Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
13/731006-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen (waarvan 88 dagen voorwaardelijk) en een taakstraf van 100 uur. Hij buitte samen met zijn toenmalige echtgenote tussen juni 2011 en juli 2012 een kok uit in hun restaurant in Amsterdam-Oost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/731006-15 (Promis)

Datum uitspraak: 3 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.C. van Kampen, en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan de verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam, in de periode van 1 juni 2011 tot en met 23 juli 2012, samen met zijn toenmalige echtgenote, [naam toenmalige echtgenote] , heeft schuldig gemaakt aan

  1. mensenhandel in de zin van arbeidsuitbuiting van [aangever] (hierna: de aangever) in hun restaurant;

  2. diefstal door met de bankpas van de aangever, zonder dat hij hiervan op de hoogte was, geld op te nemen en pinbetalingen te verrichten;

  3. oplichting door zich als bonafide werkgever voor te doen die de aangever een salaris voor zijn werkzaamheden zou betalen;

  4. gewoontewitwassen door geldbedragen over te dragen en om te zetten terwijl hij wist dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

2.2.

De tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit niet is verfeitelijkt. Niet is duidelijk waaruit de vervullings- of omzettingshandelingen hebben bestaan, zodat de tenlastelegging op dit punt nietig is.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De verhullings- of omzettingshandelingen hoeven niet te worden verfeitelijkt.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft betoogd dat het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht is geschonden en dat de officier van justitie om die reden niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, ook niet in uitzonderlijke gevallen (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

3.3

Conclusie

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft, samen met zijn (inmiddels) ex-vrouw, misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangever. Daardoor is de aangever bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid in het restaurant van de verdachte in Amsterdam. Hij heeft hiervoor geen betaling ontvangen .

Ten aanzien van feit 2. primair

Voorts hebben de verdachte en zijn medeverdachte de aangever bestolen door met zijn bankpas en zonder zijn medeweten door middel van kasopnames geld van zijn rekening te halen en pinbetalingen (voor de aanschaf van benzine, parkeergeld en goederen) te doen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de kasopnames en pinbetalingen niet ten behoeve van de aangever zijn gedaan.

Ten aanzien van feit 3

Ook hebben beide verdachten de aangever opgelicht door zich in strijd met de waarheid als bonafide werkgevers, die salaris aan de aangever betaalden, voor te doen waardoor de aangever werd bewogen tot het verrichten van arbeid.

Ten aanzien van feit 4

Ten slotte is ook sprake van gewoontewitwassen. Verdachte en zijn medeverdachte beheerden

alle rekeningen, inclusief de rekening van de aangever. De legale opbrengsten van het restaurant zijn vermengd met de van misdrijf afkomstige opbrengsten. Het aldus vermengde vermogen kan daarom als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig worden aangemerkt. Het geld is door de verdachte en zijn medeverdachte aangewend voor hun eigen levensonderhoud en vermaak. Daarom moet worden aangenomen dat zij de gelden hebben overgedragen, omgezet, en hebben zij daar gebruik van gemaakt. Daarom is de criminele herkomst van het geld verhuld. Gelet op de periode waarin dit is gebeurd, is sprake van gewoontewitwassen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De aangifte van de aangever is op essentiële punten ongeloofwaardig. Er zijn discrepanties tussen hetgeen hij in het intakegesprek en zijn aangifte heeft verklaard. Daarnaast heeft hij niet de waarheid gesproken over zijn verblijf in de kelder van het restaurant en over het feit dat hij het restaurant niet zou hebben kunnen verlaten. De verdediging heeft de aangever niet nader kunnen horen omdat niet bekend is waar hij intussen verblijft.

Dit leidt er toe dat de verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van een solide aangifte.

Ten aanzien van feit 1

Uit de bewijsmiddelen blijkt daarnaast niet dat de verdachte dwangmiddelen heeft gebruikt, handelingen heeft verricht met betrekking tot de uitbuiting van de aangever en het oogmerk van uitbuiting had. Het afromen van de bankrekening van de aangever is door de toenmalige echtgenote van verdachte (hierna: medeverdachte) gedaan. De verdachte had hier geen weet van.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft geen gebruik gemaakt van de bankpas van de aangever. Dit is alleen door de medeverdachte gedaan.

