tot 20 januari 2018 negen keer ontmoet. Bij één van die gelegenheden, op 19 januari 2018, heeft [gedaagde] aan [naam 3] verteld over het Quote artikel dat zou worden gepubliceerd en gezegd dat het artikel na publicatie vertaald over de hele wereld zou gaan.

- De hoofdredcteur van Quote heeft aan de media-adviseur van [eiser 1] bevestigd dat een telefoonnummer waarvan Quote informatie heeft ontvangen het telefoonnummer van [gedaagde] is.

[eisers] heeft een groot en spoedeisend belang bij toewijzing van de vorderingen omdat hij verwacht dat hij op basis van de inbeslaggenomen bescheiden kan bewijzen dat [gedaagde] betrokken is bij de GABME lastercampagne. Daar tegenover legt het privacybelang van [gedaagde] onvoldoende gewicht in de schaal, aldus nog steeds [eisers]

3.3.

[gedaagde] voert daartegen aan dat niet is gebleken dat er sprake is van laster en evenmin van reputatieschade aan de zijde van [eisers] Hij ontkent (mede) verantwoordelijk te zijn voor het opmaken en verspreiden van het GABME-rapport en de e-mails van [naam 2] . [gedaagde] betwist dat hij de door [eisers] gestelde uitlatingen heeft gedaan tegen de werknemers van ATRH, SolidNature en RevealRox. Ook weerspreekt [gedaagde] dat de overige door [eisers] genoemde feiten aanwijzingen zijn dat hij is betrokken bij laster. Volgens [gedaagde] is slechts sprake van onjuiste vermoedens en onjuiste aannames van [eisers] , die geen rechtmatig belang vormen voor inzage in of afgifte van de inbeslaggenomen bescheiden. Hij meent dat het om een fishing expedition gaat. Bovendien is er geen spoedeisend belang meer, nu het Quote artikel inmiddels is gepubliceerd en het GABME-rapport op last van de rechter niet meer op het internet wordt verspreid.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert, samengevat:

- opheffing van het bewijsbeslag,

- [eisers] te gelasten opdracht te geven om de inbeslaggenomen bescheiden aan [gedaagde] terug te geven althans te vernietigen op straffe van een dwangsom,

- [eiser 2] te veroordelen tot betaling van € 405.000,00,

- [eisers] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 9.609,08 aan proceskosten.

4.2.

[gedaagde] stelt daartoe dat de vordering in conventie tot afgifte van de inbeslaggenomen bescheiden moet worden afgewezen en dat daarmee zijn vordering tot opheffing van het bewijsbeslag en teruggave of vernietiging van de inbeslaggenomen bescheiden gereed ligt.

Verder stelt hij dat de hiervoor onder 2.3 vermelde verkoop van natuursteen door zijn bemiddeling tot stand is gekomen en dat hij aanspraak heeft op een provisie van € 405.000,00. RevealRox heeft hem ondanks sommatie geen provisie betaald en [gedaagde] acht [eiser 2] als bestuurder aansprakelijk, stellende dat hem van de betalingsonwil aan de zijde van RevealRox een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

[eisers] voert als verweer tegen de vorderingen betreffende het bewijsbeslag dat een belangenafweging moet plaatsvinden. Het belang dat de bescheiden, ook als de vordering in conventie niet zou slagen, bewaard blijven in verband met een eventueel hoger beroep en de reeds tegen [gedaagde] aanhangig gemaakte bodemprocedure weegt volgens hem zwaarder dan het belang van [gedaagde] , die er geen last van heeft als de (gekopieerde) bescheiden in bewaring blijven.

De geldvordering moet volgens [eisers] worden afgewezen onder meer omdat er geen provisie verschuldigd is door RevealRox. Volgens [eisers] was Quanzhou Huamao Stone Co. Ltd (zie hiervoor onder 2.3) een bestaande klant zodat de provisieregeling niet geldt. Daarnaast is de opdrachtovereenkomst wegens een dringende reden door RevealRox opgezegd en bepaalt het contract dat [gedaagde] dan geen aanspraak heeft op commissie. Bovendien is [eiser 2] geen bestuurder van RevealRox en is de vordering onvoldoende aannemelijk om in kort geding te kunnen worden toegewezen.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De vordering, die ertoe strekt dat [eisers] afschrift ontvangt van de inbeslaggenomen bescheiden, is gegrond op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Dit artikel bepaalt dat degene die een rechtmatig belang heeft afschrift kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, tenzij er gewichtige redenen zijn die zich daartegen verzetten of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Dit artikel is een uitzondering op de hoofdregel dat men in rechte geen inzage hoeft te geven in bescheiden die men onder zich heeft (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3529). Het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking brengt mee dat degene die inzage of afschrift vordert zodanige feiten en omstandigheden moet stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal moet onderbouwen dat de rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is. Dat brengt mee dat uit de door de eiser gestelde (en zo mogelijk met bewijsmateriaal gestaafde) feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van het bestaan van de rechtsbetrekking moet kunnen worden afgeleid (Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304).

