Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1965

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
AWB 18/1363
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

toewijzing vovo hangende bezwaar uitstel van vertrek artikel 64 Vw

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet in lijn handelt met zijn eigen beleid door van verzoeker een geldig document voor grensoverschrijding te verlangen, alvorens over te gaan tot het onderzoeken van de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg voor verzoeker in Ghana. In eerdere procedures is de identiteit en nationaliteit van verzoeker al vastgesteld aan de hand van een paspoort. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de identiteit en nationaliteit van verzoeker door verweerder eerder in twijfel is getrokken. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in waarom van verzoeker in deze procedure een geldig paspoort wordt vereist om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dit heeft verzoeker in eerdere procedures immers al aangetoond en uit het beleid van verweerder zoals is neergelegd in paragraaf A3/7.1.5 van de Vc volgt niet dat van verzoeker ook in dat geval alsnog een geldig document voor grensoverschrijding wordt verlangd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1363

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op 16 maart 1956, van Ghanese nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: J.M. Sidler)

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van verzoeker om haar uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij bezwaarschrift van 26 februari 2018 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 26 februari 2018 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting behandeld op 27 maart 2018.

Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De gemachtigde van verweerder was niet aanwezig. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Op 28 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heropend, de gemachtigde van verzoeker om een telefonische toelichting gevraagd ten aanzien van het spoedeisend belang en vervolgens het onderzoek weer gesloten.

Overwegingen

1. Zoals door verzoeker is verzocht, stelt de voorzieningenrechter verzoeker vrij van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen, ondanks het feit dat hij, voor zover de voorzieningenrechter en verweerder weten, niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding. Verzoeker heeft gemotiveerd waarom hij, ondanks het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, toch op korte termijn uitzetbaar is voor verweerder. De voorzieningenrechter neemt om die reden in dit geval een spoedeisend belang aan bij het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw in verband met verzoekers gezondheidssituatie onder verwijzing naar het medisch advies van het BMA1 van 8 december 2017 afgewezen. Volgens het BMA zal het achterwege blijven van de medische behandeling van verzoeker leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verzoeker kan wel reizen, onder bepaalde voorwaarden, en de noodzakelijke behandeling is volgens het BMA in Ghana aanwezig. Verweerder gaat ervan uit dat de noodzakelijke behandeling voor verzoeker ook feitelijk toegankelijk is, omdat verzoeker geen geldig document voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocument heeft overgelegd. Verweerder verwijst hiervoor naar paragraaf A3/7.1.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

4. Verzoeker stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat noodzakelijke medische behandeling voor hem in Ghana feitelijk niet toegankelijk is, omdat de kosten voor de medicatie te hoog zijn, er heel veel valse medicatie in omloop is in Ghana en de woonplaats van verzoeker in Ghana op een te grote afstand ligt tot de locatie waar verzoeker behandeld zou kunnen worden.

5.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of de noodzakelijke medische behandeling in Ghana voor verzoeker ook feitelijk toegankelijk is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van feitelijke toegankelijkheid wordt uitgegaan, omdat verzoeker geen geldig document voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocument heeft overgelegd, zoals wel vereist is volgens paragraaf A3/7.1.5 van de Vc. Deze paragraaf luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels originele documenten, kan hij in beginsel niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken voor hem niet toegankelijk is. De IND kan een aanvraag tot uitstel van vertrek of de aanvraag om medische behandeling afwijzen als wegens het ontbreken van documenten niet beoordeeld kan worden of de medische behandeling in het land van herkomst niet toegankelijk is.”

5.2

De voorzieningenrechter overweegt dat uit paragraaf A3/7.1.5 van de Vc volgt dat het aan de vreemdeling is om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen, om vervolgens te kunnen beoordelen of de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken aanwezig en ook feitelijk toegankelijk is. Van feitelijke toegankelijkheid wordt in beginsel uitgegaan indien een vreemdeling zijn identiteit of nationaliteit niet heeft aangetoond. Uit het dossier en dan met name uit het verweerschrift van verweerder van 27 maart 2018 blijkt dat verzoeker in 1997 in het bezit was van een origineel Ghanees paspoort geldig tot 27 februari 2000 en dat verzoeker in verblijfsrechtelijke procedures een Ghanees paspoort heeft getoond, geldig tot 3 februari 2012. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de identiteit en nationaliteit van verzoeker door verweerder eerder in twijfel is getrokken. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in, zoals verzoeker op de zitting ook naar voren heeft gebracht, waarom van verzoeker in deze procedure een geldig paspoort wordt vereist om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dit heeft verzoeker in eerdere procedures immers al aangetoond en uit het beleid van verweerder zoals is neergelegd in paragraaf A3/7.1.5 van de Vc volgt niet dat van verzoeker ook in dat geval alsnog een geldig document voor grensoverschrijding wordt verlangd.

5.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit niet in lijn met het beleid van verweerder en heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat verzoeker inhoudelijke gronden heeft aangevoerd ten aanzien van de feitelijke toegankelijkheid in Ghana van de voor hem noodzakelijke medische behandeling, waarop verweerder nog niet inhoudelijk heeft gereageerd. De voorzieningenrechter ziet hierin grond voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

5.4

Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.002,-- (zegge: duizendentwee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

griffier, voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

D:
VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

1 Bureau Medische Advisering