Ten aanzien van feit 3

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte de aangever heeft opgelicht. Er is geen sprake van oplichtingsmiddelen.

Ten aanzien van feit 4

Er is onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring voor het witwassen te komen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Op 6 maart 2013 zocht de advocaat van de aangever, mr. T.O. Sohansingh, per brief contact met het team mensenhandel van de politie in Amsterdam. De aangever had mr. Sohansingh benaderd met, naar het aanvankelijk leek, een loonvordering die hij op de verdachte en zijn ex-vrouw had, omdat hij als kok in hun restaurant ‘ [naam restaurant] ’ (hierna: [naam restaurant]) had gewerkt. Bij nader inzien leek er echter meer aan de hand te zijn dan “slechts” een loonvordering. Kort gezegd was de aangever uit India naar Nederland gekomen om in Nederland voor de verdachte en de medeverdachte te gaan werken. Het salaris van de aangever werd op een op zijn naam gestelde bankrekening gestort, maar de aangever heeft hierover nooit kunnen beschikken. Aangever had geen toegang tot zijn rekening en beschikte niet over de bij de rekening behorende pinpas. Wel werd er ongevraagd en buiten medeweten van aangever regelmatig geld van deze rekening opgenomen en werden pinbetalingen verricht. Dit werd niet door de aangever zelf gedaan. Evenmin kwamen het geld en de aangeschafte goederen bij hem terecht.

Naar aanleiding van de brief van mr. Sohansingh en de daarbij gevoegde stukken, is een onderzoek naar mensenhandel, in het bijzonder arbeidsuitbuiting, gestart. Na een informatief gesprek bij de politie heeft de aangever op 8 mei 2013 aangifte gedaan van mensenhandel.

4.3.2

Beoordelingskader mensenhandel

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. De strafbaarstelling van mensenhandel stelt het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De in artikel 273f Sr verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die van artikel 273f Sr deel uitmaken.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘een kwetsbare positie’ geldt dat dit begrip in de wet is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan”.

Het in artikel 273f, eerste lid Sr voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de (niet limitatieve) opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Deze bepaling doelt op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.

Uit jurisprudentie (Vergelijk: Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554) volgt dat (het oogmerk van) 'uitbuiting' moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 4º Sr. De verweten gedragingen kunnen eerst dan als mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

De rechtbank benadrukt ten slotte dat het enkele aanwenden van voornoemde dwangmiddelen op zich zelf beschouwd niet reeds uitbuiting oplevert, maar dat (het oogmerk van) uitbuiting met zich brengt dat sprake moet zijn van een ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid van betrokkenen.

4.3.3

Kwetsbare positie en feitelijk overwicht

De aangever wilde in Nederland werken om geld te verdienen. Om die reden heeft hij ermee ingestemd te komen werken in het restaurant van de verdachte en de medeverdachte. De familie van de aangever heeft de kosten van zijn reis naar Nederland opgebracht en de aangever wilde (een deel van) het geld dat hij verdiende naar zijn ouders in India sturen. Hij sprak of verstond geen Nederlands en evenmin beheerste hij een andere taal waarmee hij zich in Nederland kon redden. De aangever sprak alleen de taal Punjabi en was analfabeet.

De aangever was in de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres van de verdachte en zijn ex-vrouw en beschikte niet over een eigen, vaste verblijfplaats in Nederland.

Voor het regelen van een verblijfsvergunning bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND), de inschrijving bij de gemeente en het openen van een bankrekening bij de Rabobank, was de aangever volledig afhankelijk van de medewerking en hulp van de verdachte en zijn medeverdachte. Daarnaast werden alle poststukken die voor de aangever bestemd waren, bijvoorbeeld post van de overheid en van de Rabobank, bezorgd op het woonadres van beide verdachten.

Het verblijfsrecht in Nederland van de aangever was verder afhankelijk van zijn werk in het restaurant van de verdachten. De aangever had het werk daarom nodig om in Nederland te kunnen blijven.