5.2.

In dit geval bestaat de rechtsbetrekking tussen partijen er naar de stelling van [eisers] uit dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem handelt door een lastercampagne te voeren. [eisers] vermoedt dat [gedaagde] bescheiden onder zich heeft die dat kunnen aantonen. Van onrechtmatig handelen zou inderdaad sprake zijn indien [gedaagde] het GABME-rapport op het internet verspreidt, de website [website 2] (zie hiervoor onder 2.10) met het aftelmechanisme openbaart en het Quote artikel online verspreidt, terwijl de inhoud van het rapport, de website en/of het artikel lasterlijke mededelingen over [eisers] bevat. Beoordeeld moet worden of uit de door [eisers] gestelde, en met producties onderbouwde, feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden daarvan kan worden afgeleid.

5.3.

Reeds hierop strandt de vordering van [eisers] Hij heeft wel aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] hem een kwaad hart toedraagt, maar dat is niet voldoende. Ten aanzien van het GABME-rapport en de website met het aftelmechanisme heeft [eisers] met de door hem gestelde feiten en omstandigheden geen enkel aanknopingspunt aangedragen waarmee een direct verband kan worden gelegd tussen [gedaagde] en de verspreiding van het rapport en het in de lucht houden van de website. Het komt erop neer dat [eisers] wel stelt en aannemelijk maakt dat [gedaagde] daar een motief voor zou hebben en ook dat hij gedetailleerde kennis heeft over [eiser 1] , [eiser 2] en hun ondernemingen, maar niet dat hij daarin de enige is. Uit het Quote artikel, waarvan de inhoud niet door [eisers] als lasterlijk is betiteld, rijst een beeld op dat er meerdere personen zijn die zich tegen [eisers] keren, hetzelfde motief als [gedaagde] kunnen hebben en over dezelfde gedetailleerde kennis kunnen beschikken. Daarom kan niet gezegd worden dat er een redelijk vermoeden is dat [gedaagde] degene is die achter het rapport en de website zit, nog daargelaten of voldoende aannemelijk is dat de inhoud daarvan lasterlijk is. Voor het Quote artikel geldt dat er wel een direct verband is tussen [gedaagde] en de verspreiding van dit artikel, omdat [gedaagde] op 19 januari 2018 aan [naam 3] heeft verteld over het Quote artikel, dat nog niet was gepubliceerd, en heeft gezegd dat het artikel na publicatie vertaald over de hele wereld zou gaan. Nu [eisers] echter niet stelt dat de inhoud van het Quote artikel lasterlijk jegens hem is, is niet aannemelijk dat [gedaagde] door (een aandeel te hebben in) de verspreiding daarvan onrechtmatig handelt.

5.4.

De vordering in conventie zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De afwijzing van de vordering in conventie brengt, anders dan [gedaagde] stelt, niet mee dat zijn vordering tot opheffing van het bewijsbeslag voor toewijzing gereed ligt. Er moet een belangenafweging worden gemaakt. Terecht voert [eisers] aan dat [gedaagde] geen nadeel ervan ondervindt dat de inbeslaggenomen gekopieerde bescheiden bij de gerechtelijke bewaarder berusten. Het belang van [eisers] dat de bescheiden beschikbaar blijven in verband met een eventueel hoger beroep of een bodemprocedure weegt dan ook zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij opheffing van het bewijsbeslag en teruggave of vernietiging van de bescheiden. De daartoe strekkende vorderingen stranden daarop.

6.2.

De vordering tot veroordeling van [eiser 2] om aan [gedaagde] € 405.000,00 te betalen is een geldvordering, die in kort geding slechts toewijsbaar is als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk is en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Gelet op de verweren van [eisers] is aan dit criterium niet voldaan, reeds omdat partijen van mening verschillen over de vraag of Quanzhou Huamao Stone Co. Ltd een nieuwe klant was. Dat is op grond van de in dit geding beschikbare – beperkte – gegevens niet duidelijk geworden. Daarom kan ook niet gezegd worden dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] aanspraak heeft op provisie. Zijn vordering tot betaling daarvan is dan ook niet toewijsbaar.

6.3.

De conclusie is dat de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten gevallen aan de zijde van [eisers] in reconventie.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie:

7.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

7.2.

veroordeelt [eisers] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

– € 291,00 aan griffierecht en

– € 816,00 aan salaris advocaat;

7.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:

7.4.

weigert de gevraagde voorzieningen;

7.5.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [eisers] begroot op € 408,00;

7.6.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.