Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1977

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5236
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

trillingshinder, uitblijven handhavend optreden, onzeker causaal verband en (schatting) schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/5236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2018 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. M.C. Danel),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. G.A. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden afgewezen.

Bij besluit van 8 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. van der Vlies. De rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld te laten weten of het door eiseres gewenste nadere onderzoek zal worden uitgevoerd. Bij brief van 6 april 2016 heeft verweerder laten weten af te zien van nader onderzoek en aangekondigd een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen. Eiseres heeft hierop met een brief van 29 april 2016, met stukken, gereageerd.

Bij brief van 17 mei 2016 heeft verweerder aan eiseres laten weten het bestreden besluit, onder wijziging van de weergegeven motivering, in stand te laten.

De rechtbank heeft vervolgens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de StAB) als deskundige benoemd. De StAB heeft op 5 oktober 2016 een deskundigenrapport uitgebracht. Beide partijen hebben hierop gereageerd.

De rechtbank heeft eiseres bij brief van 12 april 2017 gevraagd welk belang zij heeft bij een inhoudelijke behandeling van haar beroep. Hierop heeft eiseres bij brief van 2 mei 2017 gereageerd. Bij brieven van 12 juni 2017 en 21 september 2017 hebben eiseres en verweerder nog nadere reacties ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 3 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [de persoon]

Overwegingen

Wat ging er aan deze procedure vooraf?

1.1

Eiseres woonde tot eind 2016 aan [adres] te Amsterdam. Onder haar woning was een [bedrijf] gevestigd en schuin onder haar woning een supermarkt. Vanwege ervaren trillings- en geluidshinder in haar woning heeft eiseres samen met haar buurvrouw van [huisnummer] verweerder meermalen verzocht onderzoek in te stellen en handhavend op te treden.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres en haar buurvrouw opgevat als een (herhaald) verzoek om handhavend op te treden. Verweerder heeft het handhavingsverzoek onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

1.3

Bij besluit van 5 juni 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres en haar buurvrouw ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de motivering van het primaire besluit aangepast, in die zin dat het verzoek om handhavend op te treden niet langer wordt afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb, maar om inhoudelijke redenen. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder overwogen dat er geen aanleiding was om te betwijfelen dat, nadat in 2012 een aantal bronmaatregelen waren getroffen, door toezichthouders niet of nauwelijks trillingen werden waargenomen.

1.4

Bij uitspraak van 24 december 2014, zaaknummer 13/3908, heeft deze rechtbank het daartegen door eiseres en haar buurvrouw ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat verweerder zijn standpunt dat geen aanleiding bestond om een onderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerd bureau op het gebied van trillingshinder onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat volgens de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen” voor het meten van trillingshinder een gespecialiseerd bureau moet worden ingeschakeld. De rechtbank heeft bij het oordeel nog betrokken dat uit een brief van 1 mei 2014 van de door eiseres ingeschakelde deskundige, U. Visser, is gebleken dat er bij de inrichtingen (de supermarkt en de [bedrijf] ) meerdere bronnen van overlast kunnen zijn en dat het gelet op de ontbrekende verslagen van de inspecties die hebben plaatsgevonden niet duidelijk is of deze allemaal zijn onderzocht.

Wettelijk kader

2. Voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

Wat zijn de standpunten van de partijen?

3.1

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres (opnieuw) ongegrond verklaard en het besluit tot weigering om handhavend op te treden gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder overwogen dat slechts indien uit trillingsonderzoek zou blijken dat sprake is van trillingen in de woning van eiseres welke de wettelijke normen overschrijden, en bovendien een trillingsbron kan worden gevonden, er handhavend kan worden optreden. Eiseres heeft echter geen medewerking willen verlenen aan het door verweerder voorgestelde nader onderzoek. Verweerder stelt dat een trillingsonderzoek in één van de woningen van eiseres en haar buurvrouw voldoende is om te kunnen beoordelen of handhavend opgetreden kan (en moet) worden. Een tweede onderzoek in de naastgelegen woning zal geen extra, aanvullende data opleveren. Verweerder acht zich niet gehouden het door eiseres gewenste onderzoek te laten uitvoeren naar laag frequent geluid (LFG). Volgens verweerder kan dat niet leiden tot bestuursrechtelijk optreden omdat voor LFG geen wettelijke normen bestaan. De wetgever heeft ervoor gekozen LFG onder de algemene geluidsnormen te scharen. De geluidswaarden zijn voor alle frequenties uitputtend geregeld in het activiteitenbesluit, aldus verweerder.