De aangever heeft meermaals naar zijn salaris gevraagd. Maandenlang werd er - in strijd met de waarheid - tegen hem gezegd dat zijn bankpas nog niet was bezorgd en dat dit in een drukke stad als Amsterdam wel enige maanden zou duren. Daarna werd hem verteld dat het in Nederland gebruikelijk is om pas na een jaar het salaris in één keer te betalen. De aangever kon niet nagaan of dit waar was. De bankpas en de bankafschriften arriveerden op het woonadres van de verdachte en zijn medeverdachte. De aangever verkeerde niet in de positie om hierover de beschikking te verkrijgen. Daarnaast kon de medeverdachte de rekening gebruiken via internetbankieren.

De rechtbank is van oordeel dat de aangever zich in een kwetsbare positie bevond en dat uit de bovengenoemde omstandigheden ook voortvloeit dat de verdachte en zijn medeverdachte overwicht op de aangever hadden.

Verdachten moeten zich hiervan ook bewust zijn geweest.

Zij wisten dat de aangever uit India kwam, de Nederlandse taal niet beheerste en zich graag in Nederland wilde vestigen. Zij wisten dat de komst en de tewerkstelling van de aangever in Nederland een ingewikkeld proces was, gelet op het feit dat zij dit door een advocaat hebben laten regelen. Uit de gang van zaken bij de gemeente, de IND en de bank blijkt bovendien dat de verdachte zich, zonder hun hulp, niet kon redden in Nederland. Verder moet duidelijk zijn geweest dat de aangever zonder zijn werk in het restaurant van de verdachte, geen verblijfsrecht (meer) had in Nederland en hij er dus groot belang bij had om zijn baan in het restaurant te behouden. De aangever kon niet vrijelijk een andere baan in Nederland gaan zoeken. Dit laatste wordt ondersteund door de omstandigheid dat de aangever, ook al kreeg hij geen geld, toch voor de verdachte en zijn ex-vrouw bleef werken. Ten slotte wisten beide verdachten dat de aangever geen geld had. Zij beschikten immers over de bankpas en rekeningafschriften van de aangever.

4.3.4

Werven

De aangever is in overleg met de verdachte en zijn medeverdachte naar Nederland gekomen, nadat hem was voorgespiegeld dat hij in [naam restaurant] als kok zou werken gedurende vijf dagen per week en dat hij hiervoor maandelijks 1300 à 1400 euro netto aan salaris zou krijgen. Teneinde dit te regelen heeft hij op verzoek van de verdachte de benodigde diploma’s en overige papieren aan hen ter beschikking gesteld, zodat zijn komst naar Nederland door hen kon worden voorbereid.

Na aankomst in Nederland lag een arbeidscontract voor de aangever klaar. Verder werd met hulp van verdachte en de medeverdachte meteen een bankrekening op naam van de aangever geopend, waarop zijn salaris kon worden gestort.

Na zijn aankomst in Nederland, omstreeks 25 juni 2011, is de aangever enkele dagen later aan het werk gegaan voor de verdachten. Hij werkte aldus vanaf juli 2011 voor hen. Begin september 2011 volgde de eerste salarisstorting over de maand augustus 2011. Over de maand juli is dus geen salaris betaald, zoals blijkt uit de bankafschriften. Evenmin blijkt dat de aangever op enig andere wijze is gecompenseerd voor zijn werkzaamheden in de maand juli 2011. Vanaf september 2011 volgde iedere maand een salarisbetaling op zijn rekening. De aangever kon hier echter niet over beschikken want hij beschikte niet over de bankpas van zijn eigen bankrekening die in het bezit was van verdachte en zijn medeverdachte. Verdachte en de medeverdachte hebben het betaalde salaris vervolgens (grotendeels) vrijwel onmiddellijk, soms al op de dag van de salarisbetaling, weer van zijn rekening opgenomen.

