Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1963

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
NL18.2928
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

asiel Cuba - homoseksuele geaardheid - bescherming verkregen van de Cubaanse autoriteiten - beroep ogg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2928


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2018 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Cubaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).


Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid en zijn omgang met travestieten in het LHBTI+ uitgaansleven in Cuba structurele problemen ondervindt met politie, buurtbewoners en werkgevers.

2.1

Verweerder heeft in het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen onderscheiden en geloofwaardig bevonden:

- identiteit, nationaliteit, herkomst;

- seksuele geaardheid;

- de problemen met de politie als gevolg van de omgang met travestieten;

- discriminatie op de werkvloer.

2.2

Verweerder is van mening dat de algehele situatie in Cuba niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiser is er volgens verweerder niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er voor hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Daarom heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Volgens eiser is zijn asielmotief voldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op het vluchtelingschap en bestaat er een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Cuba.

4.1

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het betoog van eiser dat zijn aanvraag ten onrechte niet in de verlengde asielprocedure is behandeld, niet kan slagen. Het criterium of een aanvraag in de algemene asielprocedure kan worden beoordeeld is of het besluit op de aanvraag binnen de voor die procedure geldende termijnen op een zorgvuldige wijze kan worden genomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 20131. Gelet op de aard van de zaak en de door eiser verstrekte informatie bestaat er geen grond voor het oordeel dat de aanvraag niet binnen de termijnen van de algemene asielprocedure zorgvuldig kon worden beoordeeld. Dat verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de termijnen van de algemene asielprocedure in het geval van eiser te verlengen, maakt dat niet anders. Het standpunt van eiser dat dit agenda-technisch lastig is geweest voor zijn gemachtigde, omdat verweerder dit in meer zaken van LHBTI+ uit Cuba doet, is niet iets waar de rechtbank in deze procedure wat mee kan. Niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank is van oordeel dat (de gemachtigde van) eiser hierover bij verweerder kan klagen.

4.2

De rechtbank overweegt verder als volgt. Zoals uit meerdere uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt2, is niet gebleken dat de algehele politieke en mensenrechtensituatie in Cuba zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw, in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw moet worden verleend. Ook blijkt niet uit openbare bronnen, zoals het rapport van Vluchtelingenwerk Nederland met bijlagen van 4 december 2017, de brief van COC over LHBTI+-asielzoekers afkomstig uit Cuba van 22 februari 2018 en het jaarverslag 2016 van OCDH van 4 januari 2017 waar eiser naar heeft verwezen, dat specifiek de groep LHBTI+ wordt vervolgd. Deze stukken zien vooral op problemen waar activisten tegenaan lopen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat de positie van LHBTI+ in Cuba nog verre van ideaal is, maar dat de problemen van eiser niet zodanig zwaarwegend zijn om voor een verblijfsvergunning in aanmerking te komen. Uit de door eiser aangehaalde rapporten volgt dat de situatie voor de groep LHBTI+ in Cuba met name in de afgelopen vijf tot tien jaren langzaam is verbeterd. Deze tendens van verbetering wordt ondersteund door het recente artikel ‘Inside Cuba's LGBT revolution: How the island's attitudes to sexuality and gender were transformed’ van The Independent van 4 januari 2018. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat er voor eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat hem asielvergunning moet worden verleend.

5. In zijn relaas voert eiser aan dat hij structureel wordt gediscrimineerd in Cuba. Zo is eiser (samen met zijn partner) meermalen aangehouden door de politie tussen 2015 en 2017, heeft hij boetes opgelegd gekregen en heeft hij een aantal oproepen ontvangen, waarvan twee in 2017 van het sectorhoofd en eentje in november 2017 van de politie. Hoewel deze incidenten ingrijpend van aard zijn, blijkt daar echter niet uit dat die problemen een dusdanig ernstige beperking van eisers bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. Dat eiser negatief wordt bejegend door zijn (naaste) omgeving en de maatschappij is onvoldoende voor de conclusie dat aannemelijk is dat de situatie onhoudbaar is geworden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij terecht van belang heeft geacht dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn geaardheid onderwijs, werk, huisvesting of gezondheidszorg is ontzegd. Zo heeft eiser onderwijs genoten en heeft hij tot aan zijn vertrek in zijn inkomen kunnen voorzien door te werken in verschillende functies en voor verschillende werkgevers. Ook heeft eiser kunnen samenwonen met zijn partner. Verder heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser de (arbeids)bescherming heeft kunnen inroepen van de Cubaanse autoriteiten en deze bescherming door de Cubaanse autoriteiten ook is geboden. In een arbeidsgeschil met eisers toenmalige werkgever waar hij als leerkracht werkte, is eiser in het gelijk gesteld en is aan zijn manager een sanctie opgelegd wegens het discrimineren van eiser op basis van zijn seksuele geaardheid. De rechtbank wijst er daarnaast nog op dat de asielaanvraag van de partner van eiser eveneens is afgewezen en het daartegen ingestelde beroep ongegrond is verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem3.

6. De rechtbank acht verder van belang dat homoseksualiteit in Cuba niet strafbaar is gesteld en dat de wet discriminatie verbiedt op grond van seksuele geaardheid. Uit de landeninformatie, rapporten en artikelen waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst en uit de door eiser overgelegde rapporten, blijkt niet dat de autoriteiten LHBTI+’s niet kunnen of willen beschermen. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen mogelijkheden heeft gehad om zijn beklag te doen bij hogere autoriteiten of instanties als CeneSex4. De rechtbank wijst ook op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het door eiser met succes kunnen inroepen van de bescherming van de Cubaanse autoriteiten tegen discriminatie op basis van eisers seksuele geaardheid.

7. Verweerder heeft tenslotte terecht overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer naar Cuba in de negatieve belangstelling van de Cubaanse autoriteiten komt te staan. In dit verband heeft verweerder terecht meegewogen dat de omstandigheid dat eiser legaal en zonder problemen zijn land van herkomst heeft verlaten hier ook niet op wijst.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door eiser omschreven behandeling als homoseksueel als onvoldoende zwaarwegend wordt aangemerkt om vluchtelingschap aan te nemen en tevens dat de specifieke omstandigheden van eiser niet maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op blootstelling aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

9. De aanvraag is daarom terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2013:2106.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 februari 2018 met ECLI:NL:RBDHA:2018:1554.

3 22 maart 2018, NL18.1613.

4 Centro Nacional de Educación Sexual.