3.2

Bij brief van 17 mei 2017 heeft verweerder, op grond van een in opdracht van hem door A.V. Consulting B.V. (verder: AV Consulting) uitgevoerd trillings- en geluidsonderzoek in de woning van eiseres, waarvan de resultaten zijn neergelegd in rapporten van 5 januari 2016 respectievelijk 11 januari 2016, het bestreden besluit nader gemotiveerd. Hierbij heeft verweerder overwogen dat het onderzoek laat zien dat van een overtreding van wettelijke voorschriften met betrekking tot trilling en geluid geen sprake is.

4. In beroep heeft eiseres aangevoerd, kort samengevat, dat zij als gevolg van LFG en trillingen afkomstig van [bedrijf] mogelijk in combinatie met de koelinstallaties van de supermarkt zeer veel hinder ondervindt. Volgens eiseres heeft verweerder onzorgvuldig onderzoek verricht, waardoor de beslissing om af te zien van handhavend optreden ondeugdelijk is gemotiveerd. Door deze beslissing wordt eiseres onevenredig in haar belangen geschaad en zij verzoekt verweerder te veroordelen in de schade die zij als gevolg daarvan leidt.

Heeft eiseres belang bij een inhoudelijk oordeel van haar beroep?

5.1

Aangezien eiseres eind 2016 is verhuisd heeft zij volgens verweerder bij deze procedure geen (proces)belang meer. Verweerder heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1141).

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van verweerder niet juist. De rechtbank wijst er in dit verband op dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen1, procesbelang kan bestaan indien betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden. Met haar stelling en nadere toelichting dat zij vanwege het uitblijven van handhaving door verweerder huurgenot heeft gederfd en verhuiskosten heeft moeten maken, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van het besluit te weigeren tot handhaving over te gaan –indien dit besluit onrechtmatig wordt geacht- schade heeft geleden.

Is de brief van 17 mei 2016 een besluit?

6. De rechtbank stelt vast dat de hierboven onder 2.2 aangehaalde brief van 17 mei 2016 geen wijziging heeft gebracht in de weigering om te handhaven, maar enkel in de motivering van het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn door die gewijzigde motivering niet gewijzigd. Gelet hierop kan de brief van 17 mei 2016 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, en artikel 6:19 van de Awb. Wel zal de gewijzigde motivering worden betrokken bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit (van 8 juli 2015). De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3231). Het gebrek in de kenbaarheid van de motivering van het bestreden besluit zal, nu in een nadere motivering is voorzien, eiseres hierop heeft kunnen reageren en niet is gebleken dat eiseres door het gebrek in haar belangen is geschaad, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd.

Heeft verweerder ten onrechte niet gehandhaafd vanwege LFG?

7.1

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: het Activiteitenbesluit) zijn in de artikelen 2.17 tot en met 2.22 regels ten aanzien van geluid opgenomen. Deze regels bevatten geen afzonderlijke norm voor LFG. Wel biedt artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit de mogelijkheid om op basis van de zorgplicht maatwerkvoorschriften te stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens het Activiteitenbesluit niet uitputtend is geregeld. Verder geldt op grond van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit een zogenaamde zorgplicht.2

7.2

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:174) is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder vanwege LFG op grond van de zorgplicht handhavend had dienen op te treden. In die uitspraak is immers overwogen dat de wetgever met de zinsnede “die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels” in artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit tot uitdrukking heeft willen brengen dat overtreding van de zorgplicht uitsluitend aan de orde is in gevallen waarvoor dat besluit geen uitputtende regeling bevat. In die uitspraak is voorts overwogen dat het feit dat artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mogelijk maakt bij maatwerkvoorschriften andere waarden vast te stellen dan de waarden bedoeld in artikel 2.17, niet betekent dat artikel 2.17 geen uitputtende regeling bevat als bedoeld in artikel 2.1. De rechtbank leidt hieruit af dat voor het vaststellen van maatwerkvoorschriften voor LPG geen grondslag bestaat. In zoverre slaagt het beroep niet.

Heeft verweerder ten onrechte niet gehandhaafd vanwege trillingen?

8.1

De regels ten aanzien van trillingen zijn opgenomen in artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit sluit aan bij de SBR-richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen” (de richtlijn).

8.2

De StAB heeft dossieronderzoek gedaan naar het door AV Consulting uitgevoerde trillingsonderzoek. De rechtbank stelt voorop dat een bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd3.