4.3.5

Werving door misleiding

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte de aangever door middel van misleiding en met het oogmerk van uitbuiting hebben geworven om hem als kok in hun restaurant arbeid te laten verrichten, zonder hem het voorgespiegelde salaris te betalen. Dat dit van meet af aan de bedoeling van verdachte en zijn medeverdachte is geweest leidt de rechtbank daaruit af dat aangever vrijwel direct na zijn komst is tewerkgesteld en dat voor de eerste maand in het geheel niet is betaald.

4.3.6

Door middel van dwangmiddelen de aangever dwingen of bewegen tot het verrichten van arbeid

De verdachte en de medeverdachte waren samen eigenaar van [naam restaurant] . De verdachte heeft de administratieve gang van zaken met betrekking tot de komst en het verblijf van de aangever door de medeverdachte laten regelen. Zij regelde ook de financiën. De verdachte werkte met de aangever samen in de keuken van hun restaurant. Beide verdachten waren bekend met het feit dat de aangever voor zijn werk, inkomen en verblijfstitel geheel van hen afhankelijk was, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.3.3 heeft overwogen. Zij zijn hem blijven misleiden omtrent de betaling en hebben misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van en hun overwicht op de aangever en hebben hem zo bewogen om arbeid voor hen te (blijven) verrichten.

4.3.7

Opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van de aangever

Naar het oordeel van de rechtbank was het opzet van de verdachte behalve op het voordeel trekken ook gericht op de uitbuiting van de aangever. Dit blijkt uit het feit dat de verdachte en zijn medeverdachte de aangever voor hen hebben laten werken zonder dat hij hiervoor ooit salaris heeft ontvangen. Het salaris dat op de bankrekening van de aangever werd gestort werd direct daarna door zowel de verdachte als zijn medeverdachte opgenomen bij geldautomaten in de buurt van hun woning en in de buurt van [naam restaurant] en daarnaast heeft de medeverdachte ten laste van de rekening van de aangever goederen en diensten gekocht, waarvan aannemelijk is dat deze ten behoeve van hunzelf en hun gezin dienden.

4.3.8

De geloofwaardigheid van de aangever

Door de verdediging is aangevoerd dat de aangever op belangrijke onderdelen niet naar waarheid heeft verklaard. Dit zou tot gevolg moeten hebben dat de verdachte wordt vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegd feiten.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Voorop staat dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen

van getuigen/aangevers in strafzaken. Met name in mensenhandel-zaken is bij de beoordeling

van de betrouwbaarheid en de waardering van de verklaringen van aangevers behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van zowel belastende als ontlastende verklaringen van vermeende slachtoffers in mensenhandel-zaken kan onder druk staan of negatief beïnvloed worden door angst of vanwege het hanteren van andere normen en waarden dan die welke ten grondslag liggen aan de in Nederland geldende strafwetgeving over mensenhandel.

De omstandigheid dat de aangever mogelijk niet de (gehele) waarheid heeft gesproken over waar hij overnachtte en of hij al dan niet het restaurant kon verlaten, leidt niet tot de conclusie dat zijn gehele relaas ongeloofwaardig is. De aangever heeft verder op hoofdlijnen consistent verklaard en op belangrijke punten wordt zijn relaas ondersteund door andere bewijsmiddelen.

4.3.9

De rol van de verdachte en medeplegen

De raadsman heeft verder betoogd dat de medeverdachte de rekening van de aangever heeft afgeroomd. De verdachte had niet het opzet om de aangever uit te buiten en hij heeft dat evenmin gedaan. Hij was niet op de hoogte van de gedragingen van zijn medeverdachte.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

De verdachte was mede-eigenaar van [naam restaurant] . Hij was samen met zijn medeverdachte betrokken bij de komst van de aangever naar Nederland en zijn aanstelling als kok in hun restaurant. Hij is met de aangever en zijn medeverdachte naar de gemeente en de IND geweest, alsmede de Rabobank. Hij wist dat de aangever op zijn woonadres stond ingeschreven en beschikte, als bewoner van die woning, over alle post die voor de aangever op dat adres werd bezorgd. Daaronder was ook de bankpas voor de aangever en de daarbij behorende brief met de pincode.

De medeverdachte maakte het salaris van de aangever over op diens rekening en kort daarna nam zij of de verdachte een grote som geld van de rekening van de aangever op. Dit gebeurde voornamelijk bij geldautomaten in de buurt van hun woning of restaurant. Verdachte was er van op de hoogte dat ook zijn medeverdachte geld opnam. Hij heeft de medeverdachte soms zelfs verzocht om geld van de rekening op te nemen. Daarnaast heeft de medeverdachte door middel van pinbetalingen goederen aangeschaft van de rekening van de aangever. Deze situatie heeft meer dan een jaar geduurd. Zelfs nadat het restaurant aan een ander werd verpacht, werd de bankrekening van de aangever nog gebruikt voor pinbetalingen en kasopnames, waaruit blijkt dat de aangever toen nog steeds niet over zijn eigen bankpas en geld kon beschikken. Toen de pachter het salaris van de aangever niet overmaakte, belde de verdachte de pachter op om te vragen waar het loon bleef.

De verdachte werkte iedere dag samen met de aangever. De verklaring van de aangever, dat

hij hem meerdere keren heeft gevraagd naar zijn loon, acht de rechtbank aannemelijk. De verdachte was immers de mede-eigenaar van [naam restaurant] en dus één van de werkgevers van de aangever. Het ligt voor de hand dat de aangever hem om zijn achterstallig salaris zou vragen.

In het verlengde hiervan acht de rechtbank ook aannemelijk dat de verdachte de aangever heeft voorgehouden dat hij de bankpas nog niet had ontvangen en, nadien, dat hij zijn salaris na een jaar in één keer zou krijgen.

De verdachte was, kortom, volledig op de hoogte en droeg actief bij aan de uitbuiting van de aangever. Verder heeft hij hiervan financieel geprofiteerd door de kasopnames en de goederen en diensten die ten behoeve van hemzelf en zijn medeverdachte, dan wel hun gezin zijn aangeschaft.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Aan de stelling dat de verdachte niets wist van de handelingen van de medeverdachte ten aanzien van de bankrekening van de aangever, hecht de rechtbank in het licht van het voorstaande en mede gelet op de ter terechtzitting door de medeverdachte afgelegde getuigenverklaring, geen geloof.

4.3.10

Conclusie

De rechtbank komt op grond van de in bijlage II opgenomen wettige bewijsmiddelen tot het oordeel dat de verdachte in de periode van juni 2011 tot eind juli 2012 samen met zijn ex-vrouw (en medeverdachte) [aangever] door misleiding naar Nederland heeft laten komen en hem heeft uitgebuit door hem in Amsterdam, in restaurant [naam restaurant] , te laten werken zonder dat hij voor zijn werk salaris heeft ontvangen.

Zij hebben hem gratis voor zich laten werken en hem steeds in strijd met de waarheid voorgespiegeld dat hij zijn loon nog zou krijgen. Er is sprake geweest van een situatie die kenmerken draagt van moderne slavernij en die niet alleen naar Nederlandse maatstaven onaanvaardbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op [aangever] ’s integriteit en persoonlijke vrijheid.

Tevens hebben beide verdachten [aangever] bestolen door in voornoemde periode geld van zijn bankrekening op te nemen en goederen en diensten te betalen van zijn rekening.

Verder is er sprake van oplichting omdat de verdachte en zijn medeverdachte zich hebben voorgedaan als bonafide werkgevers die [aangever] voor zijn arbeid zouden belonen, terwijl zij dit niet hebben gedaan maar hem wel in de waan hebben gebracht en gelaten dat dit zou gebeuren.