8.3

De StAB heeft geconstateerd, samengevat, dat er in de onderzoeken van AV Consulting onduidelijkheden met betrekking tot de uitgangspunten van de trillings- en geluidsonderzoeken zitten. Volgens de StAB schiet het onderzoek tekort omdat niet midden op de slaapkamervloer is gemeten maar in de hoek. Dit is niet in overeenstemming met de richtlijn. In het midden van de vloer zijn namelijk de hoogste trillingsniveau’s te verwachten. Verder wordt in het onderzoek van AV Consulting weliswaar geconcludeerd dat de trillingen voldoen aan de norm uit artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit, maar dat oordeel kan niet worden gegeven omdat niet midden op de slaapkamervloer is gemeten en op die plaats naar alle waarschijnlijkheid niet aan de norm wordt voldaan. De StAB heeft verder overwogen dat het onderzoek van AV Consulting geen uitsluitsel geeft over de oorzaak van de trillingen, maar dat niet wordt uitgesloten dat de [bedrijf] (deels) verantwoordelijk is geweest voor de gemeten pieken. Een nieuwe trillingsmeting is gewenst en ook een onderzoek naar de correlatie van de gemeten trillingsniveaus met de bron(nen) bij [bedrijf] , aldus de StAB. De StAB heeft verder nog vermeld dat een deel van het in de (nadere) offerte van AV Consulting van 3 september 2015 beschreven nadere onderzoek toegevoegde waarde heeft voor zover het onder meer onderzoek betreft naar trillingen op het midden van de slaapkamervloer van eiseres.

8.4

Gezien het rapport van de StAB volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat het onderzoek door AV Consulting op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. De richtlijn schrijft voor op welke plaats moet worden gemeten en daaraan is gelet op het rapport van de StAB niet voldaan. Dat eiseres zelf wellicht heeft gezegd dat zij in de hoek overlast heeft ervaren, maakt dat niet anders. Dat door de meeste mensen geen trillingen zijn ervaren, maakt ook niet dat werd voldaan aan de normen. Een dergelijke ervaring is immers een momentopname en subjectief. Het doel van de meting is om gedurende een langere tijd waarnemingen te doen en om deze te objectiveren. De conclusie is dan ook dat de meting van trillingen in de (toenmalige) woning van eiseres onzorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat op dat punt het onderzoek door AV Consulting dus onzorgvuldig is geweest. In zoverre is het bestreden besluit dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?

9.1

De rechtbank stelt vast dat het besluit tot afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden is bekendgemaakt voor 1 juli 2013, namelijk op 23 januari 2013. In dat geval is het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2013. Op de voet van het inmiddels vervallen artikel 8:73 van de Awb kan de bestuursrechter dan toekomen aan een schadevordering in een beroepsprocedure tegen het schadeveroorzakende besluit, wanneer het beroep daartegen gegrond wordt verklaard.

9.2

Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen in de door haar ten gevolge van het uitblijven van handhavend optreden geleden schade. Eiseres heeft in verband met door haar gesteld, gederfd huurgenot als schade opgevoerd de door haar sedert de afwijzing van het handhavingsverzoek tot de datum van verhuizing maandelijks betaalde huurpenningen tot een bedrag van in totaal € 12.498,97, alsmede een bedrag van € 4.100,- aan verhuiskosten.

9.3

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat er geen reden voor handhaving is (geweest) en dat er daarom ook geen reden is voor schadevergoeding. Volgens verweerder is er een te verwijderd verband tussen het besluit niet tot handhaving over te gaan en de door eiseres geclaimde schade. Verweerder heeft er verder op gewezen dat hij zich jegens eiseres voldoende heeft ingespannen en dat eiseres vrijwillig is verhuisd.

9.4

De rechtbank overweegt dat nu het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb de onrechtmatigheid van dat besluit in de zin van artikel 6:162, leden 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) vast staat, en dat die onrechtmatigheid aan verweerder moet worden toegerekend. De vraag is of het onrechtmatige besluit van verweerder in causaal verband staat tot de schade zoals die door eiseres is gesteld, als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW (het condicio sine qua non-verband). Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

9.5

In de gegeven situatie zou verweerder alsnog nader onderzoek moeten doen naar de trillinghinder. Pas aan de hand daarvan zou daadwerkelijk kunnen worden vastgesteld of de normen zijn overschreden en of verweerder al dan niet terecht het verzoek om handhaving heeft afgewezen. Aangezien eiseres inmiddels is verhuisd en dus niet meer in de woning aan [adres] woont, is het echter niet mogelijk nog nader onderzoek te doen.

In de gevallen waarin het bestaan van causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en schade niet afhankelijk is van een nieuw besluit van het bestuursorgaan, dient het bestaan van dat verband te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan feitelijk zou hebben beslist (of gehandeld) indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. Het causale verband waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. Er is geen grond om hierover anders te oordelen indien het gaat om een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan4. De rechtbank ziet aanleiding om in dit geval, waarbij nadere besluitvorming niet meer mogelijk is, aansluiting te zoeken bij deze jurisprudentie. Daarbij geldt dat in geval van onzekerheid over het scenario dat zich feitelijk zou hebben voltrokken, de schade kan worden begroot naar rato van de gemiste kans op een voor eiseres gunstig resultaat. Zo’n kans is immers voor eiseres als gevolg van het onrechtmatige besluit verloren gegaan.5