Ten slotte hebben beide verdachten het salaris van [aangever] overgedragen en omgezet in cash geld, stortingen op hun eigen bankrekening en er goederen en diensten van betaald, terwijl zij wisten dat dit geld uit een misdrijf afkomstig was.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte

in de periode van 1 juni 2011 tot en met 23 juli 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander

[aangever]

door misleiding heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting van die [aangever]

en

door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, waarvan hij wist dat die [aangever] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangever]

immers heeft hij, de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander

- die [aangever] 6 of 7 dagen in de week, zonder vakantie of vrije dagen, arbeid laten

verrichten (te weten kokswerkzaamheden in [naam restaurant] ,

[adres restaurant] te Amsterdam en

- nadat die [aangever] naar zijn (opgebouwde) salaris vroeg, die [aangever] gezegd dat het

in Nederland gebruikelijk is om een jaar op je salaris te wachten en/of dat het salaris pas na

een jaar werd gestort en/of uitbetaald en

- samen met die [aangever] een bankrekening geopend op het woonadres van de verdachte

en zijn mededader, maar geen bankpas aan [aangever] verstrekt en de bij die bankrekening

behorende bankpas onder zich gehouden en

- met gebruikmaking van de bankpas op naam van die [aangever] en toebehorend aan die

[aangever] (zonder diens toestemming en medeweten) geld opgenomen van de

bankrekening van die [aangever]

2.

op tijdstippen in de periode van 1 juni 2011 tot en met 23 juli 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening met behulp van een bankpas/bankrekening ten name van [aangever] (Rabobank IBANnummer

[rekeningnummer] ) heeft weggenomen geldbedragen,

door met voornoemde bankpas meermalen

- kasopnames te doen bij geldautomaten, waaronder op

31 augustus 2011 een geldbedrag van 1.000 euro en

5 oktober 2011 een geldbedrag van 1.200 euro en

7 februari 2012 een geldbedrag van 1.000 euro en

13 november 2012 een geldbedrag van 1.000 euro en

- een OV-chipkaart aan te schaffen/op te laden, en

- online (middels Ideal) aankopen te doen bij webwinkels en

- beltegoed aan te schaffen en

- pinbetalingen te verrichten, waaronder bij Lidl en Karwan Cosmetic en Van Haren en Hema

en

- parkeergeld te betalen in parkeerautomaten en

- brandstof te betalen bij benzinestations

waarbij de verdachte en zijn mededader de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door de pincode van voornoemde bankpas te gebruiken, terwijl hij, de verdachte en zijn mededader, door de rekeninghouder van de bankpas niet tot dit gebruik gerechtigd of gemachtigd was.

3.

in de periode van 1 juni 2011 tot en met 23 juli 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

het aannemen van een valse hoedanigheid [aangever] heeft bewogen tot het verrichten van arbeid, hebbende de verdachte en zijn mededader toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide werkgevers die salaris betalen voor de door [aangever] verrichte arbeid waardoor [aangever] werd bewogen tot het verrichten van die arbeid;

4.

in de periode van 1 juni 2011 tot en met 23 juli 2012, te Amsterdam, tezamen en in

vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander in genoemde periode bij wijze van gewoonte, geldbedragen overgedragen en omgezet terwijl hij wist dat bovenomschreven

geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest. De officier heeft in haar vordering rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, zakelijk weergegeven, indien zij tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt, rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Indien de rechtbank niet tot de niet-ontvankelijkheid overgaat, wordt verzocht om rekening te houden met de Indiase culturele achtergrond van de verdachte, waarin het gebruikelijk is om gemaakte kosten te compenseren met eventuele verdiensten.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen

geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Het bewezenverklaarde gaat veel verder dan het volgens de raadsman in India niet ongebruikelijke compenseren van kosten en levert uitbuiting van aangever op..

Verdachte en zijn medeverdachte hebben [aangever] vanuit India naar Nederland laten komen om hem als kok in hun restaurant te laten werken. Zij hebben hem voorgespiegeld dat hij als een normale werknemer in Nederland zou worden behandeld: er was een arbeidscontract opgesteld, hij zou vijf dagen in de week - in totaal 40 uren - als kok werken voor een vast salaris en hij zou over vakantiedagen beschikken.

Eenmaal in Nederland pakte het anders uit. [aangever] sprak geen Nederlands en beheerste evenmin een andere taal waarmee hij zich in Nederland kon redden. Hij bleek minstens zes dagen in de week te moeten werken en zijn salaris heeft hij nooit ontvangen. Over de maand juli 2011 is in het geheel geen salaris overgemaakt en de overige salarisbetalingen werden weliswaar gestort op zijn bankrekening, maar daarover kon hij niet beschikken omdat hij geen bankpas had. Deze was in het bezit van de verdachte en zijn medeverdachte.

Doordat op naam van [aangever] een bankrekening was geopend en hierop zijn salaris werd gestort, zag het er naar uit dat hij, conform de afspraken in de arbeidsovereenkomst, ‘normaal’ werd beloond voor zijn arbeid. Vervolgens werd zijn rekening echter zonder zijn toestemming en buiten zijn medeweten geplunderd door beide verdachten. Omdat het om kasopnames en pinbetalingen ging, was dit niet direct naar hen te herleiden.

Intussen werd [aangever] stelselmatig om de tuin geleid als hij naar zijn bankpas en zijn salaris vroeg. Eerst werd hem door de verdachte wijsgemaakt dat de bankpas nog niet was ontvangen, vervolgens werd hem meegedeeld dat zijn salaris nadat hij een jaar voor de verdachten had gewerkt in één keer zou worden uitbetaald. Dat dit niet overeenkwam met hetgeen in de arbeidsovereenkomst was neergelegd, kon [aangever] niet weten omdat hij de in het Nederlands opgestelde overeenkomst niet kon lezen en evenmin op de hoogte was van hoe een en ander in Nederland is geregeld.

Zelfs nadat de pacht van het restaurant, en daarmee de verplichting om salaris aan [aangever] te betalen, door [naam] was overgenomen, maakten verdachte en zijn medeverdachte nog gebruik van de bankrekening van [aangever] om betalingen te verrichten en door middel van kasopnames geld op te nemen. De bankrekening was bovendien nog steeds op hun adres geregistreerd.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij [aangever] samen met zijn toenmalige echtgenote heeft uitgebuit, bestolen, opgelicht en het daarmee verkregen geld heeft witgewassen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een vorm van moderne slavernij, die niet alleen naar Nederlandse maatstaven onaanvaardbaar is.

De rechtbank weegt mee de omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachte geen enkele verantwoordelijkheid nemen voor hun daden. Zij ontkennen de feiten te hebben gepleegd en wijzen elkaar aan als de ‘kwade genius’ in het verhaal. Er is bij de verdachte en zijn medeverdachte bovendien een totaal gebrek aan compassie voor de aangever die India heeft verlaten in de hoop op een beter leven in Nederland en nimmer is betaald voor zijn werk. Naar het oordeel van de rechtbank kan een vrijheidsstraf niet achterwege blijven.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat hij geen veroordelingen op zijn naam heeft.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De reden hiervoor is dat het een oud feit betreft en de verdachte nadien geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Voorts heeft hij intussen werk en een woning wat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf teniet zou doen. Nu de feiten bijna zeven jaar geleden zijn aangevangen, acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet meer op zijn plaats. De rechtbank acht daarom een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen en daarnaast een taakstraf van 140 uur passend en geboden. De rechtbank zal het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf beperken tot de tijd die door verdachten in voorarrest is doorgebracht. Naar de berekening van de rechtbank is dit twee dagen.

Recht op berechting binnen een redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 8 april 2014 is aangehouden en in verzekering is gesteld. De verdediging heeft op 29 september 2016 verzocht om de aangever en een andere persoon door de rechter-commissaris als getuigen te laten horen. Zij hadden beiden echter geen (vast) verblijfadres in Nederland (meer) en uit onderzoek bleek dat zij naar India waren teruggekeerd. De rechter commissaris heeft op 15 juni 2017 geconstateerd dat niet aannemelijk was dat zij binnen aanvaardbare termijn konden worden gehoord en het verzoek om die reden afgewezen. Daarna heeft het nog enige tijd geduurd tot de zaak op zitting kon worden gebracht.

Daarmee rekening houdend, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn met anderhalf jaar is overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de onvoorwaardelijk op te leggen taakstraf tot gevolg moet hebben.

Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze taakstraf matigen tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 273f, 311, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

eendaadse samenloop van

mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik brengt door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

en

medeplegen van oplichting

en

medeplegen van gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart de verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 88 (achtentachtig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en K.A. Brunner, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2018.