9.6

De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen hoe verweerder zou hebben beslist indien hij zorgvuldig onderzoek had laten doen. Bij gebrek aan andere gegevens, zal de rechtbank zich daarbij baseren op het in het dossier aanwezige onderzoeksmateriaal. Gezien de overweging van de StAB dat bij meting op het midden van de slaapkamervloer naar alle waarschijnlijkheid niet aan de norm voor trillingen zou zijn voldaan, acht de rechtbank aannemelijk dat de trillingen in de voormalige woning van eiseres niet voldeden aan de norm uit artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit, en deze norm werd overschreden. De vraag is dan, in verband met de vraag of verweerder handhavend had dienen op te treden, welke bron de trillingen hadden. Het rapport van de StAB geeft hier geen uitsluitsel over. AV Consulting sluit niet uit dat de [bedrijf] (deels) verantwoordelijk is geweest voor de gemeten trillingspieken, Gelet hierop schat de rechtbank de kans dat de overschrijding van de trillingnorm uit artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit is toe te rekenen aan de [bedrijf] op 60%. De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij een overtreding een beginselplicht tot handhaven heeft. Dat betekent dat er een kans van 60% is dat verweerder na deugdelijk onderzoek een besluit tot handhaving zou hebben genomen. Dit betekent dat in beginsel 60% van de door eiseres geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt.

9.7

Wat betreft de door eiseres gestelde schadeposten, oordeelt de rechtbank als volgt. De gestelde verhuiskosten zijn op geen enkele wijze nader onderbouwd en kunnen reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat de gevorderde huurpenningen ad € 12.498,97 in verband met gederfd huurgenot resteren. Wat betreft het gederfde huurgenot overweegt de rechtbank dat het causaal verband tussen het niet handhavend optreden tegen de trillingsoverlast en het gederfde huurgenot door verweerder niet specifiek betwist is. De rechtbank overweegt verder dat indien iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel, zoals het huurgenot, en hij dit voordeel heeft moeten missen, met het oog op het begroten van de door hem geleden schade - die als vermogensschade moet worden aangemerkt - als uitgangspunt zal hebben te gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen. Indien deze schade op de voet van artikel 6:98 BW aan een ander kan worden toegerekend als gevolg van een gebeurtenis waarvoor deze aansprakelijk is, zal die ander deze schade in haar geheel moeten vergoeden, tenzij dit, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, onredelijk zou zijn (zie de uitspraak van de HR van 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460).

9.8

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 23 januari 2013 het verzoek van eiseres om handhavend op te treden heeft afgewezen. De periode waarover eiseres schadevergoeding voor gederfd huurgenot vraagt, loopt van 1 februari 2013 tot 1 november 2016, dus 45 maanden. De rechtbank overweegt dat aannemelijk is dat eiseres in al die jaren zeker niet geheel van huurgenot verstoken zal zijn geweest. zal hebben gehad. Wel is sprake van vermindering van huurgenot. De rechtbank schat de vermindering van het huurgenot in redelijkheid op 20%. Met inachtneming van de hiervoor bepaalde kans op een voor eiseres gunstigere uitkomst van 60%, bedraagt de door eiseres geleden schade dan € 1.500,-. Anders dan verweerder, met kennelijk een beroep op artikel 6:98 BW aanvoert, is er geen sprake van een te ver verwijderd verband tussen deze schadepost van eiseres en het onrechtmatige besluit. In geval van het ten onrechte weigeren om handhavend op te treden tegen trillingsoverlast, is vermindering van huurgenot bij een direct omwonende immers een alleszins voorzienbaar gevolg. Dat eiseres uiteindelijk vrijwillig is verhuisd staat evenmin aan toerekening op grond van artikel 6:98 BW in de weg, nu aannemelijk is dat die verhuizing zonder de trillingsoverlast achterwege zou zijn gebleven.

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Omdat eiseres geen belang meer heeft bij een nieuw besluit op haar bezwaar, bepaalt de rechtbank dat verweerder geen nieuw besluit dient te nemen.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na deskundigenrapport en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder geen nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.500,-;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.503,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr.N.L. Adam, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Het wettelijk kader

In artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, die gevolgen voorkomt of beperkt, voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

In artikel 20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a, het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax kan vaststellen.

In artikel 23, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, met uitzondering van geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, niet meer bedragen dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen.

In artikel 6:98 van het BW is bepaald dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

In artikel 6:162 van het BW is bepaald dat een onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

1 zie bij voorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9541, en van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1927

2 Zie voor de tekst van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit de bijlage.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2287

4 zie het arrest van de Hoge Raad (HR) van 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18 en de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2017, ECLI:RVS:2017:1429.

5 Zie onder meer HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, r.o. 3.7.2.